CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Esbeekseweg 15-17 (9 Toelichting bestemmingsplan)

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Esbeekseweg 15 en 17.22.271 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hoofdstuk 4

45

4.11.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hier wordt dan ook naar verwezen. Hierna is een samenvatting beschreven. Bij de bestaande bebouwing is voldoende ontwatering aanwezig (GHG ingeschat op 17 m +NAP). Om instroom van hemelwater tegen te gaan, wordt geadviseerd om voor de nieuwbouw minimaal een vloerpeil van 20 cm boven het bestaand maaiveld aan te houden. Gezien de huidige lagere ligging centraal wordt een lokale ophoging geadviseerd met een peil van ca. 18,2 m +NAP voor de weg en 18,4-18,5 m +NAP voor de panden zodat bij de nieuwbouw geen grondwateroverlast of instroom te verwachten is. Bij de toekomstige maaiveldprofilering dient rekening gehouden te worden met een oppervlakkige afstroming naar een hemelwatervoorziening, nabijgelegen groen of het oppervlaktewater. De bestaande verharding is reeds afgekoppeld en stroomt over eigen perceel in de bodem en naar de omliggend aanwezige droogvallende greppels. Bij de nieuwbouw zal tevens een gescheiden stelsel aangelegd worden. Door de bouw van de bijkomende woningen is geen significante toename aan afvalwater te verwachten (ca. 0,2 m3/uur). Voor de bijkomende aansluiting van het afvalwater op het gemeentelijk drukrioolstelsel dient te zijner bij de gemeente Hilvarenbeek een aanvraag ingediend te worden.

Omdat het drukriool een beperkte capaciteit heeft is het mogelijk dat er een nieuw drukrioolgemaal moet worden aangelegd. De eventuele kosten worden bekend na het aanvragen van een rioolaansluitingsvergunning en deze kosten zijn voor rekening van de aanvrager. Door de sloop is ter plaatse sprake van een afname aan verhard oppervlak. Vanuit het waterschap is geen compensatie benodigd. Het gemeentelijk beleid maakt hierin geen onderscheid en verlangt bij nieuwbouw vanaf 250 m2 een hemelwaterverwerking voor een bui van 60 mm. De voorkeur gaat uit naar bovengrondse verwerking zodat ook eenvoudig een noodoverloop naar het bestaand oppervlaktewater kan plaatsvinden en zo bij boven normatieve neerslaghoeveelheden geen overlast optreedt. Een mogelijke verwerkingswijze voor het verwacht verhard oppervlak is in afbeelding 5 van de waterparagraaf in de bijlage schematisch opgenomen. Het plangebied dient deels opgehoogd te worden waardoor meer ruimte ontstaat voor waterverwerking. Vooralsnog is uitgegaan van oppervlakkige infiltratie in de tuin. Indien dit niet gewenst is, kan als alternatief op de percelen ook een ondergrondse voorziening boven de GHG aangelegd worden. De woningen liggen hoger dan de omliggende bestrating. Bij boven normatieve neerslag kan hemelwater oppervlakkig afstromen naar de centrale infiltratie greppel.

Ter plaatse bevindt zich momenteel deels een droogvallende greppel. Als de bestaande doorstroming in oost-westelijke richting behouden dient te blijven, dient bij het nadere ontwerp rekening gehouden te worden met een aparte duiker of gecombineerde voorziening met de centraal geplande infiltratiegreppel. Overtollig water kan middels een overloopstuw in oostelijke richting naar het bestaande oppervlaktewater afvoeren. Voor de voorgenomen duiker en nieuwe inrit in de overige watergang is geen watervergunning benodigd. Wel dient voldaan te worden aan de Algemene regels werk in het profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewater. Naast de algemene regels geldt de zorgplicht uit artikel 1.3 van de Keur Waterschap De Dommel 2015. Mogelijk dient voorafgaand aan de werken wel een melding plaats te vinden (check middels omgevingsloket).

Hoofdstuk 4

46

De uiteindelijke afval- en hemelwatervoorziening(en) met de benodigde waterberging voor het definitief verhard oppervlak wordt op de uiteindelijke plantekening opgenomen samen met de toekomstige aanlegpeilen. Ter plaatse was reeds een gescheiden stelsel aanwezig. Door de afname aan verharding, de aanleg van een gescheiden rioolstelsel bij de nieuwbouw, de aanleg van een hemelwatervoorziening op eigen perceel en rekening te houden met de overig genoemde aandachtspunten, wordt klimaat robuust ontwikkeld en is er geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden waaronder o.a. het Omgevingsloket. 4.11.3 Conclusie Het onderdeel water zorgt niet voor belemmeringen. In de regels is daarnaast een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van waterberging.

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.12.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste resultaten, conclusies en aanbevelingen beschreven.

Resultaten Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een AC-profiel. De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak siltig matig fijn, matig goed tot matig slecht gesorteerd zand. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van circa 50 tot 145 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde

Hoofdstuk 4

47

diepte van circa 16,30 tot 17,84 meter +NAP. Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. In het gehele plangebied is een AC-bodemprofiel aangetroffen. Dit is vermoedelijk het gevolg van het gebruik als boerenerf en boomgaard. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagers-verzamelaars niet meer intact is. Deze vindplaatsen zijn immers erg kwetsbaar en zullen, indien deze aanwezig zijn geweest, alleen nog ex-situ kunnen worden aangetroffen. Op basis hiervan wordt de verwachting voor deze periode bijgesteld van hoog naar laag. Voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. Echter, in boringen 1, 3 en 5 is de overgang van de A- naar de Chorizont rommelig. In de overige boringen ligt de natuurlijke ondergrond (C-horizont) beduidend lager, op gemiddeld circa 16,44 meter +NAP. In het overige deel van het plangebied is deze aangetroffen op gemiddeld 17,62 meter +NAP. Op basis van deze gegevens is het dekzand ter hoogte van boringen 2, 4 en 6 minimaal 100 centimeter in de C-horizont verstoord. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw wordt de kans op het aantreffen van eventueel aanwezige archeologische resten klein geacht.

Indien deze wel aangetroffen worden zullen deze in ex situ zijn en daarom weinig informatieve waarde bevatten. Om deze redenen wordt de verwachting voor de periode neolithicum tot nieuwe tijd bijgesteld van (middel)hoog naar laag. De verwachting voor de periode late middeleeuwen tot nieuwe tijd was al laag. Conclusies en aanbevelingen Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw bestaat uit een AC-profiel. De top van bodem is ter plaatse van deze boringen niet meer in oorspronkelijke vorm aanwezig. De overgangen naar de natuurlijke ondergrond is scherp en diepgaand verstoord of verrommeld. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagers-verzamelaars niet meer intact is. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw wordt de kans op het aantreffen van eventueel aanwezige archeologische resten klein geacht en wordt de verwachting voor alle periode bijgesteld van (middel)hoog naar laag. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Beoordeling Monumentenhuis Brabant BV Op 7 december 2022 is op verzoek van het bevoegd gezag door Monumentenhuis Brabant BV een beoordeling opgesteld van het onderzoek.

Het advies luidt als volgt: Met het door het onderzoeksbureau gegeven selectieadvies, geen vervolgonderzoek te doen uitvoeren binnen het omschreven plangebied, kan worden ingestemd. Monumentenhuis Brabant adviseert dat het omschreven gebied wordt vrijgegeven voor de voorziene planontwikkeling en (bouw)vergunning wordt verleend door de Gemeente Hilvarenbeek onder voorwaarde, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Dit kan telefonisch bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant. Voorliggend archeologisch conceptrapport kan door het onderzoeksbureau definitief worden gemaakt met inachtneming van de hieronder door het Monumentenhuis Brabant aangegeven opmerkingen. Naar aanleiding van het advies van Monumentenhuis Brabant BV is de dubbelbestemming die in het vigerende bestemmingsplan was opgenomen op deze locatie verwijderd van de plankaart/verbeelding. Het plangebied is vrijgegeven voor wat betreft archeologie. Vervolgwerkzaamheden zijn tevens niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

48

4.12.3 Conclusie Het onderdeel archeologie zorgt niet voor belemmeringen. Het plangebied is vrijgegeven.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.13.2 Onderzoek Er rust geen dubbelbestemming cultuurhistorie op het plangebied. Wel is het plangebied volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant gelegen in een cultuurhistorisch landschap.

Voor het cultuurhistorische landschap waar het gebied deel uitmaakt, wordt vanuit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart de volgende ontwikkelingsstrategie aanbevolen: • Het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van deels verdwenen hoeves, buurtschappen en akkercomplexen. • Het versterken van het contrast tussen oude ontginningen met akkers enerzijds en voormalige woeste gronden anderzijds. • Het versterken van het natte karakter van beekdalen en (voormalige) vennen. • Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door de vergroting van de beleving door het plaatsen van informatieborden, herstellen van historische (wandel)routes. Met voorgenomen plan doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. Met het landschappelijke inpassingsplan wordt omgevingskwaliteit behouden en versterkt. Door de sloop van de stallen worden de open landschapskwaliteiten versterkt en door de toevoeging van groenvoorzieningen. Binnen de grenzen van het plangebied zijn verder geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle lijnen, omdat de omliggende wegenstructuren niet veranderen. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving.

Hoofdstuk 4

49

4.13.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.

4.14 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.14.1 Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. 4.14.2 Onderzoek Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. 4.14.3 Conclusie Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.

De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

4.15 Gezondheid Spuitzones In de omgeving van het plangebied liggen verschillende agrarische percelen. Met dit plan wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met (eventuele) spuitzones. Op het landschappelijk inpassingsplan is te zien dat aan de noord- en oostzijde groensturen/heggen worden gerealiseerd van 2 meter hoogte. Daarnaast is een strook van 13 meter aangekocht van het naastgelegen agrarisch perceel in het kade van spuitzones. Op het perceel ten noorden en oosten is daarnaast een aanduiding opgenomen (met een afmeting van 50 meter vanaf de woonbestemming) die regelt dat vanaf 5 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan het gebruiken van chemische gewasbestrijdingsmiddelen niet is toegestaan. Hiermee is een goed woon- en leefklimaat voor de woningen geborgd. Met de agrariër zijn hier afspraken over gemaakt. Aan de westzijde (overzijde van de Esbeekseweg) ligt een ook een agrarische bestemming. Op dit perceel bevindt zich een camping. Gesteld wordt dat hier nu en in het verleden geen gewassen worden geteeld waardoor er geen sprake is van het gebruik van

Hoofdstuk 4

50

gewasbeschermingsmiddelen. Gezien het gebruik als camping is het op basis van jurisprudentie zeer onaannemelijk dat dit wijzigt. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat eveneens geborgd. Handreiking veehouderij en gezondheid Er is daarnaast gekeken naar de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0”. In deze handreiking is een stappenplan opgenomen met betrekking tot veehouderijen. Deze kan ook gebruikt worden voor de omgekeerde werking. Dit stappenplan is volledig doorlopen. Er is geen sprake van vestiging van een varkenshouderij of pluimveehouderij. Uit toetsing op afstanden blijkt dat wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De ontwikkeling leidt daarnaast niet tot een toename van emissies voor geur, fijnstof of ammoniak (stap 2). Er is daarnaast sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op basis van de geurkaart (zie paragraaf 4.5) kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur en dat de geurbelasting (door de aanwezigheid van veehouderijen) ter plaatse van het plangebied neerkomt op 3-7 ouE/m3. Aangezien dit lager is dan 10 ouE/m³ wordt voldaan de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening. In de directe omgeving van het plangebied liggen 3 veehouderijen. Namelijk aan het adres Laag Spul 6, Esbeekseweg 13 en Gasthuisweg 1.

De veehouderijen aan de Esbeekseweg 13 en Gasthuisweg 1 delen dezelfde bestemming en bouwvlak. Met het plan worden nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt, namelijk woningen. De tweekapper in het noorden van het plangebied ligt het dichtstbij de 3 veehouderijen. Concreet worden deze woningen op een afstand van 70 meter van het bouwvlak van de veehouderijen aan de Esbeekseweg 13 en Gasthuisweg 1 gerealiseerd en op een afstand van 300 meter van het bouwvlak van de veehouderij aan het adres Laag Spul 6. Hiermee wordt voldaan aan de maximale afstand van 50 meter (stap 3 en 4). Geitenhouderijen liggen buiten 2 kilometer afstand. Pluimveehouderijen liggen buiten 1 kilometer afstand (stap 5). Er is geen sprake van een mestbe- of verwerkingsbedrijf (al dan niet als nevenactiviteit) (stap 6). Vanuit omgevingsdialoog is niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). Het stappenplan is hiermee volledig doorlopen. Een advisering van de GGD hoeft niet geadviseerd te worden voor dit plan.

Hoofdstuk 4

51

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op de vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Reparatieplannen 2014 en 2019, Buitengebied’. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Hilvarenbeek nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

52

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: • anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. • algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. • algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. • algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen. Het gebied is gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone – kampenlandschap’.

Hiervoor geldt dat voor bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning benodigd is. • overige regels: in dit artikel is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor parkeren.

Hoofdstuk 5

53

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Groen De randen van het plangebied hebben de bestemming ‘Groen’ gekregen. Deze gronden zijn bestemd voor de landschappelijke inpassing. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Wonen Voor de toekomstige en bestaande woningen is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Per vlak is aangegeven hoeveel woningen zijn toegestaan. De goot- en bouwhoogte is op de verbeelding opgenomen. De maximale inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 750 m 3 (zowel bij vrijstaande woning als de twee-onder-één-kap-woningen). De bouwmassa van de tweekappers is beperkt tot 1.000 m3 en vergunningsvrije aan- of uitbouwen is hier uitgesloten. Voor de toekomstige woningen is de figuur ‘gevellijn’ aangeduid. In dergelijke gevallen dient de voorgevel van de woning in of achter de ‘gevellijn’ te worden gesitueerd. Voor aan- en uit- en bijgebouwen geldt een maximum oppervlakte van 150 m2 per woning, en minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn. De maximum goot- en bouwhoogte mogen respectievelijk 6 en 10 meter bedragen. Voor zover in de bestaande situatie een afwijkende maatvoering geldt dan geldt de bestaande maatvoering als maximum, voor zover deze hoger is dan de toegestane maximum zoals opgenomen in de regels.

In de bestemming ‘Wonen’ zijn tevens voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten behoeve van de landschappelijke inpassing, de waterberging, beeldkwaliteit en de sloop van bedrijfsbebouwing.

Hoofdstuk 5

54

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Onderhavige Bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, lid 1 Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van de particuliere initiatiefnemers. Met deze initiatiefnemers heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemers. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: • Omgevingsdialoog; • Vooroverleg; • Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Omgevingsdialoog Door initiatiefnemer is gesproken met de verschillende omwonenden in het kader van de omgevingsdialoog. De strekking van de reacties was positief. Er zijn geen opmerkingen gemaakt op het plan. Er zijn ook geen aandachtspunten naar voren gekomen. Het plan is daarom niet aangepast op basis van de omgevingsdialoog. Het verslag is opgenomen in de bijlagen.

Hoofdstuk 6

55

6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Er zijn vooroverlegreacties ingediend vanuit de brandweer, het waterschap, de omgevingsdienst en de provincie. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de omgevingsdienst zijn verschillende paragrafen in hoofdstuk 4 van deze toelichting aangepast. De reacties hebben niet geleid tot wijzigingen in het plan en hadden geen effect op de haalbaarheid van het plan. Vanuit de brandweer waren geen opmerkingen. Paragraaf 4.7 is aan de hand van de vooroverlegreactie wel nog geüpdatet. Vanuit het waterschap werden enkele opmerkingen gemaakt op de waterparagraaf in de bijlagen van de toelichting en op paragraaf 4.11 van de toelichting. Naar aanleiding van deze opmerkingen zijn deze paragrafen dan ook gewijzigd. De opmerkingen en inzichten van het waterschap zijn gevolgd. Op 12 april 2023 is daarnaast de vooroverlegreactie van de provincie binnengekomen.

Door de provincie werd kritisch gekeken naar de stedenbouwkundige opzet van plan. Op basis hiervan is daarom ook in samenspraak met gemeente en provincie het plan aangepast. De hofstructuur van het toekomstige erf is aangepast en nader onderbouwd. Inmiddels is dit ook akkoord bevonden door de stedenbouwkundige van zowel de gemeente als provincie (e.e.a. wordt nader beschreven in bijlage 1 van de toelichting). Ook is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze is samen met de landschappelijke inpassing voorwaardelijk verplichtend gesteld in de regels. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Er zijn in totaal 2 zienswijzen binnengekomen. Op basis van deze zienswijzen is het bestemmingsplan aangepast. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar bijlage 18 ‘Nota van beantwoording zienswijzen’. In bijlage 19 is de ‘Nota van ambtshalve wijzigingen’ opgenomen.

Hoofdstuk 6

56

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Stikstofonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeer Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Quickscan flora en fauna Bijlage 6: Aanmeldnotitie m.e.r. Bijlage 7: Archeologisch onderzoek Bijlage 8: vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Bijlage 9: Beeldkwaliteitsparagraaf Bijlage 10: Vervolgonderzoek flora en fauna Bijlage 11: Rekenmodule maatwerk omgevingskwaliteit Bijlage 12: Sloopkaarten Bijlage 13: Melding besluit landbouw milieubeheer Bijlage 14: Verzoek tot intrekking milieutoestemming Bijlage 15: Resultaat bestemmingswinst en kwaliteitsverbetering landschap Bijlage 16: Geurberekening Bijlage 17: Omgevingsdialoog Bijlage 18: Nota van beantwoording zienswijzen Bijlage 19: Nota van ambtshalve wijzigingen Bijlage 20: Offerte sloopwerk, asbestsanering en aanvullen putten met grond

Hoofdstuk 6

57

TOELICHTING

Hoofdstuk 6

58

REGELS

Hoofdstuk 6

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16329158/1