Bestemmingsplan Beverakkers V (Toelichting)
Tekst van het document
Binnen deze zone blijft agrarisch gebruik toegestaan, met uitzondering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit is inhoudelijk en juridisch houdbaar, mits er een goede motivatie onder ligt en een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. Hierbij kan ook nadrukkelijk meer belang worden gehecht aan de maatschappelijke opgaven van de gemeente, zoals de woningbouwopgave die er ligt en het voorzorgbeginsel ten aanzien van de volksgezondheid (agrarische belangen, lage maatschappelijke kosten van woningen (economie) en mogelijkheden tot verhaal van planschade worden meegenomen). Hiertoe is een afwegingsnotitie woningbouw en gewasbeschermingsmiddelen opgesteld, welke als bijlage 17 bij de toelichting is opgenomen. Hierin worden concrete maatregelen voorgesteld voor Vroonacker IV. De voorgestelde maatregelen zijn doorvertaald in onderhavig bestemmingsplan. De volgende maatregelen zijn opgenomen: • • •
•
•
Het plangebied wordt uitgebreid met een zone van ten minste 50 meter rondom de beoogde woongebieden ten behoeve van een ‘spuitvrije zone’. Ter plaatse van de ‘spuitvrije zone’ wordt een verbod opgenomen voor het gebruiken van chemische gewasbeschermingsmiddelen die negatieve effecten hebben op de volksgezondheid. In de algemene regels wordt een overgangsrechtelijke bepaling opgenomen ter bescherming van het legaal tot stand gekomen gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen binnen de ‘spuitvrije zone’. Dit overgangsrecht geldt alleen voor het bedrijfsmatige agrarische gebruik. Binnen de nieuw opgenomen bestemmingen ten behoeve van de realisatie van nieuwe gevoelige functies (en gebouwen), concreet de bestemmingen voor nieuwe woningen, wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verbiedt dat de gronden en/of gebouwen binnen 50 meter van agrarische gronden gebruikt mogen worden zolang op die agrarische gronden nog gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Indien er planschadeclaims worden gedaan door derden, dan zullen de kosten en een eventuele toegekende planschadevergoeding geheel worden doorbelast aan de ontwikkelende partijen.
In de omgevingsvisie gaat de gemeenteraad ook in op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot de te realiseren doelen uit de visie. Deels zal dat nog uitgewerkt moeten worden in een programma, maar de bescherming van de gezondheid van bewoners staat voorop. In de visie is vastgelegd dat spuitvrije zones worden geïntroduceerd ter bescherming van nieuwe gevoelige functies, zoals wonen. Daar is zelfs een afstandsnorm van 50 meter bij genoemd voor gronden waar chemische gewasbeschermingsmiddelen niet (meer) mogen worden gebruikt. Andere vormen van gewasbescherming mogen wel (zie paragraaf 6.3.4, Omgevingsvisie Hilvarenbeek). Onderstaande is in de omgevingsvisie opgenomen in Deel C:Uitvoering, pagina 45:
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 65/79
Wij werken in stappen naar een chemievrij buitengebied: a. Wij hanteren spuitvrije zones met een afstand van 50 meter ten opzichte van nieuwegevoelige functies, zoals ‘woongebieden’. De percelen binnen deze zones behouden de bestemming agrarisch en kunnen als zodanig voor agrarische activiteiten gebruikt(blijven) worden. Teelten waarbij veel chemische bestrijdingsmiddelen worden toegepast, zoals lelieteelt, zijn overal in de gemeente ongewenst. b. Een belangrijk ijkpunt ligt in 2031. Dan is het ‘Omgevingsplan van rechtswege’ omgevormd tot 1 Omgevingsplan voor de hele gemeente, met andere regels voor de fysieke leefomgeving. In de overgangsgebieden tussen bebouwd gebied en het omliggende landelijk gebieden voor de zones nabij natuurgebieden (zoals Natura 2000) worden dan alleen niet-chemische gewasbeschermingsmiddelen toegepast. We werken dit verder uit samen met de belanghebbenden en in samenhang met het provinciale Programma Overgangsgebieden; c. Wij sturen aan op een chemievrij buitengebied in 2040.
Indien richting 2040 spuitzones door sterk verminderd gebruik van chemische middelen niet meer noodzakelijk zijn om uit het voorzorgsbeginsel een gezond woonen leefklimaat te garanderen, bekijken we of zij kunnen vervallen (Omgevingsvisie Hilvarenbeek: ‘Samen gezond groeien!’, Met het uitwaarts aanbrengen van de spuitvrije zones - middels een gebiedsaanduiding ‘overige zone – spuitvrije zone’ in de algemene planregels - zal er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie De gezondheid van de te realiseren gevoelige functies (woningen) is verzekerd. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten.
In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Specifiek voor LPG-tankstations is tevens de ‘circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ relevant. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPGtankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). In de circulaire wordt het bevoegd gezag verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met een aardgasontvangstinstallatie (gasdrukregel- en meetstation).
Het betreft de inrichting aan de Biestsedijk 1 te Biest-Houtakker, gelegen op een afstand van circa 400 meter tot het plangebied. Er is geen sprake van een Bevi-
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 66/79
inrichting. Er geldt een generieke risicocontour van 15 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten vanaf de bovengrondse tank. Deze inrichting heeft derhalve geen invloed op onderhavig planvoornemen. Voor het overige zijn er geen inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico gelegen nabij het plangebied.
Uitsnede van de risicokaart. Met de gele ster is globaal het plangebied geduid. Bron: risicokaart.nl, 2021.
Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.11.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10 -6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 67/79
waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10 -6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Voor transportroutes geldt dat er op basis van de risicokaart geen sprake is van een risicocontour waar onderhavig plangebied in is gelegen. Gelet op de ruime afstand van transportroutes tot het plangebied vormt de ligging hiervan geen belemmering voor onderhavig voornemen ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied ten aanzien van een toxisch scenario. Overeenkomstig artikel 7 Bevt is daarom navolgend een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er hoeven geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied door transport van gevaarlijke stoffen. Een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Een standaardverantwoording van het groepsrisico is als bijlage 18 gevoegd bij deze toelichting. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden ten tijde van een ongeval zijn de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen van belang.
De hulpverleningsdiensten moeten voldoende capaciteit beschikbaar hebben om alle effecten binnen een kort tijdsbestek te kunnen bestrijden. Om een brand in het plangebied te kunnen bestrijden is het noodzakelijk dat er voldoende primair en secundair bluswater aanwezig is. Voor ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij eveneens een omgevingsvergunning deelzaak bouwen noodzakelijk is, wordt de aanwezigheid van bluswater in het kader van deze vergunning getoetst. Door de centrale ligging van het plangebied, waar reeds in de directe omgeving sprake is van een woonfunctie, is de aanwezigheid van primair bluswater reeds verzekerd. Het plangebied is via het wegennet goed bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten. Zelfredzaamheid In geval van blootstelling aan een toxisch gas is het handelingsperspectief ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij van belang. Bij nieuwe bouwwerken, zoals in het plangebied ontwikkeld gaan worden, is sprake van steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.
Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie - waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een waarschuwings- en alarmeringsinstallatie. Daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Dit kan worden gebruikt om de bevolking in geval van een calamiteit te waarschuwen. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.11.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 68/79
plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10 6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding is gelegen op een afstand van circa 360 meter. Voor de buisleidingen gelegen ten oosten van het plangebied geldt dat deze een invloedsgebied hebben van maximaal 120 meter. Voor de noordwestelijk gelegen aardgasleidingen geldt een invloedsgebied (1% letaalzone) van maximaal 490 meter. Het plangebied ligt buiten voornoemde zones. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de leiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan. 4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in paragraaf 2.2.1.
rijksomgevingswaarden vastgesteld voor de beoordeling van de luchtkwaliteit. Wanneer een project of activiteit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk. In het Omgevingsplan van de gemeente Hilvarenbeek zijn geen lokale omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot luchtkwaliteit. Sinds 1 januari 2024 zijn bepalingen met betrekking tot de luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Bkl. Op basis van artikel 5.53 en 5.54 geldt dat een project of activiteit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³ (3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties). Wanneer een project als NIBM kan worden beschouwd, is toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig en vormt de luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor de doorgang van dat project. In het Bkl zijn onder artikel 5.54 standaardgevallen aangewezen die in elk geval NIBM bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht. Het aantal woningen dat als NIBM kan worden beschouwd is afhankelijk van het aantal ontsluitingswegen. Bij een plan waarbij minder dan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg of 3.000 woningen met 2 of meer ontsluitingswegen worden gerealiseerd zal het effect van het plan op de luchtkwaliteit NIBM bijdragen.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt er tevens onderzocht wat de luchtkwaliteit is ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling en of er sprake is van een dreigende normoverschrijding. In paragraaf 2.2.1 van het Bkl zijn omgevingswaarden (ten hoogste toelaatbare concentraties) opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en benzeen. Hierbij zijn de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor de andere luchtverontreinigende stoffen wordt, met uitzonderingen daargelaten, nergens in Nederland een overschrijding berekend. Beoordeling Sweco heeft een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd, waarbij is beoordeeld het plan Niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (zie bijlage 19). Op basis van de berekening van Sweco blijkt
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 69/79
dat de bijdrage van het extra verkeer in de beoogde situatie niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er wordt voor zowel NO2 als PM10 voldaan aan de NIBM-grenswaarde. Sweco heeft tevens de omgevingswaarden van de luchtkwaliteit bestudeerd. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden uit het Bkl. Daarbij dient tevens te worden opgemerkt dat de voorgenomen nieuwbouw op meer dan 100 meter afstand van de rekenpunten is geprojecteerd. De bijdrage van het wegverkeer aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen zal ter plaatse van de nieuwbouw zal derhalve nog vele malen lager zijn dan de waarden die ter plaatse van de rekenpunten zijn gemeten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.13 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. 1. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; 2. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; 3.
buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; 4. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; 5. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied is een ondergrondse rioolpersleiding aanwezig. Bescherming van deze rioolpersleiding wordt gewaarborgd door het bestendigen van de dubbelbestemming ‘Leiding - Riool’, inclusief vrijwaringszone. Ter plaatse van de leiding vinden geen relevante bouwwerkzaamheden plaats. Voor het overige zijn er geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.14 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en
1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én
leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor tra nsport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 70/79
projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; • Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen mer.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.
Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van 70 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2.
een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 70 nieuwe woningen en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Op basis van een aanmeldnotitie heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, bijgevoegd als bijlage 20 bij onderhavige toelichting. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 71/79
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 72/79
5
Juridische plantoelichting
5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3 Regels 5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel, ‘begrippen’, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan. 5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Artikel 3 Agrarisch Op basis van het vigerende bestemmingsplan kennen de gronden binnen het plangebied overwegend een agrarische bestemming. Een deel van deze gronden maakt geen deel uit van de woningbouwontwikkeling. Om te
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 73/79
voorkomen dat kleine plukjes grond resteren waar het bestemmingsplan “Beverakkers IV” blijft gelden, zijn deze gronden meegenomen in het onderhavige bestemmingsplan waarbij de agrarische bestemming is bestendigd. Artikel 4 Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het openbaar groen binnen het plangebied alsmede fietsen voetpaden. Binnen deze bestemming is waterberging en water ook mogelijk. Ook zijn deze gronden bestemd voor het aanleggen en in stand houden van gebiedseigen beplanting overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan, ter inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap. De landschappelijke inpassing is binnen deze bestemming voorzien. Er is een omgevingsvergunningstelsel van toepassing ter bescherming van de landschappelijke elementen. Artikel 5 Verkeer - Verblijf Deze bestemming is opgenomen voor de openbare verkeersruimte binnen de woonwijk. De woonstraten, aanliggende trottoirs, parkeerplaatsen, bermen en beplantingen zijn in deze bestemming opgenomen. Artikel 6 Wonen Op de gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn de nieuwe woningen toegestaan. Binnen de bestemming ‘Wonen’ is wonen de hoofdfunctie. De planregels maken de woonfunctie mogelijk tot maximaal 70 woningen. Op de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan, is de aanduiding ‘bouwvlak’ opgenomen waarbinnen hoofdgebouwen mogen worden gerealiseerd.
In de regels worden eisen gesteld aan onder meer de goot- en bouwhoogte en andere maximale afmetingen van hoofd- en bijgebouwen. Voor erfafscheidingen en bouwwerken, geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld speeltoestellen) gelden afwijkende regels en hoogtematen. In de regels is de realisatie van de landschappelijke inpassing, akoestische maatregelen en waterberging gewaarborgd door deze middels een voorwaardelijke verplichting te koppelen aan het gebruik van de woningen. Artikel 7 Leiding - Riool De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor een strook ten behoeve van een rioolpersleiding met een belemmerde strook ter breedte van 3 m aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Artikel 8 Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende hoge archeologische (verwachtings)waarden.
Artikel 9 Waterstaat – Beschermingszone natte natuurparel De voor 'Waterstaat - Beschermingszone natte natuurparel' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende overige bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de waterhuishouding en het voorkomen van negatieve effecten op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant (attentiezone waterhuishouding in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant). 5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 10 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 11 Algemene bouwregels In dit artikel is bepaald welke regels er gelden voor ondergronds bouwen. Ook is een bepaling opgenomen ten aanzien van overschrijding van bouwgrenzen.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 74/79
Artikel 12 Algemene gebruiksregels In dit artikel is opgenomen welke activiteiten onder het strijdig gebruik worden verstaan. Artikel 13 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is bepaald welke gebiedsaanduidingen in dit plan zijn opgenomen. In het bijzonder is een spuitvrije zone van 50 meter rondom de woonbestemmingen opgenomen ter bescherming van de volksgezondheid van bewoners in het plangebied. Artikel 14 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag kan afwijken van de regels in hoofdstuk 2 en overschrijdingen in een bouw-, aanduidings- en/of bestemmingsplan kunnen toestaan, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft. Artikel 15 Algemene wijzigingsregels In de algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen ten aanzien geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen. Artikel 16 Overige regels Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK in werking getreden. Deze wet regelt dat de grondslag voor stedenbouwkundige bepalingen in de Bouwverordening komt te vervallen. Dit betekent dat voor onder andere parkeernormen en normen voor het laden en lossen niet meer kan worden getoetst aan de bepalingen uit de Bouwverordening. Uit oogpunt van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is het vaak wel aangewezen om het parkeren en laden en lossen te reguleren.
Om die reden worden parkeernormen en normen voor het laden en lossen opgenomen in een bestemmingsplan. 5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Artikel 17 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 18 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: bestemmingsplan ‘Beverakkers V, Biest-Houtakker’.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 75/79
6
Economische uitvoerbaarheid
6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
6.3 Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van woningen, derhalve is het plan exploitatieplanplichting. In het onderhavige geval wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd. Initiatiefnemer sluit met de gemeente Hilvarenbeek een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten, planschade en bovenwijkse voorzieningen wordt vastgelegd. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 76/79
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om een voorontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te leggen voor een inspraakperiode van zes weken. Dit inspraakmoment maakt geen onderdeel uit van de ‘formele’ procedure uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant en het waterschap De Dommel. Het waterschap heeft gereageerd met reacties ten aanzien van de wijziging van het werkingsgebied ‘Verstedelijking afweegbaar’, de aanwezige riooltransportleiding, de toename van het verhard oppervlak en de hemelwaterberging. Hieruit is gebleken dat door het waterschap in grote lijnen wordt ingestemd met het planvoornemen. Op basis van de reactie is de aanduiding ‘Leiding – Water’ in de verbeelding, toelichting en planregels gewijzigd naar de aanduiding ‘Leiding – Riool’.
De provincie Noord-Brabant heeft in haar reactie laten weten in beginsel in te kunnen stemmen met de voorgenomen plannen. De plannen zijn opgenomen binnen de regionale afspraken Hart van Brabant en passen binnen de lokale woningbouwbehoefte. Ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap en de vertaling van de aanduiding ‘attentiezone waterhuishouding’ en de wijze van herbegrenzen heeft de provincie enkele opmerkingen geplaatst. De opmerkingen op deze onderdelen zijn op verzoek verwerkt in onderhavig bestemmingsplan. 7.2 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer van het plan heeft op 31 mei 2021 een digitale informatieavond georganiseerd voor omwonenden en geïnteresseerden. De gemeente, Bouwbedrijf Van der Weegen en woonstichting Leystromen waren daarbij aanwezig om de stand van zaken omtrent het planvoornemen toe te lichten. Van 6 augustus tot en met 15 september 2021 is het plan Beverakkers V in het kader van de omgevingsdialoog/burgerparticipatie door de initiatiefnemers online geplaatst. Daarbij is het voorontwerpbestemmingsplan gedeeld en is middels een video een toelichting gegeven op het stedenbouwkundige plan. Omwonenden zijn hiervan op de hoogte gebracht en in de gelegenheid gesteld om te reageren. Uiteindelijk is door 30 personen (gezinnen beschouwd als één persoon) een reactie ingediend.
Het merendeel van deze personen staat positief tegenover de planontwikkeling. De belangrijkste bedenkingen en aandachtspunten worden hieronder samengevat. Daarbij is tevens aangegeven in hoeverre dit aanleiding is geweest om het plan aan te passen. ▪
Twee personen hebben hun bedenkingen geuit, omdat het plan Beverakkers een deel van hun uitzicht op het landschap wegneemt. Daarbij wordt specifiek een opmerking geplaatst ten aanzien van de herbegrenzing van de zone ‘verstedelijking afweegbaar’. Tevens wordt aangegeven dat er meer woningen gebouwd worden dan noodzakelijk om te voorzien in de woningbehoefte van Biest-Houtakker.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 77/79
Gelet op de grote afstand van de woningen van de betreffende personen tot het plangebied, is deze reactie geen aanleiding geweest om het plan aan te passen. Het aantal woningen sluit aan bij het gemeentelijk beleid en is afgestemd in het regionaal overleg met omliggende gemeenten. ▪
Drie personen hebben hun bedenkingen geuit tegen de verkaveling/bouwvoorschriften in de directe nabijheid van het eigen perceel. Aan de opmerkingen van twee van deze personen is tegemoet gekomen door wijzingen op te nemen in bouwvoorschriften en verkaveling. De opmerking van de derde persoon heeft niet geleid tot aanpassing van het plan. Reden voor dit onderscheid is dat er in het eerste geval sprake was van een ongebruikelijke situatie door de afwijkende vorm van het nieuwe, aangrenzende perceel. In het andere geval is sprake van een gangbare situatie vandaar dat hier de algemeen geldende regels van toepassing blijven.
▪
Eén persoon heeft aangegeven dat er een groot aantal vrijstaande huizen wordt aangeboden, terwijl er in de toelichting staat weergegeven dat de vraag naar dit soort huizen niet hoog is. Hij stelt voor om een aantal vrijstaande woningen te vervangen door tweekappers. Ten tijde van de omgevingsdialoog voorzag het plan in 11 vrijstaande woningen. Inmiddels is het gemeentelijk beleid gericht op het bouwen van meer en kleinere woningen. Het stedenbouwkundig plan is hier op aangepast. Het aantal vrijstaande woningen is daarbij afgenomen. Het aantal tweekappers en rijwoningen is, evenals het totaal aantal woningen, toegenomen.
▪
Drie personen geven aan zich zorgen te maken over de verkeersafwikkeling door de bestaande wijk. Daarbij vraagt men zich af of er geen problemen ontstaan op het moment dat de huidige verbinding met de Biestsestraat (bouwweg t.h.v. huisnummer 53) wordt ingericht als langzaam verkeersroute. De doorgang naar de Biestsestraat (t.h.v. huisnummer 53) valt buiten dit plan. Het is nog altijd de bedoeling dat deze tijdelijke bouwweg wordt omgezet naar langzaamverkeersroute. De afwikkeling van het autoverkeer vindt dan plaats via de Regentenstraat, Antoniusstraat en Beverstraat. Naar aanleiding van deze zorgen is de verkeersafwikkeling opnieuw getoetst door de betrokken verkeerskundige van de gemeente. De extra woningen die aan het plan toegevoegd zijn, zijn daarbij meegenomen. Dit heeft niet geleid tot een aanpassing van het plan.
▪
Eén persoon heeft aangegeven graag enkel koopwoningen in het plangebied gerealiseerd te willen hebben, geen huurwoningen. De gemeente is gehouden aan regionale afspraken met betrekking tot woningbouw. Deze afspraken omvatten ook de verplichting om huurwoningen te realiseren in uitbreidingsprojecten.
▪
Eén persoon geeft aan dat er aan De Eekhof van nummer 3 t/m 21B een tekort aan parkeerplekken is en zou het fijn vinden als het stukje Eekhof vanaf huisnummer 17 tot de Eekhof rotonde aan de rechterkant, parkeervakken krijgt i.p.v. een groenstrook. Dit is tevens ook een uitstekende plek voor bijvoorbeeld een oplaadpunt om huishoudens zonder oprit ook de mogelijkheid te bieden om elektrisch te rijden.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 78/79
Dit verzoek heeft betrekking op het bestemmingsplan Beverakkers IV. Een verzoek tot het realiseren/aanpassen van parkeerplekken kan ingediend worden bij de gemeente Hilvarenbeek. Dit punt leidt niet tot aanpassingen van het plan Beverakkers V. De overige opmerkingen die naar aanleiding van de omgevingsdialoog zijn binnen gekomen hebben geen gevolgen voor het bestemmingsplan. Hierbij valt de denken aan erfafscheidingen, begrenzing belendende percelen, waterhuishouding, positie van parkeerplaatsen en dergelijke. Deze zaken worden als aandachtspunt meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Initiatiefnemer komt hier in een later stadium op terug bij de betrokkenen. Vervolg dialoog De ontwikkelaar hecht veel waarde aan een zorgvuldige communicatie met de omgeving. In het kader van de omgevingsdialoog zijn omwonenden, belanghebbenden en andere geïnteresseerden actief op de hoogte gehouden van de voortgang van het project. Dit gebeurde onder meer via informatiebrieven, bijeenkomsten, keukentafelgesprekken en/of digitale updates. In 2025 hebben opnieuw gesprekken plaatsgevonden met eigenaren/pachter(boomkweker) van aangrenzende percelen. Met betrekking tot spuitvrije zones specifiek is veel geweest tussen ontwikkelaars en eigenaren van omliggend agrarische percelen. Momenteel wordt nog gezocht naar minnelijke afspraken.
7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan met identificatie “NL.IMRO.0798.BPBeverakkersV-ON01” heeft in dit kader ter inzage gelegen van 2 juni tot en met 13 juli 2022. Hierop zijn enkele zienswijzen bij de gemeente binnengekomen. Vanwege diverse ontwikkelingen die in de daaropvolgende periode plaats hebben gevonden, waaronder een wijziging in het woningbouwprogramma, is besloten het ontwerpbestemmingsplan nogmaals ter inzage te leggen. Alle eerdere indieners van de zienswijzen worden hiervan door middel van een brief op de hoogte gesteld. Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor 6 weken ter inzage gelegen van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 (NL.IMRO.0798.BPBeverakkersV-ON02). Indieners van zienswijzen zijn door de gemeente uitgenodigd voor aanvullend overleg. De 14 ingebrachte zienswijzen worden behandeld in twee zienswijzenota’s, de “Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan “Beverakkers V, Biest-Houtakker” (zie bijlage 21) en “Nota van beantwoording zienswijzen op voornemen verzoek herbegrenzing ‘verstedelijking afweegbaar’, behorend bij het ontwerpbestemmingsplan “Beverakkers V, Biest-Houtakker” (zie bijlage 22). Van de ingekomen zienswijzen hadden er 4 betrekking op het herbegrenzingsverzoek van het ‘verstedelijking afweegbaar’ gebied.
De zienswijzen hebben tot meerdere planaanpassingen geleid. Ambtshalve zijn er ook diverse aanpassingen doorgevoerd. Zie daarvoor de bijgevoegde nota’s van zienswijzen en specifiek voor alle wijzigingen de Nota van ambtshalve wijzigingen (bijlage 23). Het plan wordt gewijzigd vastgesteld.
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0
P 79/79
datum referentie
16 maart 2026 210798_AdB_RAP_0001_v5.0