CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19 (5 Toelichting ontwerp-bestemmingsplan)

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19.21.287 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met de ontwikkeling wordt voldaan aan de voorwaarden waardoor het provinciaal beleid geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 30

Cultuurhistorie Een belangrijk element in deze situatie is de cultuurhistorische waarde van de omgeving. In de Verordening is deze doormiddel van een aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol vlak” bevestigd. Daarmee zijn ook instructieregels vastgelegd die voor gemeenten gelden bij plannen en ontwikkelingen. De bescherming van cultuurhistorisch waardevol gebied is belangrijk omdat deze onvervangbaar zijn. In deze verordening zijn daarom de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen opgenomen, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW, versie 3.0). Doel van de bescherming is dat de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden blijven behouden. En dat ontwikkelingen hiermee rekening houden zodat de waarden en kenmerken niet worden aangetast. De regels zijn hieronder opgenomen. Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Het plangebied is volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Brabant aangemerkt als ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’.

Deze aanduiding is ook opgenomen in de Interim Omgevingsverordening. Het gebied dat bekend staat als akkercomplex Biest/Westerdijk en waarin het plangebied is gelegen, wordt als waardevol beschouwd. Deze waarden en kenmerken van dit gebied houden verband met bouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, ontginningsgeschiedenis en het historisch- geografisch erfgoed. Het ontwerp van de nieuwe situatie is uitvoerig met de provincie besproken. Het ontwerp van de nieuwe situatie is gebaseerd op natuurlijke, landschappelijke én cultuurhistorische kenmerken en kwaliteiten van het gebied. De aanleg van het ontwerp van het plan is via een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels, waardoor het plan ook daadwerkelijk bijdraagt aan de duurzame ontwikkeling en vervolgens het behoud van de cultuurhistorische waarden. De ruimtelijke elementen zijn vervolgens weer afzonderlijk bestemd als ‘groen’ en ‘natuur’. In de regels behorende bij de bestemming ‘groen’ en ‘natuur’ zijn regels opgenomen ter bescherming van deze waarden. Daarmee is invulling gegeven aan het provinciaal belang ten aanzien van het aspect cultuurhistorie en voldoet het plan aan de regels uit de Interim Omgevingsverordening ruimte.

31

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Hilvarenbeek In de ‘Structuurvisie Hilvarenbeek’ (vastgesteld 25-02-2010) schetst de gemeente Hilvarenbeek de beleidsuitgangspunten voor het ruimtelijke beleid. De beleidsuitgangspunten zijn vertaald naar concrete toetsingscriteria voor ruimtelijke afwegingen. In de structuurvisie is het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek opgedeeld in vier zones: -

Extensiveringsgebied overig; Verwevingsgebied; Extensivering groen; Intensiveringsgebied (LOG).

In haar structuurvisie heeft de gemeente Hilvarenbeek voor iedere zone concrete toetsingscriteria opgesteld. Onderhavig plangebied is gedeeltelijk gelegen in de zone ‘extensiveringsgebied overig’ en gedeeltelijk gelegen in de zone ‘verwevingsgebied’. Extensiveringsgebied overig De extensiveringsgebieden zijn gebieden die veelal rond de dorpskernen zijn gelegen. Voor vrijkomende agrarische bebouwing in deze gebieden gelden de volgende beleidsuitgangspunten: 1. Een nieuwe functie is mogelijk indien geen sprake is van negatieve externe effecten op de woon- en leefomgeving, zoals verkeersaantrekkende werking en parkeren; Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. De beoogde functie leidt niet tot een onevenredige aantasting van de woon- en leefomgeving. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 2. Een nieuwe functie is mogelijk indien wordt voldaan aan de wettelijk milieunormering; Voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor omliggende milieugevoelige objecten. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 3. Een nieuwe functie is mogelijk binnen de bestaande bebouwing. Initiatieven die betrekking hebben op een wijziging van het erf, dienen landschappelijk te worden ingepast in de omgeving. Buitenopslag is hierbij niet toegestaan; Onderhavige ontwikkeling bestaat uit een wijziging van het erf.

De nieuwe functie wordt landschappelijk ingepast in de omgeving. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 4. Een nieuwe functie is mogelijk indien er sprake is van wonen, zorg, kleinschalige ambachten/ bedrijvigheid, toerisme en/of recreatie of educatie; Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een agrarisch/recreatief bedrijf en heeft raakvlakken met zowel ambachtelijkheid, dag- en verblijfsrecreatie als educatie waardoor het initiatief in lijn ligt met de ontwikkelrichting voor dit gebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 5. Doorontwikkeling van de functie is mogelijk, mits landschappelijk aanvaardbaar en geen negatieve externe effecten optreden;

32

Met de doorontwikkeling van het concept is in de planvorming al rekening gehouden en vormt dan ook onderdeel van dit bestemmingsplan. Door het realiseren van meerdere ‘bladen’ wordt het beoogde eindbeeld niet in één stap gerealiseerd maar kan het concept stap voor stap (blad voor blad) groeien. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 6. Overtollige bebouwing dient gesloopt te worden. Buitenopslag dient voorkomen te worden. De overtollige varkensstallen worden in het kader van de Srv-regeling gesloopt. Daarnaast vindt er t.b.v. de nieuwe functie geen buitenopslag plaats. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Verwevingsgebied In het verwevingsgebied geldt voor de vrijkomende agrarische bebouwing de volgende beleidsuitgangspunten: 1. In een verwevingsgebied is het mogelijk een nieuwe functie te starten, indien nu en in de toekomst geen sprake is van een belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en het woon- en leefklimaat; Uit paragraaf 4.7 blijkt dat er een voldoende ruimtelijke scheiding bestaat tussen de beoogde functie en omliggende bedrijven en woningen. Er kan dus geconcludeerd worden dat de functie enerzijds geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven en anderzijds geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige objecten. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 2.

Bij beëindiging van een agrarisch bedrijf kan de vrijgekomen agrarische bebouwing omgezet worden naar niet agrarische functies, bijvoorbeeld woningbouw in kernrand-zones clusters of linten mits overtollige bebouwing gesloopt wordt; Het agrarisch bedrijf wordt beëindigd en omgezet naar een niet agrarische functie. Deze ontwikkeling is voorstelbaar in de kernrandzone nabij de kern BiestHouthakker. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 3. Bovenstaande zal verder worden uitgewerkt in het BIO-beleid dat vertaald wordt in het bestemmingsplan buitengebied. Het BIO-beleid is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Daarnaast worden voor zowel het ‘extensiveringsgebied overig’ als het ‘verwevingsgebied’ kansen gezien voor toerisme. Het beleid is gericht op het meewerken aan initiatieven op het gebied van (agro-)toerisme. Dit soort initiatieven ziet de gemeente als waardevolle aanvulling op het functioneren van het buitengebied. Bovendien vergroot een dergelijke vorm van toerisme de beleving van de kwaliteiten van het buitengebied. Bij de afweging of de gemeente aan een initiatief planologische medewerking verleent, is het zaak dat het initiatief een waardevolle toevoeging zal zijn. Om dit te bewerkstelligen zal de gemeente de volgende criteria hanteren: 1. Kleinschaligheid, passend binnen de grenzen ten aanzien van de schaal en omvang in combinatie met de omgeving; 2.

Voorkomen van clustering en concentratie;

33

Ondanks het feit dat het grootschalige vakantiepark ‘De Beekse Bergen’ op een afstand van 600 meter ten noorden van het plangebied is gelegen, is er geen sprake van een clustering of concentratie van functies die gericht zijn op recreatie. Daarnaast is voorgenomen recreatieve functie verschillend qua aard en omvang waardoor het initiatief uniek is. 3. Voorkomen van belemmering voor omliggende functies; Uit hoofdstuk 4 blijkt dat er een voldoende ruimtelijke scheiding bestaat tussen de beoogde functie en omliggende bedrijven en woningen waardoor het initiatief omliggende functies niet belemmert. 4. Overtollige bebouwing dient gesloopt te worden. De overtollige gebouwen worden in het kader van de Srv-regeling gesloopt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Uit bovenstaande toetsing blijkt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de beleidsuitgangspunten voor de twee deelgebieden. Het initiatief ligt daarmee in lijn met de Structuurvisie Hilvarenbeek.

3.3.2

Ontwikkelingsrichting Biestsestraat – Klein Westerwijksestraat In het gebied Biestsestraat – Klein Westerwijksestraat spelen verschillende ontwikkelingen op verschillende locaties. Het gebied wordt al jaren gekenmerkt door verschillende functies en activiteiten, waarbij er eigenlijk twee bepalende fysieke factoren zijn die het gebied vormgeven; de Biestsestraat als hoofdontsluiting van het dorp Biest-Houtakker en het Wilhelminakanaal als aanwezige lijnstructuur in het landschap. In het gebied is veel (potentieel) dynamiek aanwezig. Veel agrarische bedrijven staan op een drempel naar de toekomst en maken een keuze voor hun bedrijfsvoering en activiteiten. Als gemeente wil je deze keuzes faciliteren en het algemeen belang daarbij behartigen. De gemeente wil zuinig om gaan met de ruimtelijke kwaliteit en kenmerken van en gebied, het liefste zelfs versterken. Niet alle functies of activiteiten verhouden zich tot deze kwaliteiten. Liever nog dragen deze functies en activiteiten bij aan de kwaliteiten van een gebied, zodat het een, het andere versterkt en daardoor een balans ontstaat tussen kwaliteit en activiteit. In april 2022 heeft de gemeente daarom de ontwikkelingsrichting van Biestsestraat – Klein Westerwijksestraat opgesteld.

De ontwikkeling die in met dit plan wordt beoogd, staat in deze ontwikkelingsrichting als volgt beschreven: “Hier is één concreet initiatief lopende voor een SRV-locatie. Deze wil ook omschakelen naar recreatieve functies. In dit geval specifiek gekoppeld aan landbouwvormen en een stuk educatie. De link tussen recreatie, landbouw, educatie en een beperkte horecafunctie is sterk aanwezig in dit plan. Hiervoor is echter wel grondoppervlak nodig. Deze is beschikbaar. De impact is zeer gering en van toegevoegde waarde voor BiestHoutakker en de leefbaarheid van het landelijke gebied. Bij uitstek een functie die prima past in het overgangsgebied tussen dorp en de meer intensieve agrarische functies verderop langs de Klein Westerwijksestraat.” Ontwikkelingsrichting De gemeenten ziet voor functies in het gebied Biestsestraat – Klein Westerwijksestraat een drietal hoofdlijnen voor ontwikkelingen die zich in de toekomst waarschijnlijk gaan

34

voordoen. Het plangebied ligt (zie figuur 8) centraal tussen het Agrarisch lint, het recreatief cluster en het dorpslint met dorpsrand in. In feite vormt het de verbinding tussen deze drie clusters/gebiedstyperingen. Omdat het initiatief als een multifunctionele plattelandsonderneming kan worden getypeerd, valt deze precies op zijn plek. De plattelandsonderneming is gebaseerd op het kampenlandschap en richt zich op de beleving van het landschap. De beleving is zowel op recreatief als kleinschalige agrarische productie gericht, waaronder een wijngaard en voedselbos. Door de producten ter plaatse te be- en verwerken en dat ook via workshops te doen, worden mensen meegenomen in de kwaliteiten van landschap. Een perfect functionele mix in het midden van de deelgebieden. Specifiek over recreatieve en toeristische functies is het volgende opgenomen: Recreatieve en toeristisch functies bindt de gemeente niet aan een bepaalde maatvoering omdat de ruimtevraag heel erg afhangt van de activiteit. Bebouwing en verhardingen zijn echter wel gebonden aan zuinig ruimtegebruik en een beperkt bebouwd of verhard oppervlak. Met name bij verblijfsrecreatie. Een hoogwaardige kwaliteit van de bebouwde massa is in de toeristisch-recreatieve sector feitelijk onderdeel van het recreatieve product.

Een groter ruimtebeslag of spreiding over een bouwperceel is passend in dit gebied als dat gebaseerd is op een meer extensief gebruik van de grond. Bijvoorbeeld als maisdoolhof, boskampeerplaats of de bestaande visvijvers. Maar ook voor spreiding van hoogwaardige recreatieve elementen in een hoogwaardig landschappelijk concept. De fysieke ruimte is voor dergelijke recreatieve concepten op specifieke plaatsen gewoon aanwezig.

Figuur 8 Ontwikkelingsrichting Biestsestraat - Klein Westerwijksestraat

35

Tot slot moeten nieuwe ontwikkeling landschappelijk worden ingepast. Daarvoor is het landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek 2014, samen met de structuurvisie Buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek leidend. Deze zijn ook als uitgangspunt gehanteerd in het landschappelijk ontwerp (zie bijlage 1). Hieronder de beschrijving van het Kampenlandschap waarin het plangebied is gelegen Het Kampen- en Hoevenlandschap volgt de opbouw van het natuurlijke landschap. Het landschappelijk karakter wordt hier doorgaans gekenmerkt door een organisch gevormd patroon van wegen en (indien aanwezig) waterlopen. De verkaveling binnen dit type landschap vertoont een afwisselend en vaak onregelmatig beeld, waarbij landbouwgronden, houtwallen en bosjes veelvuldig voorkomen. Het landschapsbeeld is hierdoor sterk afwisselend en veelal kleinschalig van karakter.

3.3.3

Landschapsinvesteringsregeling Hilvarenbeek In regionaal verband (Hart van Brabant) zijn afspraken gemaakt omtrent de doorwerking van artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. In dat artikel is aangegeven dat bij ontwikkelingen sprake dient te zijn van een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit beleid is vastgesteld in het document ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015, vastgesteld op 10 december 2015 van toepassing. In dat beleid wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen (extra kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist). Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).

Dit gaat om ontwikkelingen waarbij de inspanning die verricht moet worden ten behoeve van kwaliteitsverbetering van het landschap relatief eenvoudig kwantitatief genormeerd kan worden, omdat het mogelijk is deze ontwikkeling te koppelen aan waardevermeerdering van de grond of van het object (“de bestemmingswinst”). Dit betreft veelal ontwikkelingen die een beduidende invloed hebben op de omgeving en waarbij vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Het betreft uiteraard wel ontwikkelingen die verder passen binnen de kaders van de Verordening ruimte. In sommige gevallen kan het nodig zijn dat -in overleg tussen gemeente en provincie -een maatwerkoplossing wordt gezocht voor het bepalen van de omvang van de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit betreft veelal complexe ontwikkelingen met grootschalig ruimtebeslag en/of grote impact op de omgeving (voorbeelden: uitbreiding Efteling, Beekse Bergen, oprichting windturbines, aanleg infrastructuur)

36

Geconcludeerd is dat voorgestane ontwikkeling onder categorie 3 valt en daardoor een aparte berekening gemaakt dient te worden die de opgave voor kwaliteitsverbetering in beeld brengt. De gemeente heeft in dit kader een aparte rekenmodule gemaakt die hiervoor gebruikt. in bijlage 2 van dit bestemmingsplan is die berekening inzichtelijk gemaakt. Geconcludeerd wordt dat het plan niet alleen voldoet aan de kwaliteitsverbetering, maar zelfs 4x zoveel kwaliteit toevoegt aan het gebied.

3.4

Beeldkwaliteit Hilvarenbeek Kritisch: gericht op behoud en versterking van kwaliteit en de karakteristiek van de bebouwing, of het tot stand brengen van een nieuwe karakteristiek. Dit niveau geldt voor de gebieden met Dorpse Waarden: - Historisch dorpsgebied - Historische linten - Veldlinten en gehuchten - Ensembles met architectonische waarde - Landgoederen - Individuele monumenten - Parken Deze gebieden zijn ook in de cultuurhistoriekaart veelal aangegeven als historische dorpsstructuur. Overige kritische gebieden: - Ontwikkelingsgebieden (via beeldkwaliteitsplannen) - De belangrijkste toegangswegen van de kernen Licht: gericht op voorkomen van verrommeling. De verantwoordelijkheid voor kwaliteit wordt nadrukkelijk bij de initiatiefnemer gelegd. Het beleid is een richtlijn voor de initiatiefnemer, en een vangnet ter voorkoming van “ongelukken”. Dit niveau geldt voor de meeste woonwijken en gemengde gebieden (dus ook waar bedrijvigheid aan ligt) en het overig landelijk gebied. Dit toetsingsniveau is dus beduidend lichter dan het toetsingsniveau voor deze gebieden in de oude welstandsnota. Algemene hoofduitgangspunten 1. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid moet een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. 2. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid moet worden toegespitst op de betekenis van bouwplannen voor het publieke belang en de openbare ruimte.

Hoe minder de betekenis, hoe lichter de eisen t.a.v. de ruimtelijke kwaliteit. 3. De uitwerking van dit beleid moet niet leiden tot overbodige regels, maar aandacht geven waar dat moet en meer vrijheid bieden waar dat kan. 4. Toetsing en –advisering is afgestemd op de welstandsniveaus, en zo efficiënt mogelijk ingericht. 5. Toetsing op, en advisering over welstand en cultuurhistorische aspecten wordt zoveel mogelijk integraal uitgevoerd. 6. De nota ruimtelijke kwaliteit is gebaseerd op actuele wet- en regelgeving en afgestemd op overig ruimtelijk beleid, zoals de structuurvisie of omgevingsvisie. 7. De cultuurhistoriekaart en de uitgangspunten daarvoor vormen de basis voor de gebiedsindeling van de nieuwe nota ruimtelijke kwaliteit.

37

De gebieden met Dorpse Waarden hebben een kritisch toetsingsniveau, de overige gebieden een licht toetsingsniveau. Enkele gebieden zijn vrijgesteld van toetsing • Bestaande waarden en structuren behouden en versterken. Door rekening te houden met bestaande waarden en structuren kunnen nieuwe bouwplannen een toegevoegde waarde zijn in de omgeving en wordt geen afbreuk gedaan aan het bestaande dorpse karakter. Dit wil tevens zeggen dat vernieuwing mogelijk is. Moderne architectuur kan bijvoorbeeld best, ook naast oude waardevolle elementen, zo lang er maar rekening gehouden wordt met de aanwezige kwaliteiten. Op die manier wordt de dorpse structuur versterkt. • Rekening houden met maat en schaal van nieuwe bouwplannen. De maat en schaal van bebouwing is erg belangrijk voor de verschijningsvorm. Materiaalgebruik en vormgeving kunnen heel anders zijn, maar door de schaal in verhouding met de omgeving te laten zijn, ontstaat vaak toch een bij elkaar passend geheel. De maatvoering van bebouwing is bepaald in bestemmingsplannen. In nieuwe bestemmingsplannen moet hier rekening mee gehouden worden. • Bij bouwplannen rekening houden met de passendheid in de omgeving. Een bouwplan staat niet op zichzelf. Hetzelfde bouwplan op een andere plek kan ineens heel anders zijn. Het is erg bepalend in welke omgeving iets staat.

Bij het maken van een bouwplan moet daarom altijd rekening gehouden worden met de omgeving. • Ruimtelijke kwaliteit zo vroeg mogelijk in de planontwikkeling te bespreken. In de huidige situatie komt de uiterlijke verschijningsvorm van een bouwplan pas aan de orde bij de welstandstoets bij de vergunningverlening. Dit betekent dat het bouwplan dan al helemaal uitgewerkt is terwijl er nog niet over de ruimtelijke kwaliteit is gesproken. Door de discussie hierover eerder te voeren, kan er bij het uitwerken van het bouwplan rekening mee gehouden worden. Hierdoor zijn de verwachtingen aan de voorkant duidelijk. Dit levert voordeel op voor de initiatiefnemer en ook voor de gemeente. Het planvormingstraject kan soepeler verlopen omdat er meer duidelijkheid is. Dit scheelt tijd en geld. En discussie achteraf wordt voorkomen.

38

HOOFDSTUK

4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording

4.1

M.e.r.-plicht Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelings-plichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r.-plicht. Toets m.e.r. plicht Met dit bestemmingsplan wordt een recreatief concept ontwikkeld, waaronder 25 recreatiewoningen, een multifunctioneel gebouw t.b.v.

dagrecreatie, educatie en horeca en een nieuw voedsellandschap. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht De voorgenomen ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De realisatie van 25 recreatiewoningen en het mogelijk maken van een multifunctioneel gebouw t.b.v. het zintuigenlandschap worden genoemd in de categorieën D9 (landinrichtingsproject, D10 (aanleg van een vakantiedorp buiten de stedelijke zone) en D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In deze categorisering is een kwantitatieve maat opgenomen voor deze ontwikkelingen. Geconcludeerd wordt daarom dat het onduidelijk is of het planvorm als geheel m.e.r.-beoordelingsplichtig is of niet. Belangrijk is dan ook om aan te tonen of van het totale concept sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Specifiek zijn de omschrijvingen van een landinrichtingsproject, de aanleg van een vakantiedorp en een stedelijk ontwikkelingstraject in de bijlage van het Besluit m.e.r. als volgt aangegeven: Categorie D9 heeft betrekking op een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw geldt dat sprake is van een plan-m.e.r. plicht.

Categorie D10 heeft betrekking op de aanleg, wijziging of uitbreiding van (o.a.) vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of en oppervlakte van 10 39

hectare of meer in een gevoelig gebied. Als dat het geval is, dan is sprake van een planm.e.r. plicht. Categorie D11.2 heeft betrekking op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer is sprake van een planm.e.r. plicht. Het plan heeft geen betrekking op ligplaatsen en is niet gelegen in een gevoelig gebied. Het initiatief blijft met een oppervlakte van circa 7 hectare, ruim onder de minimale omvang van 25 hectare. Bij een bezettingsgraad van 80% (jaarrond) is sprake van 14.600 bezoekers per jaar op basis van 2 personen per huisje. Wanneer er vier personen per huisje verblijven zijn dat 29.200 bezoekers per jaar. De workshops, educatie en dagrecreatieve voorzieningen zijn vooral in het weekend en vakantiedagen te bezoeken en gerelateerd aan het groeiseizoen. Uitgaande van 10 personen per workshop en per dagdeel een workshop, kom je uit op 20 bezoekers per dag. Er zijn 52 weekenden in het jaar en 55 vakantiedagen (schoolvakanties).

Met een maximumbezetting van 20 bezoekers per dag, komt het aantal bezoekers per jaar voor de dagrecreatie/educatie uit op 3.180 bezoekers op jaar basis. In combinatie met de verblijfsrecreatie komt het maximum gemiddelde aantal bezoekers uit op een aantal dat tussen de 18.000 en de 33.000 ligt. Dat is ruim onder de 250.000 bezoekers. Op alle aspecten blijft het initiatief ruim onder de minimale omvang zoals is aangeven in de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. M.e.r.-beoordeling voor ontwikkeling beneden de drempelwaarde De omvang van een project zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is niet het enige criterium om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. De gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) zijn daarmee indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd moet aangeven of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.

Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen.

40

Het bestemmingsplan is alsnog m.e.r.-plichtig als op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn 2011/92/EU niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Onderstaande zijn deze selectiecriteria weergegeven: Criteria bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn 2011/92/EU) 1. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • de omvang van het project, • de cumulatie met andere projecten, • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, • de productie van afvalstoffen • verontreiniging en hinder • risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën. 2.

Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bestaand grondgebruik, • de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, • het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), • het grensoverschrijdende karakter van het effect, • de waarschijnlijkheid van het effect, • de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Omdat het plan wel voorziet in een ontwikkeling die genoemd wordt in de bijlagen van het besluit milieueffectrapportage, maar ónder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D9, D10 en D.11.2 van het Besluit m.e.r., is een toets uitgevoerd of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze is als bijlage IV toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval 41

moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Volgens art. 7.2a lid 1 Wm zijn plannen die volgens een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht zijn en waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt m.e.r.-plichtig. Wanneer een significant effect op voorhand niet kan worden uitgesloten is op basis van de Wet natuurbescherming en wet milieubeheer sprake van een m.e.r.-plicht. Uit de paragrafen in dit hoofdstuk blijkt dat geen sprake is van significante effecten op het Natura2000 gebied. Conclusie milieueffectrapportage a. De beoogde functiewijziging komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt voor wat betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein wel onder categorie D9, D10 en D11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r..

Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij categorie D9, D10 en D11.2 genoemde 'drempelwaarden' niet worden overschreden; c. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, is voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een m.e.r.-beoordeling derhalve niet noodzakelijk is.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Binnen het plangebied is geen dubbelbestemming opgenomen die eventuele aanwezige archeologische waarden beschermen. De ontwikkeling is derhalve uitgezonderd van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging.

42

Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn geen cultuurhistorische elementen of bebouwing weergegeven op of nabij het plangebied. Daarnaast zijn er geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Bij de landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3.2) is wel rekening gehouden met het behoud en terugbrengen van cultuurhistorische- en landschappelijke elementen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

4.3

Flora en Fauna

4.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde floraen faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000-gebied Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen.

De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Kempenland-West’ en ‘Regte Heide & Riels Laag’ die op een afstand van respectievelijk 4,7 en 7,0 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop- en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS-calculator kan de stikstofdepositie door een ruimtelijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. Voor dit project (gebruiks- en aanlegfase is de meest recente versie van Aerius gebruikt (16 maart 2023). De berekeningen zijn uitgevoerd op 13 juni 2023. Middels deze versie van de Aerius calculator kan voor een aantal initiatieven gerekend worden, waaronder onderhavig initiatief. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof.

43

Door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de rad van State op 19 november 2022 is de bouwvrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten vernietigd en dient ook voor de aanlegfase een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Uiteraard geldt dat ook voor de gebruiksfase, gezien de toename van het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie, wel een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Voor de rapportage van de stikstofdepositieberekening wordt verwezen naar bijlage V. Onderstaand is de conclusie uit dit rapport weergegeven. Conclusie Uit de resultaten van de AERIUS-berekening (zie bijlage V) volgt dat er als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Het initiatief heeft derhalve geen significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Natuur Netwerk Brabant Uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied buiten de begrenzing van het NNB is gelegen. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door verspreiding van stoffen in lucht of water.

Het meest dichtstbijzijnde gebied behorende bij het Natuurnetwerk Brabant betreft een bosperceel aan de overzijde van de Klein Westerwijksestraat en is op een afstand van 10 meter ten zuiden van het plangebied gelegen. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot dit gebied, zijn negatieve effecten uit te sluiten.

4.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Er dient voor de bestemmingswijziging vastgesteld te worden of de ontwikkeling een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom op 17 juli 2020 door Brabant Eco een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage VI bijgevoegd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna zo goed als zeker worden uitgesloten. Mede hierdoor en aan de hand van de geplande functieverandering van het plangebied; het slopen van de varkensstallen, waardoor de intensieve varkenshouderij volledig verdwijnt, wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren.

De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op

44

de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen dienen ervoor om negatieve gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen of te verzachten. Bij de landschappelijke inpassing met groenstructuren worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant.

Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en struifmeel afhankelijk zijn, op elkaar afgestemd. Een belangrijk verschil met uitheemse soorten die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters. Om de biodiversiteit van het begin van de kringloop te verhogen is het aanleggen van een bloemenweide en het plaatsen van een insectenhotel aan te bevelen. Hiervoor kan een deel ingezaaid worden met een meerjarig grasmengsel met algemene overblijvende soorten, zoals margriet, rode klaver, kleine pimpernel, wilde peen, duizendblad en gewoon knoopkruid. Soorten die van nature ook in bermen voorkomen. Er kunnen bomen en struiken geplant gaan worden, zoals zwarte els, linden, zomereik, zoete kers, sleedoorn en wilgen. En veldesdoorn, lijsterbes, vuilboom en wilde appel.

Ook het plaatsen van een vlechthaag kan bijdragen aan deze biodiversiteit. Deze vlechthaag bestaat uit bes/ en nootdragende struiken: meidoorn, sleedoorn, hazelaar, wilde kardinaalsmuts, Gelderse roos, hondsroos, egelantier, wilde kamperfoelie en wegedoorn. Om de habitat voor de eventueel aanwezige huismussen te verbeteren is het aan te bevelen om de tuin huismusvriendelijker te maken door het plaatsen van enkele tussentijdse of permanente voorzieningen in de tuin en aan het huis. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn 45

projecten en de directe omgeving www.checklistgroenbouwen.nl.

natuurvriendelijker

kan

maken.

Zie

De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten. Bij onvoorziene omstandigheden dient daarnaast direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Effecten op het Natuurnetwerk Nederland zijn niet denkbaar. Een nadere toetsing is dus niet aan de orde. Voor de herbestemming van het perceel zorgt het aspect Natuur dus niet voor een belemmering voor onderhavig plan.

4.4

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

4.4.1

Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, het Waterbeheerplan 2016-2021 van waterschap De Dommel, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tevens zijn de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Dommel van belang. Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin 46

wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.

Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m².

4.4.2

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het initiatief heeft betrekking op de realisatie van 25 recreatiewoningen met een oppervlakte van ieder circa 60 m2 en een gebouw met sanitaire voorzieningen met een oppervlakte van circa 250 m2. De gezamenlijke oppervlakte van deze bebouwing bedraagt 1.750 m2, wat betekent dat vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen er compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. Uit het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (2017-2021) van de gemeente Hilvarenbeek en de themakaart Keur van het Waterschap De Dommel blijkt dat voor ontwikkelingen buiten de bebouwde kom met een uitbreiding van het verhard oppervlak van minimaal 250 m 2 de compensatieberging per m2 nieuw verhard oppervlak minimaal 55 mm bedraagt. Dat houdt in dat de compensatieberging ten minste (1.750 * 0,06 =) 105 m3 dient te bedragen. In de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met deze compensatieverplichting. Voor de resterende bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. Zo kan de bestaande woning zoals in de huidige situatie aangesloten blijven op het riool. Tot slot is binnen het plangebied een A-waterging gelegen. Gezien de ontwikkeling voorziet in een padenstructuur die deze watergang doorkruist, dient een vergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap De Dommel.

De overbrugging van deze A-watergang wordt gerealiseerd middels duikers. Voor de aanleg van deze duikers wordt een vergunning

47

aangevraagd. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.

4.5

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Omdat met de voorgestane ontwikkeling (realisatie zintuigenlandschap met dag- en verblijfsrecreatie) langer dan twee uur kan worden verbleven op deze plek, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige bestemming. Een bodemonderzoek dient aan te tonen dat sprake is van een acceptabele kwaliteit van de bodem. Er is derhalve op 13 en 24 september door Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In bijlage VII van deze toelichting is het rapport opgenomen dat het bodemonderzoek beschrijft. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie en aanbeveling opgenomen. Tijdens uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn ter plaatse van het erf in boring 109 van 0,2 - 0,4 m-mv sterke bijmengingen met puin in de bodem waargenomen. Dergelijke bijmengingen kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van asbest in de grond. Verder zijn in de bodem geen bijmengingen waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging. Grond Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond van boring 109 in het traject van 0,2 -0,4 mmv plaatselijk lichte verontreinigd is met PAK.

Die verhoogde gehaltes zijn gerelateerd aan de waargenomen bijmengingen van puin. Verder blijkt dat verdeeld over de onderzoekslocatie in de zintuiglijk schone grond enkele lichte verontreinigingen met koper en/of zink zijn aangetoond. Voor deze licht verhoogde gehalte aan bestaat op basis van dit onderzoek geen verklaring. De aangetoonde gehalten PAK, koper en zink zijn zo laag dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk is. Grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 101 is een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond die waarschijnlijk gerelateerd is aan de voormalige tank. Verder zijn plaatselijk lichte verontreinigingen met minerale olie, barium, nikkel en cadmium aangetoond. Voor deze licht verhoogde gehalte met minerale olie, nikkel en cadmium aan bestaat op basis van dit onderzoek geen verklaring. De aangetoonde gehalten zijn zo laag dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk is. In peilbuis 212 blijkt het grondwater matig verontreinigd te zijn met barium. Op of nabij de locatie is geen bron aanwezig die een barium verontreiniging kan hebben veroorzaakt. Aangenomen wordt dat de licht en matig verhoogde gehalten barium te relateren zijn aan van nature verhoogde achtergrondconcentraties. De resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van de grond en het grondwater stemmen nagenoeg overeen met de gestelde hypotheses.

De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie.

48

Conclusie en advies De sterke bijmenging met puin in de bovengrond onder de oprit (boring 109) kan duiden op een mogelijke relatie met asbest. Deze veldwaarneming geeft aanleiding het verrichten van verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de oprit. De overige resultaten van het verkennend bodemonderzoek vormen geen aanleiding voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. Geadviseerd wordt om een asbestonderzoek te verrichten ter plaatse van de oprit (boring 109 en omliggend straatwerk).

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur Uit het geldende bestemmingsplan blijkt dat er binnen het plangebied twee gasleidingen zijn gelegen. Deze leidingen zijn aangeduid met de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’. Binnen deze dubbelbestemming zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van deze dubbelbestemming. Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het bouwen binnen deze dubbelbestemming waardoor deze gasleiding geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Uit de risicokaart blijkt daarnaast dat voor deze buisleidingen geen plaatsgebonden risicocontour is opgenomen waardoor dit geen belemmering vormt voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid.

Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie slechts enkele bedrijven en andere functies gelegen waardoor niet gesproken kan worden van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom dus niet met 1 stap worden verkleind. Gezien de voorgenomen wijziging naar de bestemming ‘Recreatie’, dient beoordeeld te worden of er kan worden voldaan aan de richtafstand tot omliggende milieugevoelige objecten. Conform de VNG-publicatie 49

behoort de beoogde recreatieve functie tot de categorie ‘kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ en dient er een afstand van minimaal 50 meter tot omliggende milieugevoelige objecten aangehouden te worden. Het meest dichtstbijzijnde milieugevoelige object is de bedrijfswoning aan de Klein Westerwijksestraat 12. Deze woning is op een afstand van circa 85 meter van het plangebied gelegen waardoor aan de minimum richtafstand kan worden voldaan. Daarnaast dient er ook een omgekeerde toetsing plaats te vinden waarin wordt bepaald of voldaan kan worden aan de minimumafstand van omliggende bedrijven tot de beoogde milieugevoelige objecten (recreatiewoningen). Hierbij is getoetst of de recreatieve functie binnen de minimum richtafstand van omliggen bedrijven is gelegen. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand van het bestemmingsvlak van de beoogde recreatieve functie tot het bouwvlak van de omliggende bedrijven. In onderstaande tabel zijn de meest nabijgelegen functies opgenomen. Adres

Functie

Milieucat.

Klein Westerwijksestraat 12 Klein Westerwijksestraat 16 Klein Westerwijksestraat 17 Klein Westerwijksestraat 18 Biestsestraat 99 Biestsestraat 101 Biestsestraat 103b

Agrarisch Verhuurbedrijf Varkenshouderij Autogarage Bedrijf Café Visvijver incl. horeca Rundveehouderij

Biestsestraat 108 en 110

Minimum afstand 30 meter 30 meter 200 meter 30 meter 30 meter 10 meter 10 meter

Voldaan?

2 2 4.1 2 2 1 1

Werkelijke afstand 65 meter 35 meter 220 meter 140 meter 90 meter 75 meter 30 meter

3.2

130 meter

100 meter

Ja

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Uit bovenstaande tabel blijkt aan de minimum richtafstanden tot omliggende functies voldaan kan worden. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

4.8

Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Met name de handreiking wet geurhinder en veehouderij geeft nadere invulling in het gebruik van de wet. Om te voorkomen dat de bestemmingswijziging een belemmering kan vormen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende (intensieve) veehouderijen is onderzocht of er hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten ontstaan in dit agrarische gebied. Er worden vijf typen geurgevoelige objecten onderscheiden in de handreiking: a. Ruimte-voor-ruimte woning (of ander geurgevoelig object): - gebouwd na 19 maart 2000 - op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij - waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, én - waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt b. Bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij c. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij

50

d. e.

Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die vóór 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij Alle woningen (en andere geurgevoelige objecten) die niet onder a t/m d vallen

Vaste afstanden Op dit moment is de bedrijfswoning te kenmerken als een categorie b-object. In de gewenste situatie wordt de veehouderij beëindigd en wordt de woning gezien als een voormalige bedrijfswoning die geen onderdeel meer is van een veehouderij, zoals bedoeld onder categorie c. Hierover wordt in de handreiking het volgende gesteld: “Voor voormalige bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) bij andere veehouderijen, gelden vaste afstanden, ook bij dieren met geuremissiefactoren, als de woning op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van de veehouderij”. De afstand zoals deze is vastgelegd in de handreiking bedraagt ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Hier wordt in onderhavig geval ruimschoots aan voldaan. In artikel 5 van de Wgv zijn minimale afstanden opgenomen vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Buiten de bebouwde kom dient deze afstand tenminste 25 meter te bedragen. De woning aan de Klein Westerwijksestraat 19 voldoet hier ruimschoots aan. Naast deze vaste afstand is tevens de geurbelasting van omliggende veehouderijen op de (recreatie)woningen berekend. Onderstaand zijn de conclusies uit het geuronderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage VIII.

Naast de (voormalige) bedrijfswoning geldt dat er een multifunctioneel gebouw is gerealiseerd waarin mensen kunnen verblijven en deze derhalve als geurgevoelig kan worden beschouwd (e-object). Hetzelfde geldt voor de recreatiewoningen. Wanneer deze jaarrond kunnen worden bezet, geldt dat deze als geurgevoelig kunnen worden beschouwd. Voor de totale ontwikkeling is het belangrijk om te kunnen beoordelen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat er geen veehouderijen onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Aan de hand van de berekende geurcontouren en geurbelasting op het plangebied zijn belangenafwegingen gemaakt die betrekking heeft op de volgende punten: • Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderijen derden). Uit de beoordeling kunnen de volgende deelconclusies worden getrokken: 1. Ter hoogte van het plangebied is, met een geurbelasting die voldoet aan de wettelijke hinderpercentages, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uitgezonderd hierop is het zuidwestelijke toetspunt. Het maximale hinderpercentage wordt echter niet overschreden; 2. Met onderhavig plan worden geen nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. Derhalve worden de omliggende veehouderijen niet in hun belangen geschaad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16624423/1