CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Begroting 2023 (3 boekwerk)

Plenaire Commissie 19 oktober 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: OORDEELSVORMEN: Raadsvoorstel tot vaststelling van de Begroting 2023.36.872 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

In onze begroting hanteren we de gedragslijn dat we wel rekening houden met cumulatieve prijs-, volumeen looncompensaties. Hiervoor nemen we een stelpost op in onze begroting en meerjarenraming. Als we - via de Algemene uitkering - meer of minder inkomsten krijgen van het Rijk voor prijs- en looncompensaties dan passen we deze stelpost in onze begroting hierop aan. Prijs- en looncompensaties die we doorvoeren in onze begroting dekken we uit deze stelpost. De volgende prijs- en looncompensaties hebben we gedekt uit de stelpost: - Niet-cumulatieve prijscompensatie 2023 op ‘prijsgevoelige budgetten’ waar we niet direct invloed op hebben, zoals budgetten waar contracten of meerjarige afspraken aan ten grondslag liggen. - Geschatte pensioen- en loonstijgingen in 2023.

47

Kosten In de volgende tabel vindt u een overzicht van de begrote kosten en opbrengsten voor uitvoering van dit thema. In het overzicht geven wij expliciet inzicht in welke ontwikkelingen uit de voorjaarsnota(+) 2022 en collegeprogramma in dit thema financieel landen. Ook de overige mutaties die wij in deze begroting hebben doorgevoerd maken we, als ze zich binnen dit thema hebben voorgedaan, inzichtelijk. Algemene dekkingsmiddelen, onvoorzien ( x € 1.000) Saldi uitvoering bestaand beleid

Lasten

Baten Saldo 2023

164 29.068

2024

2025

2026

28.904 28.651 28.707 28.778

Mutaties voorjaarsnota(+) 2022 Dekkingsmaatregelen Effecten Algemene uitkering decembercirculaire 2021 (knop 21)

7

7

9

12

12

1.754

1.754

2.471

3.095

685

Vermakelijkhedenretributie (knop 30)

-30

-30

-30

-30

-30

Toeristenbelasting arbeidsmigranten (knop 31)

-50

-50

-75

-75

-75

-150

150

0

0

Algemene uitkering Meicirculaire (knop 22) Taakstellingen

Overige mutaties begroting 2023 Voorlopige dekking ‘ravijnjaar 2026’ met overschotten voorgaande jaren Claim precariobelasting Saldi begroting 2023-2026

4.400

4.400

4.564 35.149

0

0

30.585 31.026 31.559 29.520

Mutaties voorjaarsnota(+) 2022 Dekkingsmaatregelen Effecten Algemene uitkering decembercirculaire 2021 (knop 21) We ontvangen jaarlijks ruim € 20 miljoen aan algemene uitkering van het Rijk die we vrij mogen besteden. De algemene uitkering vormt daarmee ruim de helft van onze jaarlijkse baten. We informeerden u over de netto-uitkomsten van de decembercirculaire 2021 met RIB 2022-03. Deze uitkomsten hebben we verwerkt in de voorjaarsnota(+) 2022. Algemene uitkering Meicirculaire (knop 22) U leest meer onder het kopje ‘Algemene uitkering en overige uitkeringen gemeentefonds’ van dit hoofdstuk. Voor een verdere onderbouwing verwijzen we u naar de bijlage ‘meicirculaire’ van de Voorjaarsnota(+) 2022. Taakstellingen Vermakelijkhedenretributie (knop 30) Bij de behandeling van de begroting 2021 heeft u besloten om de vermakelijkhedenretributie voor grote evenementen in eerste instantie op te leggen aan degene die de vermakelijkheid organiseert. De verwachting was dat we daarmee € 15.000,- meer vermakelijkhedenretributie zouden kunnen innen. Tegelijkertijd besloot u een taakstelling op te nemen om de vermakelijkhedenretributie te verhogen. Hierdoor zouden we niet € 15.000 maar € 30.000 extra kunnen innen. Het is niet mogelijk om

48

deze taakstelling te realiseren. Onze privaatrechtelijke overeenkomst met de Beekse Bergen sluit uit dat we vermakelijkhedenretributie heffen van organisatoren van evenementen op het terrein van de Beekse Bergen. We gaan in gesprek met festivalorganisatoren en Beekse Bergen of zij op een andere wijze een bijdrage kunnen leveren. Toeristenbelasting arbeidsmigranten (knop 31) In 2021 is een beleidsnotitie over Arbeidsmigratie vastgesteld. Daarin wordt benadrukt dat grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten niet wenselijk is in Hilvarenbeek. De afgelopen maanden heeft de heffingsambtenaar onderzoek gedaan naar de huisvestinglocaties van arbeidsmigranten. Doel was een volledig overzicht te verkrijgen van belastingplichtigen voor de toeristenbelasting. Uit dit onderzoek komt naar voren dat we geen significante inkomsten missen. We stellen daarom voor deze taakstelling in de begroting te laten vervallen. Overige mutaties begroting 2023 Voorlopige dekking ‘ravijnjaar 2026’ met overschotten voorgaande jaren We hanteren het uitgangspunt dat onze financiële basis op orde moet zijn. Daarbij hoort een duurzaam financieel beleid. Met een meerjarenbegroting waarin inkomsten en uitgaven reëel en structureel met elkaar in evenwicht zijn.

Dit betekent dat volgens de richtlijnen van de provincie dat minimaal het eerstvolgende begrotingsjaar of het laatste begrotingsjaar uit het meerjarenoverzicht structureel sluitend moet zijn. Wij streven ernaar in alle jaren een positief begrotingssaldo te presenteren. Ondanks dat we met deze begroting geen extra lasten op het begrotingjaar 2026 leggen blijft jaar 2026 structureel negatief. Er zijn enkele scenario’s hoe om te gaan met het niet structureel sluitende laatste jaar van de meerjarenraming: • Jaar 2026 blijft een negatief saldo houden; • Het inzetten van ombuigingen; • Het verhogen van inkomsten door bijvoorbeeld belastingen te verhogen; • Het incidenteel dekken van dit jaar met overschotten uit voorgaande jaren (via de algemene bedrijfsreserve). Dit is ook het scenario wat minister Slot aanhaalt in de Contourennota financieringssystematiek medeoverheden van 11 juli 2022. Ze geeft aan dat gemeenten de extra miljoenen die ze de komende jaren van het rijk krijgen in een spaarpotje kunnen stoppen. De opbouw van zo’n tijdelijke financiële buffer zou gemeenten door het magere jaar 2026 heen moeten kunnen helpen. Het college kiest voor dit laatste scenario. Dit doen we in afwachting van de septembercirculaire.

Mocht met de septembercirculaire blijken dat we in 2026 toch meer financiële middelen ontvangen van het Rijk dan ontstaat er mogelijk een structureel positief saldo in 2026 en komt er wellicht ook meer ruimte om ambities te realiseren. Deze ambities zullen we dan op een later moment, bijvoorbeeld met de voorjaarsnota(+) 2023, toevoegen aan het collegeprogramma en de begroting. Mochten blijken dat het Rijk niet over de brug komt voor het laatste jaar dan wegen we de geschetste scenario’s opnieuw af met de voorjaarsnota(+) 2023. Claim precariobelasting U leest meer onder het kopje ‘Claim precariobelasting’ van dit hoofdstuk.

49

Hoofdstuk 6

1.6 Overhead en VPB

Dit hoofdstuk gaat over de overhead van de gemeente Ook gaat het over de vennootschapsbelasting die we betalen over winstgevende ondernemingsactiviteiten.

Overhead en VPB Overhead De baten en lasten van onze overhead worden, zoals verplicht door het BBV, centraal geraamd onder een afzonderlijk hoofdstuk. Deze eenduidige systematiek maakt een betere vergelijking met andere gemeenten mogelijk. Om te voorkomen dat er verschillen ontstaan in de systematiek wordt een algemene definitie van overhead voorgeschreven. Overhead: alle kosten die samenhangen met sturing en ondersteuning van medewerkers in het primaire proces.

In de beleidsprogramma’s vinden de primaire processen plaats. Dit zijn de activiteiten die onze externe klanten direct dienen. Uitgangspunt is dat kosten zoveel mogelijk worden toegerekend aan de activiteiten uit de beleidsprogramma’s. De salarislasten van onze medewerkers - die direct bijdragen aan een primair proces - verantwoorden we bijvoorbeeld in de beleidsprogramma’s. Uiteraard behoren ook de kosten van onder andere onderhoud van de openbare ruimte, zorg en het subsidiebeleid tot de primaire processen, en dus tot de beleidsprogramma’s. Overhead zijn de kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van het primaire proces. Daarbij kunt u denken aan kosten voor leidinggevenden, personeel van stafafdelingen en algemene personeelskosten zoals het opleidingsbudget. Maar overhead omvat niet alleen personeel. Naast loonkosten bevat de overhead bijvoorbeeld ook de huisvesting van het gemeentehuis met kosten voor schoonmaak, verzekeringen en energie. Ook ICT, het archief en kosten voor organisatieontwikkeling zijn ondersteunend aan de primaire processen. Meer over de algemene bedrijfsvoering leest u ook terug in de paragraaf bedrijfsvoering van deze begroting.

Vennootschapsbelastingplicht Sinds de invoering van de wet ‘modernisering Vennootschapsbelastingplicht (Vpb) in 2016 voor overheidsondernemingen’ geldt voor ons een VPB-plicht voor het cluster Grondexploitaties én voor het cluster Afval opbrengst recycleerbare reststromen. Naast genoemde clusters valt de aanschaf van zonnepanelen, in 2018, voor diverse locaties mogelijk onder de VPB-plicht. De kostentoerekening moet dit nog duidelijk maken. Vooralsnog nemen we het standpunt in dat er op dit gebied geen sprake is van een fiscale onderneming. Er zijn geen nieuwe feitelijke ontwikkelingen geweest om een ander standpunt in te nemen of het standpunt te wijzigen.

50

Kosten In de volgende tabel vindt u een overzicht van de begrote kosten en opbrengsten voor uitvoering van dit thema. In het overzicht geven wij expliciet inzicht in welke ontwikkelingen uit de voorjaarsnota(+) 2022 en collegeprogramma in dit thema financieel landen. Ook de overige mutaties die wij in deze begroting hebben doorgevoerd maken we, als ze zich binnen dit thema hebben voorgedaan, inzichtelijk. Overhead en Vpb ( x € 1.000)

Lasten Baten Saldo 2023

Saldi uitvoering bestaand beleid

6.568

118

Verzekeringen (knop 13)

65

0

Vervanging zaaksysteem (knop 14) Kosten Equalit (knop 15)

2024

2025

2026

-6.450 -6.435 -6.497 -6.475

Mutaties voorjaarsnota(+) 2022 Autonome ontwikkelingen -65

-65

-65

-65

23

-23

-23

-23

-23

25

-25

-31

-37

-37

Organisatieontwikkeling - bijstellen programma Samen Krachtig Vooruit

15

-15

-15

Cultuurontwikkeling organisatie

25

-25

-10

Verbeteren contractbewaking

35

-35

Opstellen wervingsstrategie en uitvoering

12

-12

Verbetering proces informatievoorziening/ beslisinformatie tussen organisatie, college en raad

15

-15

Tijdelijke capaciteit I-advies

78

-78

Tijdelijke capaciteit functioneel beheer na implementatie nieuw zaaksysteem

75

-75

Mutaties collegeprogramma

-12

-12

0

0

Overige mutaties begroting 2023

Saldi begroting 2023-2026

6.936

118

0

-6.818 -6.591 -6.634 -6.600

Mutaties voorjaarsnota(+) 2022 Autonome ontwikkelingen Verzekeringen (knop 13) Verzekeraars verhogen hun tarieven omdat zij het aantal schades zien toenemen en de risicobereidheid zien verminderen. Daarnaast is intussen ook het resultaat bekend van de taxatie van onze gebouwen. De taxatiewaarde van enkele gebouwen is fors hoger dan de verzekeringswaarde. Deze ontwikkelingen hebben structurele gevolgen voor onze budgetten. De kosten liggen € 65.000 hoger dan is opgenomen in onze begroting. In onze begroting hebben we al een taakstelling staan van € 20.000 op de verzekeringen. Die willen we realiseren door een GHO-aanbesteding.

51

Vervanging zaaksysteem (knop 14) In de Voorjaarsnota 2021 meldden we u al dat we dit jaar ons zaaksysteem vervangen omdat de ondersteuning van het huidige pakket stopt. Naast het algemene informatiebeheer en contractbeheer brengen we ook de inzet van de digitale handtekening in het zaaksysteem onder. Hiermee kunnen we onze processen veilig, vertrouwd en tijd- en plaatsonafhankelijk voorzien van een juridische geborgde handtekening en het opmaken van documenten digitaal afhandelen. We faciliteren hiermee ook het hybride werken. De totale extra lasten bedragen in 2022 € 30.000 en hierna jaarlijks € 23.000. De vervanging van het zaaksysteem brengt ook eenmalige implementatiekosten met zich mee. Op dit moment is nog niet volledig bekend hoe hoog deze kosten zijn en in hoeverre we deze kosten met bestaande middelen kunnen dekken. Bij een eventueel tekort komen we hier in de Najaarsnota 2022 op terug. Equalit-kosten (knop 15) De deelnemende gemeenten en Equalit - onze samenwerkingspartner op gebied van ICT - hebben een nieuw kostenverdeelmodel/prijsmodel ontwikkeld. De nieuwe kostenverdeling is meer gebaseerd op afname van producten en diensten en toerekening vindt voortaan plaats op basis van gebruik. Verder moet het model ons meer financiële keuzes bieden.

De toepassing van het nieuwe model brengt, naast een algemene toename van ICT-kosten (12.000) , meer structurele lasten met zich mee. Door de inzet van een solidariteitsfonds met alle deelnemers stijgen deze kosten de komende vier jaar geleidelijk. Mutaties collegeprogramma Organisatieontwikkeling - bijstellen programma Samen Krachtig Vooruit, cultuurontwikkeling organisatie, verbeteren contractbewaking, opstellen wervingsstrategie en uitvoering, verbetering proces informatievoorziening/ beslisinformatie tussen organisatie, college en raad

Voor een nadere toelichting verwijzen we u naar de paragraaf bedrijfsvoering van deze begroting. Overige mutaties begroting 2023 Tijdelijke capaciteit I-advies en tijdelijke capaciteit functioneel beheer na implementatie nieuw zaaksysteem Voor een nadere toelichting verwijzen we u naar de paragraaf bedrijfsvoering van deze begroting.

Overige verplichte hoofdstukonderdelen per programma Het BBV verplicht ons de beleidsdoelstelling van een verbonden partij op te nemen in de programma indeling van het begrotingsboekwerk. Ook is het verplicht om enkele voorgeschreven beleidsindicatoren in de programma indeling van het begrotingsboekwerk op te nemen. Wij kiezen er voor deze informatie niet per programma maar centraal weer te geven. Wij verwijzen u hiervoor dan ook respectievelijk naar de paragraaf ‘verbonden partijen’ en de bijlage ‘beleidsindicatoren’.

52

Beleidsbegroting 2. Paragrafen

53

Paragraaf 1

2.1 Lokale heffingen

We gaan in deze paragraaf in op de ontwikkeling van de lokale algemene belastingen en de gevolgen voor de lokale belastingdruk. We sluiten de paragraaf af met het kwijtscheldingsbeleid. Maar eerst gaan we in op het verschil tussen algemene belastingen, bestemmingsbelastingen en retributies. Algemene belastingen De opbrengsten van de algemene belastingen gaan naar de algemene middelen van de gemeente. Algemene belastingen zijn onroerende-zaakbelastingen (OZB), forensenbelasting, toeristenbelasting en precariobelasting. Bestemmingsbelastingen Onze bestemmingsbelastingen bestaan uit rioolheffing en afvalstoffenheffing. Bestemmingsbelastingen zijn belastingen waarvan de opbrengsten zijn bestemd voor specifieke taken of voorzieningen met een duidelijk algemeen belang. Een gemeente mag op basis van de Gemeentewet artikel 229b niet meer heffen dan de begrote kosten die gedekt worden met de specifieke belasting. De mate waarin we de kosten betalen met de opbrengsten wordt kostendekkendheid genoemd. De kostendekkendheid is opgenomen in bijlage ‘onderbouwing kostendekkendheid heffingen’. Retributies Retributies worden geheven aan personen aan wie de gemeente een specifieke dienst verleent. De belangrijkste retributies zijn leges. Voor een bij de gemeente aangevraagde dienst zijn leges verschuldigd. Denk hierbij aan het aanvragen van een omgevingsvergunning of een paspoort.

Net als bij bestemmingsbelastingen mogen de retributies niet meer dan kostendekkend zijn.

Lokale heffingen Onroerende-zaakbelastingen (OZB) De OZB heffen we over onroerende zaken in de gemeente. Het gaat om twee belastingen; een eigenarenbelasting en een gebruikersbelasting. Het gebruikersdeel van de OZB geldt alleen voor niet-woningen. Huurders van een woning betalen dus geen OZB. Jaarlijks vastgestelde indexatie We indexeren onze opbrengst - conform bestaand beleid - jaarlijks met 2,25%. Waardeontwikkelingen Jaarlijks worden - op grond van de Wet waardering onroerende zaken - alle onroerende zaken gewaardeerd. De waarde-ontwikkeling verdisconteren we in het tarief.

54

Bij een waardestijging verlagen we het tarief OZB om niet meer dan de gewenste geïndexeerde totaalopbrengst van 2,25% (exclusief areaal) te genereren. Dit uitgangspunt werkt uiteraard ook andersom. Wanneer de WOZ-waarde daalt, moeten we met een hoger tarief de begrote totaalopbrengst behalen. Nacalculatie waardeontwikkeling naar peildatum 1 januari 2021 Bij de bepaling van de tarieven 2022 hielden we voor de woningen rekening met een stijging van 9,0 % en voor niet-woningen een daling van 0,5 %. Naar nu blijkt steeg de gemiddelde waarde van de woningen met 13,3% en de niet woningen met 2,7 %. We verrekenen de extra stijgingen van de waardes door een verlaging van de tarieven 2023. Doen we dit niet, dan stijgt de OZB in absolute zin met meer dan de reguliere index van 2,25%. Verwachte waardeontwikkeling naar peildatum 1 januari 2022 We rekenen met een waardeontwikkeling naar peildatum 1 januari 2022. De ontwikkeling voor onze gemeente is nog niet bekend. Vandaar dat we vooralsnog rekenen met de landelijke inschatting bij de meicirculaire 2022 van de waardeontwikkeling. Dit leidt tot een waardestijging van 13,5 % voor de woningen en voor niet-woningen van 1,0 %. We maken dit onderscheid omdat de waardeontwikkeling van beide categorieën van elkaar verschilt.

Tarief 2022 in procenten Nacalculatie waarde-ontwikkelen prijspeil 2021 Correctie waarde-ontwikkeling prijspeil 2022 Reguliere indexering tarief Tarieven 2023 in procenten

Woningen Eigenaren 0,1049 -4,30% 0,1004 -13,50% 0,0868 2,25% 0,0888

Niet-Woningen Eigenaren 0,1824 -3,20% 0,1766 -1,00% 0,1748 2,25% 0,1787

Niet-Woningen Gebruikers 0,1524 -3,20% 0,1475 -1,00% 0,1460 2,25% 0,1493

De berekening leidt tot een geraamde totaalopbrengst OZB 2023 van afgerond € 4.055.000. Forensenbelasting We heffen forensenbelasting van natuurlijke personen die geen hoofdverblijf in de gemeente hebben maar gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar een gemeubileerde woning beschikbaar houden voor zichzelf of voor hun gezin. In de regel gaat het om eigenaren en gebruikers van recreatieverblijven, zoals vakantiewoningen of stacaravans. De forensenbelasting kent een laag en een hoog tarief. Welk tarief van toepassing is, dat hangt af van de WOZ-waarde van het object. In de voorgaande belastingjaren gold voor objecten tot € 65.000 het lage tarief en voor objecten vanaf € 65.000 het hoge tarief. Voor 2023 handhaven we beide categorieën. Met het dekkingsplan 2021-2023 heeft u gekozen om de forensenbelasting stapsgewijs te verhogen met € 10.000,-, boven op de inflatiecorrectie, vanaf 2020 tot en met 2025. In de tabel hieronder hebben de standaard indexatie van 2,25% doorgevoerd en een extra verhoging van 5% toegepast om de extra opbrengst van € 10.000,- te realiseren. Laag tarief Hoog tarief

2023 € 382,40 € 792,40

2022 € 356,20 € 738,20

2021 € 331,80 € 687,45

2020 € 310,55 € 643,40

Tabel - Tarievenoverzicht forensenbelasting ten opzichte van vorige jaren

55

Toeristenbelasting Bij de voorjaarsnota 2020 heeft u gekozen om de toeristenbelasting stapsgewijs te verhogen met 17% per jaar tot en met 2025. We verhogen de tarieven met 17%. Op verzoek van de exploitanten ronden we de tarieven steeds omlaag af op € 0,05. De tarieven bedragen: - € 1,90 per overnachting voor groepsaccommodatie - € 2,15 per overnachting voor mobiel kampeeronderkomen en/of op vaste standplaatsen - € 2,65 per overnachting voor overige accommodaties We zijn op dit moment bezig met het uitvoeren van een brede evaluatie toeristenbelasting en forensenbelasting. De resultaten van dit onderzoek ontvangt u gelijktijdig met het raadsvoorstel belastingverordeningen. Het raadsvoorstel staat gepland voor de decemberraad. We hanteren daarom nu de uitgangspunten voor de toeristenbelasting zoals vastgesteld. Vermakelijkhedenretributie De maatstaf voor de heffing is het aantal bezoekers van een vermakelijkheid dat de 20.000 bezoekers overstijgt. We verhogen het tarief met de standaard indexatie van 2,25 % en ronden het tarief naar boven af. We verhogen het tarief van € 0,16 naar € 0,17. Precariobelasting gebruik openbare ruimte Gemeenten kunnen precariobelasting heffen voor het gebruik van de openbare ruimte door particulieren en bedrijven. Denk bijvoorbeeld aan gebruik voor terrassen en reclameborden. Wij heffen vanaf 2015 precariobelasting voor terrassen op gemeentegrond.

We verhogen het tarief met de standaard indexatie van 2,25%. Het tarief voor 2023 bedraagt daarmee € 21,85 per m2 per seizoen voor voorwerpen (stoelen, tafels, banken en andere voorwerpen) onder, op of boven een terras. Het maximumaantal m2 is 50. Marktgelden We verhogen het tarief met de standaard indexatie van 2,25% van € 66,20 naar € 67,70 per kwartaal per standplaats van vier strekkende meter. Rioolheffing We belasten niet alleen de gebruikers van het rioolstelsel maar ook degenen die profiteren van onze hemelwaterafvoer en van de maatregelen die we nemen voor onze grondwaterstand. Dus ook eigenaren van panden, die geen gebruikers zijn. De rioolheffing kent voor agrarische percelen een speciale regeling. Al het water dat zij naar hun perceel toevoeren, lozen zij namelijk niet volledig via de gemeentelijke riolering. De gevolgen van de veranderde heffingssystematiek van de rioolheffing voor de agrariërs minimaliseren we door een speciale regeling voor agrarische percelen te handhaven. We bepalen de rioolheffing op basis van het gebruik, maar de agrarische percelen plaatsen we standaard in de derde staffel van de rioolheffing. Deze staffelcode is van toepassing bij een waterverbruik tussen 251 m3 en 500 m3 per jaar. De tariefstijging is beperkt tot een trendmatige correctie van 2,25%.

Dit is in overeenstemming met het in februari 2022 door de gemeenteraad vastgestelde nieuwe riool- en waterplan. Eigenaren woningen Eigenaren niet-woningen Eigenaren garageboxen Gebruikers afgevoerd water tot en met 130 m3 Gebruikers afgevoerd water van 131 tot en met 250 m3 Gebruikers afgevoerd water van 251 tot en met 500 m3 Gebruikers afgevoerd water van 501 tot en met 1.500 m3 Gebruikers afgevoerd water van 1.501 tot en met 5.000 m3 Gebruikers afgevoerd water van 5.001 m3 en meer

Tarief 2023 111,17 190,05 55,90 32,16 134,16 301,92 693,00 1.386,00 2.772,24

Tarief 2022 109,31 185,87 54,67 31,41 131,17 295,22 677,79 1.355,59 2.711,18

Tabel – Ontwikkeling Tarieven Rioolheffing

56

Afvalstoffenheffing Met de opbrengsten van de afvalstoffenheffing betalen we voor 100% de kosten die we kwijt zijn aan inzamelen en verwerken van huishoudelijk restafval. Het huishoudelijk restafval en GFT-afval zamelen we in via afzonderlijke containers. Een aantal (appartementen)complexen heeft een eigen inzamelsysteem met ondergrondse containers. Het tarief voor 2023 is berekend aan de hand van het verwachte aantal ledigingen en de verwachte kosten. De kosten van de milieustraat worden deels gedekt vanuit de afvalstoffenheffing. Daarnaast wordt aan bezoekers van onze milieustraat een poorttarief gevraagd als het een niet gratis afvalstroom betreft. Met de inzet van € 18.000 van de inmiddels opgebouwde voorziening afvalstoffenheffing, beperken we de tariefstijging voor 2023 tot de trendmatige aanpassing van 2,25%.

Vast tarief per maand Variabel tarief per lediging Restafvalcontainer Gemiddeld aantal ledigingen Restafval per object per jaar

Tarief 2023 7,87 12,85 6,65

Tarief 2022 7,70 12,57 6,65

Variabel tarief per lediging GFT-afval Gemiddeld aantal ledigingen GFT-afval per object per jaar

2,39 3,13

2,34 3,13

Tarief per inworp 60lt zak in ondergrondse container Gemiddeld aantal inworpen 60lt zak in ondergrondse container per jaar Tabel - Tarievenoverzicht afvalstoffenheffing

1,90

1,86

30

30

Leges De legesinkomsten bestaan onder andere uit inkomsten van burgerzaken voor bijvoorbeeld reisdocumenten, rijbewijzen en burgerlijke stand. Maar u kunt ook denken aan leges voor omgevingsvergunningen of voor APV-activiteiten zoals evenementen. Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouwen (WKB) Volgens de huidige berichten zal per 1 januari 2023 de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen in werking treden. De uitwerking hiervan leest u in het raadsvoorstel belastingverordeningen 2023 en in de Legesverordening 2023 en tarieventabel 2023 die we aan u voorleggen ter besluitvorming in december 2022. Ontwikkeling totale belastingdruk In deze paragraaf vergelijken we de totale gemeentelijke lasten 2022 voor een gemiddeld gezin ten opzichte van 2021. Dit doen we voor zowel een eigenaar als voor een huurder van een woning. Bedragen x € 1 2023 Afgerond op hele euro’s Afvalstoffenheffing 187 Rioolheffing 245 OZB – eigenaar 379 Totaal 811 Tabel – Ontwikkeling Belastingdruk eigenaar woning

2022 183 240 371 794

Mutatie 2023 tov 2022 2,25 % stijging 2,25 % stijging 2,25 % stijging 2,25 % stijging

57

Bedragen x € 1 2023 Afgerond op hele euro’s Afvalstoffenheffing 187 Rioolheffing 134 OZB – eigenaar Nvt Totaal 321 Tabel – Ontwikkeling Belastingdruk huurder woning

2022 183 131 nvt 314

Mutatie 2023 tov 2022 2,25 % stijging 2,25 % stijging 2,25 % stijging

Uitgangspunten Bij de bepaling van de belastingdruk zijn we uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Afvalstoffenheffing Afvalstoffenheffing Vast tarief per maand Variabel tarief per lediging restafval Variabel tarief per lediging GFT-afval Totalen afgerond Tabel - Afvalstoffenheffing

Tarief 2023 7,87 12,85 2,39

Tarief 2022 7,70 12,57 2,34

Aantal ledigingen 2023 12 maanden 6,65 3,13

Aantal ledigingen 2022 12 maanden 6,65 3,13

Totaal 2023 94,44 85,45 7,48 187

Totaal 2022 92,40 83,59 7,32 183

Rioolheffing We hanteren de staffel van 131 m3 tot en met 250 m3 waterverbruik als grondslag voor de berekening van de rioolheffing en gaan uit van een twee ouderhuishouden met één kind. OZB – eigenaar Voor de OZB-vergelijking rekenen we met de volgende uitgangspunten: - € 371 ozb zoals verwerkt in vergelijking bij begroting 2022 - € 371 + 2,25% indexering naar begroting 2023

Gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid We voeren een actief kwijtscheldingsbeleid voor afvalstoffenheffing en rioolheffing. De begrote kosten voor 2022 en volgende jaren bedragen € 27.000 voor het kwijtscheldingsbeleid voor afvalstoffenheffing en rioolheffing (exclusief uitvoeringskosten).

58

Paragraaf 2

2.2 Weerstandsvermogen en risicobeheersing

In deze paragraaf leest u meer over ons risicoprofiel en hoe we dit opvangen met onze weerstandscapaciteit. Deze weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen om substantiële onverwachte kosten af te dekken zonder dat dit ten koste gaat van het bestaand beleid. Het weerstandsvermogen is de mate waarin we de risico’s op kunnen vangen met onze weerstandscapaciteit. In de nota ‘risicomanagement & weerstandsvermogen’ beschrijven we hoe we risicomanagement toepassen als vast proces in onze bedrijfsvoering. In deze paragraaf beoordelen we ook onze financiële positie aan de hand van vijf kengetallen.

Beoordelen risico’s Om te bepalen welke risico’s de meeste aandacht verdienen, kwantificeren we ze. Per risico, schatten we in - eventueel op basis van ervaringen - hoe waarschijnlijk het is dat het zich voordoet en hoe groot de financiële gevolgen zijn. Ontwikkelingen waarvan de kans 90% of meer is dat deze zich voordoen, nemen we niet mee omdat we dit niet als risico’s zien. We gebruiken de volgende scoringstabellen. Kans Gering (minder dan 1 x per 4 jaar) Gemiddeld (ongeveer 1 x per 4 jaar) Hoog (minimaal 1 x per jaar)

Score 1 3 5

Financieel gevolg Gering (< 0,1% omzet = < € 40.000 Beperkt (> 0,1% omzet < 0,5 % omzet = tussen € 40.000 - € 200.000) Groot (> 0,5 % omzet = > € 200.000)

Score 1 2 3

Omdat risico’s zich niet allemaal tegelijkertijd voordoen, nemen we alle risico’s niet voor de volledige omvang mee. Aan de hand van de kans vermenigvuldigt met het gevolg van het risico berekenen we een score. Aan de hand van deze score voorzien we het risico van een ranking met impactcategorie. Afhankelijk van de impactcategorie nemen we een risico volledig, voor een deel of niet mee in de berekening van ons benodigd weerstandscapaciteit. Ranking Scores 10 en hoger Scores hoger dan 5, maar lager dan 10 Scores van 5 en lager

Impactcategorie Hoog risico Voor het risico dient 100% weerstandscapaciteit aanwezig te zijn. Beperkt risico Voor een structureel risico dient 25% weerstandscapaciteit aanwezig te zijn. Voor een incidenteel risico dient 50% weerstandscapaciteit aanwezig te zijn. Gering risico We achten het risico te dragen binnen de regulieren bedrijfsvoering

59

Opstellen risicoprofiel Het risicoprofiel bevat alle risico’s die we hebben geïnventariseerd in onze organisatie. We maken een onderscheid tussen de risico’s voor de ‘algemene dienst’ en risico’s voor de grondexploitaties. In deze paragraaf volstaan we met een samenvatting van de belangrijkste risico’s van de algemene dienst en de belangrijkste risico’s van de grondexploitaties zoals bekend op 28 februari 2020. Het gedetailleerd risicoprofiel vindt u in bijlage ‘risicokaart’. Nr. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.

1. 2. 3.

Onderwerp Structurele risico's algemene dienst Toerekening uren aan investeringen en grondexploitaties BUIG-middelen ontoereikend WMO-middelen ontoereikend Oplopende prijzen grondstoffen Huisvesting statushouders Algemene uitkering ‘trap op trap af’ Jeugdhulpverlening (specialistische zorg) Capaciteitstekort binnen de gemeentelijke organisatie Structurele gevolgen omgevingswet Informatiemanagement projecten Rentewijzigingen Totaal structurele risico’s algemene dienst

€ 170.000 € 130.000 € 88.000 € 75.000 € 75.000 € 65.000 € 65.000 € 49.000 € 37.500 € 15.000 € 13.000 € 782.500

Incidentele risico's algemene dienst Wachtgeldregeling wethouders Software aangeboden in de Cloud Kabels en leidingen Totaal incidentele risico’s algemene dienst

€ 48.000 € 30.000 € 25.000 € 103.000

Nr. Onderwerp Risico’s grondbedrijf 1. Gelderakkers 2 2. De Welder 3. Loosche Akkers 3. Afzet gronden 4. Prijsrisico/inflatie 5. Geurcontour de Leeuwerik 3 Totaal risico’s grondbedrijf

€

€ € 1.400.000 € 310.000 € 205.000 € 160.000 € 100.000 € 82.500 € 2.257.500

60

Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen waarmee de gemeente in staat is om substantiële tegenvallers op te vangen zonder dat dit betekent dat we het beleid moeten wijzigen. We onderscheiden een structurele en een incidentele weerstandscapaciteit. We gaan hier nu verder op in. Structurele capaciteit Onze structurele weerstandscapaciteit bepalen we de onbenutte belastingcapaciteit voor de onroerendezaakbelastingen. We berekenen de onbenutte belastingcapaciteit op twee wijzen. Enerzijds houden we rekening met de meest recente OZB-tarieven van het gemiddeld niveau in Nederland. We hanteren deze onbenutte belastingcapaciteit voor onze weerstandscapaciteit. Anderzijds laten we ook de OZB-opbrengst zien als we het OZB-tarief hanteren dat opgelegd wordt indien een gemeente een artikel 12 status aanvraagt. Het rijk stelt zo’n gemeente dan onder financiële curatele. Ruimte ten opzichte van landelijk artikel 12 OZB opbrengst Hilvarenbeek 2023 OZB opbrengst landelijk gemiddeld 1 OZB artikel 122 Bedragen x € 1000,-

4.055 5.636 7.119

1.581

3.064

Onze beschikbare capaciteit - de ruimte die beschikbaar is wanneer we het gemiddeld landelijk tarief hanteren - bedraagt € 1.581.000. De onbenutte belastingcapaciteit, wanneer de tarieven gelijk zouden zijn aan de artikel 12 norm, bedraagt € 3.064.000. Incidentele capaciteit Voor de incidentele capaciteit weerstandscapaciteit nemen wij bij de omvang van onze algemene reserve en de reserve grondexploitatierisico’s - voor resultaatbestemming - mee. In deze stand is verwerkt hoe we met de dekking van € 4,4 miljoen omgaan die benodigd is mochten we het hoger beroep precariobelasting verliezen. € 1,8 miljoen is onttrokken aan de algemene reserve grondexploitaties en € 2,6 miljoen aan de algemene bedrijfsreserve. Incidentele weerstandscapaciteit (x € 1.000,-) Algemene bedrijfsreserve Reserve grondbedrijf Tabel - De stand van 31-12-2022 (bedragen x € 1.000)

1.206 2.261

Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen is de mate waarin de gemeente in staat is om substantiële tegenvallers op te vangen zonder dat dit betekent dat het beleid veranderd moet worden. Om het structurele weerstandsvermogen te bepalen, confronteren we de structurele risico’s met de structurele weerstandscapaciteit. Het incidentele weerstandsvermogen bepalen we door alle incidentele risico’s

1 2

Bron: Coelo.nl, tarievenoverzicht 2022 Bron: meicirculaire 2022, tarieven 2022

61

af te zetten tegen de algemene bedrijfsreserve. De confrontatie van het risicoprofiel en weerstandscapaciteit is hieronder weergegeven. Weerstandsvermogen (x € 1.000,-) Structureel Algemene Dienst Algemene bedrijfsreserve Reserve grondexploitatierisico’s

Beschikbaar A C E

Ratio's Structureel (A / B) Algemene bedrijfsreserve (C / D) Reserve grondexploitatierisico’s (E / F)

JR20

1.581 1.206 2.261 JR21

1,0 0,8 2,2

0,99 0,76 1,95

Benodigd B D F B2022 0,91 0,84 1,94

783 103 2.258 B2023 2,02 11,7 1,00

Conclusie: waardering en normen voor het weerstandsvermogen We waarderen het weerstandsvermogen zoals opgenomen in onderstaande tabel. Ratio >2 1,5 – 2 1,0 - 1,5 0,8 - 1,0 0,6 - 0,8 < 0,6

Waardering uitstekend ruim voldoende voldoende matig onvoldoende ruim onvoldoende

De provincie adviseert ons om een norm vast te stellen voor het noodzakelijke weerstandsvermogen. Wij hebben dit advies ter harte genomen. Wij hanteren een norm van minimaal 1 voor zowel het structurele als het incidentele weerstandsvermogen. Structureel Voor het structurele weerstandsvermogen voldoen wij ruim aan deze norm. In de berekening is zelfs alleen gekeken naar het verschil in OZB ten opzichte van het gemiddelde in Nederland en niet naar de uitbreidingsmogelijkheden in vergelijking met een artikel 12 status. Wanneer we deze werkwijze hanteren stijgt de ratio nog van 2,02 naar 3,91. In dat geval is de waardering uitstekend. Incidenteel Ook het incidentele weerstandsvermogen van de algemene dienst voldoet ruim aan de norm. Het risico van de precariobelasting is vervallen waardoor de ratio flink is gestegen. Het incidentele weerstandsvermogen voor de grondexploitatie is voldoende. Wanneer we naar het totaal van de incidentele risico´s kijken en dit afzetten tegen de totale beschikbare incidentele weerstandscapaciteit is de ratio 1,47. Dit wordt gewaardeerd als voldoende.

Financiële kengetallen In deze paragraaf geven wij u een overzicht van enkele financiële kengetallen met als doel u op een eenvoudige manier inzicht te geven in de financiële positie van de gemeente. Deze financiële kengetallen zijn verplicht op basis van artikel 11 BBV. Naast een structureel sluitende reële begroting is het voor een gezonde financiële positie ook van belang dat de schulden niet te hoog oplopen, de risico’s

62

binnen de grondexploitatie op te vangen zijn en er nog voldoende financiële ruimte is binnen de exploitatie of om belastingen te verhogen. We gaan eerst in op de normering en daarna volgen de financiële kengetallen. Normering Om meer inzicht te krijgen in de kengetallen kiezen we ervoor om aan te sluiten bij de ‘signaleringswaarden’ die diverse gemeenten gebruiken zoals in onderstaande tabel weergegeven. De signaleringswaarden zijn oorspronkelijk afkomstig uit de stresstest voor 100.000+ gemeenten. De signaleringswaarden zijn geen normeringsinstrument in het kader van het financieel toezicht door de provincie. Het is primair bedoeld al instrument voor de raad. Per kengetal zijn signaleringswaarden ingedeeld in drie categorieën. Categorie A is het minst risicovol, categorie B is een risicoprofiel waarbij voorzichtigheid is geboden, categorie C is een risicovol profiel. Kengetallen

Cat. A

Cat. B

Cat. C

Netto schuldquote

<0,9

0,9 - 1,3

>1,3

Netto schuldquote - correctie verstrekte leningen Solvabiliteitsratio

<0,9 >0,5

0,9 - 1,3 0,2 - 0,5

>1,3 <0,2

>0

0

<0

Grondexploitatie

<0,2

0,2 - 0,35

>0,35

Belastingcapaciteit: Woonlasten meerpers. huishouden

<0,95

0,95 - 1,05

>1,05

Structurele exploitatieruimte

Financiële kengetallen We hebben de financiële kengetallen berekend voor onze gemeente. U ziet ze in onderstaand overzicht. De kengetallen van 2020 - 2021 hebben we gebaseerd op de voorgaande begrotingsboekwerken. Per kengetal hebben we met kleur weergegeven in welk risicoprofiel het kengetal valt. Kengetallen Netto schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Solvabiliteitsratio Structurele exploitatieruimte Grondexploitatie Belastingcapaciteit: Woonlasten meerpersoonshuishouden

JR2020 0,55 0,49

JR2021 0,51 0,46

B2022 0,78 0,67

B2023 0,76 0,73

B2024 0,76 0,73

B2025 1,00 0,97

B2026 0,99 0,96

0,26 -0,02 0,10 1,00

0,27 0,03 0,10 0,97

0,31 0,03 0,10 1,08

0,17 0,00 0,09 0,90

0,18 0,02 0,03 0,90

0,17 0,04 -0,03 0,90

0,17 0,00 -0,01 0,90

Netto schuldquote De netto schuld weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. De netto schuldquote geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Een laag percentage is gunstig. Omdat bij verstrekte leningen er onzekerheid kan bestaan of ze allemaal terug worden betaald bepalen we de netto schuldquote zowel inclusief als exclusief verstrekte leningen. De VNG adviseert om 1,3 als maximum norm te hanteren en daarboven de schuld af te bouwen. De netto schuldquote voor 2023 is 0,76. De netto schuldquote waarderen we daarmee als goed. Vanaf 2025 komt het kengetal rond de 1,00 en is enige mate van voorzichtigheid geboden. Solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin het bezit van de gemeente is afbetaald en de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Het betreft het eigen vermogen uitgedrukt in een percentage van het balanstotaal. De schuldratio is de tegenhanger hiervan. De toename of afname van de schulden in een jaar is het financieringsresultaat van de gemeente. Het wordt ook wel schuldevolutie genoemd. De schuld mag niet zover oplopen dat de financiële positie

63

in de waagschaal wordt gelegd. De gemeentefinanciën horen - ook bij economisch slecht weer zonder hulp van buitenaf beheersbaar te blijven. Voorzichtigheid is geboden bij een ratio tussen de 0,2 en 0,5 en onder de 0,2 komt het kengetal in het hoogste risicoprofiel. Voor de begroting 2023 en de volgende jaren bedraagt de waarde 0,17. Dit vraagt om maatregelen om de ratio te laten stijgen. De ratio wordt positief beïnvloedt als het eigen vermogen (lees: reserves) toeneemt. Dit kunnen we realiseren door terughoudend om te gaan met de inzet van de geraamde incidentele resultaten voor de jaren tot en met 2025. Ter illustratie: wanneer we de geraamde positieve begrotingssaldi zouden toevoegen aan de reserves stijgt de ratio in 2026 naar de 0,2. Ook wordt de ratio beïnvloedt door de mate van grotere investeringen. Daardoor neemt namelijk het balanstotaal toe, met een negatief effect op de ratio tot gevolg. Voor de ratio is terughoudenheid met extra nieuwe investeringen van belang. Structurele exploitatieruimte Dit kengetal is van belang om te kunnen beoordelen welke structurele ruimte er is om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. De provincie hanteert de richtlijn dat de begroting structureel en reëel in evenwicht moet zijn.

Het structurele saldo berekenen we in hoofdstuk 3 ‘Overzicht van baten en lasten en de balans met toelichting van de jaarrekening. Als het structurele saldo positief is dan is het kengetal van de structurele exploitatieruimte ook positief. We berekenen dit kengetal namelijk door het structurele saldo van de baten en lasten te delen door de totale baten. De provincie hanteert een structureel saldo van 0 als minimaal. Wij hanteren daarom als norm dat de structurele exploitatieruimte minimaal 0 moet zijn. Met een kengetal van 0,00 in 2023 voldoen wij aan deze norm. In 2026 komt de ratio afgerond op 0,00 (feitelijk net onder 0). We kunnen de structurele exploitatieruimte vergroten door het eigen beleid aan te passen waardoor we meer structurele opbrengsten ontvangen of minder structurele kosten maken. Grondexploitatie Dit kengetal geeft weer hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. De boekwaarde van de voorraden grond is van belang, omdat deze waarde moet worden terugverdiend bij de verkoop. De boekwaarden van verliesgevende plannen zijn gebaseerd op de actuele marktwaarde en voor verwachte verliezen zijn voorzieningen getroffen. De invloed van de grondexploitatie op de exploitatie is met een kengetal van 0,09 in 2023 beperkt. De invloed loopt de komende jaren ook terug.

Daarnaast hebben we een aparte algemene reserve voor de grondexploitatie waarmee we risico’s opvangen. Belastingcapaciteit De ruimte die een gemeente heeft om belastingen te verhogen wordt vaak gerelateerd aan de totale woonlasten. Onder woonlasten worden verstaan de OZB, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing voor een woning met gemiddelde waarde in de gemeente. Het kengetal belastingcapaciteit wordt berekend door de totale woonlasten meerpersoonshuishouden in het begrotingsjaar te vergelijken met het landelijke gemiddelde. De (ongewogen) gemiddelde woonlasten van gemeenten in 2022 bedragen € 904. De gemiddelde woonlasten voor een meerpersoonshuishouden in de gemeente Hilvarenbeek bedragen € 811 in 2023. Het kengetal komt daardoor op 0,90. Daarmee is onze lokale lastendruk normaal. Het kengetal is sterk gewijzigd ten opzichte van de voorgaande jaren. Dit komt omdat het COELO een nieuwe berekeningsmethode heeft gebruik voor de bepaling van de gemiddelde WOZ-waarde. Wanneer deze nieuwe berekeningssystematiek wordt toegepast op 2022 zou het kengetal 0,88 zijn in 2022. Algemene conclusie financiële positie Door het aanwenden van ruim 4 miljoen ter afdekking van precario komt met name de solvabiliteitsratio onder druk te staan. Dit ziet u terug bij het onderdeel sovabiliteitsratio. We noemen daar ook een aantal maatregelen ter verbetering van de ratio.

64

Paragraaf 3

2.3 Onderhoud kapitaalgoederen

Deze paragraaf gaat in op hoe wij onze kapitaalgoederen beheren en onderhouden. Het gaat zowel om gemeentelijke wegen, riolering en gebouwen, als om groen, sportvelden en water. Het grootste deel van de werkzaamheden aan kapitaalgoederen vloeit voort uit onze verantwoordelijkheden als eigenaar en beheerder van de publieke ruimte en van een aantal eigendommen. We hebben een groot vermogen geïnvesteerd in kapitaalgoederen. De kwaliteit van deze kapitaalgoederen en het onderhoud hiervan zijn medebepalend voor het voorzieningenniveau binnen onze gemeente. Ze bepalen uiteraard ook de hoogte van de lasten die dit met zich meebrengt. De paragraaf geeft inzicht in de beleidskaders voor instandhouding van kapitaalgoederen en de financiële consequenties daarvan. We gaan eerst in op de kapitaalgoederen binnen de openbare ruimte. Hierna lichten we de categorie gebouwen toe.

Onderhoud openbare ruimte Beheer openbare ruimte Het openbaar groen wordt door ons al jaren onderhouden op onderhoudsniveau B met uitzondering van de Vrijthof die we op niveau A onderhouden. De werkzaamheden worden uitgevoerd op basis van een bestek. Dit is deels een beeldbestek met posten die op een bepaald beeld onderhouden moeten worden. Denk hierbij aan de aanwezigheid van onkruid. Voor de controle op deze posten gebruiken we de beeldlatten van het CROW. Daarin is omschreven aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Door de toezichthouders van de buitendienst wordt hierop steekproefsgewijs gecontroleerd. Daarnaast zijn er werkzaamheden op frequentie basis opgenomen. Denk hierbij aan het knippen van de hagen dat we twee keer per jaar uit laten voeren. En andere werkzaamheden die nauwelijks uitvoerbaar zijn op basis van beeld, zoals het onderhoud aan de parkeerkelder. Sinds 2016 hebben we in ons bestek voor werkzaamheden aan het openbaar groen een speciale paragraaf opgenomen voor social return. We bieden bijvoorbeeld (leer)werkplekken en stageplekken voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De begeleidingskosten en opleidingskosten voor deze personen zijn onderdeel van het bestek. Ook in het nieuwe driejarige bestek nemen we deze paragraaf op.

Helaas hebben we de ervaring dat deze social return paragraaf maar een beperkt resultaat geeft als het gaat over mensen die op deze manier ingezet kunnen worden. Beleidskader Spelen De beleidsnota Spelen vormt het kader voor ons speelterreinenbeleid. Vanaf 2021 vervangen we alleen toestellen waarvan uit de keuring is gebleken dat ze gevaarlijk zijn. Daarnaast zijn in overleg met

65

bewoners enkele speelplekken vernieuwd. Al onze speeltoestellen worden per jaar vier keer gecontroleerd waaronder één keuring door een extern deskundige. Financiële consequenties die voortvloeien uit het beleidskader We maken het volgende financiële onderscheid: 1. Exploitatiekosten, exclusief de kapitaallasten; 2. Kapitaallasten (rente- en afschrijvingslasten) van investeringen; Afgerond op € 1.000 1. Exploitatiekosten 2. Kapitaallasten

Begroting 2023 973.000 9.000

Begroting 2024 956.000 8.000

Begroting 2025 956.000 6.000

Begroting 2026 956.000 6.000

In de exploitatiekosten in 2023 een extra bedrag van € 17.000 opgenomen voor extra onderhoud, snoeien en rooien van bomen. Hiertoe besloot de raad met de vaststelling van de voorjaarsnota 2020 (nr. 33). In de exploitatiekosten is vanaf 2023 een extra bedrag van € 25.000 opgenomen voor het oplossen van de problematiek omtrent de worteldruk van bomen. Hiertoe besloot de raad met de vaststelling van de voorjaarsnota 2021 (nr. 32). Sportvelden Beleidskader Het onderhoud aan de sportvelden stemmen we jaarlijks af met de diverse gebruikers. Daarnaast voeren we groot onderhoud uit. Dit doen we op basis van een raambestek. Daarbij worden de werkzaamheden afgestemd op de noodzaak. Het bestek heeft nog een looptijd tot en met 2023. In 2023 maken we nieuw accommodatiebeleid met daarin ook de toekomstige afspraken over beheer en onderhoud. Financiële consequenties die voortvloeien uit het beleidskader We maken het volgende financiële onderscheid: 1. Exploitatiekosten, exclusief de kapitaallasten; 2. Kapitaallasten (rente- en afschrijvingslasten) van investeringen; Afgerond op € 1.000 1. Exploitatiekosten 2. Kapitaallasten

Begroting 2023 186.000 70.000

Begroting 2024 183.000 67.000

Begroting 2025 183.000 65.000

Begroting 2026 183.000 61.000

Riolering en Water Beleidskader De wet milieubeheer verplicht gemeenten om een actueel gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) te hebben. In februari 2022 is het Riool- en Waterprogramma voor de periode 2022-2026 vastgesteld. Daarbij is een kostendekkingsplan met kostendekkende tarieven opgesteld voor de periode 2022 tot en met 2026. Financiële consequenties die voortvloeien uit het beleidskader Om uitvoering te geven aan het beleidskader kennen we het volgende financiële onderscheid in: 1. Saldo exploitatielasten en -baten, inclusief overhead en fictieve BTW, maar exclusief kapitaallasten

66

2. Kapitaallasten, zijnde rente- en afschrijvingslasten investeringen. Inclusief de kapitaallasten van de investeringen in de komende jaren. De nieuwe investeringen vindt u terug in de bijlage ‘Overzicht investeringen (meerjarig). 3. Rioolrechten 4. Mutatie voorziening riolering = Saldo product riolering. Geraamde stand van de voorziening per 01-01-2023 = € 4.871.000 Exploitatie Bedragen x € 1.000 1. Saldo Exploitatielasten en –baten 2. Kapitaallasten 3. Rioolrechten 4. Onttrekking aan voorziening = inkomst

Begroting 2023 1.440 526 -/- 1.522 -/- 444

Begroting 2024 1.425 537 -/- 1.522 -/- 440

Begroting 2025 1.406 540 -/- 1.522 -/- 424

Begroting 2026 1.468 532 -/- 1.522 -/- 478

Wegbeheer Beleidskader In februari 2022 heeft de raad het nieuw beleids- en wegenbeheerplan 2021-2025 scenario 2a vastgesteld. Daarbij wordt onderhoudsniveau C als ondergrens gehanteerd. Voor de voetpaden zijn extra middelen beschikbaar gesteld om knelpunten aan te pakken en het onderhoudsniveau te verbeteren. Er wordt meer preventief onderhoud uitgevoerd zodat de kosten voor groot structureel onderhoud uitgesmeerd worden over een langere periode. De provincie hanteert als toezichthouder van gemeenten zelf ook onderhoudsniveau C als ondergrens bij de integrale toetsing van de financiële positie van de gemeente. Het nieuwe beheerplan kunnen we uitvoeren binnen de huidige beschikbare middelen voor wegenonderhoud. Wij verwachten dat dit geen nadelige effecten oplevert voor de kwaliteit van onze wegen en dat de verkeersveiligheid niet in het geding komt. Er spelen nog een aantal ontwikkelingen zoals het centrum van Esbeek, Hart van Haghorst, fietspad bij de Dunsedijk, snelfietsroutes Eindhoven - Tilburg en Tilburg - Goirle – Hilvarenbeek. Hiervoor zijn geen middelen in onze begroting opgenomen. Voorvloeiende financiële consequenties uit beleidskader Om het beleidskader uit te voeren, kennen we het volgende financiële onderscheid in: 1. Klein jaarlijks onderhoud, aangevuld met overige kleinere exploitatiekosten; 2.

Jaarlijks groot onderhoud aan asfalt- en elementenverharding, die we ten laste van de voorziening dekken; 3. Storting in voorziening ter dekking van de jaarlijkse kosten voor groot onderhoud (geraamde stand van de voorziening per 1 januari 2023 = € 876.000); 4. Kapitaallasten rehabilitaties, zijnde rente- en afschrijvingslasten voor vervangingen van het wegdek inclusief de fundering. Betreft bestaande en nieuwe kapitaallasten samen. De nieuwe investeringen vindt u terug in de bijlage ‘Overzicht investeringen (meerjarig). Kosten Afgerond op € 1.000 1. Klein jaarlijks onderhoud 2. Jaarlijks groot onderhoud 3. Storting in voorziening 4. Kapitaallasten rehabilitaties

Begroting 2023 171.000 425.000 376.000 110.000

Begroting 2024 171.000 405.000 376.000 126.000

Begroting 2025 171.000 420.000 376.000 140.000

Begroting 2026 171.000 510.000 376.000 160.000

67

Openbare verlichting Beleidskader Uitgangspunt voor onderhoud en vervanging van afgeschreven materieel is het vastgestelde beleidsplan ‘Openbare Verlichting 2012 -2021’. Dit beleidsplan is opgesteld overeenkomstig de bepalingen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Ondanks het feit dat de geldigheidsduur van het beleidsplan is verstreken, biedt het meer dan voldoende handvaten om de ingeslagen weg voort te zetten om conventionele verlichting te vervangen door onderhoudsvriendelijke en energiezuinige duurzame ledverlichting. We zijn wel voornemens om het beleidsplan te herzien in 2024. Kosten hiervoor bedragen €10.000. Eveneens zijn we voornemens het fietspad nabij Annanina’s Rust te voorzien van verlichting. Ten gevolge van de reconstructie van de provinciale weg N395 heeft de provincie Noord-Brabant daar haar lichtmasten verwijderd. Haar beleid is dat enkel en alleen verlichting wordt geplaatst bij en naar aanloop van conflictvlakken. Conflictvlakken zijn bijvoorbeeld rotondes of kruisingen. Gebruikers van het fietspad voelen zich sociaal onveilig en klagen over slecht zicht. Voorvloeiende financiële consequenties uit beleidskader Om uitvoering te geven aan het beleidskader kennen we het volgende financiële onderscheid in: 1. Exploitatiekosten, zijnde jaarlijks regulier onderhoud, oplossen storingen en stroomverbruik; 2.

Jaarlijkse kapitaallasten (in de vorm van rente en afschrijving) bij vervangingen lichtmasten en armaturen. De nieuwe investeringen vindt u terug in de bijlage ‘Overzicht investeringen (meerjarig). Openbare Verlichting Afgerond op € 1.000 1. Exploitatiekosten 2. Kapitaallasten

Begroting 2023 150.000 51.000

Begroting 2024 150.000 54.000

Begroting 2025 150.000 56.000

Begroting 2026 150.000 55.000

Gemeentelijke gebouwen Beleidskader onderhoud gebouwen Voorzieningen waaronder gebouwen voor sport, onderwijs, gemeenschap, cultuur en zorg in onze gemeente zijn belangrijk. In 2022-2023 wordt nieuw accommodatie- en vastgoedbeleid opgesteld, omdat het nodig is om vast te leggen hoe de gemeente met accommodaties omgaat. Het op te stellen beleid moet duidelijkheid geven over de kosten, de betaalbaarheid en verantwoordelijkheden. Dan wordt ook duidelijk gemaakt welke effecten dit voor het vastgoedbeheer teweegbrengt. We vragen de (sport)verenigingen mee te denken over het accommodatiebeleid. Het gehele pakket van Duurzaam Meerjaren Onderhoudsprogramma’s (DMJOP’s) wordt in 2023 voor de periode van 2023 - 2025 geactualiseerd en hierin worden verdere stappen gezet naar verduurzaming van het eigen vastgoed. Dit zal gedeeltelijk gelijk parallel lopen met het accommodatie- en vastgoedbeleid en nog na-ijlen in 2024. De extra kosten en opbrengsten zijn nog niet in beeld gebracht. Op basis van de DMJOP’s en technische inspecties maken we een jaarplanning 2023 voor de uit te voeren werkzaamheden. We hebben een actueel beeld van de benodigde middelen voor het meerjarig groot onderhoud en de vervangingsinvesteringen voor de gemeentelijke gebouwen. We maken onderscheid tussen kosten voor groot onderhoud en vervangingsinvesteringen.

De kosten voor groot onderhoud - zoals schilderwerk - brengen we in één keer ten laste van de voorziening. Bij vervangingsinvesteringen – zoals vervangen van een dak - brengen we jaarlijks de kapitaallasten (afschrijvingen en rente) afhankelijk van de afschrijvingsperiode ten laste van de exploitatie.

68

Voorvloeiende financiële consequenties uit beleidskader Om uitvoering te geven aan het beleidskader kennen we het volgende financiële onderscheid in: 1. Jaarlijkse storting in de voorziening gemeentelijke gebouwen en gymnastieklokalen (geraamde stand voorziening per 01-01-2023 € 1.438.000); 2. Jaarlijkse kosten ten laste van de voorziening gemeentelijke gebouwen en gymnastieklokalen; Voorziening Gebouwenbeheer Afgerond op € 1.000 1. Storting in voorziening 2. Kosten ten laste van voorziening

Begroting 2023 243.000 487.000

Begroting 2024 243.000 220.000

Begroting 2025 243.000 220.000

Begroting 2026 243.000 220.000

69

Paragraaf 4

2.4 Financieringsparagraaf

De gemeentelijke begroting moet worden opgesteld volgens de regels van het stelstel van baten en lasten. Dat wil zeggen dat we uitgaven en inkomsten toerekenen aan het jaar waarop ze betrekking hebben. Dit betekent bijvoorbeeld dat investeringen in een gebouw dat x jaar meegaat niet ten laste komen van het jaar waarin de rekeningen zijn betaald, maar worden gespreid over de jaren waarin het gebouw wordt gebruikt. Voor gezonde gemeentefinanciën is alleen sturen op baten en lasten niet genoeg. We moeten ook sturen op uitgaven en inkomsten (kasstelsel). Kopen we bijvoorbeeld een nieuw gebouw dan betekent dit dat we eenmalig een bedrag betalen aan de verkoper. We moeten er dan bij stilstaan hoe we dit financieren. Betalen we het bedrag met onze eigen middelen - hebben we het bijvoorbeeld op onze bankrekening staan - of moeten we een lening afsluiten waardoor we een schuld opbouwen? Het is belangrijk dat we de schuld in de gaten houden en deze niet te hoog laten oplopen. We gaan in deze paragraaf allereerst in op de gemeentelijke financieringsbehoefte. Daarna beantwoorden we de vraag hoe we in onze financieringsbehoefte voorzien en in hoeverre dat past binnen de wettelijke kaders. Vervolgens evalueren we onze schuldpositie. Omdat we financieren met externe middelen hebben we te maken met rente. We gaan in op de rentes die we hanteren en het renteresultaat.

Financieringsbehoefte Hoe we omgaan met onze financiering, hebben we vastgelegd in de financiële verordening. De behoefte aan financiering ontstaat hoofdzakelijk door twee zaken. Enerzijds door investeringen in materiële vaste activa, zoals wegen, gebouwen en riolering. Anderzijds door verstrekte leningen en onze grondexploitaties. Dit laatste komt doordat bij grondexploitaties de kosten voor de baten uitgaan. We voorzien in deze financieringsbehoefte door - naast de eigen reserves en voorzieningen - geld te lenen. We brengen dit cijfermatig in beeld in de meerjarenprognose van de balans in hoofdstuk 3. Omdat we niet genoeg middelen beschikbaar hebben om in de verwachte financieringsbehoefte te voorzien, ontstaat per saldo een behoefte aan nieuwe financiering. Financiering (x € 1.000) Financieringsbehoefte

2023 - 7.846

2024 - 6.491

2025 - 13.598

2026 - 14.946

De financieringsbehoefte geldt van jaar tot jaar. Het is bijvoorbeeld niet zo dat de financieringsbehoefte van 2026 bovenop de financieringsbehoefte van 2025 komt. In de tabel is al rekening gehouden met de investeringslijst uit bijlage 3. Bij de interpretatie van deze cijfers moet u rekening houden met het volgende. Allereerst maken we financieel ruimte om investeringen te kunnen plegen. Echter, in de praktijk lopen geplande investeringen regelmatig vertraging op. Het geld dat we hiervoor nodig 70

hebben hoeven we dan ook pas later te lenen. Ten tweede lopen in het verleden afgesloten leningen ook weer af. Dit verklaart ook een deel van de nieuwe financieringsbehoefte. We voorzien in onze (nieuwe) financieringsbehoefte door continu binnen de kaders kort en lang te lenen. Kaders kortlopende leningen (kasgeldlimiet) Op grond van de kasgeldlimiet mogen we ruim € 3,65 miljoen aan ‘kort geld’ aantrekken. De kasgeldlimiet bepaalt namelijk dat onze gemiddelde netto-vlottende schuld in een bepaald kwartaal niet hoger mag zijn dan 8,5% van ons begrotingstotaal, dat in 2023 zo’n € 43 miljoen aan lasten - inclusief reservemutaties - bedraagt. De meerjarenbegroting laat zien dat we in alle jaren te maken krijgen met een financieringstekort. We blijven de financieringsbehoefte nauwlettend volgen op basis van onze liquiditeitsprognoses. Deze is uiteindelijk bepalend voor de strategische afweging voor het aantrekken van kort of lang geld. Kaders langlopende leningen (renterisiconorm) De renterisiconorm bepaalt dat jaarlijks 20% van het begrotingstotaal onderhevig mag zijn aan renteherziening en herfinanciering. Hiermee is een maximumgrens gesteld aan het renterisico op de langlopende leningenportefeuille. Van renteherziening is sprake als in de leningsovereenkomst is bepaald dat de rente gedurende de looptijd in een bepaald jaar wordt aangepast.

Herfinanciering is het totaalbedrag aan aflossingen op de bestaande leningenportefeuille. Zoals uit onderstaande tabel blijkt, lopen we € 1,58 miljoen renterisico [3] in 2023, terwijl de norm [4] ruimte geeft tot € 7,02 miljoen. Deze renterisiconorm is afgeleid van het begrotingstotaal.

1a 1b 1 2 3 4a 4b 4 5a 5b

Bedragen x € 1mln renteherziening op vaste schuld o/g renteherziening op vaste schuld u/g renteherziening op vaste schuld (1a -/- 1b) aflossingen renterisico op vaste schuld (1 + 2) begrotingstotaal, afgerond op 1 mln percentage regeling renterisiconorm (4a x 4b) ruimte onder renterisiconorm (4 > 3) overschrijding renterisiconorm (3 > 4)

2023 0,00 0,00 0,00 1,58 1,58 43 20% 8,60 7,02 0,00

2024 0,00 0,00 0,00 1,79 1,79 42 20% 8,40 6,61 0,00

2025 0,00 0,00 0,00 1,19 1,19 40 20% 8,00 5,81 0,00

2026 0,00 0,00 0,00 1,19 1,19 40 20% 8,00 5,81 0,00

Langlopende leningen Afhankelijk van het verloop van de financieringsbehoefte en rente-ontwikkelingen gaan we in 2023 of in een van de direct daaropvolgende jaren een conversie uitvoeren. Dit betekent dat we dan kortlopende geldleningen, nodig voor het financieringstekort, vervangen door een - vaste - langlopende geldlening. Schatkistbankieren Schatkistbankieren is verplicht en betekent dat we al onze overtollige liquide middelen - die we (tijdelijk) niet nodig hebben om onze publieke taken en verantwoordelijkheden uit te oefenen - boven een bepaald drempelbedrag verplicht moeten aanhouden in de schatkist bij het ministerie van Financiën. De drempel voor schatkistbankieren, opnieuw vastgesteld vanaf 1 juli 2021, ligt voor onze gemeente tussen een minimum van € 1,0 miljoen en een maximum van € 10,0 miljoen. Op basis van 2% van het begrotingstotaal van € 43 miljoen komt de gemeente niet uit boven de ondergrens van € 1,0 miljoen.

71

Gezien het ontbreken van overtollige middelen is de ‘budgettaire impact’ van Schatkistbankieren voor onze gemeente in ieder geval tot en met 2025 nihil. We hebben dan namelijk een financieringstekort in plaats van een structureel financieringsoverschot.

Schuldpositie Voor gezonde, houdbare gemeentefinanciën is alleen sturen op baten en lasten niet genoeg. We moeten ook kijken naar de hoogte van de schuld. Rente en aflossingen leggen tenslotte een beslag op de toekomstige begroting. Hoe meer we extern financieren, hoe hoger de schulden, hoe meer rente en aflossingen drukken op onze toekomstige begroting. In de paragraaf ‘weerstandsvermogen en risicobeheersing’ gaan we in op de risico’s die we hierbij lopen.

Renteontwikkeling Refi rente is in 2022 verhoogd De refirente - ook wel herfinancieringsrente genoemd - is de rente die banken moeten betalen aan de ECB (Europese Centrale Bank) wanneer zij geld bij de ECB opnemen. Banken gebruiken deze faciliteit als ze liquiditeiten te kort komen. De herfinancieringsrente staat al vanaf maart 2016 op 0,00%. Door de renteontwikkelingen en oplopende inflatie, vanaf het begin van 2022, heeft de ECB besloten om op 21 juli 2022 de herfinancieringsrente - ook wel beleidsrente genoemd - vast te stellen op 0,50% De driemaands Euribor rente - waarbij de leningen een looptijd hebben van drie maanden -, volgt in grote lijnen het verloop van de refirente. Begin 2022 was de driemaands Euribor rente nog licht negatief, halverwege 2022 is deze opgelopen tot 0,71%. Dit geldt ook voor de lange rente; lag de eerdere prognose op licht stijgende rentetarieven, inmiddels is de verwachting dat de lange rente oploopt naar boven de 2% eind 2022. Als de inflatie rond de huidige niveaus blijft (ca. 10%) zijn verdere rentestijgingen waarschijnlijk. Voor een rentedaling zal een verlichting van de inflatie nodig zijn, maar ook bijvoorbeeld een daling van de olieprijs. De verwachting is aldus dat de rentetarieven op de korte tot middellange termijn zullen blijven stijgen. Deze verwachting is gebaseerd op de volatiliteit in de markt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11871710/1