16 bp Roodloop-Tilburgseweg (6 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van de beoogde bouwvlakken is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 25/64
Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 5 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeven slechts enkele ontsluitingswegen te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in paragraaf 3.2.4. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 5. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan kwaliteitsverbetering door een stedelijke invulling te geven aan ruigtepercelen en een weide. Tevens wordt binnen het plangebied voldoende groen en water gerealiseerd. Verdere verloedering van de verwilderde percelen wordt daarmee voorkomen en het gebied krijgt een nieuwe kwaliteitsimpuls. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit. 4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Structuurvisie Hilvarenbeek, 2010
Toetsingskader Op 25 februari 2010 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Structuurvisie Hilvarenbeek vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. Uiteraard wil de gemeente ontwikkelingen voorkomen die afbreuk doen aan de toekomst van de gemeente. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Bij sommige van deze ontwikkelingen zal de gemeente zelf als initiatiefnemer fungeren, bij andere ontwikkelingen is de gemeente afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen en burgers. In de structuurvisie wordt eerst voor de gehele gemeente een visie gegeven met betrekking tot het ruimtelijke karakter, wonen en de woonomgeving, welzijn en voorzieningen, economie en werken en mobiliteit en bereikbaarheid. In de uitvoeringsparagraaf van de structuurvisie zijn deze aspecten per kern beschreven. Het ruimtelijk karakter van de 6 dorpen en het buitengebied van de gemeente vormt een belangrijk onderdeel van een goede woon- en leefomgeving en daarmee van het woongenot in Hilvarenbeek. De gemeente streeft ernaar om het ruimtelijk karakter van de diverse dorpen en het buitengebied te behouden, maar ook daar waar mogelijk te versterken.
De gemeente heeft de wens om middels nieuwe woningbouwplannen in de kernrandzones het ruimtelijk karakter ter plaatse te versterken. Voor het beoordelen van initiatieven van derden zijn de beleidsuitgangspunten uitgewerkt in toetsingscriteria per kern.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 26/64
Beoordeling Onderhavig plangebied ligt op de structuurvisiekaart voor Hilvarenbeek in een gebied dat is aangeduid als ‘sportvelden. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen dient voldaan te worden aan het gestelde in de woonvisie in algemene zin. De nieuwbouw op voorliggende locatie ligt op bovenstaande zoneringskaart in de zone ‘Sportvelden’. Aan de noordzijde van Hilvarenbeek is het sportterrein "De Roodloop" gelegen. De gemeente voorziet geen toetsingscriteria voor dit gebied. Conclusie Voorliggend planvoornemen geeft invulling aan de visie en uitgangspunten die zijn opgesteld voor het plangebied, zoals neergeschreven in de Structuurvisie Hilvarenbeek.
Uitsnede van de zoneringskaart toetsingscriteria behorend bij de Structuurvisie van de gemeente Hilvarenbeek. Binnen de rode contour is het plangebied gesitueerd. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 27/64
4.4.2
Woonvisie 2020-2030, juli 2019
Toetsingskader Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente haar beleid op het brede vlak van ‘wonen’ opnieuw bepaald. De Woonvisie van 2009 wordt van de hand gewezen. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat voor alle inkomensgroepen voldoende mogelijkheden zijn om een passende woning te vinden. Voor mensen met een laag inkomen is het van belang dat er voldoende betaalbare woningen beschikbaar zijn in de gemeente. De praktijk van de laatste jaren is dat de gemeente Hilvarenbeek met een sterk vestigingsoverschot te maken heeft. Dit zorgt voor een toenemende druk op de woningmarkt. Het gaat daarbij vaak om kapitaalkrachtige gezinnen. Het gevolg is dat starters hierdoor het onderspit delven. Ze hebben vaak te weinig vermogen om te concurreren op de woningmarkt met doorstromers en gezinnen. Daarnaast constateert de gemeente dat steeds meer senioren overwegen om de komende periode te gaan verhuizen. Daarbij is het wel van belang dat er voldoende passend woningaanbod voor deze doelgroep voorhanden is. Veel ouderen zoeken een kleine, levensloopgeschikte woning. Het liefst een grondgebonden woning met een tuintje. Een groep die vaak tussen wal en schip in valt op zoek naar een betaalbare huurwoning, is de groep spoedzoekers zonder urgentieverklaring.
Dit zijn bijvoorbeeld mensen die in een scheiding liggen of jonge starters, die niet lang genoeg ingeschreven staan om voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen. Dit soort spoedzoekers krijgt vaak geen urgentieverklaring, omdat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie of acuut probleem. Ook voor deze doelgroep wil de gemeente voldoende geschikte woningen realiseren. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat er voor alle doelgroepen in de samenleving een plek is om te wonen in Hilvarenbeek. Jong, oud, rijk, arm, met of zonder beperkingen moet hier een woning naar zijn of haar wensen en mogelijkheden kunnen vinden. Dit houdt in dat de gemeente de komende jaren vooral woningen willen toevoegen in marktsegmenten die nu nog te beperkt aanwezig zijn. Daarbij gaat het om starterswoningen die structureel in het betaalbare segment blijven. De kwaliteit van de woningen zijn hierop aangepast. Het gaat dan om kleine woningen met één, hooguit twee slaapkamers, zodat een huishouden de woning ook weer gaat verlaten bij gezinsuitbreiding en de woning weer beschikbaar komt voor een starter.
De gemeente neemt onder andere de volgende maatregelen om bovenstaande te bewerkstellingen: • De bouw van 80 sociale huurwoningen de komende 5 jaren, zodat de gemeente in 2025 1.255 sociale huurwoningen telt; • Bij woningbouwprojecten met meer dan 20 woningen moet minimaal 15% in het sociale segment worden gebouwd. Het gaat om woningen met een huurprijs beneden de €720,- óf een koopprijs beneden de €200.000,-; • De gemeente onderzoekt de haalbaarheid van tijdelijke woningen voor starters en spoedzoekers die niet in aanmerking komen voor urgentie. De gemeente onderzoekt hierbij diverse financierings- en exploitatievormen. Het gaat om woonruimte die men voor een tijdelijke periode (2-3 jaar) kan huren. Bij dit proces worden Leystromen en diverse particuliere initiatiefnemers betrokken; • De gemeente gaat in gesprek met ontwikkelaars om het aanbod aan middeldure huurwoningen (€700,- en €900,-) te vergroten. Dit is een primaire taak voor particuliere investeerders. Als onderbouwing voor de woningbouwopgave in de woonvisie is in het voorjaar van 2019 een woningbehoefteonderzoek in de gemeente Hilvarenbeek uitgevoerd. De respons van de enquête in het dorp Hilvarenbeek was 20% onder de zelfstandige huishoudens en 10% onder de starters.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 28/64
Bewoners geven speerpunten aan voor het woonbeleid van de gemeente. Een daarvan is het gebrek aan goedkope koopwoningen. Dit leidt ertoe dat het voor mensen die uit de sociale huurwoning naar een koopwoning willen verhuizen lastig is om een woning te vinden. Dit belemmert de doorstroming. Een tweede speerpunt is de grootte van de woningen in de sociale huurvoorraad en in de koopvoorraad. De huurvoorraad bestaat momenteel uit voornamelijk eengezinswoningen. Dit past niet bij de doelgroep van de sociale huursector. Die doelgroep bestaat namelijk meer uit een- en tweepersoonshuishoudens. Er is zowel in de sociale huursector als in de koopsector behoefte aan meer kleine woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens.
Grafiek ‘Gewenste woning naar eigendom en prijsklasse (2019). Bron: Woonvisie gemeente Hilvarenbeek 2019.
Ten slotte zijn er veel ouderen die willen verhuizen naar een nieuwe nultredenwoning. In de huidige woning blijven wonen heeft vaak geen voorkeur, omdat men slecht te been raakt, omdat de woning te ruim is, of een te grote tuin heeft. Beoordeling Het initiatief sluit goed aan bij de woonwensen van de dorpsbewoners. In het noorden van het plangebied worden 20 appartementen gerealiseerd (waarvan 7 sociale koop en 13 middeldure koop). Dit worden kleine en middelgrote woningen, waarnaar onder de bewoners van Hilvarenbeek veel vraag naar is, zoals blijkt uit de woonvisie. Vooral het tekort aan een- en tweepersoonshuishoudens wordt hiermee ten delen opgelost. Ten westen van de nieuwe straat worden 32 appartementen gerealiseerd in twee bouwmassa’s. Binnen deze complexen wordt variatie aangebracht in de appartementen. Het worden hoofdzakelijk kleine en middelgrote appartementen. Op de bovenste verdiepingen komt ruimte voor enkele grotere appartementen. Ook voor deze appartementencomplexen geldt dat deze een oplossing bieden voor het tekort aan woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens, ouderen en starters. In het hele plangebied worden 19 grondgebonden woningen gerealiseerd, waarvan 3 vrijstaand, 2 twee-ondereen-kap, 8 rijwoningen met een smalle beukmaat en 6 rijwoningen met een bredere beukmaat. Voor de rijwoningen bestaat een aanhoudende vraag.
De voorkeur van starters gaat namelijk uit naar rijwoningen, zo blijkt uit het gemeentelijke woningbehoefteonderzoek (2019).
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 29/64
De vraag naar vrijstaande woningen en twee-onder-één-kap woningen is hoog in Hilvarenbeek, blijkt uit de tabel ‘Gewenste woning naar eigendom en woningtype’. De afgelopen jaren zijn er veel woningbouwinitiatieven bij de gemeente binnengekomen die in meer of mindere mate inspelen op deze woonwensen. Hierbij gaat het vaak om plannen voor inbreidingslocaties. Door deze plannen te ontwikkelen kan de gemeente een substantieel deel van de kwalitatieve woningvraag van woningen voorzien. Onderhavige planlocatie staat vermeldt in het ‘Concept-uitvoeringsprogramma Woningbouw 20202030’. Hieraan wordt navolgend getoetst. Conclusie Voorliggend planvoornemen is passend binnen de woonvisie van de gemeente Hilvarenbeek. 4.4.3
Concept-Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2030
Toetsingskader Bij de vaststelling van de ‘Woonvisie 2020-2030’ is ook een uitvoeringsprogramma opgesteld. Het Uitvoeringsprogramma legt de wijze uit waarop inbreidings-initiatieven worden beoordeeld. Het Uitvoeringsprogramma geeft nu nog een globaal beeld van het aantal en type woningen per kern. Wat vooral zichtbaar wordt zijn de kansrijke locaties per kern. Kansrijk in die zin dat de locatie geschikt wordt bevonden voor woningbouw en dat de invulling stedenbouwkundig inpasbaar is of inpasbaar kan worden gemaakt. Beoordeling Verhoudingsgewijs worden in Hilvarenbeek te weinig starterswoningen en doorstroomwoningen aangeboden in het goedkope segment € 200.000,- - 350.000,-. In Hilvarenbeek zijn circa 20 locaties als kansrijk bestempeld om deze woningen te realiseren. Deze locaties vertegenwoordigen circa 150 woningen. Naast veel kleinere locaties in en om het centrum, zijn er ook twee grotere locaties kansrijk beoordeeld. Naast de locatie van de Hispohal, waar de planvorming nog voor moet starten, is ook de locatie Tilburgseweg/Roodloop aangewezen als kansrijke locatie. Voor beide locaties kan hier gezien de omvang een gedifferentieerd woningbouwprogramma gerealiseerd worden, afgestemd op de meest actuele behoefte. De planlocatie is als locatie nr. 15, Tilburgseweg/Roodloop e.o., onderdeel van het Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2030.
De omvang van het aantal woningen op deze locatie is geraamd op in ieder geval meer dan 20 woningen. Conclusie De gemeente Hilvarenbeek heeft een afweging gemaakt van geschikte woningbouwlocaties in Hilvarenbeek. Het plangebied is gelegen op een kansrijke locatie voor woningbouw. Voorliggend planvoornemen is passend binnen het ‘Concept-Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2030’. 4.4.4
Nota ruimtelijke kwaliteit Hilvarenbeek (dorps bouwen)
Toetsingskader Dit bestemmingsplan regelt een bouwrecht voor de realisatie van 71 nieuwe woningen. Toekomstige bouwplannen zullen moeten voldoen aan de regels zoals gesteld in de Nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Hilvarenbeek. Deze nota geeft kaders mee voor de architectuur en de gewenste uitstraling van nieuwe bouwplannen. De nota werkt met drie niveaus van toetsing: kritisch, licht of geen toetsing. Het hele grondgebied van de gemeente is daarop ingedeeld.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 30/64
Verreweg het grootste deel van de gemeente waaronder ook het plangebied valt in de categorie lichte toetsing. De criteria die voor de locatie geldt zijn beschreven in de Nota ruimtelijke kwaliteit. Deze wordt gehanteerd bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning. De borging van deze beleidskaders is op die manier verzekerd. Beoordeling Hoewel de Nota ruimtelijke kwaliteit Hilvarenbeek als leidraad/toetsingskader voor de welstandscommissie bij een aanvraag omgevingsvergunning is opgesteld, is er bestuurlijk draagvlak voor om gedurende dit bestemmingsplantraject al rekening mee te houden met de Nota ruimtelijke kwaliteit. Er zijn 10 algemene criteria over dorps bouwen, waaraan het plan dient te voldoen (pagina 20, Nota ruimtelijke kwaliteit). Hierna worden deze benoemd en getoetst aan het voorliggende plan. 1. Er moet rekening gehouden worden met de ontstaanswijze. Voor historisch dorpsgebied en historisch dorps bebouwingslint gelden aanvullende welstandseisen. Het plangebied is niet gelegen aan een van deze linten in Hilvarenbeek (Gelderstraat, Diessenseweg, paardenstraat en Doelenstraat). Vandaar dat hier geen rekening mee hoeft te worden gehouden bij de verdere uitwerking van het plan. 2. Bij plannen moet de eigenheid van het gebied in beeld gebracht worden en het plan moet een positieve bijdrage leveren aan deze karakteristiek.
De ligging tussen het sportcomplex en de Tilburgseweg kenmerkt dit gebied. Het plan levert een bijdrage aan de diversiteit van woningbouw die bovendien passend is in de omgeving. Er wordt aangesloten bij de bestaande kavelstructuur aan de Tilburgseweg. De appartementen in het middengebied liggen omsloten door openbaar gebied en krijgen daarom een alzijdige uitstraling. 3. Bij bouwplannen is de maat en schaal van belang. Het bestemmingsplan heeft aandacht voor een menselijke maat en schaal. Enerzijds doordat met de bouwregels maximaal twee lagen met kap worden mogelijk gemaakt. Anderzijds doordat woningen op gepaste afstand van elkaar en de openbare ruimte worden georiënteerd. 4. In dorpen vindt weinig herhaling plaats. Het ontwerp zorgt voor een goede afwisseling in het straatbeeld, zowel qua typologieën, positionering en massa. 5. Een bouwplan moet rekening houden met groen. Voor de gemeente Hilvarenbeek betekent dit dat privégroen aanwezig moet zijn bij woningen, dat belangrijke straten moeten worden begeleid met bomen en dat buiten de centra groenstroken en wijkgroen (groter dan een groenstrook evt. met bankje, speelvoorzieningen etc.) gewenst zijn. Het plan biedt in de openbare ruimte voldoende mogelijkheden voor de realisatie van groenvoorzieningen. Er is voldoende privé groen aanwezig bij de grondgebonden woningen.
Voor de appartementen is er voldoende openbaar groen aanwezig. 6. De woningen zijn in beginsel grondgebonden of hebben die uitstraling. De appartementen in het plangebied hebben niet de uitstraling van een appartementencomplex/galerijflat. Doordat wordt gekozen voor twee bouwlagen met kap, zien deze er uit gelijk grondgebonden woningen. 7. In het dorp vindt functiemenging plaats. Dit is niet specifiek een doel van welstand maar van een ruimtelijke ordening. De woningen worden op gepaste afstand gerealiseerd ten opzichte van bestaande horeca, bedrijven en sportaccommodaties. Dit is onder andere akoestisch beschouwd en er is geconcludeerd dat kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. 8. Er is een sterke relatie met het landschap. De nieuwe erftoegangsweg takt aan op de Biedonk. Deze straat vormt de noordelijke entree van het dorp. Vanaf de nieuwe weg is er een duidelijke zichtlijn op het platteland ten noorden van Hilvarenbeek. 9. Er moeten voldoende parkeervoorzieningen zijn. Het initiatief voldoet aan de gemeentelijke parkeernota. 10. Materiaalgebruik. Daar zijn geen aanvullende richtlijnen voor vanuit dorps bouwen. Het initiatief kan bij de aanvraag omgevingsvergunning voldoen aan dit onderdeel. Conclusie Het plan voldoet aan de algemene criteria van het beleid voor dorps bouwen.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 31/64
4.4.5
Stedenbouwkundige visie Hilvarenbeek Noord, 20 december 2012
Toetsingskader Ten behoeve van de ontwikkeling van Hilvarenbeek Noord als entree van de kern Hilvarenbeek heeft de gemeente eind 2012 de stedenbouwkundige visie “Hilvarenbeek Noord” vastgesteld. De entree van Hilvarenbeek is aan de noordzijde ruimtelijke gezien niet optimaal. De beleving en het zicht zijn rommelig te noemen. De Roodloop is nauwelijks zichtbaar in het landschap. Ruimtelijk gezien kunnen kwaliteiten worden geboden, waardoor de entree van de kern aantrekkelijker wordt. De gemeente heeft de wens om aan de noordzijde van de kern Hilvarenbeek het ruimtelijk karakter en de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Een eventuele toekomstige ontwikkeling kan gezien worden als een kans om het ruimtelijk karakter op deze plek te verbeteren. Voor zowel woningbouw als bedrijventerrein geldt dat er nog uitbreidingsmogelijkheden zijn.
Stedenbouwkundige visie Hilvarenbeek Noord. Bron: Compositie 5 stedenbouw bv, 2012.
Aansluitend bij de bestaande woningen aan de Tilburgseweg dient volgens de stedenbouwkundige visie voorzien te worden in woningbouw. Door de ontwikkeling van woningen en de ecologische hoofdstructuur bij de Roodloop, worden de aanwezige landschappelijke kenmerken versterkt en benadrukt. De bebouwde kom wordt door de ontwikkelingen scherper begrensd, en in samenhang met de inrichting van de ecologische verbindingszone wordt gezorgd voor een verbetering van de entree van de kern van Hilvarenbeek. Beoordeling Voorliggend plangebied is gelegen binnen het gebied dat onderdeel uitmaakt van de stedenbouwkundige visie voor Hilvarenbeek Noord. Op het plangebied is een woningbouwlocatie voorzien. Voorliggend verkavelingsplan draagt bij aan het opknappen van de noordelijke entree, door een duidelijke afscheiding te creëren tussen
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 32/64
stedelijk- en landelijk gebied door het bebouwen van een agrarische locatie tussen de percelen aan de achterzijde van de Tilburgseweg en het sportcomplex aan de Roodloop. Conclusie Voorliggend planvoornemen is passend binnen de stedenbouwkundige visie voor Hilvarenbeek Noord.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 33/64
5
Planologisch relevante (milieu)aspecten
5.1
Inleiding
Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • natuur: • flora en fauna; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • geurhinder en veehouderij; • externe veiligheid; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • lichthinder; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 5.2
Bodem
Toetsingskader Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 34/64
Beoordeling Bodemonderzoek grootste deel plangebied Door Milon is in december 2019 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd met als doel inzicht te verkrijgen in de algehele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het rapport behorend bij dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 van deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt er op de onderzoekslocatie geen noemenswaardige bodemverontreiniging verwacht, waardoor uitgegaan kan worden van een grootschalige onverdachte locatie. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond zintuiglijk bijmengingen waargenomen met bakstenen. Asbestverdacht materiaal is zintuiglijk niet aangetroffen. Analytisch zijn in de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten aangetoond. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. Analytisch is in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties aangetoond. Bij vele bodemonderzoeken op onverdachte locaties zijn (regionaal) eveneens van nature verhoogde zware metalen concentraties aangetoond. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.
Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde concentraties in het grondwater aangetoond. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Bodemonderzoek Tilburgseweg 17a Door Lankelma is in januari 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de gronden, nu in gebruik als tuin bij Tilburgseweg 17a. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 4 van de toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten besproken. De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 2,0 m-mv overwegend uit matig fijn siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. In een grondmengmonster van de bovengrond is analytisch een licht verhoogd gehalte met lood aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde, doch overschrijdt de interventiewaarde niet. In het grondmengmonster van de ondergrond zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. In het grondwater uit één peilbuis is analytisch een licht verhoogde concentratie aan zink aangetoond. Deze concentratie overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde.
Er zijn geen verhoogde gehalten asbest aangetoond. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. Bodemonderzoek gronden gemeente zuidzijde plangebied Door Lankelma is in januari 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de gemeentegronden aan de zuidzijde van het plangebied, nu in gebruik als groen. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 5 van de toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten besproken.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 35/64
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 2,5 m-mv overwegend uit matig fijn siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. In de grondmengmonsters zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. In het grondwater uit één peilbuis is analytisch een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Deze overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde. Er zijn geen verhoogde asbestgehalten in de bodem aangetroffen. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande ontwikkeling op deze locatie. Conclusie Het aspect bodem is geen belemmering voor het planvoornemen. 5.3
Waterhuishouding
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Regionaal Water en Bodem Programma Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027 (RWP) is de strategische basis voor het Brabantse wateren bodembeleid en -beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027 integreert de milieu- en de wateropgave.
Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De ambitie van het RWP luidt: ‘Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen’. Om deze ambitie te bereiken werkt het RWP 5 beleidsopgaven uit: 1. Voldoende water (o.a. Europese KRW-doelen); 2. Schoon water (o.a. Europese KRW-doelen); 3. Waterveiligheid; 4. Vitale bodem; 5. Klimaatadaptatie Interim Omgevingsverordening De Interim Omgevingsverordening vervangt onder meer de Verordening ruimte, Verordening water en Provinciale milieuverordening. In de Interim Omgevingsverordening staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Zo zijn er de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden in opgenomen en worden gebieden aangewezen als reserveringsgebied voor waterberging. Deze gebieden worden ingezet om wateroverlast uit regionale watersystemen (beken, waterlopen)
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 36/64
tegen te gaan. Voorts zijn normen opgenomen voor regionale waterkeringen, wateroverlast, de beoordeling van de waterveiligheid, afspraken over het beheer van wateren, waterwegen en waterkeringen, peilbesluiten en planvorming. Ook zijn milieuregels opgenomen die het drinkwater moeten beschermen. Het grondwater rond de Brabantse drinkwaterwinningen worden beschermd met speciale zones, waarbinnen bepaalde activiteiten beperkt of niet zijn toegestaan zonder vergunning. Verordening water Noord-Brabant In de Provinciale verordening water Noord-Brabant heeft de provincie normen opgenomen voor regionale waterkeringen, wateroverlast, de beoordeling van de waterveiligheid, afspraken over het beheer van wateren, waterwegen en waterkeringen, peilbesluiten en planvorming. Provinciale milieuverordening Noord-Brabant (PMV) In de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010 (PMV) zijn milieuregels opgenomen die het drinkwater moeten beschermen. Het grondwater rond de Brabantse drinkwaterwinningen wordt beschermd met speciale zones, waarbinnen bepaalde activiteiten beperkt of niet zijn toegestaan zonder vergunning. Waterschap de Dommel Waterbeheerprogramma: Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving (2022-2027) Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding.
Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven Keur De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.
In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 37/64
Beleid gemeente Hilvarenbeek Voor het water heeft de gemeente binnen de bebouwde omgeving de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater. Daarnaast is zij verantwoordelijk voor het beheer van de overige, niet-primaire watergangen welke tot haar eigendom behoren. De gemeente Hilvarenbeek heeft het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRp) opgesteld waarin o.a. wordt beschreven hoe de gemeente invulling wil geven aan de zorgplicht en naar welke toekomstige situatie het streeft met betrekking tot de waterhuishouding. Deze situatie heeft de gemeente Hilvarenbeek uitgewerkt in 8 streefbeelden die hieronder worden benoemd. • oppervlaktewater en grondwater beheren van voldoende goede fysisch/chemische, ecologische en fysieke kwaliteit; • water in een optimale kwantiteit, niet te veel en niet te weinig; • veilig water voor de volksgezondheid; • water dat bijdraagt aan een positieve beleving van de leefomgeving; • een doelmatig en duurzaam beheer van de afvalwaterketen; • inzameling en transport van afvalwater en hemelwater (riolering); • een beïnvloeding van riool en oppervlaktewater (interactie), die niet leidt tot wateroverlast; • de zuivering van het afvalwater inclusief slibverwerking. De gemeente schrijft voor dat voor alle ruimtelijke plannen een watertoets uitgevoerd moet worden.
Voor het verwerken van hemelwater is de voorkeurvolgorde van toepassing; infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in bestaand watersysteem. Bij uitbreidingen van het woongebied binnen de bebouwde kom eist de gemeente een compensatieberging van minimaal 30 mm bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 250 m2. Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 250 m2 stelt de gemeente geen compensatieverplichting. Beoordeling Door Milon is een waterparagraaf opgesteld om de gevolgen van de ontwikkeling op de waterhuishouding in beeld te brengen. Het rapport is opgenomen als bijlage 4 van deze toelichting. In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg onverhard. De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft tot gevolg dat het verhard oppervlak zal toenemen met circa 8.682 m2. De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van circa 14,8 m+NAP. Het grootste gedeelte van de onderzoekslocatie bevindt zich in grondwatertrap VI, dat wil zeggen dat het grondwater zich bevindt tussen de 0,4 – 0,8, tot dieper dan 1,2 m-mv. Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3).
De benodigde compensatie bedraagt 521 m3. Tevens is met de gemeente afgesproken dat er nog 226 m3 extra geborgen dient te worden vanuit het nabijgelegen ruimtelijk plan Biedonk (Hilvarenbeek Noord-Westzijde). In overleg met het waterschap is besproken dat de te dempen greppels, die aantakken op de zaksloot ten westen van de parkeerplaats van het sportpark, eveneens dienen te worden gecompenseerd. Er worden twee greppels gedempt – één wordt over 100 meter lang gedempt met een breedte van 1,5 meter. Een tweede greppel die wordt gedempt is ongeveer 60 meter lang en 3 meter breed. Het bergend vermogen van de lange, meest noordelijk gelegen, greppel wordt geschat op 20 m3. Het bergend vermogen van de zuidelijke greppel bedraagt naar schatting 48 m3. Het bergend vermogen van beide greppels samen bedraagt 68 m 3. De totale bergingseis komt dus uit op (521 + 226 + 68) 815 m3. Deze minimale bergingseis wordt opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 38/64
Figuur te dempen greppels – tussen de twee zwarte markeringen in wordt de greppel gedempt. Bron: legger waterschap de Dommel, bewerking Aveco de Bondt, 2022.
Op de verkavelingsschets (zie bijlage 1 van de toelichting) is voldoende ruimte gecreëerd voor de aanleg van wadi’s. Alle 4 wadi’s dienen als bergingsvoorziening voor dit plan én het plan “Hilvarenbeek Noord-Westzijde” samen. Het hemelwater kan in de toekomstige situatie in deze bergingsvoorzieningen geborgen worden en infiltreren in de bodem. Om wateroverlast te voorkomen wordt een ontwatering gehanteerd van 70 cm boven de GHG. De wadi’s hebben samen een capaciteit van 755 m3: • wadi nr. 1: 144 m3; • wadi nr. 2: 130 m3; • wadi nr. 3: 400 m3; • wadi nr. 4: 81 m3; Het bergend vermogen van de te dempen greppels wordt gecompenseerd met het verbreden van de zaksloot ten oosten van het parkeerterrein van het sportcomplex. Deze sloot heeft momenteel een breedte van ongeveer 2m20 over een lengte van 130 meter. In overleg met het waterschap de Dommel is besloten dat de zaksloot kan worden geïntegreerd met wadi nr. 3 tot één ontwerp. Daarbij wordt de zaksloot met 1m50 verbreed tot 3m70 over een lengte van 90 meter. Het waterbergend vermogen van de sloot neemt daarmee toe: • verbreden zaksloot: 68 m3; Om waterafvoer van oostelijker gelegen gronden naar de zaksloot te realiseren kunnen drainagebuizen als transportroute worden aangelegd.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 39/64
De totale waterberging bedraagt in totaal 823 m3 met realisatie van de wadi’s en verbreden van de bestaande zaksloot. Daarmee is de inpasbaarheid van de wateropgave binnen het plangebied aangetoond. De wadi’s worden met een flauw talud aangelegd vanaf het maaiveld. De diepte bedraagt 0,7m (waarvan 0,1m waking). Voor de berekening van het aantal kuubs per wadi is dus uitgegaan van een maximale diepte van 0,6m. Er wordt een verbinding gemaakt tussen de wadi’s, zodat bij hevige regenbuien het hemelwater zich kan verdelen over de wadi’s en gelijkmatig binnen het plangebied infiltreert. De meest noordelijke wadi krijgt een afwijkende diepte van 40cm (waarvan 10cm waking), omdat uit hoogteliggingskaarten blijkt dat dit deel 30cm lager is gelegen dan de rest van het plangebied, verklaarbaar door de ligging nabij de beek de Roodloop.
Impressie dimensionering wadi’s 1 t/m 3 (boven) en wadi 4 (midden) en de verbreedde zaksloot (onder). Bron: Aveco de Bondt bv, 2022.
Er wordt vanuit de wadi een overstortvoorziening aangelegd naar de a-watergang Roodloop. Gezien de toename van het verhard oppervlak (minder dan 10.000 m2) is hiervoor geen watervergunning benodigd en is met zekerheid gewaarborgd dat het water het gebied kan verlaten bij hevige regenval. Conclusie Met realisatie van 823 m3 aan waterberging is het planvoornemen passend binnen de gestelde voorwaarde van minimaal 815 m3 met betrekking tot het aspect water. De realisatie van de minimaal benodigde waterberging wordt door middel van een regel geborgd in het bestemmingsplan.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 40/64
5.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro gewijzigd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Beleid gemeente Het gebouwd en landschappelijk erfgoed is een belangrijk onderdeel van de identiteit van de gemeente Hilvarenbeek. Het beleid van de gemeente Hilvarenbeek ten aanzien van het aspect cultuurhistorie is weergeven op de gemeentelijke Cultuurhistoriekaart. De cultuurhistoriekaart geeft de aanwezige cultuurhistorische waarden weer voor de gemeente. Beoordeling Op het plangebied zijn geen nadere aanduidingen gelegen die van invloed kunnen zijn op het planvoornemen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Binnen de rode contour is het plangebied gelegen. Bron: brabant.nl, 2020.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 41/64
Uitsnede van de Cultuurhistoriekaart van de gemeente Hilvarenbeek. De oranje cirkel geeft de ligging van het plangebied weer.
5.5
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven. Beleid gemeente De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 de gemeentelijke archeologische beleidskaart met bijbehorende beleidsuitgangspunten vastgesteld.
Voor de bescherming van de archeologische waarden kent de gemeente diverse dubbelbestemmingen toe. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 42/64
voorliggend plangebied zowel een hoge als een middelhoge archeologische verwachting. Als ondergrens wordt voor deze categorieën een oppervlakte aangehouden van 500 m2 en een diepte van 50 centimeter. Aangezien voorliggende ontwikkeling voorziet in de planologische toevoeging van 71 woningen die in totaal een grotere oppervlakte zullen gaan beslaan dan 500 m 2 dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden om de daadwerkelijke archeologische waarde van het plangebied vast te kunnen stellen.
Uitsnede van de archeologische beleidskaart met het plangebied globaal in rood aangeduid. Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor uitsluitend vindplaatsen van jager-verzamelaars
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 43/64
Beoordeling Door ADC ArcheoProjecten is in februari 2020 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Het plangebied is gelegen aan de rand van een dalvormige laagte in het dekzandlandschap. De natuurlijke ondergrond wordt gevormd door matig siltig zeer fijn zand met enkele leemlagen. De afzettingen worden geïnterpreteerd als verspoeld dekzand (Formatie van Boxtel). Bodemkundig gezien is er sprake van lage enkeerdgronden. Uit de aanwezigheid van een menglaag (A-/C-horizont) blijkt het plaggendek is omgewerkt waarbij plaatselijk het onderliggende dekzand is aangesneden. De top van het dekzand wordt in beginsel beschouwd als een potentieel archeologisch niveau voor de periode Laat-Paleolithicum – Middeleeuwen. Op grond van de bodemopbouw blijkt echter dat het gebied in het verleden relatief nat was en daarmee weinig aantrekkelijk voor menselijke activiteiten. Bovendien moet worden aangenomen dat de oorspronkelijke top van het dekzand is opgenomen in het bovenliggende plaggendek. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op grond van de resultaten wordt geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.
Monumentenhuis Brabant stemt in met het door het onderzoeksbureau gegeven selectieadvies. Zij adviseert het omschreven plangebied vrij te geven voor de voorziene ontwikkeling. Een bouwvergunning kan worden verleend door de Gemeente Hilvarenbeek onder voorwaarde, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Het plangebied kan worden vrijgegeven. Derhalve is de archeologische dubbelbestemming van de verbeelding verwijderd. 5.6
Natuurgebieden
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Kempenland – West’, welke is gelegen op een afstand van circa 2,5 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van de ontwikkeling van 71 woningen aan de rand van de kern van Hilvarenbeek. Uit de
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 44/64
AERIUS-berekening (zie bijlage 8) blijkt dat de depositie op Kempenland West niet hoger is dan 0,00 mol. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 5.7
Flora en fauna
Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Quickscan grootste deel plangebied Florauna Natuuradvies heeft in december januari 2020 een quickscan flora en fauna uitgevoerd met als doel inzichtelijk te maken welke wettelijk beschermde natuurwaarden aanwezig zijn en de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling. Het onderzoek is opgenomen bij deze toelichting als bijlage 9.
Momenteel bestaat het plangebied uit onbebouwde grond met daarop ruigtepercelen, percelen die als landbouwgrond in gebruik zijn en een paardenweide. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten gevonden. Er zijn enkel algemene tot zeer algemene soorten aangetroffen die kenmerkend zijn voor een niet gemaaid grasland. Er zijn geen negatieve effecten van de voorgenomen plannen te verwachten op beschermde flora. Vanwege het plan zijn geen negatieve effecten op beschermde vleermuissoorten te verwachten. Een ontheffing in het kader van de Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vogelsoorten uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk voor jaarrond beschermde nesten. Voor beschermde nesten van vogels kan aangenomen worden dat hier geen negatief effect optreed. Onder de Soortenbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar. Het is daarom aan te raden om te werken buiten het broedseizoen van de meeste algemene vogels (grofweg 15 maart -15 juli) of op een manier waarbij vogels in de directe nabijheid niet aan broeden beginnen.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 45/64
In de nabijheid van het plangebied zijn de bunzing, steenmarter en de wezel waargenomen. Nader onderzoek is noodzakelijk voor de marterachtigen, namelijk de bunzing, steenmarter en de wezel. Tevens wordt gekeken naar de eventuele aanwezigheid van de Eekhoorn. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. In de nabijheid van het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdieren aangetroffen of te verwachten. Quickscan Tilburgseweg 17b Veldbiologische werken heeft in januari 2022 een een quickscan flora en fauna uitgevoerd met als doel inzichtelijk te maken welke wettelijk beschermde natuurwaarden aanwezig zijn en de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling. Het onderzoek is opgenomen bij deze toelichting als bijlage 10. Het tuinhuis/vakantiehuisje en schuur zijn tijdens het veldonderzoek voor deze quickscan grondig onderzocht op mogelijke verblijfsplaatsen en/of sporen van vleermuizen. Het tuinhuis/vakantiehuisje heeft een dusdanig open dakbedekking dat verblijfsplaatsen voor vleermuizen aldaar kunnen worden uitgesloten door ontbreken van onvoldoende beschutting. Het schuurtje bestaat voornamelijk uit stalen golfplaten waar geen verblijfsmogelijkheden zijn aangetroffen. Inpandig biedt het tuinhuis/vakantiehuisje geen mogelijkheden voor verblijfsplaats voor vleermuizen. Ruimtes om weg te kruipen (achter wanden) ontbreken.
Het is op basis van het veldbezoek uit te sluiten dat de geplande ingrepen negatieve gevolgen heeft voor jaarrond beschermde gebouwgebonden nestplaatsen van mussen (Huismus/Ringmus) en Gierzwaluwen. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk om hier uitsluitsel over te geven. Aanwezigheid van roofvogels en uilen zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Ook deze quickscan concludeert dat aanvullend onderzoek naar marterachtigen nodig is. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op vaatplanten, reptielen, vissen, amfibieën, libellen en dagvlinders en overige ongewervelden. Marteronderzoek en eekhoornonderzoek Veldbiologische werken heeft een onderzoek naar (kleine) Marterachtigen en Rode eekhoorn uitgevoerd in het voorjaar van 2022. De rapportage daarvan is opgenomen als bijlage 11. De belangrijkste bevindingen hieruit worden onderstaand behandeld. Onderzoek binnen het plangebied heeft plaatsgevonden binnen de meest optimale onderzoeksperiode voor (kleine) Marterachtigen, namelijk van 10 maart t/m 25 april 2022. Daarbij is het plangebied wekelijks bezocht om de wildcamera’s te controleren en bait te verversen. Tijdens deze onderzoeken is het plangebied secuur nagelopen op sporen van (kleine) Marterachtigen. Er zijn geen marterachtigen aangetroffen op de wildcamera’s.
In de periode van 10 maart t/m 25 april 2022 is het plangebied en de directe omgeving wekelijks stelselmatig onderzocht op aanwezigheid van Rode eekhoorn. Er werden geen Rode eekhoorns waargenomen binnen het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Nesten en knaagsporen van Rode eekhoorn werden evenmin aangetroffen. De afwezigheid van Rode eekhoorn is zeer waarschijnlijk te verklaren door de geringe aanwezigheid van corridors (aansluitende bomenrijen, bosstroken of ander opgaand groen) tussen in de omgeving aanwezige bosopstanden en het plangebied. Conclusie Er geen belemmeringen in het kader van de Wet natuurbescherming. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is het plan uitvoerbaar.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 46/64
5.8
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van de Tilburgseweg, waar een snelheid geldt van 50 km/u. Om de geluidbelasting van het wegverkeer op de te realiseren woningen in beeld te brengen is door De Roever Omgevingsadvies in januari 2022 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 12 van deze toelichting.
De geluidbelasting op de gevels van de gewenste woningen/appartementen vanwege de Tilburgseweg bedraagt maximaal 48 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Een hogere waarde procedure is niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan gesteld worden dat sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat bij een geluidsbelasting van 48 dB op de buitengevels.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 47/64
Conclusie Met de realisatie van de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48dB, die de Wet geluidhinder voorschrijft op de buitengevel van gevoelige objecten, niet overschreden. Ter plaatse is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het woningbouwplan. 5.9
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGhandreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Voor onderhavige locatie is enerzijds geïnventariseerd welke bedrijven of inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied voor overlast kunnen zorgen op het planvoornemen en anderzijds of onderhavige ontwikkeling kan leiden tot het beperken van deze bedrijven of inrichtingen in hun bedrijfsvoering. De VNG-handreiking omschrijft twee omgevingstypen; het omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied én het omgevingstype gemengd gebied. In lijn met de jurisprudentie kan onderhavig plangebied worden beoordeeld als een gemengd gebied vanwege de verschillende functies in de omgeving.
Beschouwd is welke milieuhinderlijke activiteiten, zoals genoemd in de VNG-handreiking, in de omgeving van het plangebied zijn gelegen. Navolgende tabel geeft deze milieuhinderlijke activiteiten weer. Bedrijf – Instelling (benaming cf. VNG-handreiking)
Categorie
Werkelijke afstand
2
Richtafstand VNG-handreiking gemengd gebied 10 meter
‘De Toekomst’, Tilburgseweg 25 SBI-code 9004, 561 Binnenspeeltuin (evenementenhal), cafetaria Inrichting opslag Tilburgseweg 21a
2
10 meter
0 meter
‘Sportaccommodatie De Roodloop’, Uranusstraat 1, SBI-code 931 Sporthal ‘Hockeyclub Hilvarenbeek’, Roodloop 1, SBIcode 931 Veldsportcomplex
3.1
30 meter
0 meter
3.1
30 meter
0 meter
7 meter
Op basis van stap 1 van de VNG-handreiking dient nader onderzoek plaats te vinden. Om de ontwikkeling van woningbouw ter plaatse mogelijk te maken dient beoordeeld te worden of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast dient bepaald te worden of omliggende inrichtingen geschaad kunnen worden in de bedrijfsvoering. Door De Roever Omgevingsadvies is in januari 2022 een onderzoek industrielawaai uitgevoerd voor deze beoordeling. Geluid is namelijk voor alle richtingen de belemmerende factor. Voor wat betreft geur, gevaar en fijn stof zijn er geen belemmeringen te
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 48/64
verwachten. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 13 van deze toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies uit het rapport behandeld. In het onderzoek zijn de geluidniveaus door de inrichting aan de Tilburgseweg 21A, Tilburgseweg 25, hockeyclub Hilvarenbeek en sportaccommodatie De Roodloop berekend. Getoetst is of de gewenste woningen/appartementen geen belemmering vormen voor de bedrijven in de omgeving én of ter plaatse van de gewenste woningen/appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Berekend is dat qua langtijd gemiddelden ter plaatse van de gewenste woningen/appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat en dat de inrichtingen in de omgeving niet in de bedrijfsvoering worden geschaad. Voor wat betreft piekniveaus blijkt dat ter plaatse van een aantal woningen/appartementen niet per definitie sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat. Daarom zijn maatregelen nodig om ter plaatse van de woningen/appartementen met een overschrijding alsnog een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat te garanderen. Doorgaans zijn best beschikbare technieken zodanig ontwikkeld, dat de gewenste geluidsreductie voor een goed binnenniveau kan worden bereikt. Industrielawaai vormt hiermee geen belemmering voor het gewenste plan.