CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Esbeekseweg 15-17 (9 Toelichting bestemmingsplan)

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Esbeekseweg 15 en 17.22.271 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zo worden in dit geval bewust bijvoorbeeld niet alleen vrijstaande ruimte-voor-ruimte-woningen mogelijk gemaakt, maar is juist gekeken op welke manier het mogelijk is om ook kleinere woningen in het buitengebied te kunnen realiseren. Hiermee wordt een bredere doelgroep aangetrokken. Sinds het ondertekenen van de Woondeal en het vaststellen van het addendum op de woonvisie moeten nieuwe plannen bestaan uit 30% sociale huur, 40% betaalbaar (<€405.000) en 30% overig. In dit geval wordt gebruik gemaakt van de regeling ‘Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit’ van de provincie Noord-Brabant. Hiermee wordt de meerwaarde gezocht in

Hoofdstuk 3

24

de omgevingskwaliteit in plaats van dat het een volkshuisvestelijk doel heeft. Hierdoor is het acceptabel dat wordt afgeweken van de genoemde percentages. Het initiatief valt dus buiten de afspraken die gemaakt zijn in de Woondeal. Verder is in hoofdstuk 2 beschreven hoe de planontwikkeling stedenbouwkundig en landschappelijk passend is. Hiermee is de ontwikkeling passend binnen de woonvisie. 3.3.3 Structuurvisie buitengebied Hilvarenbeek Hilvarenbeek kent naast de hoofdkern en de kleinere kernen een groot landelijk gebied waarin veel ontwikkelingen gaande zijn. De functieveranderingen en dynamiek in de agrarische en recreatieve sector, natuurontwikkeling en de wens om de landschappelijke waarden te behouden, vraagt om een samenhangende visie op ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daar waar kansen en voorwaarden voldoende objectiveerbaar zijn vast te leggen in bestemmingsplanregels, is dit gedaan in de vorm van binnenplanse afwijkings- of wijzigingsregels. Daarbij wordt uitgegaan van het proportionaliteitsprincipe: de omvang van de voorwaarden en basisinspanning, het initiatief en (de impact op) de omgeving staan in verhouding tot elkaar. Voor de meer grootschalige en weinig voorkomende ontwikkelingen is maatwerk nodig. Dit is niet in algemene planregels te vatten en zal daarom blijvend buitenplans mogelijk gemaakt worden.

Wel vraagt de provincie aan gemeenten om de kansen voor ontwikkeling in het buitengebied te baseren op een visie op de ontwikkeling van de plattelandseconomie in de gemeente en op de wijze waarop de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied kan worden versterkt. Op basis van de visie kan de gemeente aan individuen ontwikkelingsmogelijkheden bieden, zolang die maar vergezeld gaan van versterking van de plattelandseconomie en/of de ruimtelijke kwaliteit. Zowel de individuele ontwikkelingsmogelijkheden als de bijbehorende tegenprestaties moeten naar aard en omvang objectiveerbaar en afdwingbaar zijn. Dit alles is vastgelegd in voorliggende Structuurvisie. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in het kampen- en hoevenlandschap in het buitengebied van Hilvarenbeek. Hierover wordt het volgende beschreven: “Dit landschap kenmerkt zich door een grillig patroon van wegen en waterlopen. Dit betreft een te behouden structuurkenmerk, dat door ruimtelijke ontwikkelingen kan worden versterkt. De verkaveling is eveneens afwisselend en is onregelmatig van vorm. Het landschapsbeeld is in principe sterk wisselend en altijd kleinschalig van karakter; ontwikkelingen moeten zich daarbinnen voegen. Het doel is om de waardevolle structuur van het landschap herkenbaar te houden. Hierbij is behouden en versterken van de afwisseling in openheid en beslotenheid het uitgangspunt.

Dat betekent ook dat het onregelmatige verkavelingspatroon herkenbaar blijft, dan wel versterkt wordt bij ontwikkelingen op de schaal van een individueel erf. Daarnaast kan de structuur verstevigd worden door de aanplant van landschapselementen, houtwallen en wegbeplanting, vooral ook buiten de erven. Ook is een goede erfbeplanting belangrijk voor de landschappelijke structuur en samenhang tussen de erven en omliggende landbouwgronden.” Indien zich ter plaatse van een erf ontwikkelingen voordoen, kunnen (binnen de kaders van vergunningverlening, planherziening, of ontheffingen) nadere eisen worden gesteld aan de inpassing en inrichting van het erf. De volgende onderdelen zijn relevant:

Hoofdstuk 3

25

Vorm erf • De bouwblokken zijn vaak onregelmatig gevormd en voegen zich naar de situatie. Hierbij wordt ingespeeld op bestaande landschapselementen in de directe omgeving. Inrichting erf • De woningen/woongedeelten zijn primair op de weg (of in de richting van de weg) gericht. • Bedrijfsgebouwen liggen in principe in de tweede lijn, achter de achtergevelrooilijn. • Een overheersende nokrichting is niet aan de orde; met de plaatsing van (ook de grotere) bouwvolumes wordt ingespeeld op de specifieke situatie. Bebouwing woningen • Bebouwingshoogte overwegend in een of twee bouwlagen met kap. • Eenduidige, heldere bouwvorm. • Toepassing van zadeldak (of varianten met wolfseinden, schildkap, e.d.). • Traditionele bouwtrant, in aansluiting op historisch (landschappelijk) milieu. • Toepassing van traditionele bouwmaterialen zoals baksteen, hout, keramische pan, evt. (deel) riet e.d.. • Gebruik van gedekte kleuren op grotere oppervlakken, met lichte accenten (kozijnen, daklijsten, boeiboorden, etc.). Voor het plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hierin zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten en beeldkwaliteitsaspecten beschreven en onderbouwd. Hier wordt dan ook naar verwezen. Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen de uitgangspunten van het kampen- en hoevenlandschap en hiermee passend is binnen de structuurvisie buitengebied.

3.3.4 Visie Ruimte voor Ruimte Het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek maakt een transitie door: het aantal agrarische bedrijven neemt af. Voor de vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) wordt gezocht naar een alternatieve invulling. Het is de ambitie van de gemeente Hilvarenbeek om hierbij verrommeling te voorkomen. Waar mogelijk wil de gemeente sloop van overtollige bebouwing stimuleren. In het nieuwe bestemmingplan buitengebied wordt een aantal nieuwe functies voor VAB-locaties gefaciliteerd. Sloop van overtollige bebouwing is hierbij een voorwaarde voor een positieve bestemming. In lijn met het provinciale BIO-beleid (Buitengebied in ontwikkeling) is op locaties in bestaande bebouwingsconcentraties woningbouw denkbaar. De bebouwingsconcentraties worden beschreven in deze visie. Onder voorwaarden kunnen hier Ruimte-voor-Ruimte-woningen gerealiseerd worden. Deze voorwaarden worden in de Visie Ruimte voor Ruimte. Doorwerking plangebied De planlocatie is gelegen in de bebouwingsconcentratie ‘Laag spul / Esbeekseweg’. Hierover wordt het volgende beschreven: “De concentratie kent een duidelijke tweedeling: een noordelijk en een zuidelijk deel. Het noordelijke deel wordt hoofdzakelijk gevormd door wonen en agrarische bedrijven, dit deel heeft een open landelijke sfeer. Het zuidelijke deel is in bospercelen gelegen, tegenover bedrijventerrein.

De functies betreffen hier commerciële functies, daarnaast heeft de concentratie hier een erg besloten karakter. Door het schegvormige samenkomen van de Esbeekseweg met Laag Spul (in het noordelijke deel) ontstaat een bijzondere situatie. De bebouwing is primair gericht op de Esbeekseweg, waardoor er

Hoofdstuk 3

26

aan het Laag Spul aan de westelijke zijde een achterkantsituatie is ontstaan. De bebouwing varieert in schaal en korrel. De variatie in schaal en korrel komt met name door de functie van de bebouwing. Zo staat er grote agrarische bedrijfsbebouwing naast relatief kleine woningen. Het zicht op het open landschap manifesteert zich met name vanaf de Esbeekseweg naar het westen. De sfeer aan de zuidkant van de concentratie is, voor wat betreft de westzijde van de weg, besloten (bedrijven in dicht groen) en wordt mede bepaald door het bedrijventerrein van Esbeek aan de oostkant van de Esbeekseweg. Dit is ter plaatse grootschalig.” Het noordelijke deel van de bebouwingsconcentratie ligt in verwevingsgebied, terwijl het zuidelijke deel behoort tot het extensiveringsgebied overig. De structuurvisie geeft aan dat de noordrand van het bedrijventerrein, grenzend aan de noordelijke concentratie, als opknapzone is aangemerkt. Het plangebied is gelegen aan deze noordrand. Er zijn daarnaast enkele randvoorwaarden voor ruimte-voorruimte mogelijkheden in dit gebied, namelijk: • verdichting is mogelijk met behoud relatie achterliggende landschap; • toepassing RvR-woningen in vorm van lintbebouwing in het noordelijke deel en bebouwing binnen bestaande landschapskamers in het zuidelijke deel; • invulling geven aan de verbeterde ruimtelijke inpassing van het bedrijventerrein aan de noordzijde.

Ter plaatse van het plangebied zijn geen aanduidingen opgenomen ten aanzien van een ‘waardevol zicht op achterliggende landschap’ of een ‘waardevolle open ruimte’. De woningen worden in de vorm van een hofstructuur gerealiseerd, wat passend is in dit kampenlandschap. De lintbebouwing aan de weg wordt daarnaast niet doorbroken en blijft gehandhaafd. De woningen zijn qua ligging en omvang passend bij de omgeving. Hoewel wel achter de achterste rooilijn wordt gebouwd met het plan, sluit dit aan bij het karakter van de omgeving. Daarnaast is op dit moment ook bedrijfsbebouwing aanwezig achter deze rooilijn. Deze bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, om plaats te maken voor een erf. Geconcludeerd wordt dat het plan in hoofdlijnen aansluit op de Visie ruimte voor ruimte. 3.3.5 Resultaat Bestemmingswinst en kwaliteitsverbetering Landschap Op 11 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de visie ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies’ vastgesteld. Deze strategie is gericht op de vitalisering van het buitengebied en bevat de beleidskaders voor het buitengebied, behoudens voor de ontwikkeling van de agrarische sector. De afgelopen jaren is er veel veranderd in het buitengebied en deze trend zet zich door.

Het aantal agrarische bedrijven daalt en de overblijvende agrarische sector ontwikkelt (bijvoorbeeld middels intensiveren, specialiseren of het ontplooien van nevenactiviteiten). Daarnaast ontwikkelen ook andere functies zich meer en meer in het buitengebied: wonen, recreëren, energietransitie en andere dan agrarische functies. Om hierin de juiste afwegingen te kunnen maken heeft de gemeente Hilvarenbeek deze uitvoeringsstrategie voor het buitengebied opgesteld. De Uitvoeringsstrategie Buitengebied is een breed pallet aan activiteiten, zoals beoogd in het raadsbrede programma 2018 - 2022 van de gemeente Hilvarenbeek. De Strategie Vitalisering bevat de ontwikkelingsmogelijkheden voor o.a. vrijkomende (agrarische) gebouwen (VAB’s), ruimte-voor-ruimte-woningen, maar ook doorontwikkeling van andere bestaande functies. De strategie dient te leiden tot vitalisering van het buitengebied; het behouden en versterken van de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Beekse buitengebied. Het doel ‘versterken van de kwaliteiten van het buitengebied’ staat in deze strategie centraal. De aard van de nieuwe ontwikkeling

Hoofdstuk 3

27

is daaraan ondergeschikt. De gemeente wil met deze strategie belemmeringen voor innovatie opheffen en ruimte maken voor een toekomstige ontwikkeling gericht op het versterken van de kernkwaliteiten van het buitengebied van Hilvarenbeek (zoals o.a. beschreven in de Structuurvisie Buitengebied 2014). De gemeente wil de balans tussen ondernemen en een gezonde en veilige fysieke leefomgeving verbeteren. De gemeente wil toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. Dat vergt een forse kwaliteitsslag in de komende jaren. Op basis van het provinciale ruimtelijke beleid moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied2 altijd sprake zijn van een fysieke kwaliteitsverbetering. De gemeente Hilvarenbeek hanteert hierbij de regionale ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2023’. Daarin wordt gewerkt met categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen, afhankelijk van het effect daarvan op het landschap. In dit afsprakenkader is een categorisering uitgewerkt, waarbij al naar gelang de categorie-indeling de mate van inspanning wordt bepaald. Hierbij worden de volgende categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist.

• Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. • Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Doorwerking plangebied De planlocatie is gedeeltelijk gelegen in bestaand stedelijk gebied, zie figuur 3.2, waardoor maatwerk van toepassing is. Wanneer het planvoornemen wordt getoetst aan de hand van de regionale ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2023’ is sprake van een categorie 2 ontwikkeling, zie ook paragraaf 3.3.2. Met het plan wordt bij de bestaande om te zetten bedrijfswoning 500 m2 aan bijgebouwen behouden. Dit wijkt af van de standaard van maximaal 100 m2. Om deze reden is dit ingevuld in de LIR-berekening, zoals opgenomen in de bijlagen. Het behoud van 500 m² aan bijgebouwen levert een bestemmingswinst op van € 60.000,-. 20% hiervan is € 12.000,-. 50% hiervan is € 6.000,-.

Dit betekent dat er voor € 6.000,- aan kwaliteitsverbetering moet worden stoken binnen het plangebied en € 6.000,- moet worden gestort in het gemeentelijk fonds voor kwaliteitsverbetering. Door 1.900 m² aan groenbestemming aan te leggen binnen het plangebied, zorgt dit voor een waarde van € 6.004,- aan kwaliteitsverbetering. De groenstroken zijn tevens op de plankaart van het bestemmingsplan opgenomen. Dit voldoet aan de eis van € 6.000,-. Resterend wordt € 5.996,- gestort in het gemeentelijk fonds voor kwaliteitsverbetering. In de bijlage is de berekening volgens de gemeentelijke systematiek weergegeven.

2

Bestaand stedelijk gebied overeenkomstig de provinciale verordening

Hoofdstuk 3

28

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Verkeer Op basis van de CROW kengetallen is de verkeersgeneratie van de huidige en toekomstige functies in beeld gebracht. De rekenformules van het CROW gaan uit van een minimum en maximum en hebben een behoorlijke bandbreedte. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is er, worst-case, uitgegaan van de maximale normen. Daarnaast maakt het CROW onderscheid in de gebieden ‘centrum’, ‘schil centrum’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Het plangebied is gelegen binnen de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ met de ligging binnen buitengebied. Voor het woningtype wordt uitgegaan van de functie ‘koop, huis, vrijstaand’ voor de vrijstaande woning en ‘koop, huis, twee-onder-een-kap’ voor de twee-onder een kap woningen. Voor het koophuis vrijstaand geldt een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal. Voor een koop, huis, twee-ondereen-kap’ geldt een verkeersbewegingen per etmaal per woning van 7,8 mvt/etmaal. De twee tweekappers zorgen dus voor 31,2 verkeersbewegingen per etmaal. Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan circa 40 motorvoertuigen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag.

Het aantal verkeersbewegingen door onderhavig project zal niet dusdanig toenemen dat dit tot problemen leidt op de aanliggende wegen, omdat het toekomstige aantal verkeersbewegingen ook op zichzelf beschouwd beperkt is. Het verkeer kan bovendien op een logische en verkeersveilige wijze worden ontsloten via de Esbeekseweg. 4.1.2 Parkeren In de CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ worden normen gehanteerd gebaseerd op het type woning. De normen uit deze publicatie zijn in het Parapluplan parkeernormen (vastgesteld op 1303-2018) van de gemeente Hilvarenbeek van toepassing verklaard. Volgens de parkeerkencijfers dient voor de vrijstaande woning rekening te worden gehouden met een parkeernorm tussen 2 en 2,8 per woning. Voor de twee-onder-een-kap woningen ligt de parkeernorm tussen 1,8 en 2,6 per woning. In de normen zit een aandeel van 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers. De gemeente Hilvarenbeek kiest ervoor om (toekomstige) parkeerproblemen zoveel mogelijk te voorkomen door in de parkeerbehoefte te willen voorzien, maar wil daarnaast ook geen overschot aan parkeerplaatsen te creëren. De bandbreedte van de minimale en maximale kencijfers worden daarom gebruikt als parkeernorm met een bandbreedte. Als uitgegaan wordt van het minimale parkeernorm dient met voorgenomen ontwikkeling rekening te worden gehouden met in totaal komt dit uit op 9,2 parkeerplaatsen.

Als uitgegaan wordt van de maximale normen moeten 13,2 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Zoals op de kaart in de landschappelijke inpassing in bijlage 1 is te zien, is er ruimte voor minimaal 2 parkeerplekken bij iedere woning.

Hoofdstuk 4

29

Parkeren voor bezoekers kan in het openbaar hofje plaatsvinden of op de inrit van de woningen. Daarnaast blijven de parkeerplaatsen voor de woningen aan de Esbeekseweg 15 en 17 behouden. Het plan leidt niet tot een toename van parkeerdruk in de omgeving. Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk parkeerbeleid.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; • de aanleg van een nieuwe weg; • de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4

30

Tabel 4.2 Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied •

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

•

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied •

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

•

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

•

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

•

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

4.2.2 Onderzoek Er is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies beschreven. Esbeekseweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Esbeekseweg is maximaal 52 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Hilvarenbeek kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd in het buitengebied naast bestaande woonbebouwing in het kader van ruimte-voor-ruimte woningen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €60.000,- (200 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Het betreft namelijk alleen een overschrijding van 2 dB op maar één kopgevel op één van de vijf woningen.

Gezien de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde op waarneempunt 9 optreedt op zowel de begane grond als de eerste en tweede verdieping is, gezien de korte afstand tot de weg, een overdrachtsmaatregel in de vorm van een scherm in voorliggende situatie niet doelmatig. De voorkeur gaat in deze situatie uit naar het treffen van gevelmaatregelen. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.3 van het onderzoeksrapport is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. N269 De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 46 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft

Hoofdstuk 4

31

te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. 4.2.3 Conclusie Ten aanzien van het wegverkeerslawaai van de Esbeekseweg is een hogere waarde procedure nodig. De voorkeursgrenswaarde wordt namelijk met 2 dB overschreden. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. • Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: • Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.

• Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling (5 woningen) valt onder de drempelwaarde in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen met één ontsluitingsweg). De onderhavige ontwikkeling draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het nieuwe ontwikkeling. Hiervoor moeten de achtergrondwaarden m.b.t. de luchtkwaliteit bekend zijn. Deze waarden kunnen achterhaald worden middels de NSL-monitoringstool. De achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten zijn in onderstaande tabel weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden aan stikstof en fijnstof ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed leef- en verblijfsklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

32

Tabel 4.3 Achtergrondwaardes NSL-monitoringstool Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 overschrij-

PM2.5 μg/m3

dingsdagen 16018670

13.1

15.7

6.0

8.8

16018713

14.3

15.6

6.0

8.8

16020767

13.8

15.7

6.0

8.8

16022327

13.0

15.7

6.0

8.8

16023218

13.4

15.5

6.0

8.8

16027304

13.6

15.6

6.0

8.8

4.3.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is ter plaatse sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen

3

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

33

andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek In de huidige situatie heeft het projectgebied de bestemmingen Wonen en Agrarisch. Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van 5 nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woningen. Aangezien woningen een milieugevoelige functie betreffen, is een ruimtelijk onderzoek nodig om te bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van milieuzonering. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Esbeek en in de omgeving zijn agrarische bedrijven en enkele woningen gelegen. Ook ligt in het zuiden een bedrijventerrein die in de toekomst naar het noorden wordt uitgebreid. Er kan uit worden gegaan van ligging in een gemengd gebied. Aangezien aangenomen wordt dat een gemengd gebied al een hogere milieubelasting kent dan een rustig woongebied worden de richtafstanden van de VNG met één afstandsstap verlaagd. Ten zuiden is het bedrijventerrein Mierbeek gelegen, waarbij bedrijven met ten hoogste tot en met categorie 3.2 mogelijk zijn.

Hiervoor moet in gemengd gebied in beginsel een richtafstand van 50 meter worden aangehouden. Het plangebied bevindt zich op een afstand van minimaal 130 meter van het bedrijventerrein. Gelet op de daadwerkelijke afstand tussen betreffend bedrijventerrein en het plangebied wordt voldaan aan de richtafstand. Op bedrijventerrein Mierbeek is aan het adres Notelstraat 49 het bedrijf ‘Clean Minerals Bio Energy B.V.’ aanwezig. In het bestemmingsplan kent dit bedrijf een maximale milieucategorie van 3.2. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. De feitelijke milieueffecten van het bedrijf worden echter hoger ingeschat dan die behorende bij een 3.2-inrichting. Echter is de afstand van de woningen tot het bedrijf dusdanig groot (meer dan 250 meter) dat onevenredig negatieve geureffecten niet te verwachten zijn op de locatie. Gezien de afstand wordt ook nog aan de richtafstanden voldaan van een bedrijf uit categorie 4.2. Daarnaast dient het bedrijf op dit moment ook al rekening te houden met de omliggende woningen. De nieuwe woningen op de locatie beperken het bedrijf niet. Met de ontwikkeling dient ook rekening te worden gehouden met de milieuzonering vanuit het (toekomstige) bedrijventerrein Mierbeek Noord. Er wordt hierbij uitgegaan van een richtafstand van 30 meter vanaf de nieuwe bestemmingsgrens ‘bedrijventerrein’.

Dit gezien de ligging in gemengd gebied en de bedrijfsbestemming tot milieucategorie 3.1. De richtafstand beslaat geen van de nieuwe woningen of bestemmingsvlakken. De stroken van de nieuwe percelen binnen 30 meter van het bedrijf hebben een groenbestemming gekregen. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. In de omgeving van het plangebied komen daarnaast nog enkele andere functies en bedrijven voor, te weten: kampeerterrein gelegen aan de Esbeekseweg 6, een metaalbewerkingsbedrijf gelegen aan Esbeekseweg 10b en een kantoor met opslag gelegen aan Laag Spul 7. Het metaalbewerkingsbedrijf is gelegen op circa 250 meter van het plangebied. Het bedrijf zal een maximale milieucategorie hebben van 3.2, waardoor wordt voldaan aan de richtafstand. Voor het kantoor met opslag geldt een maximale milieucategorie van 2, waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter. Gezien de afstand van het plangebied tot het adres Laag Spul 7 van 170 meter wordt ruim voldaan aan de richtafstand. Het kampeerterrein is gelegen aan de overzijde van het plangebied aan de Esbeekseweg 6. Volgens de VNG-

Hoofdstuk 4

34

publicatie met richtafstanden geldt voor een kampeerterrein de milieucategorie 3.1 met bijbehorende richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied. De toekomstige woningen worden op een afstand gerealiseerd van minimaal circa 35-40 meter van het kampeerterrein. Voldaan wordt daarmee aan de richtafstand. Verder liggen ten noorden enkele agrarische veehouderijen. Hiervoor wordt verwezen naar de paragraaf geur agrarisch.

Figuur 4.1: Milieucontour toekomstig bedrijventerrein Mierbeek Noord

4.4.3 Conclusie Ter plaatse van de woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Verder wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.

Hoofdstuk 4

35

4.5.2 Onderzoek Bij de ontwikkeling van woningen is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De gemeente Hilvarenbeek heeft een geurverordening. In de geurverordeningskaart van dit document is het plangebied gelegen in het ‘buitengebied’. In artikel 3 van de geurverordening zijn ‘andere waarden voor de geurbelasting of afstanden’ opgenomen. Voor het buitengebied geldt het volgende: “e. Ten opzichte van gebied A als omschreven in artikel 2 van deze verordening geldt een afwijkende norm van ten minste 50 meter tot een geur gevoelig object. Op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de afstand tussen een veehouder waar maximaal 50 dieren (koeien, jongvee en paarden) worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object ten minste 50 meter. f. In het buitengebied als omschreven in artikel 2 van deze verordening, geldt de volgende andere waarde. Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten: 10 ouE/m³.” In de directe omgeving van het plangebied liggen 3 veehouderijen.

Namelijk aan het adres Laag Spul 6, Esbeekseweg 13 en Gasthuisweg 1. De veehouderijen aan de Esbeekseweg 13 en Gasthuisweg 1 delen dezelfde bestemming en bouwvlak. Met het plan worden nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt, namelijk woningen. De tweekapper in het noorden van het plangebied ligt het dichtstbij de 3 veehouderijen. Concreet worden deze woningen op een afstand van 70 meter van het bouwvlak van de veehouderijen aan de Esbeekseweg 13 en Gasthuisweg 1 gerealiseerd en op een afstand van 300 meter van het bouwvlak van de veehouderij aan het adres Laag Spul 6. Ten aanzien van de voorgrondbelasting van de veehouderij Esbeekseweg 13 is een geurberekening gemaakt. Deze is opgenomen in de bijlagen. Uit de geurberekening blijkt dat de voorgrondbelasting van geur tussen 0,4 en 2,1 ouE/m³ bedraagt en dus ruimschoots onder de norm van 10 ouE/m³. Ingevolge artikel 6, lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij en in afwijking van artikel 3, lid 1 van dezelfde wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten 10 ouE/m³. Dit volgt uit artikel 3 onder f van de Verordening geurhinder en veehouderij. De achtergrondwaarden ten aanzien van geur zijn weergegeven in figuur 4.2. Dit is een kaart van de omgevingsdienst met hierop de geursituatie in Noord-Brabant.

Op deze kaart is de achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Op basis van de kaart kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur en dat de geurbelasting (door de aanwezigheid van veehouderijen) ter plaatse van het plangebied neerkomt op 3-7 ouE/m3. Aangezien dit lager is dan 10 ouE/m³ wordt voldaan de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening. Ook wordt gezien bovenstaande voldaan aan artikel 3 en 4 uit de Wet geurhinder en veehouderij.

Hoofdstuk 4

36

Figuur 4.2: Achtergrondbelasting geur met plangebied omcirkeld (bron; odzob)

4.5.3 Conclusie Het onderdeel geur zorgt niet voor belemmeringen.

4.6 Kabels en leidingen In of nabij het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Hoofdstuk 4

37

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek De eventuele risicobronnen rondom het plangebied zijn in kaart gebracht met behulp van de Risicokaart.

Figuur 4.3: Risicokaart

Hoofdstuk 4

38

Inrichtingen De dichtbij zijnde inrichtingen liggen op meer dan 600 meter. De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting. Transportroutes (weg, water en spoor) Er bevinden zich geen transportroute in de directe omgeving. De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een transportroute met een extern veiligheidsrisico. Buisleidingen De dichtbij zijnde buisleiding ligt op circa 1.200 meter. Deze buisleiding kent een invloedsgebied (1% letaliteitsafstand) van max 180 meter. Het projectgebied valt buiten de invloedssfeer van de buisleiding. Advies brandweer In het kader van het vooroverleg heeft de brandweer op 7 maart 2023 een advies uitgebracht. Beschreven staat dat voor het plan er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn. Ten aanzien van de basis brandweerzorg werd nog het volgende genoemd: • ter hoogte van dit perceel is een brandkraan gesitueerd; • de opkomsttijd voor deze locatie is circa 9 minuten vanuit de kazerne in Hilvarenbeek (binnen de zorgnorm voor nieuwbouwwoningen). 4.7.3 Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens- en richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor de realisatie van het plan.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, af-

Hoofdstuk 4

39

zonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); • andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven

Hoofdstuk 4

40

in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plan. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: • Te verwijderen groenstructuren binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen en essentieel leefgebied bieden aan wezel, bunzing en steenmarter. Uit vervolgonderzoek moet blijken of de soorten binnen het plangebied aanwezig zijn, en of voor de werkzaamheden een ontheffing noodzakelijk is. • Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op het groen langs de straat te worden vermeden. • Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.

• In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Vervolgonderzoek wezel, bunzing en steenmarter Voor de betreffende marterachtigen, zijnde wezel, bunzing en steenmarter, is in de periode van 20 april t/m 17 mei 2023 onderzoek uitgevoerd. De onderzoeksmethode en intensiteit zijn uitgevoerd conform het document Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming, van de Provincie Noord-Brabant en de Zoogdiervereniging. Gedurende 6 weken onderzoek zijn de wezel en bunzing niet waargenomen, waardoor hun aanwezigheid kan worden uitgesloten. De steenmarter is wel éénmalig waargenomen op de wildcamera. Gezien dit gegeven en het gegeven dat er geen sporen, zoals vraatsporen, pootafdrukken, krabsporen of uitwerpselen in de vorm van latrines zijn aangetroffen, wordt ervan uit gegaan dat dit een incidentele waarneming betreft. Bovendien is er tegenover het plangebied geschikt (essentieel) leefgebied met mogelijkheden voor verblijfplaatsen aanwezig in de vorm van een boomgaard, camping en kleinschalig bosgebied. Ten tijde van de uitvoering van de quickscan was in de groenstrook een nestkast van de eekhoorn aanwezig. Bij aanvang van het eekhoornonderzoek lag de kast echter kapot op de grond.

Om de aanwezigheid van een eekhoornnest binnen de nestkast aan te tonen dan wel uit te sluiten, is een wildcamera geplaatst. Deze heeft in de periode van 20 april t/m 17 mei 2023 gericht op de voormalig intacte nestkast gestaan. De camera heeft 6 weken in de actieve periode binnen het plangebied gestaan. Na 3 weken is de camera gecontroleerd op beelden, en zijn de batterijen en SD-kaart van de wildcamera vervangen. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen gedaan van de eekhoorn. De wildcamera

Hoofdstuk 4

41

is geplaatst nabij de locatie waar de eekhoornkast hing. Tevens zijn er geen sporen van deze soort waargenomen. 4.8.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.9 Stikstof 4.9.1 Toetsingskader Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.

Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die eenieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. 4.9.2 Onderzoek en conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000-gebieden. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Vanwege de realisatie van woningen zijn eventuele effecten vanwege stikstof niet uit te sluiten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het gaat hierbij om zowel de bouwfase als de gebruiksfase. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Uit de AERIUSberekeningen blijkt dat er geen depositie is hoger dan 0,00 mol / ha / jaar bij omliggende Natura 2000gebieden bij zowel de bouwfase als de gebruiksfase. Negatieve effecten op Natura 2000 kunnen worden uitgesloten.

Hoofdstuk 4

42

4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.10.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een vooronderzoek bodem opgesteld en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. De onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Vooronderzoek Zuidelijk op het agrarisch perceel (nummer 17) heeft centraal reeds een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Dit rapport is recent getoetst en niet geheel voor akkoord bevonden. Voorafgaand aan bouwwerkzaamheden dient de bovengrond conform de strategie VED-HE onderzocht te worden.

Hierbij dient specifiek aandacht te zijn voor de lichte verhoging met PAK in MM3 (bovengrond boringen 06, 07, 10, 11, 13, 14, 16 en 18). Verder is de onderzoekslocatie inpandig en ter plaatse van de nog niet onderzochte terreindelen oosten zuidelijk verdacht op de aanwezigheid van zware metalen en PAK in de bovengrond. Op basis van voorgaande bodemonderzoek kunnen er marginaal verhoogde concentraties aan xylenen, naftaleen, barium en/of molybdeen aanwezig zijn in het grondwater. Voorafgaand aan sloop- en/of bouwactiviteiten dient een verkennend bodemonderzoek volgens strategie ‘VED-HE-NL” (heterogeen verontreinigd) plaats te vinden. Ten aanzien van asbest wordt op basis van de verzamelde informatie en de uitgevoerde veldinspectie alleen het zuidelijk deel van de lange melkveestal als verdacht te worden beschouwd op het voorkomen van asbest (en PCB) in de bodem (druipzone asbestverdachte golfplatendakbedekking). Geadviseerd is om ineens SEM-analyses mee te nemen bij het onderzoek ter plaatse van de druipzone. De overige terreindelen zijn samen met de woningen als onverdacht op de aanwezigheid van asbest n de bodem beschouwd. Indien er onder de nog niet onderzochte verharding funderingsmateriaal aangetroffen wordt, dan dient deze tevens als verdacht voor asbest beschouwd te worden.

Verkennend onderzoek Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn plaatselijk sporen baksteen, metaal en plastic waargenomen tot maximaal 0,6 m-mv. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is

Hoofdstuk 4

43

met PAK. In de ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met molybdeen, barium, xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de onderzochte bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. In het kader van dit onderzoek is geen asbest in bodemonderzoek conform NEN 5707 verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De visueel waargenomen sporen baksteen ter plaatse van de boringen 1, 2 en 15 worden als asbestonverdacht beschouwd. Bij de loods zuidelijk binnen de onderzoekslocatie is een asbestverdachte dakbedekking zonder goten aanwezig. Direct rondom deze bebouwing is een klinkerverharding aanwezig. Gezien het gebruik als boerderij sinds de jaren 1980 is het aannemelijk dat er al langere tijd een klinkerverharding aanwezig is (klinkers vertonen reeds enige ouderdom). Tevens vindt verwering van asbestvezels naar druipzones pas plaats na een langdurige blootstelling aan en verwering door de elementen.

De aaneengesloten klinkerverharding loopt vanaf de Esbeekseweg rondom de panden door tot een betonnen verharding. Op basis van de maaiveldglooiingen en een betonnen keermuur noordelijk stroomt dakwater in noordoostelijke richting af over de aanwezige verharding buiten de onderzoekslocatie en is er geen onverharde verdachte druipzone binnen de onderzoekslocatie aanwezig (hypothese onverdacht). Bij een onverdachte hypothese is de uitvoering van een verkennend asbest in bodemonderzoek niet verplicht. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is mogelijk niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels ten aanzien van het uitvoeren van het aanvullend bodemonderzoek. 4.10.3 Conclusie Aanvullend onderzoek zal uitgevoerd worden voor omgevingsvergunningsaanvraag.

Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels die ervoor zorgt dat dit aanvullend onderzoek voor omgevingsvergunning bouwen gereed moet zijn. De bodemkwaliteit is hiermee voldoende geborgd.

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau (onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water 22 december 2004) vertaald via rijks-, provinciaal, waterschaps- naar gemeentelijk beleid om

Hoofdstuk 4

44

samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting om een watertoets uit (te) laten voeren en om door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzamer watersysteem. Naast een Omgevingsvisie is het Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is om te komen tot een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in 2050. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Door het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn een aantal urgente onderwerpen verwerkt in een Interim Omgevingsverordening. Een definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De Dommel.

De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het waterbeheerprogramma “Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving”. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Het waterschap is verantwoordelijk voor de waterkeringen, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van het afvalwater. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie. Om deze doelstellingen te behalen heeft het waterschap onder andere toegespitst beleid en beleidsregels opgenomen in de Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben op de waterkwantiteit, -kwaliteit en -veiligheid. Op grond van de Keur zijn Algemene regels en een aantal Beleidsregels opgesteld. De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger waarin de status en afmetingen van het watersysteem (waterlopen, -keringen en beschermingszones) zijn opgenomen.

Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet afhankelijk van de werkzaamheden en/of activiteit een melding of vergunning aanvragen. De gemeente Hilvarenbeek heeft een verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2022-2027, waarin het beleid ten aanzien van grond-, vuil- en regenwater is vastgelegd. Dit is overeenkomstig met het beleid van het waterschap. De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een duurzamere, klimaatbestendige leefomgeving waarbij hemelwater doelmatige verzameld en op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt (voorkeur voor bovengrondse voorzieningen). Dit beleid resulteert in de verplichting een watertoets uit te (laten) voeren bij ontwikkelingen om zo tot een duurzamer watersysteem te komen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16329158/1