CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19 (5 Toelichting ontwerp-bestemmingsplan)

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 19.21.287 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 19 Biest-Houthakker’ Gemeente Hilvarenbeek NL.IMRO.0798.BPKleinWwijksest19-ON01

1

Colofon Toelichting: Klein Westerwijksestraat 19 Biest-Houthakker Rapportnummer: 2020.0744 Status: Concept Datum: 26 juni 2023 Projectlocatie Klein Westerwijksestraat 19 5084 HN Biest-Houthakker Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl info@reland.nl

© juni 2023 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

2

Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding ................................................................................................................................ 5

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied .............................................................................. 6

1.3

Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 6

HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving ............................................................................................................ 8 2.1

Historische ontwikkeling van de omgeving en huidige situatie plangebied ............................. 8

2.2

Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................. 11

2.3

Concept plattelandsonderneming ......................................................................................... 11

2.4

Landschapsvoorstel .............................................................................................................. 12

2.5

Recreatiewoningen ............................................................................................................... 14

2.6

Beeldkwaliteitsparagraaf ...................................................................................................... 17

2.6.1

Algemene criteria .............................................................................................................. 17

2.6.2

Gebiedscriteria .................................................................................................................. 19

2.6.3

Uitgangspunt 1 - Landschap ............................................................................................. 21

2.6.4

Uitgangspunt 2 - Architectuur ........................................................................................... 22

HOOFDSTUK 3 Beleidstoets ................................................................................................................ 23 3.1

Rijksbeleid ............................................................................................................................ 23

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .................................................................................... 23

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 23

3.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 24

3.2

Provinciaal beleid.................................................................................................................. 24

3.2.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant.................................................... 24

3.2.2

Omgevingsvisie Noord-Brabant ........................................................................................ 26

3.2.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................................ 27

3.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 32

3.3.1

Structuurvisie Hilvarenbeek .......................................................................................... 32

3.3.2

Ontwikkelingsrichting Biestsestraat – Klein Westerwijksestraat........................................ 34

3.3.3

Landschapsinvesteringsregeling Hilvarenbeek ............................................................ 36

3.4

Beeldkwaliteit Hilvarenbeek .............................................................................................. 37

HOOFDSTUK 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording.................................................. 39 4.1

M.e.r.-plicht ........................................................................................................................... 39

4.2

Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 42

4.3

Flora en Fauna ..................................................................................................................... 43

4.3.1

Gebiedsbescherming .................................................................................................... 43

4.3.2

Soortenbescherming..................................................................................................... 44 3

4.4

Water .................................................................................................................................... 46

4.4.1

Beleid ................................................................................................................................ 46

4.4.2

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie ................................................................... 47

4.5

Bodem .................................................................................................................................. 48

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur .............................................................................................. 49

4.7

Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................. 49

4.8

Geurhinder ............................................................................................................................ 50

4.9

Akoestiek .............................................................................................................................. 52

4.10

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 52

4.11

Externe veiligheid ................................................................................................................. 54

4.12

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ....................................................................... 57

4.13

Hoogspanningslijnen ............................................................................................................ 59

4.14

Spuitzones gewasbescherming ............................................................................................ 59

4.15

Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 60

4.15.1

Mobiliteit ........................................................................................................................ 60

4.15.2

Parkeren ....................................................................................................................... 61

HOOFDSTUK 5 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 62 HOOFDSTUK 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 63

BIJLAGEN Bijlage I

- Landschappelijke inpassing

Bijlage II

- Berekening kwaliteitsverbetering

Bijlage III

- Tekeningen en technische gegevens recreatiewoningen

Bijlage IV

- Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage V

- Rapportage stikstofdepositie

Bijlage VI

- Quickscan Flora & Fauna

Bijlage VII

- Verkennend bodemonderzoek

Bijlage VIII

- Geuronderzoek

Bijlage IX

- Standaard verantwoording externe veiligheid

Bijlage X

- Standaard advies brandweer

Bijlage XI

- Stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid

4

HOOFDSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding De initiatiefnemer is woonachtig op de locatie aan de Klein Westerwijksestraat 19 te Biest-Houthakker en exploiteerde tot voor kort een varkenshouderij ter plaatse. De varkenshouder heeft beslopen om te stoppen met zijn varkenshouderij en deel te nemen aan de Saneringsregeling Varkenshouderij (Srv). Op 1 juli 2020 heeft hij de beschikking voor deelname aan de Srv ontvangen. Een onderdeel en belangrijke voorwaarde van deze regeling betreft het borgen dat op de plek van het deelnemend bedrijf nooit meer een varkensbedrijf zal kunnen functioneren. Daarvoor dient de bestemming gewijzigd te worden naar een bestemming waarin een varkenshouderij is uitgesloten. De initiatiefnemer is met zijn gezin intensief bezig geweest om nieuwe plannen vorm te geven, wat heeft geleid tot een verzoek aan het college ven Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hilvarenbeek om een plattelandsonderneming op te zetten gebaseerd op de kwaliteiten van het landschap (natuur inclusieve landbouw) en gericht op beleving (dag- en verblijfsrecreatie). De initiatiefnemer heeft zijn plannen op 25 maart 2021 gepresenteerd en op 31 maart 2021 het principeverzoek formeel ingediend.

Op 25 mei 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek een positieve grondhouding aangenomen ten aanzien van het principeverzoek en in principemedewerking te verlenen aan het ingediende verzoek van de initiatiefnemer. Vervolgens zijn de plannen uitgewerkt en is het varkensbedrijf inmiddels gesloopt.

Het plan bestaat concreet uit de sloop, sanering en opheffing van de varkenshouderij. En de herontwikkeling van het perceel tot een plattelandsonderneming gericht op voedsel, landschap en recreatie. Centraal hierin staat ‘boerenerf 2.0’ waarvan de huidige woning, een multifunctioneel gebouw en een moes-/kruiden-/pluktuin onderdeel uitmaken. Om deze centrale functie wordt het nieuwe, op cultuurhistorische kenmerken 5

gebaseerde landschap gerealiseerd. Het landschap bevat natuurlijke/landschappelijke elementen (houtwallen, struwelen, zandpad), maar heeft ook en gebruiksaarde in vorm van voedselproductie. Hiervoor voorziet het plan in fruitbomen, notenbomen, bessenstruiken en zelfs een wijngaard. In het landschap zijn 5 ruimtes opgenomen waarin recreatiewoningen gerealiseerd kunnen worden. Het betreft een ruim opgezet concept, met ruimte voor maximaal 25 recreatiewoningen. Iedere ruimte heeft zijn eigen karakter en thema. Het centrale gebouw wordt gebruikt voor dagrecreatieve activiteiten, denk aan kookworkshops, be- en verwerking van de groenten, fruit en kruiden die op het landschap worden geproduceerd. Om de wensen te kunnen realiseren dient een apart bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Middels deze procedure zal een nieuw juridisch kader gelden die de basis vormt voor de herontwikkeling van het perceel. Onderhavig document betreft de toelichting bij dit bestemmingsplan.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Klein Westerwijksestraat 19 te Biest-Houthakker, in het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie P, perceelnummers 1266, 1276, 1277 en 1319 (gedeeltelijk). Het plangebied heeft een totale grootte van circa 70.000 m2 (7 hectare). Op de luchtfoto in figuur 1 is de kadastrale situatie weergegeven.

Figuur 1. Kadastrale situatie. Plangebied rood omkaderd.

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 1303-2014) vigerend. Conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ rusten er op het plangebied de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Water’ en op een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’ (figuur 2). Daarnaast is op een

6

gedeelte van de gronden, ter plaatse van de bedrijfslocatie aan Klein Westerwijksestraat 19, een agrarisch bouwvlak gelegen. Tot slot is er een aantal gebiedsaanduidingen toepassing op het plangebied: - Functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderijen’ - Gebiedsaanduiding ‘overige zone - kampenlandschap’ Het planvoornemen om de aanwezige varkensstallen te saneren en de gronden in gebruik te nemen voor de ontwikkeling van het zintuigenlandschap met de daarbij behorende realisatie van gebouwen en faciliteiten t.b.v. dag- en verblijfsrecreatie, passen niet binnen de regels van de vigerende bestemmingsplannen. In de vigerende bestemmingsplannen zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen om voorgenomen ontwikkeling mogelijk. Er dient derhalve een herziening van het bestemmingsplan plaats te vinden. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met de ligging van de gasleidingen. Ter plaatse zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de gasleiding kunnen beschadigen of het onderhoud en beheer beperken. Dat betekent in ieder geval dat ter plaatse bouwmogelijkheden en grafwerkzaamheden uitgesloten blijven.

Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied'. Plangebied rood omkaderd.

7

HOOFDSTUK 2.1

2 Planbeschrijving

Historische ontwikkeling van de omgeving en huidige situatie plangebied Het plangebied ligt direct ten noorden van de bebouwde kom van Biest-Houthakker. Biest Houtakker is ongeveer het jongste dorp in de gemeente Hilvarenbeek (kreeg een eigen parochie in 1913) en betreft een zogenaamd akkerdorp. Het dorp grensde aan een uitgestrekt heidegebied dat voor een groot deel vanuit Biest-Houtakker werd ontgonnen. De landbouw is van oudsher de belangrijkste activiteit geweest in dit gebied. Open akkercomplexen waren de oudste bouwlanden. Deze lagen op de dekzandgordels langs de beekdalen in de directe nabijheid van de nederzettingen. Kleinere akkers lagen verspreid over de dekzandgordels op enige afstand van de nederzettingen. BiestHoutakker is op zo’n akkercomplex ontstaan. In het midden van de 19e eeuw liggen hier nog uitgestrekte heidevelden. Op de zanderige schrale zandgronden vond vooral verbouw plaats van rogge, boekweit, haver en gerst. In de beekdalen lagen de hooi- en weilanden. Met veel arbeid en mest kon hier geboerd worden. De veeteelt in dit gebied stond in dienst van de landbouw. Op de heide werd turf gestoken. Op het eind van de 19e eeuw ontstonden er landbouwcoöperaties. Daardoor vond een verschuiving plaats waarbij de nadruk van landbouw op veeteelt kwam te liggen. Op veel plaatsen verrezen varkens- en pluimveehouderijen.

Een andere ingrijpende wijziging die vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw plaats vond was de ontginning van de heidegrond. De eerste ontginningen vonden plaats in het westelijk deel van de gemeente tegen de grens met België. Tot 1900 vond vooral bosaanplant plaats, daarna werd op grote schaal grond geschikt gemaakt voor de landbouw. Een keerpunt ontstond rond 1920 toen men kunstmest ging toepassen. De woeste grond kon gemakkelijker geschikt gemaakt worden voor landbouwdoeleinden, ontginningen breidden zich vooral uit in het westen van de gemeente. Sinds 1930 heeft het kleinschalige cultuurlandschap van de akkers door ruilverkaveling een ruimtelijke vervlakking ondergaan. De houtwallen verdwenen, de waterhuishouding werd gereguleerd en de meanderende beken werden gekanaliseerd. Het Wilhelminakanaal doorsnijdt in de noordoosthoek de gemeente. Dit kanaal, dat in de jaren 1910-23 werd aangelegd tussen de Zuid-Willemsvaart bij Aarle-Rixtel en de Donge onder Geertruidenberg heeft bij Biest-Houtakker een losplaats, die tot de toename van het wegverkeer een belangrijke aanvoerplaats voor onder andere kunstmest en bouwmaterialen was. De weg naar Biest-Houtakker werd in 1891 verhard. Klein Westerwijksestraat is een overblijfsel van het gehucht Klein Westerwijk dat richting het westen over gaat in Groot Westerwijk.

In tegenstelling tot Biest/Biest-Houtakker, is Klein Westerwijk niet uitgegroeid tot een dorp, maar eigenlijk afgewaardeerd tot een straat die Biest-Houtakker verbond met de oude Tramlijn Tilburg – Turnhout. Deze tramlijn is in de loop der tijd getransformeerd is tot provinciale weg (N269) die Hilvarenbeek verbindt met Tilburg en het Rijkswegenstructuur (A58). Door de ruilverkaveling is niet alleen de oude kleinschalige verkavelingsstructuur verdwenen, maar ook de ligging van de wegen en is het buurtschapje eerder een bebouwingslint 8

gaan vormen in plaats van een, wat het eerst was, cluster van bebouwing rondom een akker, aan de grens met heidevelden. De omgeving is in feite, zo rond 1980, geoptimaliseerd voor de landbouw. Grotere en efficiënter te bewerken gronden, afgewisseld met intensieve veehouderijbedrijven. Zo ook het bedrijf aan Klein Westerwijksestraat 19, dat zich vanaf 1980 ontwikkeld heeft tot het varkensbedrijf dat het tot voor kort was. Inmiddels is de omgeving ook flink veranderd en hebben al veel agrarische bedrijven een andere bestemming gekregen (bedrijf, wonen en recreatie). Door o.a. de heideontginningen, de afgraving van turf zijn nieuwe elementen ontstaan zoals landgoed de Utrecht en de Beekse Bergen. De ligging is redelijk centraal ten opzichte van Tilburg en Eindhoven, maar ook de Efteling, de Loonse- en Drunenese Duinen en de Oisterwijkse Vennen liggen op korte afstand. Er lopen veel fietspaden door de gemeente, waardoor de recreatieve sector een belangrijke sector in de gemeente Hilvarenbeek. Dat zie je ook in de directe omgeving van klein Westerwijksestraat waar bijvoorbeeld een visvijver, een pannenkoekenhuis en uiteraard de Beekse Bergen in de buurt liggen. Daarnaast zijn tal van kleinschalige recreatieve initiatieven die geëxploiteerd worden in de directe omgeving, denk hierbij aan Bed&breakfast en minicampings.

Het is een hoogdynamisch gebied, dat goed bereikbaar is en een hoge aantrekkingskracht heeft op recreanten.

9

1850

1900

1970

2020 2020

Figuur 3. Plangebied (rood omcirkeld) en directe omgeving in de loop der jaren.

Plangebied Binnen het plangebied zijn in de huidige situatie een bedrijfswoning en een viertal bedrijfsgebouwen aanwezig. De vier bedrijfsgebouwen zijn in het verleden in gebruik geweest t.b.v. het houden van varkens. In figuur 4 is een overzicht van de aanwezige bebouwing en oppervlaktes weergegeven. Een gedeelte van de gronden binnen het plangebied is ingericht als tuin en erfverharding. De overige gronden bestaan uit akkerbouwgronden en grasland.

10

3

4

2

5 6 1

Figuur 4. Huidige situatie bebouwing.

2.2

Voorgenomen ontwikkeling Het planvoornemen heeft betrekking op het slopen, saneren en opheffen van de varkenshouderij ter plaatse en het omvormen naar een plattelandsonderneming die betrekking heeft op verblijfsrecreatie, georganiseerde dagrecreatie (workshops), het telen en be- en verwerking van fruit, groenten, noten en kruiden en het exploiteren van een wijngaard. Al die functies vinden plaats in een nieuw dynamisch landschap met een oppervlakte van ongeveer 7 hectare. in de volgende paragrafen wordt deze ontwikkeling toegelicht. Voor de sloop, sanering en opheffing van het varkensbedrijf wordt gebruik gemaakt van de Saneringsregeling varkenshouderij (Srv). De eigenaar krijgt een vergoeding voor de sloop van de varkensstallen, mits hij aan een aantal voorwaarden voldoet. Onder andere betekent dit dat er op de locatie Klein Westerwijksestraat 19 nooit meer een varkenshouderij wordt gevestigd en geëxploiteerd. Dat houdt in dat de bestemming ter plaatse gewijzigd dient te worden in een bestemming waarmee de vestiging en exploitatie van een varkenshouderij wordt uitgesloten. Met dit bestemmingsplan wordt de bestemming ter plaatse gewijzigd, dusdanig dat aan deze voorwaarde wordt voldaan.

2.3

Concept plattelandsonderneming Het concept behelst een plattelandsonderneming die het landschap, het gebruik en beleving daarvan centraal stelt. Het te creëren landschap heeft betrekking op de aanleg van natuurlijke en landschappelijke elementen, waarbij de gebruiks-/belevingswaarde

11

een belangrijke rol speelt. Ruiken, voelen, proeven, beleven van het landschap staat centraal, een zogenoemd zintuigenlandschap. Centraal in het plan, ter plaatse van de huidige bedrijfswoning komt een nieuw boerenerf. Binnen het boerenerf wordt een kruiden- en groentetuin, een fruitgaard en een nieuw multifunctioneel gebouw met alle nodige voorzieningen gerealiseerd. het gebouw wordt gebruikt voor de be- en verwerking van fruit, groenten, kruiden, noten en wijn. Een gedeelte van het gebouw wordt gebruikt voor het geven van workshops. Het overige gedeelte voor opslag van machines (onderhoud en beheer), de opslag van de producten en kantoorruimte. Dit centrale gebouw heeft een oppervlakte van 250 m². Uitgangspunt voor deze ontwikkeling zijn de landschappelijke structuren en dynamische kenmerken van het gebied. In het hart van die compositie ligt het boerenerf rondom de huidige boerderij met de gebruikstuinen (groente, fruit, kruiden, bloemen). Rondom het erf ligt een bos met diverse landschapskamers. Elke landschapskamer heeft zijn eigen karakter/type/identiteit. In iedere landschapskamer wordt de mogelijkheid geboden om recreatiewoningen te realiseren met een maximum van 25 in totaal. De beoogde recreatiewoningen hebben een grondoppervlakte van 60 m² per eenheid. De landschapskamers worden centraal ontsloten door een pad rondom het boerenerf.

De plattelandsonderneming wil duidelijk maken dat het landschap een gebruikerswaarde heeft, het boerenhart blijft toch kloppen. De landschappelijke kwaliteiten moeten daardoor ook voor een stukje bewustwording zorgen (waar komt ons voedsel vandaan, wat is belangrijk om voedsel te telen, maar ook, hoe heeft dat ons landschap in het verleden gevormd).

2.4

Landschapsvoorstel In deze paragraaf wordt het landschapsvoorstel toegelicht. Het inpassingsplan is weergegeven in figuur 5. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage I. Het raamwerk van het landschap wordt gevormd door een aantal historische lijnen die het verhaal vertellen van de gebruiks- en ontginningscultuur van de plek. Het gaat hierbij om houtwallen, struwelen en zandpaden. Daarbinnen kunnen de diversie functies hun plek krijgen. De houtwallen en struwelen hebben niet alleen hun landschappelijke waarde, maar ook gebruikswaarde en zijn onderdeel van de voedselproductie gericht op bijvoorbeeld bessen en noten. Afwisseling van licht en donker en open en gesloten zijn hierin belangrijke ontwerpthema’s. Het hart de compositie wordt gevormd door de boerderij met het bijbehorende erf. Rondom de bestaande boerderij blijft de (privé)tuin gehandhaafd en wordt iets vergroot. Ten noordwesten van de boerderij komt een nieuw bijgebouw voor de workshops. Rondom de tuin liggen diverse ‘erfelementen’, zoals een groentetuin, pluktuin/kruidentuin en boomgaard. De tuinen en gaard worden afgezet met een haag van bes-dragende struiken. Deze ruimte is open en transparant, voor gebruikers en recreanten toegankelijk en zichtbaar. Rondom het erf ligt een half-verhard pad begeleid door een bomenlaan. Gasten kunnen via dit pad het terrein betreden.

Rondom het erf ligt het gesloten voedselbos met vijf landschapskamers. Het contrast met de randen en kamers wordt versterkt. De randen zijn ruig en vormen een dichte singel. De kamers hebben een meer open inrichting met een cultuurtechnische aanleg.

12

Het voedselbos bestaat uit diverse beplantingen, zowel bomen als heesters. Met een expert wordt gekeken naar de invulling hiervan. Het betekent niet dat alles meteen ‘dicht’ begroeid raakt, maar de groene omlijsting biedt wel rugdekking voor de functies en als buffer richting de omgeving. Voor wat betreft de buitenranden worden inheemse soorten toegepast, zodat er landschappelijke aansluiting ontstaat met de omgeving. De bestaande watergang blijft behouden. Op enkele plekken worden duikers gelegd om aan de overzijde van de watergang te komen. De vijf landschapskamers bieden ruimte voor natuur-inclusieve landbouw. De invulling is onderscheidend en thematisch en wordt ontwikkeld in de tijd. Dit kan zijn in de vorm van akker- of weidebloemen, een wijngaard, een notenweide, graanveld, bessenweide etc. De agrarische exploitatie heeft tijd nodig. De essentie is dat deze ruimtes open en aantrekkelijk zijn om uiteindelijk in te recreëren. Ze hebben een relatie met voedsel en/of vormen een meerwaarde voor onze zintuigen. In de loop der tijd kan in iedere landschapskamer verblijfsrecreatie worden ontwikkeld. Binnen de sferen van iedere kamer kunnen recreatiewoningen worden ingepast. Deze zijn ondergeschikt aan de sfeer in identiteit van de inrichting. Ze ‘passen zich aan’ aan de gecreëerde omgeving in positie als architectuur. Er is ruimte voor maximaal 25 recreatieobjecten.

Tenslotte is iedere landschapskamer is tenslotte voorzien van een centrale parkeerplek. Met het kleinschalige landschap wordt het Kampenlandschap herstelt en versterkt.

Figuur 5. Inrichtingsplan.

13

2.5

Recreatiewoningen De recreatiewoningen dienen zich te verhouden tot het karakter van het concept. Duurzaam, ruimte, licht, natuurlijke materialen zijn enkele kernwoorden die van toepassing moeten zijn op de woningen. De initiatiefnemer heeft gekozen voor de eerste landschapskamer (meest westelijke) zogenaamde lodges te realiseren. Een ontwerp dat volledig bij het concept past. In onderstaande figuur is het ontwerp van deze lodges in beeld gebracht. de lodges zijn modulair van opbouw en kunnen op die manier makkelijk aangepast worden op basis van de vraag uit de markt. Door de slimme constructie zijn duurzaamheidsaspecten m.b.t. energie (warmte, maar ook koeling) goed inzetbaar. In het plan is rekening gehouden met een oppervlakte van 60m² per recreatiewoning. Hierdoor heeft de initiatiefnemer ruimte om per landschapskamer ook nog en ander karakter toe te passen (niet alleen in ruimtelijk opzicht, maar ook in doelgroep).

14

15

16

2.6

Beeldkwaliteitsparagraaf Recreëren in het zintuigenlandschap (landschapskamers is de inzet van de opgave en hiervoor is een zorgvuldige regulering van de woningen en omgeving noodzakelijk. Deze ambitie is vertaald in een aantal regels in een ‘beeldkwaliteitsplan’. Deze zijn nadrukkelijk gericht op de landschappelijke inpassing: het creëren van landschapskamers gericht op natuur, landschap, beleving en voedsel(voorziening). De tweede ambitie, het organiseren van architectonische individualiteit is gericht op het creëren van een basiskwaliteit waarbinnen een grote mate van architectonische vrijheid bestaat. Het idee is om een omgeving te creëren waarin de recreatiewoningen opgaan in de omgeving en juist daardoor op het niveau van de individuele woning een grote mate van vrijheid ontstaat met betrekking tot de woningtypologie en de architectuur.

2.6.1

Algemene criteria De criteria in dit hoofdstuk vormen de kern van het toetsingskader van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Een aantal criteria verwijst op de een of andere manier naar de omgeving van het bouwwerk. Deze wordt verder op in deze paragraaf beschreven onder het kopje “Gebiedscriteria”. In ontwikkelingsgebieden met een beeldkwaliteitsplan zijn daarnaast ook concrete gebiedspecifieke criteria vastgesteld. 1. Redelijkheid Ruimtelijke Kwaliteitseisen wegen zwaarder naarmate de invloed van de bouwactiviteit op de omgeving groter is. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit houdt bij de toets rekening met die invloed. Uiteraard geldt dit ook de andere kant op: hoe geringer de invloed van een bouwactiviteit op de omgeving, de omwonenden en de voorbijgangers, hoe lager de eisen die aan het plan worden gesteld. Aan een plan dat niet of nauwelijks zichtbaar is voor omwonenden en passanten, worden geen welstandseisen gesteld. 2. Afstemming op het gebiedskarakter Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied met een specifiek karakter wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging past in dit gebied. Het gebiedskarakter is beschreven in de gebiedsuitwerking en de bebouwingstypen of in een beeldkwaliteitsplan. Hoe sterker de karaktereigenschappen van het gebied, hoe hoger de eisen m.b.t. afstemming. 3.

Afstemming op de belendingen Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een omgeving met een sterke samenhang in verschijningsvorm wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging de samenhang geen geweld aan doet. Hoe groter de samenhang tussen de gebouwen en bouwwerken onderling, hoe zwaarder dit criterium weegt. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. In de meeste gevallen is dit zelfs niet wenselijk. Een omgeving

17

moet zich kunnen ontwikkelen. Een zekere mate van variatie is ook in een samenhangende omgeving goed mogelijk. 4. Afstemming op het eigen karakter Bij verbouwingen, uitbreidingen en wijzigingen aan bestaande objecten wordt rekening gehouden met het karakter van het bestaande object. Afstemming kan worden bereikt door “in stijl” te bouwen, maar ook door een afgewogen contrast te introduceren. Verder kan afstemming worden bereikt door de verschijningsvorm van het gehele object in het plan mee te nemen, waardoor een nieuwe, interne samenhang ontstaat. 5. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een begrijpelijke relatie heeft met het gebruik van het bouwwerk en de wijze waarop het gemaakt is. Vormgeving heeft zijn eigen samenhang en logica, maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. 6. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (Stijl, type, tijdsbeeld) Stijlelementen en typologische eigenschappen worden op een zinvolle, begrijpelijke en samenhangende wijze gebruikt. Voor vormgeving gelden in iedere cultuurbepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken.

Een bouwwerk wordt verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. 7. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Met helderheid en complexiteit wordt ook bedoeld: regelmaat en variatie, eenvoud en veelvormigheid, ritme en afwijking, structuur en verbijzondering. Helderheid en complexiteit hebben elkaar nodig: zonder regelmaat geen variatie. Een verbijzondering is alleen ervaarbaar in relatie tot de regelmatige structuur. 8. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.

18

Leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave, maar ook de omgeving stelt zijn eisen aan de schaal. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze eruitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. 9. Materiaal, textuur, kleur Materiaal- en kleurkeuze dienen logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, en kleur het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. 10. Detaillering Detaillering van randen en overgangen dient logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving. Een detail kan het architectonische concept van een gebouw maken of breken. Specifieke detaillering is vaak verbonden aan een bouwperiode of een gebouwtype. Dit is voor de “leesbaarheid” van een gebouw van groot belang.

2.6.2

Gebiedscriteria De bebouwde omgeving bestaat uit verschillende gebieden met elk een eigen karakteristiek. Er is landelijk een onderscheid gemaakt in een 5-tal gebiedshoofdgroepen: - Historisch gegroeide woongebieden (H); - Planmatig ontworpen woongebieden (W); - Bedrijvengebieden (B); - Groene gebieden (G); - Gebieden met bijzondere bebouwingstypen (T). In Hilvarenbeek zijn deze gebiedshoofdgroepen onderverdeeld in bebouwingstypen, waarbij zoveel mogelijk aangesloten is bij de landelijke IMWE-codering: Historische gegroeide woongebieden: H1 historisch dorpsgebied H2 (historisch) dorps bebouwingslint Planmatig ontworpen woongebieden: W1 architectonisch samenhangende bebouwing W9 individuele bebouwing Bedrijvengebieden B1 industrie/bedrijventerrein Groene gebieden:

19

G1 parken en sportcomplexen G2 buitenplaats, landgoed (veelal bosgebied) G3a agrarisch buitengebied, grootschalig: jong zandontginningslandschap G3b agrarisch buitengebied, kleinschalig: beekdalen, kampenen hoevenlandschap en oud zandontginningslandschap G4 natuurgebied G5 recreatiepark/ vakantiewoningen Bijzondere bebouwingstypen T4 op zichzelf staande bebouwing Het plangebied bevindt zich binnen een Kampen- en hoevenlandschap en valt derhalve onder G3b. Onderstaande criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. Criteria Algemeen (Beleid dorps bouwen) 1. Er moet rekening gehouden worden met de ontstaanswijze. Voor cultuurhistorie is een inventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie vormt de basis voor de gebiedsindeling van de nieuwe welstandsnota. Behalve voor welstand moeten bouwplannen in het algemeen ook rekening houden met de ontstaanswijze. Zo moeten oude structuren in stand gehouden worden. 2. Iedere plek heeft zijn eigen karakteristiek. Bij plannen moet deze karakteristiek in beeld gebracht worden en het plan moet een positieve bijdrage leveren aan deze karakteristiek.

Dit wil niet zeggen dat het plan een kopie van de bestaande situatie moet worden, maar wel dat het moet passen in de omgeving. 3. Bij bouwplannen is de maat en schaal van belang. In bestemmingsplannen is geregeld welke massa is toegestaan. Daarnaast moet de maat en schaal kloppen met de omgeving. 8. Er is een sterke relatie met het landschap. Door de beperkte omvang van de dorpen is het landelijk gebied altijd dichtbij. De relatie tussen de kernen en het landschap moet zo groot mogelijk zijn. Dit kan door zichtrelatie maar ook functioneel (wegen en paden die doorlopen). 10. Materiaalgebruik wordt, indien nodig, geregeld in het beeldkwaliteitsplan. Nederzettingsvormen Kampen en Hoeven: De bebouwing is op informele wijze (rooilijn) en veelal verspreid langs de weg gesitueerd. Ook komt solitaire bebouwing voor, die veelal direct aan de weg, of incidenteel in het vrije veld aan een insteekwegje ligt. Vorm erf Vooral bij de Kampen en Hoeven zijn de bouwblokken vaak onregelmatig gevormd en voegen zich naar de situatie. Hierbij wordt ingespeeld op bestaande

20

landschapselementen in de directe omgeving. In de oude ontginningen relatief vaker een gestrekt erf langs de weg. Inrichting erf kampen en hoeven en oude ontginningen • Een overheersende nokrichting is niet aan de orde; met de plaatsing van (ook de grotere) bouwvolumes wordt ingespeeld op de specifieke situatie. Indien het hoofdgebouw een langgevelboerderij is, dan liggen de bouwvolumes veelal parallel aan de weg;

2.6.3

Uitgangspunt 1 - Landschap Aan de zijde van de Klein Westerwijksestraat zal het beeld ontstaan van een kleinschalig landschap, waarin landschappelijke kamers worden gevormd door opgaande landschapselementen. Het terugbrengen van historische zandpaden versterkt het beeld van een kleinschalig landschap. De kamers en de landschapselementen hebben naast een bijdrage aan biodiversiteit, cultuurhistorie en landschap ook een functionele waarde, in de zin van voedselproductie (voedselbos). Het inheems voedselbos bestaat uit diverse beplantingen, zowel bomen als heesters. Met een expert wordt gekeken naar de invulling hiervan. Het betekent niet dat alles meteen ‘dicht’ begroeid raakt, maar de groene omlijsting biedt wel rugdekking voor de functies en als buffer richting de omgeving. Tenslotte blijft het een gebruikslandschap en is sprake van een ontginning, gebaseerd op de cultuurhistorische waarden en kenmerken, maar in een modern jasje. De totale indruk van het gebied oogt groen, robuust en natuurlijk. De woningen staan in groepjes bij elkaar in elke landschapskamer. De huidige bedrijfswoning met nieuw bijgebouw vormt het hart van de plattelandsonderneming en ligt geconcentreerd in het centrum. De landschapskamers worden ontsloten door een centraal pad dat rondom het nieuwe erf wordt aangelegd. Vanuit de Klein Westerwijksestraat is de bebouwing nauwelijks zichtbaar door deze opzet.

Criteria Inrit Elke kamer sluit aan op het centrale zandpad, dat de ontsluiting verzorgt voor het zintuigen landschap. Hierdoor is er een beperkt aantal inritten aanwezig, die bovendien de uitstraling hebben van een historisch zandpad. Het centrale zandpad heeft een breedte van 3,5 - 4 meter. Sfeer/uitstraling is een zandpadverharding. Paden van zand of lokale aarde kunnen in bepaalde gevallen voldoende stabiel zijn voor bestemmingsverkeer. Wanneer de ondergrond niet voldoende draagkrachtig is maar wel drainerend, kan gekozen worden voor een versteviging met een geogrid en kan een waterdoorlatende fundering van steenslag met continue korrelverdeling (fractie 2-32 mm) aangebracht worden onder de zandverharding. Wanneer ook een drainerende laag nodig is om de weg voldoende toegankelijk te houden tijdens natte perioden kan een funderingslaag met geocellen toegepast worden. Deze cellen worden opgevuld met een fundering van steenslag (fractie 7-56 mm). Deze laag wordt afgedekt met een geotextiel waarop de toplaag in een dikte van 20 cm aangebracht en aangewalst wordt. Groene omlijsting De groene omlijsting biedt rugdekking voor de functies en als buffer richting de omgeving. Tenslotte blijft het een gebruikslandschap en is sprake van een ontginning, 21

gebaseerd op de cultuurhistorische waarden en kenmerken, maar in een modern jasje. Aan de wegzijde worden kleinbladige Lindes, een Haagbeuk, zomereik en tamme kastanjes geplant. Het boerenerf wordt aangeplant en omringd met groene beuk, meidoorn en haagbeuk. Het boerenerf is op die manier zichtbaar, terwijl de landschapskamers met groen zijn afgesloten zijn van de weg. Het erf is centraal gesteld in het plan, daarom is de huidige woning en de centrale schuur zichtbaar vanaf de weg. De impact van het bebouwde deel van het plan op de omgeving is daardoor zeer gering.

2.6.4

Uitgangspunt 2 - Architectuur Binnen het plangebied ontstaan 5 ruime landschapskamers met robuuste natuurranden. De afgeschermde kamers laten veel vrijheid toe op het niveau van de individuele expressie. Deze vrijheid wordt vooral aangereikt voor de situering van de woningen in de kamer. De gebouwen worden in een erfgedachte of lint gedachte gesitueerd. De woningen worden rondom een erf gesitueerd, gericht op elkaar, of in een lijn aan een pad, dat weer aansluiting vindt op het centrale zandpad (de ontsluiting van het zintuigenlandschap). De recreatiewoningen zijn met een maximum oppervlakte van 60 m² beperkt in omvang. De woningen hebben een maximum bouwhoogte van 8 meter. De woningen zijn prefab geconstrueerd en hebben daardoor, in basis, allemaal dezelfde uitstraling. De woningen zijn voorzien van een scharnierdak, waardoor de goothoogte uitkomt op ongeveer 75 centimeter boven maaiveld. De recreatiewoningen krijgen een sobere en natuurlijke uitstraling passend bij het zintuigenlandschap. De gevelbekleding bestaat uit vurenhout (naturel kleur), de gevelplint uit cementplaat (grijs) en de dakbedekking is een sandwichpaneel in antraciet kleur. Ook de kozijnen hebben een antracieten kleur. De recreatiewoningen worden voorzien van een houten vlonder (tropisch hardhout). In bijlage III zijn de technische details van de woningen opgenomen.

Criteria Hoogterecreatiewoningen • Goothoogte 75 centimeter • Nokhoogte recreatiewoningen maximaal 8 meter Beeldvorming • Eenheid in verscheidenheid • Ingetogen en sober; opgaan in de sfeer van het zintuigenlandschap (ondergeschikt aan) • Situering per kamer uniek, geen zichtbare herhaling Materiaalkeuze • Natuurlijke materialen, zoals steen, hout en glas afgewisseld met modern/vlakke dakbedekking/-platen (sandwichpanelen). Kleur: • Antractiet en natuurlijk (hout)

22

HOOFDSTUK

3 Beleidstoets

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Daarnaast draagt de beëindiging van de varkenshouderij, de landschappelijke inpassing en de kwaliteitsverbetering van de ontwikkeling bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, maar daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief. 23

3.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling wanneer er 12 of meer woningen worden gerealiseerd. In dit geval blijft de bestaande bedrijfswoning behouden, waardoor per saldo geen woning wordt toegevoegd en dit dus geen stedelijke ontwikkeling betreft.

Een zintuigenlandschap met recreatiewoningen betreft geen stedelijke functie, maar een gebiedseigen functie voor het buitengebied. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor deze ontwikkeling.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 2 juli 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid weer tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Regionale contrasten; Een multifunctioneel landelijk gebied; Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; Duurzaam gebruik van de ondergrond; Ruimte voor duurzame energie; Concentratie van verstedelijking; 24

9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. Structurenkaart Onderhavige locatie is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen binnen de hoofdzone ‘Landelijk gebied’. De zone landelijk gebied is onderverdeeld in twee perspectieven, namelijk het ‘gemengd landelijk gebied’ en het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. Uit de structurenkaart komt naar voren dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 6).

Figuur 6. Uitsnede structuurkaart Structuurvisie 2010 - partiële herziening Provincie NoordBrabant.

Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik het uitgangspunt. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van

25

agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen. Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. Onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd in een gebied waar sprake is van een menging van verschillende functies en is in de nabijheid van de kern van BiestHouthakker gelegen. Daarnaast is de recreatieve functie naar aard en schaal passend binnen de omgeving waardoor het initiatief aansluit op de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de Provincie Noord Brabant.

3.2.2

Omgevingsvisie Noord-Brabant De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien en waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan 5. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

De provincie streeft bij ontwikkelingen naar: • Meerwaarde creatie • Technische en sociale innovatie • Kwaliteit boven kwantiteit • We gaan voor steeds beter • We gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperkingen herstel Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte beperkt, maar ook dusdanig ingezet dat de natuurlijke processen binnen het gebied geoptimaliseerd worden. Natuur, landschap en inherent daaraan cultuurhistorie vormen de basis van het plan en vertellen het verhaal van de omgeving. De oppervlakte aan bebouwing en verharding neemt flink af, wat bijdraagt aan water en bodemprocessen. Het plan is in lijn met de Omgevingsvisie en draagt bij aan de doelstellingen van de provincie.

26

3.2.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. De geconsolideerde versie is op 1 oktober 2022 gepubliceerd. Onderliggend plan is getoetst aan deze geconsolideerde omgevingsverordening. Allereerst gelden voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen. Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld.

Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Voor het plangebied is de ‘basiskaart landelijk gebied’ van belang. De overige kaarten zijn voor deze ontwikkeling niet relevant.

27

Figuur 7. Uitsnede basiskaart landelijk gebied Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Uit figuur 7 blijkt dat het plangebied gelegen is binnen de hoofdstructuur ‘Gemengd landelijk gebied’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Onder de hoofdstructuur ‘gemengd landelijk gebied’ is een aantal regels opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De voorgenomen ontwikkeling betreft die van de realisatie van een plattelandsonderneming, gebasseerd op natuurinclusieve landbouw met recreatie. De bestemming blijft agrarisch, maar het bedrijfsmatig houden van dieren is uitgesloten. Het bedrijf richt zich op voedselproductie dat op basis van natuurlijke en landschappelijke kenmerken wordt geteelt. Denk hierbij aan voedselbos, wijngaard, moes- en kruidentuin en boomgaard. Ook hebben bes-dragende struiken een belangrijke rol in het geheel. De groen- en natuurstructuren die in het plangebied worden of zijn aangelegd hebben een belangrijke rol voor de beleving van de plattelandsonderneming. Een belangrijke rol is weggelegd voor dag- en verblijfsrecraetie met ondergeschikte horeca. De totale plattelandsonderneming is gericht op beleving (ruiken, voelen, proeven, zien, horen). De plattelandsonderneming past niet direct binnen één van de instructieregels van de provincie, waardoor meerdere regels van belang zijn.

Zowel agrarisch, niet-agrarisch als recreatief zijn daardoor relevant. Hieronder zijn deze per instructieregel toegelicht en onderbouwd. Paragraaf 3.6.4 Overig-agrarisch bedrijf Artikel 3.58 Overig-agrarisch bedrijf in Gemengd landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een

28

verantwoording bevat dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Het plan richt zich op natuurinclusieve teelt en heeftg betrekking op een bouwvlak van maximaal 5.000 m² en voldoet derhalve aan deze voorwaarde.

Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. Hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. De omgeving bestaat uit verschillende agrarische en niet-agrarische functies met voornamelijk bedrijvigheid, wonen, horeca en recreatieve functies. De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een recreatiebedrijf met verblijfsrecreatie, dagrecreatieve activiteiten en horeca en zal gericht zijn op het ervaren van het zintuigenlandschap dat ter plaatse wordt gerealiseerd. Gezien de bestaande structuur van de omgeving met in de nabijheid o.a.

vakantiepark de Beekse Bergen en het gegeven dat de gemeente Hilvarenbeek in haar visie voor dit gebied aan heeft gegeven mee te willen werken aan initiatieven op het gebied van (agro-) toerisme, is voorgenomen ontwikkeling passend binnen de ontwikkelrichting van dit gebied. Dit blijkt ook uit paragraaf 3.3.2, waarin de gemeentelijke visie voor de ontwikkelingsrichting is vastgesteld. Tot slot zullen de verschillende faciliteiten landschappelijk worden ingepast waarbij er rekening wordt gehouden met de bestaande landschappelijke elementen. De vestiging van het recreatiebedrijf en het zintuigenlandschap draagt dus bij aan de (be)leefbaarheid van het gebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. b. Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Het bouwperceel wordt niet gesplitst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. Overtollige bebouwing wordt gesloopt; De bestaande varkensstallen worden in het kader van de Srv-regeling gesaneerd. De huidige bedrijfswoning blijft behouden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. d. De vestiging heeft geen betrekking op: 1. Een kantoor met baliefunctie; 2. Lawaaisport; 3. Mestbewerking.

29

De bedrijfsactiviteiten hebben geen betrekking op één van bovenstaande activiteiten. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. Over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. Dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Het agrarisch-recreatiebedrijf richt zich op het verbouwen, bewerken en verwerken van voedsel, dagrecreatie (gericht op de beleving van het zintuigenlandschap door o.a. educatieve workshops), horeca en verblijfsrecreatie in de vorm van 25 recreatiewoningen. Deze gebruiksfuncties en omvang worden geborgd in de bestemmingsplanregels. In de nabijheid van de planlocatie zijn reeds enkele recreatieve functies gelegen en gezien de beoogde ontwikkelrichting van het gebied is het recreatiebedrijf naar aard en omvang passend in de omgeving. Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. Bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b.

Een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. Een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De ontwikkeling betreft een vrije-tijdvoorziening met een bebouwd oppervlak kleiner dan 1 hectare. Vanuit het multifunctionele gebouw worden workshops gegeven en worden de agrarische producten be- en verwerkt. Deze producten worden ook verkocht. Deze productiegebonden detailhandel gebeurt vanuit het multifunctionele gebouw. Het gebouw heeft een oppervlakte van 250 m². de oppervlakte ten dienste van de detailhandel is een stuk kleiner en zal niet meer dan 200 m² bedragen. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Artikel 3.75 Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening Lid 2 In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging nietagrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: a. Het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; b. Permanente bewoning is uitgesloten. Zowel het terrein als de woningen worden bedrijfsmatig beheerd en in het bestemmingsplan wordt geborgd dat permanente bewoning van de recreatiewoningen is uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16624423/1