CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19 (5 Toelichting ontwerp-bestemmingsplan)

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19.21.287 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van het plangebied aan de Klein Westerwijksestraat 19 te Biest-Houtakker niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt.

51

4.9

Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval is ter plaatse reeds sprake van een bestaande bedrijfswoning, waarvoor reeds is bepaald dat de situatie acceptabel is om voor langere tijd te verblijven. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het behoud van de bedrijfswoning. De omgevingsdienst heeft aangegeven dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening, inzicht dient te worden gegeven over het geluidsniveau ter plaatse en de aanvaardbaarheid daarvan. Dit inzicht wordt geboden door het opnemen van een uitsnede van de kaart “geluid in Nederland (Lcum)” uit www.atlasleefomgeving.nl. In figuur 9 is deze uitsnede weergegeven. Daarin is te zien dat de woning binnen een zone ligt van geluid die als “redelijk” kan worden bestempeld. Dat is niet ideaal, maar ook niet slecht.

Figuur 9 Uitsnede kaart "Geluid in Nederland (Lcum), bron: www.atlasleefomgeving.nl

De beoogde recreatiewoningen worden in het kader van de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelige objecten beschouwd waardoor een onderzoek wegverkeerslawaai voor deze functies niet noodzakelijk is. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden 52

bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat, is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.

2020 2025 Norm

Totale concentratie (µg/m³) NO2 10.98 11.51 40

Totale concentratie (µg/m³) PM10 15.92 15.73 40

Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 8.70 9.05 25

Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Daarnaast kan een ontwikkeling invloed hebben op de luchtkwaliteit. Bij het wijzigen of toevoegen van functies kan sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit door de toename van het aantal verkeersbewegingen. Uit paragraaf 4.15.1 blijkt dat er ten opzichte van de huidige situatie sprake is van een toename van 82,5 verkeersbewegingen per dag. Middels de NIBM-tool van het RIVM is berekend of deze toename aanleiding geeft voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit. In figuur 8 is te zien dat de toename ‘niet in betekenende mate’ is. Dat wil zeggen dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.

53

Figuur 8. NIBM-tool.

Conclusie De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarnaast blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen ‘niet in betekenende mate is’ waardoor een nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling

4.11

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten 54

verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.

Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn.

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1

55

Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 9 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven

Figuur 9. Uitsnede risicokaart. Plangebied blauw omcirkeld.

Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er op de locatie aan de Veldbraken 2 een propaantank met een inhoud van 8000 liter is gelegen. T.a.v. deze risicovolle inrichting dient een minimumafstand van 15 meter aangehouden te worden. Aangezien het plangebied op een afstand van circa 400 meter van deze propaantank is gelegen vormt deze risicovolle inrichting geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen. Buisleidingen Binnen het plangebied zijn een drietal buisleidingen gelegen. Door deze buisleidingen wordt aardgas vervoerd. Ter plaatse van het plangebied zijn voor deze buisleidingen geen plaatsgebonden risicocontouren opgenomen. Ten zuiden van het plangebied is echter wel een plaatsgebonden risicocontour bij de buisleidingen opgenomen. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een drietal (binnen het plangebied gelegen) aardgasleidingen moet het groepsrisico worden verantwoord. De standaardverantwoording en het standaard advies van de brandweer zijn als bijlage X en XI opgenomen. Risicovol transport In de nabije omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats, waardoor dit aspect geen invloed heeft op voorgenomen ontwikkeling. 56

Het plangebied ligt vanuit toxisch scenario binnen de invloedsgebied (4 km) van de Rijksweg A58. Om die reden is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Er dient getoetst te worden aan artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies. In bijlage IX van dit bestemmingsplan is de standaard verantwoording en in bijlage X het standaard advies van de brandweer opgenomen. Conclusie Uit de risico-inventarisatie blijkt kaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de A58 (toxisch) en de drie aardgasleidingen. Daarvoor voldoet de standaard verantwoording en het standaardadvies van de brandweer. Beide document zijn als bijlagen (respectievelijk bijlage IX en X) toegevoegd aan dit bestemmingsplan. In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.12

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden, veehouders, gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderijen werken. Mensen kunnen ziek worden van ziekteverwekkers die dieren bij zich dragen, zogenaamde zoönose. Dieren in de veehouderij kunnen dit soort ziekteverwekkers bij zich dragen, bijvoorbeeld Q-koorts of Salmonella. Ook fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast kunnen mensen hinder ondervinden van stank afkomstig van mest uit veehouderijen. Verschillende partijen hebben onderzoek gedaan naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van zowel mensen die beroepsmatig contact hebben met vee (boeren, dierenartsen) als mensen die in de buurt van een veehouderij wonen. Veehouderij en gezondheid In juni 2017 heeft het RIVM een aanvulling op het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ uitgebracht waarin de uitkomsten en resultaten van verschillende aanvullende studies ten aanzien van potentiële gezondheidseffecten van veehouderijen zijn opgenomen.

In dit onderzoek is vastgesteld dat er een verhoogd risico op longontstekingen rondom geitenhouderijen bestaat. De oorzaak is echter nog niet bekend. De Gezondheidsraad concludeert in haar vervolgadvies van 14 februari 2018, waarin zij de resultaten van de meest recente onderzoeken heeft betrokken (waaronder ook de VGO-onderzoeken), dat bij alle gevonden verbanden in het VGO-onderzoek en in internationale onderzoeken over gezondheidsrisico’s rond veehouderijen het om meer of minder sterke aanwijzingen gaat. Aanwijzingen worden gedefinieerd als mogelijke oorzakelijke verbanden, waarvoor de bewijskracht tekortschiet. De gegevensbasis die er tot op heden ligt, is te beperkt om van algemeen aanvaarde inzichten (aangetoonde of waarschijnlijke oorzakelijke verbanden) te kunnen spreken. Op 22 oktober 2018 kwam het eerste

57

deelrapport van VGO III uit: 'Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen'. Geitenhouderijen Ten aanzien van geitenhouderijen concludeert de Gezondheidsraad dat nader onderzoek zal worden gedaan naar het longontstekingsrisico in de buurt van geitenhouderijen. Aangezien de onderzoeksresultaten nog niet zijn uitgekristalliseerd, kunnen nog geen gerichte maatregelen worden getroffen om gezondheidsrisico’s tot een minimum te beperken. Totdat vervolgonderzoek is afgerond wordt de werkwijze gehanteerd dat voor nieuwe woningen die binnen een straal van 2 kilometer liggen van een geitenhouderij, een aanvullende afweging van het risico op longontstekingen moet plaatsvinden. In dit geval zijn er binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied een aantal geitenhouderijen gelegen: -

Kanaaldijk 4 op een afstand van 360 meter van het plangebied; Kleine Voort 12 op een afstand van 1,8 kilometer van het plangebied; Oude Tilburgseweg 5 op een afstand van 1,9 kilometer van het plangebied.

In onderhavige ontwikkeling wordt formeel geen woningbouwmogelijkheid toegevoegd waar personen voor langere tijd kunnen verblijven. De recreatiewoningen betreffen immers woningen waar personen slechts voor beperkte tijd zullen verblijven. Hierdoor kan de ruimtelijke ontwikkeling toe kan worden gestaan binnen een straal van twee kilometer rondom de geitenhouderijen aan de Kanaaldijk 4, Kleine Voort 12 en Oude Tilburgseweg 5. Fijnstof en endotoxinen Op 25 november 2016 is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid’ uitgebracht. Reden is dat de huidige toetsingskaders voor fijn stof en geur in veel gevallen onvoldoende beperkend zijn om een ongewenste toename van gezondheidsrisico’s te voorkomen. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve is een endotoxine toetsingskader ontwikkeld, dat de mogelijkheid biedt om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Het kader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen.

Op basis van het endotoxine toetsingskader uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid’ is de ontwikkeling getoetst aan een afstandsgrafiek, waarin de relatie is gelegd tussen de fijn stof emissie en de afstand tussen de veehouderij (lees: emissiepunt) en het meest nabijgelegen gevoelig object. Op basis van de emissie is de aan te houden afstand te bepalen om een te hoge blootstelling aan endotoxine te voorkomen (overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3). Het is van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m 3 niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxinecontour van 30 EU/m3 eenvoudig bepaald kan worden. Voor het bepalen van de aan te houden afstand zijn de gegevens volgens het Web BVB en dus de vergunde 58

situatie aangehouden. Er is getoetst of met de afstand van de woning tot het emissiepunt kan worden voldaan aan de minimum aan te houden afstand. -

Aan de Klein Westerwijksestraat 17 is een varkensbedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM 10: 331 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 88 meter. De werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt 270 meter waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand.

-

Aan de Klein Westerwijksestraat 12a is een varkensbedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM 10: 228 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 78 meter. De werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt 280 meter waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand.

-

Aan de Biestestraat 108 en 110 rundveebedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 55 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 50 meter. De werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt 230 meter waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand.

De werkelijke afstand tussen het plangebied aan de Klein Westerwijksestraat 19 en de intensieve veehouderijen is dus groter dan de minimum aan te houden afstand op het gebied van fijnstof en endotoxinen. Er is dus geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. Het aspect volksgezondheid vormt dus geen belemmering voor onderhavig plan. Stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ bevat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Het stappenplan is dan ook doorlopen om na te gaan of er knelpunten zijn met betrekking tot de herbestemming van het perceel. Uit de toetsing aan het stappenplan blijkt dat advisering door de GGD noodzakelijk wordt geacht. Voor het doorlopen stappenplan wordt verwezen naar bijlage XI.

4.13

Hoogspanningslijnen Conform de netkaart hoogspanningslijnen van het RIVM is de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn op een afstand van circa 2,2 kilometer ten noordoosten van het plangebied gelegen. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

4.14

Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren et cetera) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt en. Er zijn geen 59

wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende gronden ten westen, noorden en oosten van het plangebied (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast is ten noorden van het plangebied een visvijver gelegen, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Tot slot is ter plaatse van het plangebied reeds een woning aanwezig, waardoor de gebruiker van de omliggende gronden rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en aan de andere kant zorgen de beoogde recreatiewoningen niet voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt de kans zeer klein geacht dat er drift bij de recreatiewoningen terecht komt. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.

4.15

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

4.15.1

Mobiliteit Ter plaatse van de Klein Westerwijksestraat 19 wordt een varkensbedrijf gesaneerd en worden 25 recreatiewoningen en een multifunctioneel gebouw (o.a. activiteiten en workshops) gerealiseerd. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd waardoor voor wat betreft de huidige woning het aantal verkeersbewegingen in stand blijft. Als gevolg van de realisatie van de nieuwe functies zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. In onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt wat de huidige verkeersgeneratie van het bedrijf aan Klein Westerwijksestraat 19 is. In de tabel daaronder is de toekomstige verkeersgeneratie van de beoogde situatie weergegeven. Voor beide tabellen is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratiecijfers uit de CROWpublicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (nummer 381). Functie

Oppervlakte/eenheden

Norm

Verkeersgeneratie 60

Intensieve veehouderij (varkenshouderij) Bedrijfswoning Totaal

1

142

14

1

6

6 20

Functie Recreatiewoning Multifunctioneel gebouw bedrijfswoning Totaal

Oppervlakte/eenheden 25 eenheden ca. 250 m2

Norm 2,7/ eenheid 6,0/ 100 m2

Verkeersgeneratie 67,5 15

1

6

6 88,5

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de verkeersgeneratie in de beoogde situatie met 62,5 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt. Gezien de bestaande infrastructurele situatie en het gegeven dat de weg Klein Westerwijksestraat via de Leizerweg aansluit op de provinciale weg N269, kunnen de bestaande wegen deze stijging van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied verwerken. Daarnaast wordt in onderhavige ontwikkeling een extra ontsluitingen van het plangebied naar de Klein Westerwijksestraat aangelegd om de toegenomen verkeersgeneratie op te vangen. Het aspect mobiliteit levert geen belemmering op voor het planvoornemen.

4.15.2

Parkeren Conform de regels van het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018’ dient een bestemmingsplan te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Bij het berekenen van de parkeerbehoefte dient uitgegaan te worden van de parkeernormen uit het ‘Parkeerbeleidsplan 2015-2020’. Aangezien er voor het multifunctioneel gebouw waar de workshops in worden gehouden geen parkeernorm in het beleidsplan is opgenomen, is voor de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen voor dit gebouw uitgegaan van de parkeernormen voor een evenementenhal/congres uit de CROW-publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ (nr. 381). In dit geval zijn er voor de beoogde ontwikkeling meer parkeerplaatsen benodigd dan er momenteel aanwezig zijn. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte van de nieuwe situatie weergegeven. Functie Recreatiewoning Multifunctioneel gebouw Totaal

Oppervlakte/eenheden 25 eenheden ca. 250 m2

Norm 2,1 per eenheid 8,5/ 100 m2

Parkeerbehoefte 52,5 21,25 73,75

De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende groot om te voorzien in de parkeerbehoefte van 74 parkeerplaatsen. In de landschappelijke inpassing is dan ook rekening gehouden met voldoende parkeergelegenheid. De benodigde parkeerplaatsen zijn ingetekend in figuur 7 en bijlage I. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.

2

Hiervoor is geen norm beschikbaar, maar op basis van vergelijkbare situaties is hier een inschatting voor gemaakt

61

HOOFDSTUK

5 Economische uitvoerbaarheid

De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

62

HOOFDSTUK

6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 19 Biest-Houtakker’ zal ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie wordt gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. De ondernemer heeft in het kader van het principeverzoek en het proces om te komen tot een nieuwe toekomst op zijn plek, de voltallige gemeenteraad (per partij) uitgenodigd en zijn plannen gepresenteerd. Daarnaast heeft hij zijn buren actief geïnformeerd over zijn plannen. de buurman aan Klein Westerwijksestraat 12 en 12a hebben expliciet gevraagd om zo snel als mogelijk het aspect geur in beeld te brengen en te kijken of er geen belemmeringen ontstaan. Dit geuronderzoek is daarom naar voren getrokken en direct na indiening van het princiepverzoek uitgevoerd. Niet alleen geeft dat de buren een beter gevoel, ook voor de initiatiefnemer zelf is het van belang dat de ontwikkeling haalbaar is, al dan niet door het nemen van maatregelen. Onderstaand een opsomming van procesmomenten waarbij de initiatiefnemers hun omgeving hebben geïnformeerd over hun plannen.

26-2-2021 Plan/initiatief gepresenteerd aan 3 leden van de gemeenschapslijst Hilvarenbeek (lokale partij) 25-3-2021 plan/initiatief gepresenteerd aan de wethouder en ambtenaar 3-5-2021 plan gepresenteerd aan Hoi Werkt (lokale partij -ongeveer 4 leden) 19-5-2021 plan gepresenteerd aan de VVD (+/- 3 personen) 27-5-2021 plan gepresenteerd aan LEV (lokale partij – 2 leden) Alle lokale politieke partijen waren razend enthousiast over ons plan. Ook de wethouder vindt het een mooi initiatief. Zeker omdat het plan met het hele gezin wordt vormgeven. 6-7-2021 krantartikel in het Brabants Dagblad. 25-7-2021 opening “ziezuil” in centrum van dorp, met daarop de “bloemenzee” van ons perceel Vele buren hebben we individueel (wegens corona) gesproken over onze plannen Bewoners van Veldbraken 2, ook eigenaar van de Biestse Oevers (Veldbraken 3) en de Gulle Brabander (Biestsestraat 101) en Heesters Verhuur bv (Klein Westerwijksestraat 16), hebben we in een vroeg stadium (eind 2020) al gesproken. Hij heeft ook prijsgave gedaan voor de sloop van de varkensstallen en aanleg van de paden. Toon weet wat onze plannen zijn en houdt het nauwlettend in de gaten of het geen belemmering is voor zijn bedrijven, maar weet ook dat we aanvulling kunnen zijn voor zijn horeca en recreatiebedrijven kunnen zijn. De bewoner van Veldbraken 1 is in april 2021 hier geweest en zijn de plannen gepresenteerd.

Hij is blij met extra natuur voor zijn woning. De eigenaar van de kalverhouderij aan Biestsestraat 108 is op 8 mei 2021 op bezoek geweest en hebben uitgebreid het plan bekeken. Ze vinden het een heel mooi plan. 63

De eigenaar van Biestsestraat 102, de eigenaar van Klein Westerwijksestraat 22 en de eigenaar van Klein Westerwijksestraat 18 zijn bijgepraat door de initiatiefneer, nadat ze het artikel in de krant hadden gelezen. (half juli) De eigenaar van Revro Bouw (Biestsestraat 99) komt regelmatig langs gewandeld en vindt het geweldig hoe we hier bezig zijn en is zeer geïnteresseerd in de recreatiemogelijkheden in dit gebied. Hij geniet van het uitzicht vanuit zijn tuin. De bewoners van Klein Westerwijksestraat 12 zijn in mei ’21 naar toe bezocht met het ontwerp van de plannen en is de tekening op de keukentafel gelegd. Ook zij vinden het een geweldig plan. De bewoners van Klein Westerwijksestraat 17a) zijn blij dat deze plannen op deze plek worden gerealiseerd, omdat ze weten dat wij natuurgericht en kleinschalig denken willen werken (april/mei ’21). De bewoners van Klein Westerwijksestraat 12a (varkenshouderij) zijn telefonisch gesproken (mei ’21) en hij zei dat hij al op de hoogte was van onze plannen. De bewoners van Klein Westerwijksestraat 17, (varkenshouderij) hebben zelf gebeld met de initiatiefnemers en aangegeven dat ze enthousiast over de plannen, maar dat we wel rekening moesten houden met zijn stankcirkel. In juli zijn de plannen nader toegelicht.

Wij zijn tegen iedereen heel erg open geweest (en nog) over onze plannen van dit gebied en willen een aanvulling zijn op de horecabedrijven in de buurt.

64

65

66

67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16624423/1