17 GREX en bestemmingsplan Hart van Haghorst (4a Toelichting ontwerp-bestemmingsplan - met wijzigingen)
Tekst van het document
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Beleid De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|30
In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
t.o.v. rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
t.o.v. gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Met het planvoornemen wordt de centrumlocatie van de kern Haghorst herontwikkeld. Hiermee worden de bestaande centrumvoorzieningen gebundeld/geclusterd en ontstaat er extra ruimte voor woningbouw.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|31
Het plangebied ligt centraal in de woonkern Haghorst. Binnen het plangebied bevinden zich momenteel (en eveneens in de toekomstige situatie) meerdere centrumvoorzieningen. Het gaat hierbij om een basisschool, dorpshuis, horeca en gymzaal. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied tevens een fysiotherapiepraktijk en een begraafplaats gesitueerd. Tenslotte is de doorgaande weg Sint Josephstraat in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Hierdoor kan ter plaatse van het plangebied uit worden gegaan van het omgevingstype gemengd. Binnen of in de nabijheid van het plangebied komen de volgende bedrijven voor: Adres
Type
Cat.
Richtafstand
MFA (binnen plangebied MFA (binnen plangebied MFA (binnen plangebied MFA (binnen plangebied MFA (binnen plangebied Witvenstraat 1
Basisschool
2
10 meter
Werkelijke afstand milieugevoelige bestemming 15 meter
Gymzaal
2
0 meter
15 meter
Horeca
1
0 meter
15 meter
Dorpshuis
2
10 meter
15 meter
Kinderopvang
2
10 meter
15 meter
Fysiotherapiepraktijk Begraafplaats Vervaardiging van metalen constructies Bedrijventerrein
1
0 meter
20 meter
1 3.2
0 meter 50 meter
125 meter 150 meter
3.2
50 meter
380 meter
Witvenstraat ong. Sint Josephstraat 13
Bedrijventerrein Wilhelminadijk
De MFA binnen het plangebied wordt dusdanig gepositioneerd dat de afstand tussen de MFA en milieugevoelige bestemmingen minimaal 15 meter bedraagt. Dit wordt gewaarborgd middels de positionering van het bouwvlak. Met betrekking tot bedrijven en milieuzonering dient echter ook uitgegaan te worden van de maximale planologische situatie. Voor de MFA (bestemming ‘Maatschappelijk’) betreft dit dus niet alleen de activiteiten die binnen het bouwvlak gaan plaatsvinden. Ook de activiteiten die eventueel buiten het bouwvlak gaan plaatsvinden, zoals parkeren en het buitenspelen van kinderen, dienen te worden onderzocht. Door K+ Adviesgroep is derhalve een akoestisch onderzoek verricht naar de geluiduitstraling van de beoogde inrichting in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee wordt aangetoond dat de basisschool met kinderopvang vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar zijn. De volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit de berekeningsresultaten is gebleken dat de basisschool met kinderopvang niet zonder het treffen van maatregelen inpasbaar is op de beoogde locatie.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|32
Uit onderzoek is gebleken dat met toepassing van twee schermen aan de zuid- en oostzijde van de speelplaats kan worden voldaan aan stap 2 van de VNG-handreiking. Aandachtspunt hierbij is de aankleding van het scherm, hiermee dient overlast ten gevolge van balspel te worden voorkomen. Met toepassing van de schermen is de basisschool met kinderopvang vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar. Indien er installaties op het dak worden geplaatst dient rekening te worden gehouden met de geluidemissie richting de omliggende geluidgevoelige bestemming. Alternatief voor het geluidscherm aan de zuidzijde van het schoolplein is het toepassen van dove gevels ter plaatse van de nieuwe woningen. In deze situatie zijn enkel de schermen aan de oostzijde nodig om ter plaatse van de bestaande woningen te voldoen aan stap 2 van de VNG handreiking. In deze situatie wordt geadviseerd om gevelmaatregelen te treffen zodat het binnenniveau aan 35 dB(A) en het maximale geluidniveau binnen aan 55 dB(A) voldoet. Conclusie Mits de voorgestelde maatregelen worden getroffen, vormt het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.4
Bodemkwaliteit
Beleid Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een (bestemmings)wijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of een herinrichting mogelijk is, moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden verricht. Afhankelijk van de conclusie van dit verkennend bodemonderzoek vindt een aanvullend bodemonderzoek plaats. Verkennend bodemonderzoek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft Aeres Milieu in de zomer van 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (toegevoegd als bijlage). Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk bijmengingen (sporen tot zwakke bijmengingen) met kolengruis en/of baksteen waargenomen.
Deze bijmengingen worden niet gezien als zijnde verdacht voor asbest. Uit de analyseresultaten blijkt dat de geroerde bovengrond tot 0,75 m -mv plaatselijk matig verontreinigd is met PAK en licht verontreinigd met minerale olie of kwik. In de ondergrond zijn verder geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, kobalt en zink en matig verhoogd met nikkel.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|33
In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Aanvullend bodemonderzoek De resultaten van het bodemonderzoek geven voor wat betreft het matig verhoogde gehalte aan PAK in mengmonster MM3 aanleiding voor het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Doel van het aanvullend onderzoek is om vast te stellen waar de verontreiniging met PAK zich precies bevind. Dit aanvullende onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Het eerder aangetoonde matig verhoogde gehalte aan PAK in de bovengrond in grondmengmonster MM3 uit het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is bij de uitgevoerde grondboringen en individuele grondanalyses niet meer aangetoond. De aangetroffen bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Uit de indicatieve toetsing voor hergebruik blijkt dat de grond minimaal voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘wonen’. Bij toekomstige grondwerkzaamheden en eventuele afvoer/hergebruik elders dient rekening worden gehouden met de aangetroffen heterogene bodemkwaliteit.
Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) met de bodemvoorschriften bij milieubelastende activiteiten en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing. Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Cultuurhistorie
Beleid Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011, zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|34
Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|35
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart
Regio ‘De Kempen’ Op de CHW is af te lezen dat het plangebied ligt in de regio ‘De Kempen’. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten.
Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen; Het Groene Woud, Dommeldal, Oud zandlandschap bij Oerle-Knegsel, Oud zandlandschap Cartierheide, Oud zandlandschap bij Stiphout en de Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg; NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|36
3.
Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek, Kempenland, Keersop-Dommel, Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa en Helmondse Akkers.
Met het planvoornemen wordt het centrumgebied van Haghorst herontwikkeld, waarbij de bestaande voorzieningen worden gebundeld/geclusterd en woningbouw wordt toegevoegd aan het programma. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de dragende structuur in de regio. Hierdoor heeft het geen (negatieve) invloed op de genoemde samenhang. Historische geografie (lijn) - Redelijk hoog De Sint Josephstraat en Ontginningsweg zijn aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Om te zorgen dat er in de omgeving een eenheid blijft bestaan tussen de verschillende woningen en voorzieningen, zal bij de nieuwe bebouwing langs deze weg, stedenbouwkundig aansluiting worden gezocht bij de omliggende structuren. De cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze lijn zal hierdoor intact blijven. Indicatieve Archeologische waarden Het westelijke deel van het plangebied valt binnen het gebied aangewezen als ‘indicatieve archeologische waarden’. De gemeente Haghorst heeft een eigen archeologiebeleid waarbinnen de eventuele aanwezige archeologische waarden bescherm worden. De archeologische waarden binnen dit gebied zullen hierdoor intact blijven. Cultuurhistoriekaart Hilvarenbeek Op 26 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek besloten tot vaststelling van de ‘Cultuurhistoriekaart’.
Deze gemeentelijk grondgebied dekkende kaart, met bijbehorend rapport, bevat een inventarisatie van diverse ‘cultuurhistorische elementen’ binnen de gemeente, waaronder objecten, lijnen en structuren. Op 14 november 2013 is een aangepaste versie van deze ‘Cultuurhistoriekaart’ vastgesteld door de gemeenteraad. Besloten is dat de waarden van deze kaart door dienen te worden vertaald in de regels van álle gemeentelijke bestemmingsplannen. Hiertoe is in december 2021 het ‘Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek’ vastgesteld.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|37
Uitsnede cultuurhistoriekaart
Het plangebied is niet gelegen in een gebied met cultuurhistorische waarden. Wel zijn de nabijgelegen Sint Josephstraat en Ontginningsweg als Historische Geografie wegen – Weg voor 1840 aangewezen. Langs deze zijdes van het plangebied zal stedenbouwkundig aansluiting gezocht worden bij de omliggende structuur. Het voornemen is in lijn met het cultuurhistorische beleid van de gemeente Hilvarenbeek. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Externe veiligheid
Beleid Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|38
Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico.
Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten.
De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, zie onderstaande afbeelding.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|39
Uitsnede risicokaart (plangebied groen omcirkeld)
Inrichtingen Op een afstand van circa 1.850 meter van het plangebied ligt een risicovolle inrichting. Het betreft een bovengrondse propaantank (3 m3) met een veiligheidsafstand (op basis van het activiteitenbesluit) van 10 meter. Het plangebied ligt op voldoende afstand, waardoor de inrichting geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Transport over wegen Uit onderzoek uit 2018 in het kader van het 'project vervoer gevaarlijke stoffen' door de OMWB blijkt dat het initiatief binnen het invloedsgebied valt van de transportbewegingen met gevaarlijke stoffen die over de Sint Josephstraat te verwachten zijn. Tevens valt het plangebied binnen de toxische invloedsgebied van de Rijksweg A58. Hiervoor is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Hiertoe dient getoetst te worden aan artikel 7 en 9 van het Bevt. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: De bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute; en De zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. In het kader van het zogenaamde vooroverleg is het plan toegezonden aan de Veiligheidsregio.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|40
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Verder wordt aangesloten bij de standaard verantwoording en het standaard advies van de Veiligheidsregio, welke als bijlage 3 bij de toelichting is opgenomen. Transport over water Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen aanwezig die relevant zijn in het kader van externe veiligheid.
Transport over het spoor Uit de risicoatlas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving geen spoorwegen aanwezig zijn die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Transport per buisleiding In de nabijheid van het plangebied bevinden zich een tweetal buisleidingen. Op een afstand van circa 20 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich een transportleiding van defensie. Voor de leiding geldt een risicocontour (PR 10-6) van 0 meter. Het plangebied ligt echter wel binnen de 1% letaliteitszone van deze buisleiding. Binnen deze zone zijn kwetsbare objecten niet gewenst. De kwetsbare objecten (basisschool en kinderopvang) worden buiten de letaliteitszone van deze buisleiding en daarnaast zo ver mogelijk van de risicobron af gesitueerd; zo zuidelijk mogelijk. Daarnaast ligt ten oosten van het plangebied een transportleiding (K1-leiding) op circa 1.300 meter. Hiervoor geldt een risicocontour (PR 10-6) van 10 meter. Het plangebied ligt op voldoende afstand, waardoor deze buisleiding geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.7
Geluid
Beleid Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van deze bronnen.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|41
Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. In onderhavig bestemmingsplan is alleen wegverkeerslawaai relevant. Onderzoek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft K+ Adviesgroep in september 2023 een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai (toegevoegd als bijlage). Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Sint Josephstraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Wilhelminadijk, Witvenstraat, Pastoor Jilesenstraat, Emmastraat, Ontginningsweg en de Heibocht opgenomen in het akoestisch onderzoek. Gezoneerde wegen Het plangebied bevindt zich binnen de geluidzone van de Sint Josephstraat, waarvoor deels een maximum snelheid van 60 km/u geldt. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 44 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.
Niet gezoneerde wegen Een deel van de Sint Josephstraat is aangemerkt als niet gezoneerd, aangezien hier een maximum snelheidsregime geldt van 30 km/u. Bij dit wegdeel van de Sint Josephstraat (maximaal 53 dB, incl. aftrek artikel 110g) komt de geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde te liggen, maar wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Dit geldt tevens voor de Emmastraat (maximaal 55 dB, incl. aftrek artikel 110g). Omdat geen sprake is van gezoneerde wegen, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze wegen te worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Met betrekking tot de wegen Witvenstraat, Wilhelminadijk, Ontginningsweg, Heibocht en Pastoor Jilesenstraat wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Hierdoor kan gesteld worden dat er, gelet op de optredende gevelbelastingen afkomstig van deze wegen, sprake van een goed woonen leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Geur
Beleid In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|42
Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom
Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3 2,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3
Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Geurverordening De gemeente Hilvarenbeek heeft de op 22 september 2011 vastgestelde geurverordening op 17 december 2015 gewijzigd. De gemeente Hilvarenbeek heeft een geurverordening vastgesteld met geurnormen die afwijken van de landelijke normen. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied A ‘invloedsgebied woonkernen’, waar de geurbelasting maximaal 2,0 ouE/m³ mag bedragen Onderzoek De minimale afstand tussen een geurgevoelig object en omliggende agrarische bedrijven dient minimaal 100 meter te bedragen aangezien het plangebied grotendeels binnen de bebouwde kom ligt. De dichtstbij gelegen veehouderij (Moergestelseweg 3A) bevindt zich op voldoende afstand, namelijk op circa 190 meter. Op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur (juni 2023) Noord-Brabant’ is er in het plangebied sprake van een goed tot zeer goed leefklimaat. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|43
Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur (plangebied rood omcirkeld)
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Luchtkwaliteit
Beleid De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|44
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3
Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Atlas Leefomgeving is de concentratie NO2 in 2020 ter plaatse gelegen tussen de 10 en 11 μg/m3. De concentratie PM10 in 2020 is ter plaatse van het plangebied gelegen tussen de 15 en 16 μg/m3. De concentratie PM2,5 in 2020 is ter plaatse circa 9 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Luchtkwaliteit t.b.v. aantal verkeersbewegingen Het onderhavige planvoornemen betreft de herontwikkeling van het dorpshart van Haghorst. Al eerder is geconcludeerd dat het voornemen zorgt voor een toename van maximaal 531,5 mvt/etmaal. Met de NIBM-tool is de bijdrage van dit plan aan de luchtkwaliteit vastgesteld. In de NIBM-tool wordt uitgegaan van een worst-case scenario.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
559,6
Aandeel vrachtverkeer
5,0%
3
NO2 in μg/m
0,58
3
0,10
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m 3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie
1,2
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig De realisatie van de ontwikkeling Hart van Haghorst draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen betekend dat in principe geen nader onderzoek noodzakelijk is Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|45
5.10
Natuurwetgeving
Beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden.
In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|46
Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving (toegevoegd als bijlage) uitgevoerd. De exacte plannen voor deze locatie zijn nog niet bekend. Hoogstwaarschijnlijk worden de gebouwen gesloopt ofwel ingrijpend verbouwd. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor de quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden. Natura 2000 De plannen zullen naar verwachting geen direct effect op de natuurwaarden in Natura 2000gebieden hebben. Het is wel mogelijk dat de komst van de woningen zal leiden tot een (significante) toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Om hier een uitspraak over te kunnen doen is een stikstofberekening uitgevoerd voor het planvoornemen. Verderop in deze paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Natuurnetwerk Brabant (NNB) De sloop van de huidige bebouwing en de mogelijke bouw van de nieuwe bebouwing heeft waarschijnlijk geen negatief effect op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In het dak van de vrijstaande garage bij horeca ‘’Den Horst’’, en de daken van horeca ‘’Bij Verhoeven’’, het ontmoetingscentrum en de basisschool broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat deze gebouwen worden gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017a) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei. Indien blijkt dat er huismussennesten aanwezig zijn, dient een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Voor elk huismussennest dat verloren gaat, dienen minimaal twee alternatieve nestlocaties voor de huismus te worden gerealiseerd (BIJ12, 2017a). Dat kan door het plaatsen van nestkasten. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen.
Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn (minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden). Om vertraging te voorkomen is het daarom verstandig om 10 huismusnestkasten binnen 200 meter aan de noord- en/of oostzijde van te behouden gebouwen rondom de wijk op te hangen.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|47
Om schade aan jongen en eieren van de huismus te voorkomen, dienen de gebouwen met huismusnesten buiten de periode 1 maart - 1 oktober (en nadat er een ontheffing is verkregen) te worden gesloopt. Om permanente vervanging van huismusnesten te realiseren, is het aan te raden om in de nieuw te realiseren woningen integraal huismusnestkasten in te bouwen. Een alternatieve en betere manier is door vogelschroot aan te brengen onder de tweede rij dakpannen van beneden (dus één dakpan hoger dan normaal). Ter bescherming van de onderliggende dakisolatie kan hierop een plaat (zoals hardboard) worden geplaatst, waarop huismussen tevens grip hebben. Door delen van de vegetatie te verwijderen, verliest het plangebied tijdelijk een klein deel van het functioneel leefgebied van de huismus. Om er op de langere termijn voor te zorgen dat de foerageerhabitats van de huismus blijven bestaan, dient er bij de aanleg van nieuw groen zoveel mogelijk van inheemse besdragende struiken, bomen en ligusterhagen te worden uitgegaan. In overleg met een ter zake deskundige dient te worden bepaald op welke wijze dit kan worden gerealiseerd. Gierzwaluw: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de pannendaken van ‘’Bij Verhoeven’’ en het ontmoetingscentrum broeden mogelijk jaarlijks gierzwaluwen.
Omdat gierzwaluwnesten jaarrond beschermd zijn, dient hun voorkomen conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017b) nader te worden onderzocht. Hierbij wordt uitgegaan van 3 avondbezoeken in de periode 1 juni – 15 juli. Pas nadat het gierzwaluwonderzoek is afgerond, mag worden begonnen met de sloopwerkzaamheden. Indien blijkt dat er gierzwaluwnesten aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er buiten de broedtijd (15 april – 31 augustus) van de gierzwaluw wordt gesloopt (zodat er geen gierzwaluwen, hun eieren of jongen worden gedood) en dat er voor elk nest dat zijn functie niet meer kan vervullen, wordt gezorgd dat er in de eindsituatie meerdere nieuwe alternatieve nestlocaties aanwezig zijn. Vervangende nestlocaties moeten voor de eigenlijke werkzaamheden en voor terugkomst van de gierzwaluwen uit het zuiden al beschikbaar zijn. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al een 10-tal houtbetonnen gierzwaluwnestkasten nabij het plangebied op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige. Algemene vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied en op de vliering van het ontmoetingscentrum komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen.
Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de opgaande vegetatie en het ontmoetingscentrum buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen/slopen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf Alle gebouwen, behalve het elektriciteitsgebouwtje, bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|48
Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017c). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 12 vleermuiskasten op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017c), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen.
Indien blijkt dat er in de te slopen gebouwen vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Een goedkoper en beter alternatief bestaat uit het maken van een open stootvoeg van minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaatst waaraan de vleermuizen kunnen hangen. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Aanvullend onderzoek In 2022 heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. Hieruit bleek dat een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van huismussen- en gierzwaluwnesten, en vleermuisverblijven noodzakelijk was. Dit rapport geeft de resultaten van dit onderzoek weer (toegevoegd als bijlage). In het plangebied zijn 2 huismusnesten, 0 gierzwaluwnesten en 0 vleermuisverblijven gevonden. Werfroepen en paarterritoria van de gewone dwergvleermuis zijn waargenomen, maar paarverblijven zijn afwezig. De huismusnesten bevinden zich op Sint Josephstraat 1 (1 nest voorgevel linkerhoek) en Sint Josephstraat 3 (1 nest achterzijde) (zie onderstaande afbeelding). Nesten van de huismus zijn in de Provincie Noord-Brabant jaarrond beschermd. Voordat de betreffende panden mogen worden gesloopt/verbouwd, dient daarom een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|49
Huismusnesten (blauwe stippen) in het plangebied
Enkele rondes vloog er kort na/voor zonsondergang een klein aantal gewone dwergvleermuizen en laatvliegers rond het plangebied. Eenmaal werden de rosse vleermuis en watervleermuis waargenomen. Hieruit valt op te maken dat er in de directe omgeving rond het plangebied meerdere verblijven van genoemde vleermuissoorten aanwezig zijn. Overige vleermuissoorten werden niet waargenomen. Stikstof De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. De Wnb geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De gebieds-bescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000-gebieden Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000Instandhoudingsdoelstellingen. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Voor de realisatie van de herontwikkeling van het dorpshart is een berekening van de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase uitgevoerd (bijlage bij de toelichting).
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|50
Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn –gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Voor dit planvoornemen is zodoende geen vergunning Wet natuurbescherming (Wnb) nodig. Conclusie Het aspect natuurwetgeving geen belemmering voor het planvoornemen, mits een ontheffing op de Wet natuurbescherming wordt verleend en de gestelde mitigerende maatregelen in acht worden genomen. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming is noodzakelijk vanwege de aanwezig van een tweetal (jaarrond beschermde) nesten van huismussen. Ter waarborging hiervan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.
5.11
Water
Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen:
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|51
•
•
• • •
Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid.
Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap De Dommel Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangsprincipes ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Daarnaast wordt er in het Waterbeheersplan 2022-2027 ingespeeld op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Een goede regulatie van het beschikbare water is hierin belangrijk; • Schoon water: dit behelst het voorkomen dat relatief schoon regenwater vermengd raakt met “vies” water waardoor het onbruikbaar is voor hergebruik. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De Keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak.
Hieromtrent is bij de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid; 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) X gevoeligheidsfactor X 0,06 (in m²); 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|52
Gemeentelijk beleid Het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ behoorde als bijlage aan het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2017-2021 en is door vaststelling direct het beleid voor de twee zorgplichten van de gemeente Hilvarenbeek geworden. Het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ is geactualiseerd en behoort opnieuw als bijlage/beleid bij het nieuwe Riool- en Waterprogramma 2022-2026. In de geactualiseerde uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht legt de gemeente de keuzes vast ten aanzien van hemel- en grondwater. Het rapport beschrijft onder meer wat de gemeente redelijkerwijs van bewoners en ontwikkelende partijen verwacht en wat bewoners/ontwikkelaars redelijkerwijs van de gemeente mogen verwachten. Het rapport geeft een beeld van het wettelijke kader en het beleidskader en geeft een uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt te allen tijde het proces van de watertoets gevolgd. Ten aanzien van dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden de keurregels gevolgd met de gemeentelijke regels als aanvulling hierop. Watertoets De ´Watertoets´ is een instrument dat ervoor zorgt dat water genoeg aandacht krijgt in ruimtelijke plannen. Met dit instrument komt de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan in een vroegtijdig stadium in contact met Waterschap De Dommel.
De watertoets is verplicht voor nieuwe plannen in ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen, projectbesluiten en partiële herzieningen. Huidige situatie Oppervlaktewater Toetsing aan de Watertoets laat zien dat in het plangebied geen watergangen zijn gesitueerd. Wel ligt in de nabije omgeving (ten noorden) van het plangebied een A-watergang. Deze watergang ligt op een afstand van circa 15 meter van het plangebied. Zodoende zijn eventuele beleidsregels niet van toepassing op het planvoornemen.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|53
Aanwezige watergangen, plangebied rood omlijnd
Hemelwater Het plangebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit verharding. De afvoer van neerslag verloopt op traditionele wijze door lozing op het rioolstelsel. Afvalwater In de huidige situatie is het afvalwater aangesloten op de riolering. Toekomstige situatie Hemelwater Bij alle bouwplannen dient het scheiden van vuil water en (schoon) hemelwater het uitgangspunt te zijn. Afvoer van schoon hemelwater naar het gemengd rioolstelsel wordt in principe niet meer toegestaan. Hemelwater dient binnen het perceel te worden gebufferd of geïnfiltreerd. In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt, waarbij uit wordt gegaan van een volledige verharding. Bruto (verharde) oppervlakten Totaal oppervlakte plangebied Totaal verhard oppervlak Totaal onverhard oppervlak Afname verhard oppervlak
Huidige situatie (m²) Ca. 7.700 Ca. 6.700 Ca. 1.000
Toekomstige situatie (m²) Ca. 7.700 Ca. 5.900 Ca. 1.800 Ca. 800
Het totaal verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie naar verwachting af met circa 800 m2. Op basis van het beleid van het waterschap zijn compenserende maatregelen niet nodig bij een toename van minder dan 500 m2 van het verhard oppervlak.
NL.IMRO.0798.BPHartvanHaghorst-VG01
Bestemmingsplan Hart van Haghorst
|54
Het verhard oppervlak neemt af met circa 800 m2, een compenserende maatregel op basis van het beleid van het waterschap is daarmee niet noodzakelijk. De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Het plangebied valt volgens de themakaart keur binnen het vlak waar 1 geldt en dus 60 mm gecompenseerd dient te worden. Het plangebied heeft totale oppervlakte van 7.700 m2, waarbij naar verwachting circa 5.900 m2 aan verharding aanwezig is. Dit komt uit op een waterberging van (5.900 m2 * 60 mm =) 354 m3.
Op basis van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van het plangebied een minimale grondwaterstand is van 1,30 m-mv op een ondergrond bestaande uit een zandige eenheid. De exacte oppervlaktes aan verhardingen zijn nog onbekend. De exacte opgave wordt uiteindelijk berekend op basis van het concrete bouwplan. De opgave kan onder andere behaald worden door het toepassen van groene daken, een infiltratievoorziening en/of het aanleggen van een bovengrondse berging. In het uiterste geval dient een waterberging (met een diepte van 1,30 m-mv) gerealiseerd te worden met een oppervlakte van circa 272 m2. Het voorzien in voldoende watercompensatie wordt vastgelegd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Bij het indienen van de definitieve bouwplannen moet voldoende aangetoond worden op welke wijze het hemelwater wordt verwerkt. Afvalwater De toekomstige bebouwing zal eveneens aangesloten worden op het bestaande rioleringsstelsel. Wateradvies De uitwerking van voorliggend plan in deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan Waterschap De Dommel toegezonden. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.