CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Beverakkers V (Toelichting)

Gemeenteraad 16 april 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Beverakkers V.32.907 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De ‘attentiezone waterhuishouding’ is vastgelegd op de verbeelding als dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone natte natuurparel’. De bescherming van de waterhuishouding ter plaatse van nabijgelegen natuur is daarmee verzekerd. Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel volledig onverhard. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen. De woonpercelen hebben een gezamenlijk oppervlak van circa 11.849 m2. De oppervlakte van interne ontsluiting en openbare parkeerplaatsen bedraagt circa 6.028 m2. Van deze laatste categorie kan worden aangenomen dat deze gronden volledig worden verhard. Binnen de woonpercelen worden diverse woningtypologieën voorzien, met bijbehorende tuinen. Aangenomen kan worden dat circa 70% van dit oppervlak verhard wordt vanwege de woningen, bijgebouwen en tuinverhardingen. De verhardingstoename vanwege het plan bedraagt daarmee circa (6.028 m2 + 8.294 m2 =) 14.322 m2. Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. Er dient rekening gehouden te worden dat de planontwikkeling risico’s van wateroverlast in de omgeving niet negatief beïnvloedt.

Daarom dient bij de inrichting binnen het plangebied rekening gehouden te worden met het geven van ruimte aan water teneinde wateroverlast te voorkomen. Op basis van waterschapsbeleid bedraagt de bergingsopgave (14.322 m2 x 0,06 =) 859 m3. Een deel van de bestaande sloot wordt gedempt. Om dit te compenseren is aanvullend 214 m 3 nodig. Het watersysteem van Beverakkers IV is zodanig opgezet dat hier al rekening is gehouden met Beverakkers V. De sloot ligt niet voor niets om het hele plangebied. Het is een bergingssloot met beperkte infiltratie. De bodem van de sloot ligt op 13.00 + NAP en is destijds aangelegd boven de GHG. Aan de pastoor Boelaarsstraat (Beverakkers IV) is sinds 2018 een grondwatermonitoringsput in gebruik genomen. Uit de betreffende gegevens blijkt dat de GHG nog steeds onder de 13.00 + NAP ligt. In principe kunnen de uitgangspunten van destijds nog steeds aangehouden worden. Uitgaande van eenzelfde waterhoogte van 0,6m als destijds is voor 1073 m3 een oppervlakte van 1788 m2 in het plan Beverakkers V is nog ruim 5000 m2 vrije ruimte beschikbaar, grotendeels aaneengesloten. Hierbinnen is voldoende ruime voor de realisatie van een wadi. Aan de rand van dit groengebied, langs de Beverstraat, ligt ook de infiltratiesloot die voor Beverakkers IV gerealiseerd is. De nieuw aan te leggen voorziening kan hiermee gecombineerd worden.

Uit onderzoek voor Beverakkers IV is gebleken dat de bodemgeschikt is voor infiltratie. Bij verdere uitwerking van de plannen zal gekozen worden voor een definitief watersysteem. De daadwerkelijke realisatie van voldoende

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 44/79

waterberging is door middel van een regel geborgd in het bestemmingsplan. Dus zelfs voor de meeste basale oplossing is voldoende ruimte beschikbaar. De benodigde bergingscapaciteit zal nog wat lager worden aangezien nog geen rekening is gehouden met de beschikbare capaciteit in het riool. Tijdens de civieltechnische uitwerking zal – in overleg met het waterschap– onderzocht worden hoe de berging van het hemelwater op een goede en fraaie manier verder geïntegreerd kan worden in het plan. Mogelijk is ook het oppervlakkig afvoeren van hemelwater in delen van het plan een optie, dit biedt nog meer mogelijkheden.

Visualisatie hemelwaterafvoersysteem Beverakker V.

Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een toename/verandering in het aanbod van vuilwater op het riool. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per persoon. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Hiervoor kan worden aangesloten op het riool van Beverakkers IV. Toen dit riool ontworpen is, is reeds rekening gehouden met de komst van Beverakkers V. Ook is in het werk rekening gehouden met aansluitmogelijkheden voor Beverakkers V. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 45/79

Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. In artikel 6.4.3 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die de realisatie van waterhuishoudkundige voorzieningen binnen het plangebied verplicht. De benodigde bergingscapaciteit wordt als volgt berekend: benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x 0,06.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beleid gemeente Het gebouwd en landschappelijk erfgoed is een belangrijk onderdeel van de identiteit van de gemeente Hilvarenbeek. Het beleid van de gemeente Hilvarenbeek ten aanzien van het aspect cultuurhistorie is weergeven op de gemeentelijke Cultuurhistoriekaart.

De cultuurhistoriekaart geeft de aanwezige cultuurhistorische waarden weer voor de gemeente. Beoordeling Het plangebied is gelegen aan de Beverstraat en De Eekhof. Dit zijn wegen die zowel op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart als de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart zijn aangemerkt als een lijn met een ‘hoge’ waarde. Uitgangspunt vanuit cultuurhistorie is het benutten van de wegpatronen als basis bij ruimtelijke ontwikkelingen en recreatief gebruik. Het planvoornemen voorziet niet in een reconstructie of verlegging van de genoemde wegen. Er zal enkel sprake zijn van de aanleg van een ontsluiting op De Eekhof. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt vormt dit geen belemmering. Het cultuurhistorisch landschap zoals verbeeld op de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart houdt verband met de ligging van het plangebied binnen de cultuurhistorische regio de ‘Kempen’. Voornaamste

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 46/79

ontwikkelstrategie betreft de doorontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio en de cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Het planvoornemen is niet van dusdanig schaal dat hieraan kan worden bijgedragen. Het cultuurhistorisch vlak zoals verbeeld op de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart houdt verband met de ligging van het plangebied binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg’. Het gebied bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de middeleeuwse hoeves en buurtschappen (met kleine akkercomplexen) die de kern vormden van de landgoederen of die daarin zijn opgenomen. Voor de belangrijkste deelgebieden, de ‘cultuurhistorische vlakken’, wordt vanuit provinciaal beleid ingezet op planologische bescherming. Van een cultuurhistorisch vlak binnen het plangebied is echter geen sprake. Voor de ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg’ geldt geen specifiek beleid, maar zet de provincie in op samenwerken en stimuleren.

Ontwikkelstrategie is: • Het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van deels verdwenen hoeves, buurtschappen en akkercomplexen; • Het versterken van het contrast tussen oude ontginningen met akkers enerzijds en voormalige woeste gronden anderzijds; • Het versterken van het natte karakter van beekdalen en (voormalige) vennen; • De natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit; • Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door de vergroting van de beleving. Met het planvoornemen wordt ingezet op het verbinden van de kern met het buitengebied en behoud van groene structuren door middel van landschappelijke inpassing. Enige cultuurhistorische waarden gaan daarbij niet verloren.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 47/79

Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant met het plangebied aangeduid met een rode contour.

Uitsnede van de Cultuurhistoriekaart van de gemeente Hilvarenbeek. De blauwe contour geeft de ligging van het plangebied weer.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 48/79

Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7).

Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 de gemeentelijke archeologische beleidskaart met bijbehorende beleidsuitgangspunten vastgesteld. Voor de bescherming van de archeologische waarden kent de gemeente diverse dubbelbestemmingen toe. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft voorliggend plangebied zowel een hoge als een middelhoge archeologische verwachting. Als ondergrens wordt voor deze categorieën een oppervlakte aangehouden van 500 m 2 en een diepte van 50 centimeter. Aangezien voorliggende ontwikkeling voorziet in de planologische toevoeging van woningen die in totaal een grotere

Uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek.

oppervlakte zullen gaan beslaan dan 500 m2 dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden om de daadwerkelijke archeologische waarde van het plangebied vast te kunnen stellen.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 49/79

Beoordeling Ten behoeve van het bestemmingsplan “Beverakkers IV” is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (BAAC rapport V-09.0074 maart 2009). Het onderhavige plangebied maakte onderdeel uit van het onderzoeksgebied. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is aan het gehele plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend op het aantreffen van archeologische resten uit de Steentijd tot en met de Late Middeleeuwen. Dit hangt samen met de landschappelijke ligging van het plangebied (dekzandrug nabij stromend water), de verwachte aanwezigheid van een intact esdek en de waarnemingen in de nabijheid van het plangebied. Indien binnen het plangebied bodemverstorende activiteiten gaan plaatsvinden die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld, dan is volgens het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv vervolgonderzoek noodzakelijk. BAAC heeft een Programma van Eisen voor het proefsleuvenonderzoek opgesteld, dat goedgekeurd is door het bevoegd gezag (zie bijlage 7).

De vindplaatsen geplot op de allesporenkaart en de bodemtypekaart. Bron: Econsultancy, 2021. datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 50/79

Econsultancy heeft een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn drie vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats 5 betreft een zone van ongeveer 1,5 hectare met sporen en vondsten uit de IJzertijd en de Middeleeuwen in het oosten van het terrein. Het is gelegen tegen vindplaats 1 en 4 van het proefsleuvenonderzoek. Vindplaats 6 ligt in het westen, meet ongeveer 2.200 m2 en bevat tenminste een huisplattegrond en een bijgebouw vermoedelijk ook uit de ijzertijd. Vindplaats 7 zijn de sporen behorende bij een historische weg, in de richting van zuidwest naar noordoost (ter hoogte van WP8, WP10 en WP11 op de allesporenkaart hierna). Alle drie de vindplaatsen zijn behoudenswaardig. Er wordt geadviseerd op de vindplaats in situ te behouden. De vindplaatsen 5 t/m 7 (ca 17.500 m2) werden na het proefsleuvenonderzoek als behoudenswaardig beschouwd. Geadviseerd is om door middel van een opgraving het archeologische erfgoed veilig te stellen (ex situ), aangezien behoud in situ grotendeels niet mogelijk is. Van vindplaats 5 wordt het zuidelijke deel (ca 2.000 m2) niet opgegraven, omdat hier geen ontwikkelingen plaats vinden. Het bevoegd gezag, de gemeente Hilvarenbeek, heeft besloten om dit gebied middels een opgraving te laten onderzoeken. ArchAeO heeft een Programma van Eisen opgesteld voor de archeologische opgraving (zie bijlage 9).

Selectieadvies. Bron: Econsultancy, 2021.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 51/79

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aannemelijk maken dat het plan uitvoerbaar is, waaronder ook milieutechnisch, financieel en juridisch uitvoerbaar. De uitvoerbaarheid niet in gevaar is als het archeologisch onderzoek nog moet plaatsvinden, zolang het gezien de stand van het onderzoek en de te nemen maatregelen aannemelijk is dat geen onoverkomelijke problemen zullen ontstaan (bijv. ABRvS 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8524). Een nog uit te voeren archeologisch onderzoek of opgraving is op zichzelf geen belemmering in onderhavig geval, omdat bekend is wat de archeologische waarden (kunnen) zijn, op grond van het archeologisch proefsleuvenonderzoek van Econsultancy. Deze waarden worden met een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” beschermd. Zodoende is voorafgaand de bouwactiviteiten een archeologische opgraving verplicht. De archeologische opgraving is ruimtelijk uitvoerbaar en bovendien financieel haalbaar binnen de projectexploitatie van Van der Weegen. Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voldoende is aangetoond. Hoewel de archeologische opgraving nog moet plaatsvinden, vormt dit geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

De aanwezige of te verwachten archeologische waarden zijn afdoende beschermd door de in het plan opgenomen dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”, waarmee is gewaarborgd dat bij toekomstige werkzaamheden rekening wordt gehouden met deze waarden. Daarnaast is aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke archeologische maatregelen uitvoerbaar en financieel haalbaar zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat de opgraving zal leiden tot onoverkomelijke vertragingen of kosten die de realisatie van het plan zouden belemmeren. Daarmee is de juridische en feitelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voldoende verzekerd. 4.6 Ecologie 4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Kempenland-West’ dat is gelegen op een afstand van ca. 4 km tot onderhavig plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Mogelijk kan depositie van stikstof vanwege het planvoornemen wel negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve is voor onderhavige ontwikkeling door Sweco in oktober 2025 een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 52/79

De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator versie 2025. Het projecteffect op de Nederlandse Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Het projecteffect op de Nederlandse Natura 2000gebieden als gevolg van de aanlegfase is hoogstens 0,02 mol/ha/jaar. De minimale overschrijding van de KDW in de bouwfase betekent dat op voorhand niet zonder meer kan worden uitgesloten dat het project significante effecten heeft op de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied. Een overschrijding van de KDW vormt echter geen automatische juridische drempelwaarde. Bepalend is of feitelijk sprake is van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Om dit te beoordelen is een kwalitatieve ecologische toets (KET) uitgevoerd door Brabant Eco (zie daarvoor bijlage 11). Hieruit blijkt dat, ondanks de berekende toename van stikstofdepositie, in het relevante effectgebied de habitattypen in gunstige staat van instandhouding verkeren en niet stikstofbeperkend zijn. Op grond van deze analyse is uitgesloten dat het plan significante negatieve effecten veroorzaakt op de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.

Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming. 4.6.2 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Equipe is in september 2025 een quickscan flora & fauna uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 12 gevoegd bij deze toelichting.

Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op algemene broedvogels, vogels met jaarrond beschermde nesten, de bunzing en de wezel (marterachtigen), vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen, teunisbloempijlstaart en diverse Rode Lijstsoorten. De werkzaamheden van het initiatief kunnen leiden tot verstoring van alle aanwezige flora en fauna. Voor de meeste van deze soorten kan worden volstaan met de Algemene zorgplicht (naar Artikel 1.6 Omgevingswet). Voor de marterachtigen is de zorgplicht niet voldoende en is in dit geval onderzoek nodig naar de wezel, hermelijn en bunzing. Momenteel is het niet mogelijk om dit onderzoek uit te voeren omdat er een cameraonderzoek dient plaats te vinden gedurende 8 aaneengesloten weken in de periode van 1 juni – 15 september. Als alternatief is

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 53/79

het overslaan dit onderzoek en direct aan te nemen dat er marterachtigen aanwezig zijn ook een optie. In dat geval dient voorafgaand aan de bouw een habitatbeoordeling, effectbeoordeling en mitigatieplan opgesteld te worden. Het voorstel van de ecologen is om een voorwaardelijke verplichting in de regels op te nemen die tweeledig is: gebruik van de gronden is niet toegestaan tenzij uit nader onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van wezel, hermelijn en bunzing is uitgesloten, dan wel dat een vergunning ‘activiteit flora en fauna’ met betrekking tot deze diersoorten is verleend. De voorwaardelijke verplichting heeft alleen betrekking op het hieronder met rood aangegeven deel (het deel dat de afgelopen jaren niet is gebruikt voor maisteelt). Op de luchtfoto is dit gebied duidelijk herkenbaar. De voorwaardelijke verplichting wordt aldus gekoppeld aan het rode deel op de verbeelding.

Zone voorwaardelijke verplichting marteronderzoek dan wel vergunning ‘activiteit flora en fauna’ (rood gearceerd) en zone waar geen marterachtigen zullen verblijven (groen gearceerd).

Conclusie De uitvoerbaarheid van het project is aangetoond. Indien een deugdelijk mitigatieplan voor marterachtigen wordt overlegd met het bevoegd gezag bij een aanvraag ‘activiteit flora en fauna’, wordt doorgaans een vergunning verleend door de omgevingsdienst namens de provincie Noord-Brabant. Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming. Een voorwaardelijke verplichting voor marteronderzoek en/of een mitigatieplan bij een vergunningaanvraag ‘activiteit flora en fauna’, gekoppeld aan de zone als hierboven behandeld, voorkomt verstoring van marters. 4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 54/79

rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Het plangebied is gelegen aan De Eekhof en de Beverstraat alwaar een snelheidsregime geldt van 30 km/u. Conform de Wet geluidhinder geldt voor deze wegen geen onderzoekszone. Alle wegen in Nederland met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger zijn wel gezoneerd. Het plangebied valt echter niet binnen een onderzoekszone van een gezoneerde weg. Conform de Wet geluidhinder bestaat daarmee geen noodzaak tot het doen van akoestisch onderzoek. Ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geldt dat het plangebied is gelegen aan de rand van de kern BiestHoutakker in woningbouwlocatie Beverakkers. Het woongebied wordt ingericht als typische 30-km/u-weg waarbij tevens verkeersmaatregelen zijn genomen om hardrijden te ontmoedigen. Er is geen sprake van een doorgaande weg; enkel bestemmingsverkeer maakt gebruik van de wegen waaraan de nieuwe woningen komen te liggen. Gelet hierop kan worden aangenomen dat een goed woon- en leefklimaat niet wordt belemmerd door lawaai afkomstig van wegverkeer. Bovendien geldt dat in het kader van toetsing aan het Bouwbesluit wordt gestreefd naar een binnenwaarde van 33 dB.

Uit het Bouwbesluit 2012 volgt dat elke gevel van normale bouwkundige opzet al over een geluidwering van op zijn minst 20 dB beschikt. Daarbij kan in zijn algemeenheid ervan worden uitgegaan dat nieuwe woningen over een steeds betere geluidwering beschikken, omdat de eisen voor met name thermische isolatie in de afgelopen jaren zijn aangescherpt. Derhalve kan in redelijkheid worden aangenomen dat het binnenniveau in gevoelige gebouwen niet wordt overschreden. Conclusie Op basis van de Wet geluidhinder geldt geen verplichting tot het doen van akoestisch onderzoek. Geluidbelasting afkomstig van wegverkeer staat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 55/79

4.8 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als ‘rustige woonwijk’. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid.

Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De woningen binnen het plangebied bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van. Hierbij is gemeten vanaf de grens van de inrichtingen tot de uiterste bouwgrens waarbinnen milieugevoelige objecten (vergunningsvrij) kunnen worden gerealiseerd. Bestemming

Locatie

Max. milieu

Richtwaarde VNG

Afstand tot plangebied

categorie ‘Bedrijf’ tot ten hoogste milieucategorie 2

Biestsestraat 65

2

30 meter

170 meter

‘Bedrijf - Agrarisch verwant’ met

Akkerstraat 2b

3.2

100 meter

170 meter

‘Agrarisch’ met functieaanduiding glastuinbouw

Akkerstraat 2a

3.2

100 meter

310 meter

‘Bedrijf - Agrarisch verwant’ met

Akkerstraat 4

3.2

100 meter

170 meter

‘Bedrijf - Nutsbedrijf’ met functieaanduiding

Biesthoutakker

1

10 meter

80 meter

‘specifieke vorm van bedrijf - n6’

ong.

‘Recreatie’ met functieaanduiding ‘speeltuin’

Biesthoutakker

0

0 meter

50 meter

functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf 11’

functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf 12’

ong.

Zoals blijkt uit de tabel kan aan alle richtafstanden worden voldaan. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat vanwege milieuzonering ter hoogte van het plangebied verzekerd en kan worden gewaarborgd dat omliggend bedrijvigheid vanwege het planvoornemen niet wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. Ten aanzien van dit laatste geldt bovendien dat bestaande burgerwoningen in alle gevallen al dichter tot de relevante bedrijvigheid zijn gelegen dan de nieuw te bouwen woningen, waardoor de bestaande woningen maatgevend zijn voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. Akoestisch onderzoek industrielawaai beregeningspomp Met dit bestemmingsplan worden nieuwe woonbestemmingen mogelijk gemaakt in een gebied waar beregeningspompen door agrarische bedrijven worden ingezet. Deze pompen vallen niet onder een specifiek rijks-

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 56/79

milieuregime; toch produceren zij geluid dat van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat van de beoogde woningen. De gemeenteraad is op grond van artikel 3.1 Wro verplicht om bij vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, het beoogde gebruik planologisch aanvaardbaar maken. Akoestisch onderzoek F. Bouwmans Ingenieursburo Het bestemmingsplan voorziet in woonbestemmingen aan de zuidwestkant van Biest-Houtakker. Aan de noordwestzijde van het plangebied bevindt zich agrarisch gebied ten behoeve van een boomkwekerij. Deze boomkwekerij maakt af en toe gebruik van een mobiele beregeningsinstallatie die ca. 5 meter van de grens van het plangebied staat. De eigenaar van de boomkwekerij vreest dat toekomstige bewoners geluidhinder gaan ondervinden van de installatie en heeft daarom een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. Ook aan de zuidwestzijde van het plangebied bevindt zich agrarisch gebied. Ook daar wordt af en toe gebruik gemaakt van een beregeningsinstallatie die ca. 30 meter van de grens van het plangebied staat. Ten behoeve van het onderzoek zijn geluidberekeningen verricht, conform de eisen uit de Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai (HMRI-II).

De optredende geluidniveaus in de omgeving van de inrichting zijn bepaald middels overdrachtsberekeningen volgens de specialistische methode uit de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai. De rapportage van het akoestisch onderzoek is te vinden in bijlage 13. Hieronder worden de resultaten besproken. Een uitsnede van een deel van het akoestisch model is opgenomen op de volgende pagina. De huidige beregeningsinstallatie van de boomkwekerij (pomp 1) heeft een bronsterkte van 103 dB(A). Uit onderzoek bij leveranciers is gebleken dat een beregeningspomp met een bronsterkte van 103 dB(A) geen BBT c.q. stand der techniek is. Er zijn meerdere leveranciers die beregeningspompen kunnen leveren met een bronsterkte van ten hoogste 96 dB(A). Bij de bestaande woningen aan De Eekhof 16 t/m 20 worden in de huidige situatie door de bestaande beregeningsinstallatie van de boomkwekerij op de huidige locatie in de dagperiode langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT veroorzaakt van 51 dB(A) op de gevel en 52 dB(A) in de tuin en in de avondperiode van 53 dB(A) op de gevel en 51 dB(A) in de tuin. Gezien deze hoge geluidniveaus had pomp 1 in 2019 door de boomkwekerij dus nooit richting de bestaande woonwijk verplaatst mogen worden. Deze verplaatsing is in strijd met de APV en met de zorgplicht van de agrariër.

Met het toepassen van een stillere beregeningspomp op de huidige locatie kunnen de geluidniveaus bij de bestaande woningen overigens relevant verlaagd worden tot een acceptabel niveau situatie pomp 1 Uit berekeningen (alleen pomp 1 van 96 dB(A) zonder maatregelen) blijkt dat de grenswaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie van 45 dB(A) etmaalwaarde bij meerdere nieuwbouwwoningen en bij enkele tuinen wordt overschreden. De grenswaarde uit stap 3 van de VNG-publicatie van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt eveneens bij meerdere nieuwbouwwoningen en bij een beperkt aantal tuinen overschreden. Dit vormt een aanleiding om een nader onderzoek naar geluidreducerende maatregelen uit te voeren. In geval van pomp 1 met een aanvullende geluidreducerende maatregel (afscherming) is de kwaliteit bij nagenoeg alle nieuwbouwwoningen en bij alle tuinen zeer goed tot goed. Bij 2 woningen is de kwaliteit redelijk en bij slechts 1 woning is de kwaliteit matig tot slecht. Daar waar de kwaliteit slecht is (ter hoogte van kopse gevel woning vlak bij pomp) kan er voor gezorgd worden dat in deze gevel geen te openen delen zitten. In de tuin van deze woning is de kwaliteit goed. Gezien het feit dat deze geluidniveaus ten hoogste 40 dagen per jaar veroorzaakt worden en alleen in de dagperiode en een gedeelte van de avondperiode wordt deze situatie als aanvaardbaar beschouwd.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 57/79

Akoestisch model onderzoek beregeningspompen. Puntbronnen en deel van de onderzochte woningen. Berekeningen ter hoogte van puntbron zijn uitgegaan van een akoestisch scherm direct daar omheen. Totale figuur inclusief alle toetspunten op gevels te vinden in akoestisch onderzoek industrielawaai F. Bouwmans Ingenieursbureau, 13 maart 2026. Zie bijlage 13 en dan ‘bijlage figuren’, p. 22-30.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 58/79

situatie pomp 2 In geval van pomp 2 is de kwaliteit bij de meeste nieuwbouwwoningen en de meeste tuinen eer goed tot goed. Bij enkele woningen (3 stuks) is de kwaliteit redelijk. Bij enkele woningen (4 stuks) is de kwaliteit matig. Het geluidniveau in de betreffende woningen voldoet bij de standaard vereiste geluidwering van de gevels van 20 dB in de dagperiode al aan de grenswaarde van 35 dB(A). In de avondperiode is in de worstcasesituatie een geluidwering nodig van 22 dB. Dat vormt technisch geen probleem. De akoestische situatie in de tuinen kan eenvoudig lokaal verbeterd worden door het plaatsen van tuinhuisjes of een degelijke schutting. Gezien de rekenresultaten is het voor pomp 2 niet nodig om aanvullende geluidreducerende maatregelen te beschouwen. Gezien het feit dat deze geluidniveaus ten hoogste 40 dagen per jaar veroorzaakt worden en alleen in de dagperiode en een gedeelte van de avondperiode wordt deze situatie als aanvaardbaar beschouwd. goede ruimtelijke ordening Uit het geluidonderzoek blijkt dat uitgaande van pompen die voldoen aan BBT, rekening houdend met een lokale afscherming bij pomp 1 en rekening houdend met het feit dat de pompen slechts een beperkt aantal dagen per jaar in werking zijn en niet in de late avondperiode en nachtperiode er bij alle woningen en tuinen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Er is dus met deze maatregelen sprake van een goede ruimtelijke ordening. toets richtwaarden GGD De gezondheidskundige richtwaarde van 50 dB Lden en 40 dB Lnight die de GGD hanteert wordt in de gerapporteerde situatie (fors) onderschreden. Juridisch uitgangspunt (Wro) Het juridische uitgangspunt is dat de raad zelf via het bestemmingsplan zorgt voor een goede ruimtelijke ordening. Dat betekent dat, waar rijkskaders ontbreken voor een concrete bron (zoals een beregeningspomp), de raad eigen planregels mag en moet stellen om de aanvaardbaarheid van de nieuwe woonfunctie te borgen. Deze bevoegdheid én verantwoordelijkheid vloeien rechtstreeks voort uit artikel 3.1 Wro. Ruimtelijke relevantie van het pompgeluid Hoewel de beregeningspomp niet zelfstandig onder een rijksmilieuregel valt, is het door de pomp veroorzaakte geluid ruimtelijk relevant voor de nieuwe woningen. Zonder planologische voorwaarden kan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Het bestemmingsplan moet daarom regels bevatten die het gebruik van de pomp in tijd, locatie en geluidproductie begrenzen, en die mitigatie afdwingbaar maken. Dit is exact het type normering dat artikel 3.1 Wro de raad toekent “ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening”.

Keuze voor planregels (noodzaak en evenredigheid) De gekozen planregels (artikel 6.4.2 en 6.4.7) zijn noodzakelijk en evenredig binnen het Wro kader: • Verbod in beginsel op gebruik van de pomp binnen de aangeduide zone, met gerichte uitzonderingen onder voorwaarden (bronvermogen, opstelplek, tijdvakken en maximaal aantal inzetdagen). Zo wordt het gebruik mogelijk gehouden, maar binnen grenzen die het woonmilieu beschermen een toepassing van artikel 3.1 Wro. • Objectieve geluidsgrenswaarden (L_Ar,LT) voor gevel, buitenruimte en binnenniveau, afgestemd op dag- en avondperiode. Hiermee worden toetsbare normen vastgelegd die de planologische aanvaardbaarheid van de woonbestemming borgen. Dit valt onder het geven van regels “met het oog op de bestemming” als bedoeld in artikel 3.1 Wro. • Een voorwaardelijke verplichting (6.4.7) die het bouwen van woningen koppelt aan het realiseren en in stand houden van een geluidwerende voorziening, met een actualisatieclausule wanneer herijking uitwijst dat de

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 59/79

•

voorziening niet langer nodig is. Deze bouwvoorwaardelijke systematiek is een passende invulling van de regelstellende bevoegdheid inzake het gebruik en bouwen onder artikel 3.1 Wro. Een open (niet limitatieve) set maatregelen (bron, overdracht, ontvanger) zodat de initiatiefnemer keuzevrijheid heeft bij het voldoen aan de normen, terwijl de raad de resultaatsnorm bewaakt. Daarmee is de regeling doelmatig en niet zwaarder dan nodig binnen de bandbreedte van artikel 3.1 Wro.

Locatie- en bronbinding De regels zijn bron- en locatiegebonden. Zij gelden uitsluitend voor de aangeduide opstelplekken en voor de concrete bron (beregeningspomp met een vastgelegd maximaal bronvermogen). Deze precisie sluit aan bij het Wro uitgangspunt dat planregels gericht moeten zijn op het in het plan begrepen gebied en het gewenste gebruik daarvan. Handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid De regeling is handhaafbaar omdat: • normen in dB(A) eenduidig meet- en rekenbaar zijn, • tijdvakken en maximaal aantal inzetdagen objectief controleerbaar zijn, • opstelplekken cartografisch zijn vastgelegd, • en (desgewenst) een registratieplicht kan worden gehanteerd voor inzetdagen. Hiermee is de regeling tevens uitvoerbaar binnen de reguliere toezichts- en handhavingspraktijk, passend bij de gemeentelijke verantwoordelijkheid onder artikel 3.1 Wro om de aanvaardbaarheid van het plan te verzekeren. Conclusie Door het opnemen van gericht bron- en locatiegebonden gebruiksregels, objectieve geluidgrenswaarden en een voorwaardelijke bouwverplichting voor een geluidwerende voorziening, is verzekerd dat de nieuwe woonbestemming alleen wordt gerealiseerd en gebruikt onder omstandigheden die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat garanderen.

Daarmee draagt de raad zijn verantwoordelijkheid onder artikel 3.1 Wro uit en is het plan planologisch aanvaardbaar en zou dit juridisch houdbaar moeten zijn binnen het Wro stelsel. Ten aanzien van de quickscan milieuzonering geldt dat het initiatief omliggende inrichtingen niet belemmert in hun bedrijfsvoering. Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. 4.9 Geurhinder en veehouderijen Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd) zijn relevante wettelijke regelingen.

De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Beoordeling Door Sweco is een onderzoek geurhinder veehouderijen uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 14 gevoegd bij deze toelichting.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 60/79

De meest nabijgelegen veehouderij ligt aan de Biestsestraat 70 in Biest-Houtakker op 370 meter van het plan en betreft een rundveehouderij met 9 zoogkoeien en 6 stuks vrouwelijk jongvee. Op 380 meter van het plan ligt tevens de rundveehouderij aan Vossenhol 10 waar 18 melk- en kalfkoeien en 52 stuks vrouwelijk jongvee gehouden worden. Gezien de ligging van de veehouderijen ten opzichte van de reeds aanwezige geurgevoelige objecten in BiestHoutakker, zullen de nieuwe geurgevoelige objecten niet dichter bij de veehouderijen komen te liggen dan de reeds bestaande geurgevoelige objecten. De desbetreffende veehouderijen zullen derhalve niet beperkt worden in hun huidige of toekomstige bedrijfsvoering. Voor de overige veehouderijen zal de realisatie van de nieuwe woningen tevens niet tot een verkleining van de afstand met een veehouderij zorgen aangezien er bestaande woningen en geurgevoelige objecten op een kortere afstand zijn gesitueerd. Tevens kan worden opgemerkt dat de geurnorm binnen de bestaande woonkern van Biest-Houtakker conform de gemeentelijke verordening 2 ouE/m³ bedraagt. Aan de minimale afstanden, conform de Wet en geurverordening, wordt met de realisatie van het plan tevens ruimschoots voldaan.

Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige woningen is zowel de voorgrondals de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk V-Stacks vergunning en gebied (versie 2020). Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 7,0 ouE/m³ plaatsvinden als gevolg van de afzonderlijke veehouderijen. De maximale voor- en achtergrondbelasting bedraagt respectievelijk 1,5 en 3,5 voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 4,9% en 5,6%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit als gevolg van de veehouderijen zeer goed tot goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. Ter plaatse van de nieuwe geurgevoelige locaties wordt voldaan aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderijen en de gemeentelijke verordening. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt en ter plaatse van de nieuwbouwwoningen wordt een goed woon- en leefklimaat gerealiseerd. Volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen en overige veehouderijen Beleid Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen.

Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, RIVM, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden. Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 61/79

onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: • Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; • Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; • Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is.

Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxinerisicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden.

Verder wordt bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens- of pluimveehouderij gelegen is geadviseerd gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richtafstand’. Onderzoek Op basis van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Binnen deze straal bevinden zich momenteel drie veehouderijen waar geiten worden gehouden. Op basis van art. 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Een toename aan geitenhouderijen is aldus niet te verwachten. De geitenhouderijen liggen op een afstand van 1.128, 1.400 en 1.700 meter tot het plangebied, derhalve op ruime afstand.

Omdat evenwel de geitenhouderijen binnen 2 km tot het plangebied zijn gelegen, alsmede dat binnen deze afstand ook overige veehouderijen zijn gelegen, heeft in het kader van dit bestemmingsplan een toetsing aan de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht plaatsgevonden. De notitie daarvan is als bijlage 15 gevoegd bij deze toelichting.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 62/79

Uit toetsing aan het stappenplan blijkt dat enkel niet voldaan kan worden aan stap 5a, daar geitenhouderijen binnen 2 km tot het plangebied zijn gelegen. Derhalve moet onderzocht worden of er bij de voorgenomen woningbouwontwikkeling binnen deze afstand sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Sinds 2009 is via drie onderzoeken Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGOI, II en III) aangetoond dat er een verhoogd risico op longontsteking is voor mensen die binnen 2 km van een geitenhouderij wonen. Begin 2025 werd VGO III gepubliceerd, en de bevindingen wijzen erop dat bacteriën de oorzaak zijn. Nog steeds is niet duidelijk welke bronmaatregelen nodig zijn om dit verhoogde risico op longontsteking weg te nemen. In 2016 stelde de provincie Noord-Brabant in 2016 een geitenmoratorium vast, waardoor er geen toename van staloppervlakte bij geitenhouderijen is toegestaan. Op 4 februari 2025 vroegen twee ministers advies aan de Gezondheidsraad omdat zij vinden dat voor het nemen van een besluit over de vervolgaanpak ten aanzien van de gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen verdere duiding nodig is van het gezondheidseffect. Op 3 juli 2025 kwam deel 1 van het advies uit: ‘Evaluatie wetenschappelijke kennis over risico op longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen’.

De kern van dit eerste deeladvies is de conclusie dat het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen waarschijnlijk oorzakelijk is. Het VGO-III onderzoek heeft bevindingen opgeleverd die de consistentie van de eerder gevonden associatie versterken. Deel 2 van het advies van de Gezondheidsraad wordt later verwacht en zal ingaan op de aard van de risico’s. Ondanks dat dit niet verplicht is, heeft de gemeente Hilvarenbeek op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 een advies aan de GGD gevraagd. Op 21 oktober 2025 is dit advies ontvangen. De GGD adviseert voornamelijk op basis van algemene uitgangspunten terughoudend te zijn met het realiseren van gevoelige bestemmingen binnen 2 km van een geitenhouderij, maar geeft wel aan dat het risico op longontsteking het grootst is bij gevoelige bestemmingen binnen 500 meter. Daarnaast gaat het advies in op gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waar in dit plan maatregelen voor zijn opgenomen. In de voorliggende situatie is sprake van een afstand van circa 1.100 tot 1.700 meter, waarmee nog steeds een ruime fysieke scheiding aanwezig is tussen de geitenhouderij en de toekomstige woonwijk. Tussen beide locaties bevindt zich bovendien een groot deel van de bestaande kern van Biest-Houtakker, die reeds binnen de 2 kilometerzone is gelegen en fungeert als fysieke en feitelijke buffer.

In de praktijk wordt de nieuwe woonwijk dus niet direct nabij de geitenhouderij toegevoegd, maar binnen aan een reeds bewoond gebied toegevoegd. Er zijn daarnaast concrete aanwijzingen dat enkele geitenhouderijen in de omgeving van de geplande woonwijk in de nabije toekomst hun bedrijfsvoering gaan beëindigen. Bij de belangenafweging weegt het maatschappelijke belang van woningbouw zeer zwaar. De woningnood in Hilvarenbeek en omgeving is aanzienlijk; strikte hantering van de 2- kilometervoorzorgsafstand zou ertoe leiden dat een groot deel van de gemeente niet benut kan worden voor woningbouw. Dit komt niet ten goede aan de leefbaarheid en woningnood in de gemeente. Daarnaast zijn er locatiespecifieke omstandigheden die een specifiek effect hebben op de gezondheid van toekomstige bewoners. Het wonen nabij een landelijk gebied, in een groene wijk, op afstand van drukke wegen ervaren bewoners als positief. Het realiseren van een gezonde, duurzame woonwijk op 1.100 tot 1.700 meter afstand, aan de rand van bestaand bewoond gebied, vormt daarom een verantwoorde invulling van de ruimtelijke ordening. Aan de overige stappen uit het stappenplan kan worden voldaan. Er bevinden zich geen pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten (stap 5b) en er bevinden zich geen overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde omgeving (stap 5c).

De gezondheidssituatie binnen het plangebied wordt in relatie tot veehouderijen aanvaardbaar geacht. De geitenhouderijen liggen op ruime afstand van het plangebied.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 63/79

De ontwikkelaar is ertoe verplicht om in de koopovereenkomst met de toekomstige bewoners een paragraaf op te nemen dat er op ongeveer 1.100 en 1.700 meter geitenhouderijen zijn gelegen. Hiermee wordt geborgd dat bewoners goed geïnformeerd een keuze kunnen maken. Alles afwegende wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de woonwijk op 1.100 tot 1.700 meter afstand van geitenhouderijen leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De voordelen van de woningbouwontwikkeling, mede in het licht van het grote maatschappelijke belang en de beperkte gezondheidsrisico’s, wegen zwaarder dan de afstand die wordt geadviseerd vanuit het voorzorgsprincipe. Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering. 4.10 Spuitzones Toetsingskader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu.

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen. Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een woon- en tuinbestemming, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden.

Recentelijk heeft de Raad van State een uitspraak gedaan die bevestigt dat het niet rechtszeker is om privaatrechtelijk afspraken te maken met agrariërs. Er dient bij voorkeur altijd een spuitvrije zone te worden opgenomen in het bestemmingsplan die het gebruik van bestrijdingsmiddelen met drift uitsluit. “De Afdeling heeft geoordeeld dat het college uit had moeten gaan van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan geeft en is, anders dan het college kennelijk veronderstelt, niet van belang welk gebruik op dat moment van de agrarische gronden wordt gemaakt en evenmin dat het gebruik van de agrarische gronden contractueel is of zal worden beperkt” (ECLI:NL:RVS:2025:4407). Beoordeling De gronden binnen het plangebied kennen in de huidige situatie een agrarische bestemming. Met het planvoornemen zal dit wijzigen in een groen-, woon- en verkeersbestemming. Het plangebied grenst aan de zuiden westzijde aan agrarische bestemmingen. De maximale planologische mogelijkheden van deze omliggende gronden staan boomgaarden toe, waardoor een indicatieve afstandsnorm van 50 meter geldt tussen deze agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object.

datum referentie

16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0

P 64/79

Op basis van de meest recente jurisprudentie wordt aangeraden om spuitvrije zones aan te brengen op de belendende agrarische percelen. Deze optie biedt rechtszekerheid bij de ontwikkeling. Het is tevens bekend dat de gemeente Hilvarenbeek vanwege rechtszekerheid een voorkeur heeft voor deze aanpak. Voor de beoordeling over de mogelijkheden die de gemeente Hilvarenbeek is in relatie tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij milieugevoelige functies is in mei 2025 de notitie ‘Gewasbeschermingsmiddelen en spuitzones in de gemeente Hilvarenbeek’ opgesteld. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit de notitie opgenomen. De volledige notitie is opgenomen in bijlage 16 van voorliggende toelichting. In deze notitie worden enkele concrete acties op een rij gezet die de gemeente kan overwegen te nemen om spuitzone en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te regulieren. Voor onderhavig planvoornemen is hiertoe gekozen voor het opnemen van een spuitvrije zone. In het kader van dit maatwerk en om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij gevoelige functies uit te sluiten, worden de omliggende agrarische gronden tot op een afstand van 50 meter van de beoogde woningen inclusief tuin voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – spuitvrije zone’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16821567/1