CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

16 bp Roodloop-Tilburgseweg (6 bijlage Toelichting)

Gemeenteraad 13 juli 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Hilvarenbeek Noord, Tilburgseweg-Roodloop".23.791 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.10 Geurhinder en veehouderijen Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De normen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaard geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij zijn in navolgende tabel opgenomen. Ligging geurgevoelig object

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

3 ouE/m3

14 ouE/m3

Geen concentratiegebied

2 ouE/m3

8 ouE/m3

Tabel: standaard geurnormen in concentratiegebieden en buiten concentratiegebieden De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 49/64

De ligging van het plangebied ten opzichte van veehouderijen in de omgeving en voorgrondbelasting. Bron: Onderzoek Geur Veehouderijen, De Roever Omgevingsadvies, 2018.

Beoordeling Voorgrondbelasting Het grondgebied van de gemeente Hilvarenbeek is gelegen in een door het Rijk aangewezen concentratiegebied, waardoor voor het plangebied, gelegen binnen de bebouwde kom, voor een geurgevoelig object conform de Wet geurhinder en veehouderij voor de voorgrondbelasting een standaardnorm van 3 ou E/m3 geldt. Artikel 6 van de Wgv stelt dat bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde. Het plangebied ligt in een gebied waarvoor de gemeente Hilvarenbeek in haar geurverordening een aangepaste geurnorm heeft vastgesteld, namelijk 2 ouE/m3. Op basis van de kaart ‘Veehouderijbedrijf’ uit de Kaartbank van de Provincie Noord-Brabant zijn binnen een straal van 500 meter afstand van het plangebied meerdere veehouderijen gelegen. De Roever Omgevingsadvies heeft reeds een geuronderzoek uitgevoerd (voor- en achtergrondbelasting). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 11 bij het bestemmingsplan “Hilvarenbeek Noord – Westzijde”(vastgesteld 17 mei 2018). In hoofdstuk 4 van dat rapport van De Roever Omgevingsadvies is toegelicht dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en dat veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad.

De voorgrondbelasting van de veehouderijen aan de Oude Tilburgseweg 5, Kleine Voort 7 en Kleine Voort 12 zijn berekend.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 50/64

De afstandsnorm ter plaatse van het plangebied bedraagt (maximaal) 100 meter. Er liggen geen bouwvlakken van veehouderijen binnen 100 meter van het plangebied. De afstand tot de veehouderij aan de Oude Tilburgseweg 2 is ongeveer 250 meter. De afstand tot de veehouderij aan de Goirlesedijk 2 is ongeveer 300 meter. Gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en dat veehouderijen niet in hun belangen wordt geschaad. Achtergrondbelasting Uit onderzoek van De Roever blijkt dat sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat. Gezien er in de nabije omgeving slechts een beperkt veehouderijen aanwezig zijn en gelet op de ruime afstand hiervan tot het plangebied, biedt deze kaart een acceptabele indicatie van de kwaliteit van de leefomgeving, met de geurbelasting weergegeven in ouE/m3. De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is goed (3-8 ouE/m3). Gelet op de kwalificatie van het woon- en leefklimaat, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Indicatie achtergrondbelasting geur. Bron: De Roever Omgevingsadvies, 2018.

Geitenhouderijen Op basis van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio- aerosolen’ (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Binnen 2 kilometer bevinden zich twee geitenhouderijen. • Kleine Voort 12 (op circa 360 meter afstand); • Oude Tilburgseweg 5 (op circa 450 meter afstand). De afstand van het plangebied tot de geitenhouderijen is met 360m en 450m binnen een straal van 2 km. Gelet op het feit dat het maar 2 veehouderijen zijn binnen een straal van 2 km vormt het gezondheidsaspect geen groot

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 51/64

risico. Bovendien vindt het bevoegd gezag het acceptabel dat in Hilvarenbeek reeds wordt gewoond door 1.000+ bewoners op een vergelijkbare of kortere afstand tot de geitenhouderijen. Uit het ‘Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)’ blijkt ook dat de kans op vermindering van de longfunctie, luchtwegklachten en het mogelijk optreden van longontstekingen voornamelijk optreden bij mensen die woonachtig zijn nabij 15 veehouderijen of meer (binnen een straal van een kilometer). Het gaat dan dus om concentratiegebieden van veehouderijen. Hiervan is in onderhavig geval geen sprake, het plangebied is gelegen tegen de bestaande kom van Hilvarenbeek. Gemeenten hebben vrijheid bij de ruimtelijke afweging van belangen, blijkt uit uitspraken van de Raad van State. Indien het belang van volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen is afgewogen, maar een zwaarwegender belang is bij de realisatie van woningbouw, dan kan een gemeenteraad een bestemmingsplan vaststellen (o.a. 7 oktober 2020, Bernheze/Vorstenbosch, ECLI:NL:RVS:2020:2491, r.o. 4.3 en 4.4). Gelet op de acceptabele afstand tot het plangebied en het beperkte aantal geitenhouderijen ter plaatse, kan geconcludeerd worden dat eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen derhalve niet van invloed zijn op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Tenslotte is op basis van art.

2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering. 5.11 Externe veiligheid 5.11.1

Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De aangeduide inrichting op de risicokaart betreft een Shell – tankstation gesitueerd aan de Tilburgseweg 6 te Hilvarenbeek. Ten gevolge van deze inrichting dient een afstand van 150 meter aangehouden te worden ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico.

Voorliggend plangebied is gelegen op een afstand van circa 250 meter, waardoor de inrichting niet van invloed is op het planvoornemen. Op een afstand van circa 1,2 kilometer is ten noordoosten van het plangebied een Bevi inrichting aangeduid, betreffende een bovengrondse propaantank aan de Bosscheweg 3 in Hilvarenbeek. Op basis van het activiteitenbesluit wordt een afstand van 25 meter vanaf de tank aangehouden als veiligheidsafstand op basis van de Leidraad Veiligheidsafstand. Het plangebied is gelegen op een zeer ruimte afstand van de propaantank en deze vormt dan ook geen risico voor het planvoornemen.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 52/64

De risicokaart toont in de directe omgeving van het plangebied geen andere inrichtingen die met betrekking tot externe veiligheid van invloed kunnen zijn op het planvoornemen.

Uitsnede van de risicokaart. De zwarte cirkel geeft de ligging van het plangebied weer. Bron: nederland.risicokaart.nl, 2020.

Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.11.2

Transport en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 53/64

Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.11.3

Buisleidingen en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De risicokaart toont ten westen en ten zuiden van het plangebied buisleidingen. De westelijke leiding betreft een gasleiding op een afstand van circa 1,2 kilometer van het plangebied. In het zuiden ligt een defensieleiding op een afstand van 300 meter. Voor beide leidingen geldt een risicoafstand van 0 meter, waardoor de leidingen niet van invloed zijn op het planvoornemen.

In de directe omgeving van het plangebied zijn naast deze leidingen geen risicorelevante buisleidingen gelegen. Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid. 5.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 54/64

Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt de ontwikkeling van 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg.

Uitsnede luchtkwaliteitskaart omgeving Hilvarenbeek Noord. Met de gele ster is globaal het plangebied geduid. Bron: Nsl-monitoring.nl, 2022.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 55/64

Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 71 woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort). De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de N269 op een afstand van circa 0,5 kilometer van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat op de N269 in 2030 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Daarmee kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied ook sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.13 Lichthinder Toetsingskader De toelichting van het bestemmingsplan bevat een paragraaf over de wijze waarop in de juridische regeling is omgegaan met het aspect licht. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 onder d Bro.

In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Awb. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Er vindt, uitzonderingen daargelaten, geen directe vertaling plaats van het aspect licht in de juridische regeling van het bestemmingsplan (verbeelding en regels). Wel moet in de planvorming rekening worden gehouden met het aspect licht in relatie tot toegelaten functies. Beoordeling Met onderhavig plan worden lichtgevoelige objecten toegevoegd nabij een bestaande lichtbron. Nobralux heeft een lichthinderonderoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten en conclusies besproken. De lichthinder- en lichtsterkteberekeningen zijn toegevoegd in bijlage 14. De resultaten van de meting laten zien dat er in de huidige situatie lichthinder te verwachten is ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen. Om deze lichthinder te voorkomen zullen maatregelen genomen moeten worden. Daarvoor adviseert Nobralux contact op te nemen met de leverancier met welke maatregelen de lichthinder kan worden verminderd en/of uitgesloten. Er kan gekeken worden naar de armaturen van lichtmast 5 en 8. Deze kunnen voorzien worden van afscherming en de lichtsterkte van de armaturen kan worden gereduceerd.

Optioneel kunnen meerdere armaturen worden toegepast met een lagere lichtstroom. Het wordt aanbevolen om de lichtinstallaties alleen te gebruiken wanneer dit noodzakelijk is, de wedstrijdstand incidenteel te gebruiken en de verlichting altijd na 23u00 ’s avonds uit te schakelen. Daarnaast kunnen oplossingen gevonden worden in het aanbrengen van blinde gevels en/of meer hoog opgaande begroeiing aan te brengen tussen de sportvelden en de bebouwing.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 56/64

Uit lichthinderonderzoek blijkt dat de veldverlichting van de hockeyvelden nadelige effecten heeft op het woonklimaat van de woningen. Om deze reden zullen de gemeente Hilvarenbeek en de opdrachtgever met de hockeyvereniging in contact treden om aanpassingen te doen aan de lichtmasten. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het aspect lichthinder beoordeeld. Er zullen maatregelen getroffen moeten worden ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen in het zuidelijk deel van het plangebied. In overleg met de hockeyvereniging worden gepaste oplossingen voorgesteld en uitgevoerd. Na uitvoering zal het aspect lichthinder geen belemmering vormen voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied zal dan sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. 5.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e.

buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 5.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;

1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting

én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 57/64

3.

Plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig.

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke onder andere de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Beoordeling noodzaak m.e.r.-beoordeling In het plangebied worden 71 woningen mogelijk gemaakt. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, namelijk de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.procedure noodzakelijk als de activiteit een oppervlakte heeft van 100 hectare of meer, de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied betreft of een bedrijfsvloeroppervlakte heeft van 200.000 m2 of meer. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie bijlage 15) zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant effect op Natura-2000 gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden en de Beschermde Natuurmonumenten. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Iov. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Natuurbeschermingswet 1998 of de Iov. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 58/64

6

Juridische plantoelichting

6.1

Inleiding

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 6.2

Opbouw van de regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het gemeentelijk handboek en bij het vigerend bestemmingsplan ‘Kern Hilvarenbeek’. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 6.3

Regels

6.3.1

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 59/64

6.3.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 Groen Structurele groengebieden en de waterberging zijn opgenomen binnen de bestemming ‘Groen’. De gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn onder meer te gebruiken voor de inrichting van groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 4 Verkeer – Verblijfsgebied De bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ is gegeven aan wegen met een functie voor doorgaand verkeer alsmede aan de overige straten. Artikel 5 Wonen Binnen deze bestemming zijn woningen mogelijk van een op de verbeelding nader aangeduide woningtypologie. De maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen, bouwdiepten, typologieën, aantallen per bestemmingsvlak zijn aangegeven op de verbeelding. Op de verbeelding zijn gevellijnen opgenomen waarachter de woningen en bijbehorende gebouwen kunnen worden opgericht. De voorgevel van het hoofdgebouw dient te worden georiënteerd op of maximaal 4 meter achter de gevellijn.

Naast de woonfunctie zijn aan huis gebonden beroepen zonder meer toegestaan. Daarbij wordt uitdrukkelijk als voorwaarde gesteld dat de woonfunctie als overwegende functie gehandhaafd dient te blijven. Voorts is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen teneinde een aan huis verbonden bedrijf toe te staan. 6.3.3

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn de regels met betrekking tot het ondergronds bouwen opgenomen. Daarnaast zijn de regels met betrekking tot het overschrijden van bouwgrenzen en gevellijnen weergegeven in dit artikel. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt het strijdig gebruik nader beschreven. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Op basis van de algemene afwijkingsregels is het onder voorwaarden mogelijk om tot 10% van maten, afmetingen en percentages af te wijken en daarnaast af te wijken van de bouwgrenzen en overige aanduidingen.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 60/64

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Op basis van dit artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd onder voorwaarden de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen. Artikel 11 Overige regels In dit artikel is de parkeerregeling opgenomen, waardoor geborgd wordt dat inzichtelijk wordt gemaakt dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. Daarnaast is in de overige regels de verplichting tot het realiseren van een waterberging opgenomen. 6.3.4

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 13 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan “Hilvarenbeek Noord, Roodloop - Tilburgseweg”.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 61/64

7

Economische uitvoerbaarheid

7.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 7.2

Toepassing Grondexploitatiewet

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. 7.3

Economische uitvoerbaarheid

Ten aanzien van het onderhavige plan is het verhaal van de kosten anderszins verzekerd. Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het project zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de uitvoering zijn reeds de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het project en draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. De gemeentelijke kosten voor het volgen van de procedure van het bestemmingsplan zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Daarnaast is een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer waarin onder andere het verhaal met betrekking tot planschade is verzekerd.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 62/64

8

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1

Omgevingsdialoog

In het kader van het stedenbouwkundig plan en het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan dient de maatschappelijke uitvoerbaarheid ervan te worden aangetoond met een omgevingsdialoog. Het betrekken van omwonenden heeft tot doel al in een vroeg stadium van de planvorming maatschappelijk draagvlak voor het initiatief te verkrijgen. In augustus 2021 hebben bewoners, bedrijven en verenigingen rondom de toekomstige woningbouwlocatie een brief gekregen inzake het woningbouwplan. In de brief is de hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan met het bijbehorende woningbouwprogramma besproken en is er ingegaan op parkeeroplossingen. De brief is ondersteund met sfeerimpressies van de woningen per deelgebied van het plan. De brief alsmede de sfeerimpressies zijn opgenomen in bijlage 16 van de toelichting. In oktober 2021 zijn de ingekomen reacties (13 in totaal) geïnventariseerd. Uit die inventarisatie is geconstateerd dat de reacties van de bewoners aan de Biedonk grotendeels overeenkwamen. De ontwikkelaar heeft in overeenstemming met de gemeente besloten om deze bewoners uit te nodigen voor een gesprek op bouwbedrijf Gebr. Van Gisbergen B.V. in Hooge Mierde. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op dinsdagavond 2 november 2021 van 19:00 tot 20:30. Uit de inventarisatie bleek ook veel overlap te zijn in de reacties van de bewoners aan de Tilburgseweg.

Deze bewoners zijn eveneens uitgenodigd voor een gesprek op de bovengenoemde locatie, op woensdagavond 3 november 2021 van 19:00 tot 20:30. De reacties van bewoners van de Glennstraat 18 en 20 zijn schriftelijk per e-mail beantwoord. Ten slotte heeft bouwbedrijf Gebr. Van Gisbergen B.V. separaat overleg gevoerd met enkele bewoners aan de Tilburgseweg die specifieke belangen hebben bij de woningbouwontwikkeling. Van de overleggen is een verslag gemaakt, waarin eveneens de opmerkingen van omwonenden op diezelfde verslaglegging zijn meegenomen. De verslaglegging van de informatieavonden, gesprekken en maatwisselingen is opgenomen in bijlage 17 van de toelichting. De omgevingsdialoog is voor wat betreft het formele traject hiermee afgerond, deze heeft zorgvuldig plaatsgevonden. Ontwikkelaars houden echter nauw contact met enkele buurtbewoners van de Biedonk en de Tilburgseweg. De precieze invulling van het groen willen Gebr. Van Gisbergen en Peter van Dal Hilvarenbeek in gezamenlijk overleg met de bewoners afstemmen. Voor dit vervolg van de omgevingsdialoog zijn bewoners per mail uitgenodigd. De uitnodiging is opgenomen als bijlage 18 van de toelichting.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 63/64

8.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Op 24 februari 2022 is een vooroverlegreactie van het waterschap De Dommel ontvangen. Naar aanleiding van deze reactie is de watertoets en de toelichting van onderhavig plan (paragraaf 5.3) aangepast. Er is een nieuw waterbergingsplan opgesteld en is meer aandacht geschonken aan bodemkundige eigenschappen, die invloed zullen hebben op de afvoer van hemelwater (bij extreme neerslagomstandigheden). Overige vooroverlegpartners die benaderd zijn hebben aangegeven te kunnen instemmen met het plan. 8.3

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan zal voor eenieder gedurende zes weken ter inzage liggen. Een ieder wordt binnen deze termijn in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen.

datum referentie

14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2

P 64/64

Bijlage 1 Verkavelingsplan

Bijlage 2 Parkeerbalans

Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek (grootste deel plangebied)

Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Tilburgseweg 17a

Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek gemeentegronden zuidzijde

Bijlage 6 Watertoets

Bijlage 7 Archeologisch onderzoek

Bijlage 8 Stikstofberekening

Bijlage 9 Quickscan flora en fauna (grootste deel plangebied)

Bijlage 10 Quickscan flora en fauna Tilburgseweg 17a

Bijlage 11 Ecologisch onderzoek marters en eekhoorn

Bijlage 12 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 13 Akoestisch onderzoek industrielawaai

Bijlage 14 Lichthinderonderzoek

Bijlage 15 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage 16 Brief omgevingsdialoog

Bijlage 17 Verslag omgevingsdialoog

Bijlage 18 Uitnodiging vervolg omgevingsdialoog

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12968995/1