16 bp Roodloop-Tilburgseweg (6 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Hilvarenbeek Noord Roodloop - Tilburgseweg Gemeente Hilvarenbeek
datum projectnummer
14 oktober 2022 180350
Bestemmingsplan Hilvarenbeek Noord, Roodloop Tilburgseweg
Aveco de Bondt BV Boschstraat 35, 4811 GB Breda T +31 76 522 52 62 www.avecodebondt.nl
Gemeente Hilvarenbeek Toelichting
project projectnummer projectleider
opdrachtgever
status versie fase auteur
Bestemmingsplan Hilvarenbeek Noord, Roodloop Tilburgseweg 180350 Toby van Baast Peter van Dal Hilvarenbeek B.V. en Gispro B.V.
definitief 3.2 ontwerp Toby van Baast
paraaf gecontroleerd
Marcel Volbeda
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Aanleiding en doel Begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
1 1 1 1 1
2 2.1 2.2
Gebiedsprofiel Kern Hilvarenbeek Plangebied
3 3 3
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Projectprofiel Planbeschrijving Duurzame invulling Beeldkwaliteit Verkeersgeneratie Parkeren Verkeersveiligheid en bereikbaarheid
5 5 8 9 9 10 12
4 4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4 4.4.5
Beleidskader Inleiding Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’ Structuurvisie Ruimtelijke Ordening – partiële herziening 2014 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Gemeentelijk beleid Structuurvisie Hilvarenbeek, 2010 Woonvisie 2020-2030, juli 2019 Concept-Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2030 Nota ruimtelijke kwaliteit Hilvarenbeek (dorps bouwen) Stedenbouwkundige visie Hilvarenbeek Noord, 20 december 2012
14 14 14 14 15 16 19 19 20 22 26 26 28 30 30 32
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10
Planologisch relevante (milieu)aspecten Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Natuurgebieden Flora en fauna Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Geurhinder en veehouderijen
34 34 34 36 41 42 44 45 47 48 49
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
5.11 5.12 5.13 5.14 5.15
Externe veiligheid Luchtkwaliteit Lichthinder Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
52 54 56 57 57
6 6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4
Juridische plantoelichting Inleiding Opbouw van de regels Regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
59 59 59 59 59 60 60 61
7 7.1 7.2 7.3
Economische uitvoerbaarheid Inleiding Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid
62 62 62 62
8 8.1 8.2 8.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Vooroverleg Zienswijzen
63 63 64 64
Bijlagen Bijlage 1 Verkavelingsplan Bijlage 2 Parkeerbalans Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek (grootste deel plangebied) Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Tilburgseweg 17a Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek gemeentegronden zuidzijde Bijlage 6 Watertoets Bijlage 7 Archeologisch onderzoek Bijlage 8 Stikstofberekening Bijlage 9 Quickscan flora en fauna (grootste deel plangebied) Bijlage 10 Quickscan flora en fauna Tilburgseweg 17a Bijlage 11 Ecologisch onderzoek marters en eekhoorn Bijlage 12 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 13 Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 14 Lichthinderonderzoek Bijlage 15 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 16 Brief omgevingsdialoog Bijlage 17 Verslag omgevingsdialoog Bijlage 18 Uitnodiging vervolg omgevingsdialoog
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
Initiatiefnemers hebben gronden in eigendom tussen sportpark De Roodloop en percelen aan de Tilburgseweg in Hilvarenbeek. De gronden zijn momenteel deels agrarisch in gebruik en deels verwilderd. Het college wil in de periode 2020-2030 nog ongeveer 750 woningen bijbouwen. Dat aantal is nodig om te voldoen aan de immer groeiende woningbehoefte. De gronden tussen sportpark De Roodloop en de Tilburgseweg biedt kansen voor de realisatie van woningbouw op een grotere inbreidingslocatie. Op deze gronden wordt de realisatie van 71 nieuwe woningen planologisch mogelijk gemaakt. De nieuwe woningen worden gerealiseerd in diverse typologieën, waaronder appartementen, beneden-boven woningen en diverse grondgebonden woningen. Met deze woningtypologieën wordt ingespeeld op de toenemende behoefte aan betaalbare woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens. Deze woningen zijn in het bijzonder bestemd voor starters en ouderen. De nieuwe woningen worden ontsloten op de Tilburgseweg via de Biedonk en via de Roodloop. Initiatiefnemers hebben een verkavelingsplan laten opstellen voor het woningbouwplan (zie bijlage 1). Met dit bestemmingsplan wordt het verkavelingsplan vertaald naar een planologische regeling. 1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen in het noorden van de kern Hilvarenbeek, op de grens met het buitengebied. In het westen grenst het plangebied aan sportpark De Roodloop. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de achtererfgebieden van panden aan de Tilburgseweg. De zuidzijde wordt begrensd door de weg Roodloop en de noordzijde wordt door agrarische percelen. De percelen maken deel uit van het beekdal van de Roodloop. 1.3
Vigerend bestemmingsplan
De gewenste herontwikkeling ten behoeve van de functie wonen is niet mogelijk binnen de vigerende bestemmingsplannen “Woongebieden en bedrijventerreinen, Hilvarenbeek”, vastgesteld op 22 oktober 2009, en “Hilvarenbeek Noord – Westzijde”, vastgesteld op 17 mei 2018. De gronden binnen het toepassingsbereik van “Woongebieden en bedrijventerreinen, Hilvarenbeek” zijn bestemd als ‘Agrarisch’. Woningbouw met bijbehorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, paden, wegen en parkeermogelijkheden, is binnen deze bestemming niet toegestaan. Gronden binnen het toepassingsbereik van “Hilvarenbeek Noord – Westzijde” zijn bestemd als ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Horeca’. Ook binnen die bestemmingen is woningbouw met bijbehorende voorzieningen niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk maken dient derhalve een bestemmingsplan opgesteld te worden, waarin binnen nieuwe planologische kaders het genoemde woningbouwprogramma met bijbehorende groen- en verkeerskundige voorzieningen. 1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het gebiedsprofiel beschreven van de omgeving waarin het planvoornemen plaats gaat vinden. Allereerst wordt de kern Hilvarenbeek toegelicht, waarna ingezoomd wordt op het huidige gebruik van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het projectprofiel van het planvoornemen toegelicht. In hoofdstuk 4 is het planvoornemen getoetst aan het beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de planologisch relevante (milieu)aspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Tot slot komt in hoofdstuk 7 de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aan de orde en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 1/64
Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving. Bron: Street Smart, 2020.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 2/64
2
Gebiedsprofiel
In dit hoofdstuk wordt een integraal gebiedsprofiel gegeven van het plangebied en de directe omgeving. De kenmerken van de kern Hilvarenbeek worden beschreven, waarna verder ingezoomd wordt op het huidig gebruik van het plangebied. 2.1
Kern Hilvarenbeek
De kern Hilvarenbeek is de hoofdkern van de gemeente Hilvarenbeek. Andere kernen die eveneens behoren tot de gemeente Hilvarenbeek zijn Baarschot, Biest-Houtakker, Diessen, Esbeek en Haghorst. De kern Hilvarenbeek is een variant van de esdorpen, die op de oude hoge akkercomplexen voorkomen. In de esdorpen leefden bewoners in buurtschappen met daaromheen kleine akkers, die verspreid over het landschap waren gelegen. In één van de buurtschappen werden de kerk en andere voorzieningen gebouwd en heeft de buurtschap zich ontwikkeld tot een centrum. Hilvarenbeek is hier een voorbeeld van. Ter plaatse van de Vrijthof en de Varkensmarkt is aldus het huidige Hilvarenbeek ontstaan. De Vrijthof is ten zuiden van voorliggend plangebied gesitueerd en vormt de voornaamste stedenbouwkundige ruimte in de gemeente Hilvarenbeek. De kern Hilvarenbeek bestaat uit het centrum, oude linten, woongebieden en 2 bedrijventerreinen. Voorliggend plangebied is gelegen aan het einde van het lint langs de Tilburgseweg. Tezamen met de Doelenstraat vormt de Tilburgseweg een toegangsweg tot de kern Hilvarenbeek. Als gevolg van de ligging van de stedelijke gebieden ten noorden van Hilvarenbeek en de wegenstructuur van het dorp vormt de afrit van de provinciale weg ten noorden van het dorp de meest voorname ontsluiting. Via de Tilburgseweg rijdt veel verkeer Hilvarenbeek in.
Ook de doorgaande weg naar Goirle vindt aansluiting ten noorden van de kern Hilvarenbeek. Gesteld kan worden dat de noordelijke entree van het dorp één van de meest voorname is door het intensieve gebruik. 2.2
Plangebied
Onderhavig plangebied is gelegen in de noordelijke dorpsrand van de kern Hilvarenbeek, ten westen van de Tilburgseweg en ten oosten van sportpark De Roodloop. Het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische gronden. Het agrarische landschap wordt gekenmerkt door ruigtepercelen. Ruigtepercelen zijn percelen die als landbouwgrond in onbruik zijn geraakt. Ook is een weide aanwezig waar paarden lopen. Daarnaast zijn in het plangebied enkele kleine houtwallen aanwezig waar hier en daar een boom staat en voornamelijk dicht struikgewas groeit. De gronden waarop de woningbouwontwikkeling wordt voorzien liggen ruimtelijk gezien als een schil om de bestaande horecagelegenheid, en daarmee om de bestaande dorpsrand van de kern Hilvarenbeek, heen. Een klein gedeelte van het te ontwikkelen gebied is verhard. Dit deel ligt in het verlengde van de bestaande horecagelegenheid. De overige gronden zijn onverhard en kennen een agrarisch gebruik in de vorm van grasland. Op de gronden zijn bovendien enkele bomen en ruigtevegetatie aanwezig.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 3/64
Verkavelingsplan, in bijlage 1 op schaal weergegeven. Het plangebied is gelegen binnen het rode kader.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 4/64
3
Projectprofiel
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de ruimtelijke opzet en het programma van voorliggende ontwikkeling. Daarnaast is er de wens om een bestaande recreatiewoning te herbestemmen naar een nieuwe burgerwoning. De nieuwe stedenbouwkundige- en groenstructuur van het plangebied worden in dit hoofdstuk nader toegelicht, evenals het aspect verkeer en parkeren. 3.1
Planbeschrijving
Ruimtelijke hoofdopzet Het verkavelingsplan (pagina 8) gaat uit van de visie die is neergelegd in de ‘stedenbouwkundige visie Hilvarenbeek Noord’, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 december 2012. Het bestemmingsplan “Hilvarenbeek NoordWestzijde” voorziet reeds in een glooiende afronding van de noordelijke kernrand van Hilvarenbeek. Onderhavig planvoornemen benut de mogelijkheden voor woningbouw tussen de bestaande sportvoorzieningen en de achtererfgebieden van de percelen aan de Tilburgseweg. Het nu voorliggende plan is eenvoudig van opzet: een noord-zuid gerichte woonstraat ontsluit de rij woningen die met de achtertuinen grenzen aan de percelen van de woningen aan de Tilburgseweg. Aan weerszijden van de nieuwe woonstraat worden nieuwe dorpse bouwmassa’s, allen bestaande uit 2 lagen met kap, geprojecteerd. Programma Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van maximaal 71 woningen. De woningen worden gerealiseerd in diverse typologieën.
Referentiebeelden 20 beneden-bovenwoningen (deelgebied A)
Deelgebied A Aan de noordoostzijde van het plan worden twee bouwblokken van 10 beneden-bovenwoningen van circa 50 tot 65m2 ontwikkeld. De bouwblokken zien eruit als een twee reguliere bouwblokken van vijf rijwoningen van twee
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 5/64
lagen met kap. Via een gemeenschappelijke opgang aan de achterzijde worden de bovenwoningen ontsloten. De woningen op de begane grond hebben een voordeur aan de straatzijde en een kleine achtertuin richting de Tilburgseweg. De bergingen die bij deze woningen horen worden in een vrijstaand gebouw, grenzend aan de achtererven van de woningen aan de Tilburgseweg, gerealiseerd. Onderstaand zijn indicatieve sfeerbeelden van deze woningen te zien. Deelgebied B Aan de achterzijde van het reeds in uitvoering zijnde plan aan de Biedonk worden twee vrije kavels ontwikkeld. De uitstraling hiervan zal aansluiten bij die van de vrijstaande woningen, zoals die nu aan de Biedonk gerealiseerd worden. Deelgebied C In het midden van het plan liggen twee appartementengebouwen. Tezamen kunnen hierin 32 appartementen worden ontwikkeld. In wisselende groottes van circa 50 tot 125 m 2 worden hier woningen voor diverse doelgroepen aangeboden. Beide appartementengebouwen zijn voorzien van een lift. Gekozen is voor een portiekontsluiting wat inhoudt dat er geen galerijen aan de buitenkant van de gebouwen zijn te zien. De onder het maaiveld gelegen parkeerkelder is vanaf de zuidzijde bereikbaar. Onderstaand volgen enkele referentiebeelden van bouwmassa’s voor appartementen. Allen hebben twee bouwlagen met een kap en hebben daardoor een dorpse uitstraling.
Referentiebeelden 32 appartementen (deelgebied C). Bron: Keeris architecten, 2022.
Bouwbedrijf Gebr. Van Gisbergen heeft op basis van bovenstaande referentiebeelden een vertaalslag gemaakt naar een mogelijke vormgeving van het exterieur van de appartementen, zoals deze in Hilvarenbeek worden ontwikkeld. Dit is geen definitief bouwontwerp, maar geeft slechts een impressie van de situering van de bouwmassa’s in de openbare ruimte. Bij een aanvraag omgevingsvergunning worden definitieve beslissingen gemaakt voor kleur- en materiaalgebruik, etc.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 6/64
Vertaling referentiebeelden naar 32 appartementen in projectgebied (deelgebied C). Bron: Keeris architecten, 2022.
Deelgebied D Aan de zuidzijde van het plangebied worden 17 grondgebonden woningen gerealiseerd. In de getekende bouwblokken van 6, 8 en 2 woningen worden woningen in verschillende prijsklassen gerealiseerd: Van betaalbaar tot middelduur tot vrije sector tot twee-onder-een-kap vindt hier een plek. Er is één vrijstaande kavel beoogd.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 7/64
Referentiebeelden grondgebonden woningen zuidzijde (deelgebied D). Bron: Keeris Architecten: 2021.
3.2
Duurzame invulling
Technische duurzaamheidsambitie Uitgangspunt is onderhoudsarme en energiebewuste woningen te produceren. De woningen worden gebouwd op basis van een milieubewuste en zuinige omgang met energie. Dit gaat zomer en winter samen met een comfortabel en gezond binnenklimaat waarbij het energieverbruik zoveel mogelijk beperkt wordt. Er wordt duurzame energie gebruikt waarmee het verbruik van fossiele grondstoffen zover mogelijk teruggedrongen wordt. Het resultaat daarvan is minder energieverbruik en minder CO2-uitstoot. Uitgangspunt is milieubewust en comfortabel wonen. De woningen zijn uitstekend geïsoleerd en alle ramen zijn voorzien van tweelaags isolatieglas. Geen cv-ketel maar een duurzame warmtepomp die warmte uit de buitenlucht haalt. Geen gebruik van fossiele brandstoffen waardoor de woningen dus geen gasaansluiting hebben. De combinatie met de vloerverwarming biedt een zeer comfortabel binnenklimaat. Daken worden grotendeels bekleed met zonnepanelen waarmee eigen energie wordt opwekt. De warmtepomp verwarmt de woning en zorgt voor warmwater om te douchen. De door CO2 sensoren gestuurde ventilatie meet continu hoeveel lucht er moet worden aan- en afgevoerd. Door dit slimme systeem gaat er geen energie verloren aan het verwarmen van overtollige lucht. De energiemonitor geeft continu aan hoeveel energie er verbruikt én opwekt wordt.
Dankzij deze maatregelen hebben bewoners die bewust met energie omgaan betrekkelijk lage energiekosten. Ecologische duurzaamheidsambitie De ambitie is om zorgvuldig om te gaan met water; het gebruik van water en de wijze van afvoeren c.q. bergen van gebruikt water en hemelwater. Het gebruik van leidingwater kan worden beperkt door waterbesparende toiletsystemen, kranen en douches. Hemelwater kan deels ingezet worden voor tuingebruik. Hemelwater wordt afgevoerd naar de groenvoorzieningen in het plangebied. Binnen de groenvoorzieningen worden wadi’s gerealiseerd waar het water gebufferd en geleidelijk afgegeven wordt aan de bodem en naastgelegen oppervlaktewater. Het aandeel verharde oppervlakten wordt zoveel mogelijk beperkt (hierdoor wordt de warmte instraling in de zomer ook beperkt, gunstig t.a.v. het aspect klimaatadaptatie).
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 8/64
3.3
Beeldkwaliteit
Oriëntatie De ruimtelijke hoofdopzet bestaat uit bouwvolumes/clusters die aan de noord-zuid georiënteerde woonstraat gesitueerd zijn. De woningen aan de oostzijde van de woonstraat grenzen met de achtertuinen aan de percelen van de woningen aan de Tilburgseweg. Deze grondgebonden woningen en de beneden-bovenwoningen dienen een representatieve uitstraling naar de openbare zijde te hebben. De appartementengebouwen dienen een alzijdige uitstraling te hebben (dus alle zijden dienen representatief uitgewerkt te worden). Verschijningsvorm De uitstraling van de grondgebonden woningen en de beneden-bovenwoningen is dorps: met een bouwhoogte van 2 lagen met kap en een materialisatie van bakstenen gevels en gebakken dakpannen wordt aansluiting gezocht bij de omgeving. Aan de westzijde van de woonstraat staan twee appartementengebouwen. De vormentaal van deze gebouwen is eveneens dorps (met een bouwhoogte van 2 bouwlagen met kap). De groen en duurzaam vormgegeven openbare ruimte verbindt de verschillende elementen met elkaar. Dit betekent dat de bebouwingbouwclusters een eigen identiteit en verschijningsvorm kunnen krijgen. Algemeen uitgangspunt voor de uitwerking van alle bouwmassa’s is dat er sprake is van een bijzondere architectuur (bijvoorbeeld in afwerking en/of materiaalgebruik).
Bij de verdere architectonische uitwerking zal een visie op beeldkwaliteit voor het totaal gevraagd worden. Er worden duurzaamheidsaspecten opgenomen bij de verdere realisatie van de woningen. 3.4
Verkeersgeneratie
Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat bij nieuwbouw, dienen de kengetallen uit CROW publicatie 381 te worden geraadpleegd. Het plangebied is gelegen in de rest bebouwde kom en is te typeren als weinig stedelijk. Onderstaand is de verkeersgeneratie van het initiatief bepaald. De cijfers zijn gebaseerd op kengetallen voor koopwoningen, omdat dat een worst-case scenario betreft. Niet uitgesloten is dat ook huurwoningen worden mogelijk gemaakt met onderhavig plan. Verkeersgeneratie Functie
Aantal
Norm
Aantal verkeersbewegingen
Koopappartement, goedkoop
7
5,6
39,2
Koopappartement, midden
13
6,0
78,0
2
8,2
16,4
Koopappartement, goedkoop
6
5,6
33,6
Koopappartement, middelduur
22
6,0
132,0
Koopappartement, duur
4
7,4
29,6
Deelgebied A
Deelgebied B Koophuis, vrijstaand Deelgebied C
Deelgebied D
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 9/64
Aaneengebouwde koopwoning
14
7,4
103,6
Twee onder één kap koopwoning
2
7,8
15,6
Vrijstaande koopwoning
1
8,2
8,2
Totaal
71
--
456,2
Noordelijk deel (A+B) over Biedonk
133,6
Zuidelijk deel (C+D) over Roodloop
322,6
De realisatie van 71 woningen (inclusief herbestemming van één recreatiewoning) leidt op basis van de CROW publicatie 381, ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ tot (afgerond naar boven) 457 extra verkeersbewegingen per etmaal. Het verkeer wordt ontsloten via de Roodloop in het zuiden (323 mvt/etmaal extra) en via de Biedonk in het noorden (134 mvt/etmaal extra). De Tilburgseweg kan worden aangemerkt als een gebiedsontsluitingsweg. Dit wegtype kan, in geval van 2 maal 1 rijstrook, 1.400 tot 1.600 motorvoertuigen per uur aan. Omgerekend naar een etmaal gaat het om 33.600 tot 38.400 motorvoertuigen. De huidige intensiteit van de Tilburgseweg is circa 10.000 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag. De Tilburgseweg heeft voldoende restcapaciteit om dit extra verkeer af te wikkelen. 3.5
Parkeren
Toetsingskader Op 16 juli 2015 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek het ‘Parkeerbeleidsplan 2015-2020’ vastgesteld. Binnen het parkeerbeleidsbeleidsplan heeft de gemeente in bijlage 6 aangegeven welke eisen er worden gesteld aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein in geval van een ruimtelijke ontwikkeling. De basis voor het bepalen van de parkeernormering komt voort uit de CROW-publicatie 381, ‘kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Deze kencijfers zijn in het beleid van de gemeente Hilvarenbeek vertaald naar gemeentelijke parkeernormen. De gemeente Hilvarenbeek kiest ervoor om (toekomstige) parkeerproblemen zoveel mogelijk te voorkomen door in de parkeerbehoefte te willen voorzien, maar wil daarnaast ook geen overschot aan parkeerplaatsen te creëren. De bandbreedte van de minimale en maximale kencijfers worden daarom gebruikt als parkeernorm met een bandbreedte. Onderstaand de parkeerkencijfers voor de geplande woningtypologieën.
Parkeernormen woonfuncties. Bron: Parkeerbeleidsplan Hilvarenbeek, 2015 – 2020, 16 juli 2015. Bewerking Aveco de Bondt, december 2021.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 10/64
Beoordeling Het aantal benodigde parkeerplaatsen hangt sterk af van de ligging en samenstelling van de gemeente. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in de zogenaamde stedelijkheidsgraad van de gemeente. Hilvarenbeek valt onder de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ met 544 adressen per km2. Naast de stedelijkheidsgraad is het ook van belang om te kijken naar de ligging van de locatie binnen de kern. Voorliggend plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van de gemeente, maar is niet gelegen in het centrum, en behoort daarom tot het gebied ‘rest bebouwde kom’. Hierna is de parkeerbalans weergegeven. De cijfers zijn gebaseerd op kengetallen voor koopwoningen. Niet uitgesloten is dat ook huurwoningen worden mogelijk gemaakt met onderhavig plan. In de berekeningen wordt uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm binnen de bandbreedtes, omdat bij de ontwikkeling van de nieuwe woonbuurt een goede balans gezocht wordt tussen parkeren en groen voor een goede kwaliteit van de openbare ruimte, zoals gesteld in bijlage 6 van de parkeernota. Er kan doordeweeks gebruik gemaakt worden van de parkeerplaatsen van het sportcomplex. Deze parkeerplaatsen staan alleen op piekmomenten (zaterdagen) vol en kunnen op werkdagen praktisch prima dienen als extra buffer. Parkeerbalans Functie
Aantal
Norm
Aantal parkeerplaatsen
Koopappartement, goedkoop
7
1,6
11,2
Koopappartement, middelduur
13
1,9
24,7
2
2,3
4,6
Koopappartement, goedkoop
6
1,6
9,6
Koopappartement, middelduur
22
1,9
41,8
Koopappartement, duur
4
2,1
8,4
Aaneengebouwde koopwoning
14
2,0
28,0
Twee onder één kap koopwoning
2
2,2
4,4
Vrijstaande koopwoning
1
2,3
2,3
Totaal
71
--
135
Deelgebied A
Deelgebied B Koophuis, vrijstaand Deelgebied C
Deelgebied D
De parkeerbalans is verder uitgewerkt in bijlage 2. Na het toepassen van de basis parkeernormen is in die bijlage rekening gehouden met dubbelgebruik. Om te bepalen in hoeverre sprake is van dubbelgebruik, zijn door het CROW zogenoemde aanwezigheidspercentages opgesteld. In de parkeerbalans wordt gerekend met de vastgestelde parkeernormen en worden aanwezigheidspercentages gehanteerd aanwezigheidspercentages voor bewoners (90%) en bezoekers (80%). Op een doordeweekse avond is namelijk sprake van de hoogste parkeerdruk in een woonbuurt. Dan is de parkeerbehoefte 120 parkeerplaatsen (35,8 + 83,6 = 119,4).
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 11/64
Als bij een bouwplan sprake is van woningen met een eigen garage of oprit waarin/ waarop de eigen auto geparkeerd kan worden, gelden andere rekenaantallen dan het aantal aanwezige plaatsen. Een garage namelijk niet altijd gebruikt voor de auto en op een oprit wordt om verschillende redenen niet altijd geparkeerd. In die gevallen waarbij sprake is van parkeerplekken op eigen terrein bij woningen, geldt de volgende tabel:
Berekeningsaantallen parkeervoorzieningen bij woningen. Bron: Parkeerbeleidsplan Hilvarenbeek, 2015 – 2020, 16 juli 2015.
In totaal worden er in het noordelijk deel 38 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 35 in openbaar terrein. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte voor het noordelijk deel (35,8). Er is een klein overschot van 2 parkeerplaatsen. In het zuidelijk deel worden er 94 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 40 openbaar, 48 in de parkeerkelder en de resterende plaatsen op privé terrein. Ook in dit deelgebied wordt voldaan aan de parkeerbehoefte (83,6). Er is een overschot van 10 parkeerplaatsen. De parkeervakken in de openbare ruimte en op privé terreinen, zoals ingetekend op het verkavelingsplan en op de visualisatie van de parkeerbalans (bijlage 2), voldoen aan de NEN 2443 norm. In voorliggend bestemmingsplan is in de regels geborgen dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen inzichtelijk dient te worden gemaakt dat op basis van het Parkeerbeleidsplan 2015-2020 van de gemeente Hilvarenbeek voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient getoetst te worden of de bouwaanvraag het benodigde aantal parkeerplaatsen bevat. Conclusie Op basis van de planologische mogelijkheden kan voldaan worden aan de parkeerbehoefte die ontstaat door de ontwikkeling van de 71 woningen. 3.6
Verkeersveiligheid en bereikbaarheid
Op erftoegangswegen is sprake van menging van alle verkeerssoorten. Het ‘uitwisselen’ gebeurt op wegvakken en op kruispunten. De snelheid van het gemotoriseerd verkeer ligt laag en er kunnen overal oversteekbewegingen worden gemaakt, zowel op wegvakken als op kruispunten. Verkeersongelukken worden doorgaans voorkomen door de lage rijsnelheden en doordat de bestuurders door de korte afstand die ze afleggen alert zijn. Het CROW schrijft ter plaatse van erftoegangswegen binnen de bebouwde kom een maximumsnelheidseis voor personenauto’s voor van 30 km/u. Er wordt voor de nieuwe erftoegangswegen eveneens een maximale snelheid van 30 km/u voor gemotoriseerd verkeer toegestaan. De lage maximumsnelheid op de erftoegangswegen verkleint het voorvallen - en de ernst van ongelukken aanzienlijk.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 12/64
De feitelijke uitvoering, keuze materialen en eventueel te nemen verkeersbesluiten vindt geen plaats in dit bestemmingsplan. Criteria over uitritten, fietspaden, wegen en andere verkeerstechnische aspecten zijn te vinden in de Wegenverkeerswet, het Reglement Verkeerstekens en Verkeersregels 1990, het Besluit administratieve bepalingen, de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens en uiteraard in gemeentelijke regels zoals het GVVP en de APV. De ontwikkelaars en de gemeente Hilvarenbeek maken in een anterieure overeenkomst nadere afspraken over de inrichting van de openbare ruimte. Het plan moet voldoen aan de Handreiking Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid 2019. Bij de uitwerking van het civiele plan wordt hier rekening mee gehouden. De gemeente adviseert om het bouwverkeer via de Roodloop te laten rijden. Daarbij moet aandacht uitgaan naar een goede bouwplaats-inrichting en bebording voor het bouwverkeer. De uitvoerder dient voorafgaand aan de bouw een verkeersplan/bouwplaats-inrichtingsplan aan te leveren dat de gemeente toetst.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 13/64
4
Beleidskader
4.1
Inleiding
De gemeente Hilvarenbeek heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijk beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meer zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit bestemmingsplan relevante structuurvisies, verordeningen en overige beleidsdocumenten per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid. 4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012
Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet.
Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit.
Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 14/64
Beoordeling Voorliggend plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, is van toepassing op onderhavig plan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. 4.2.2
Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012
Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Ligging van het plangebied binnen radarverstoringsgebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2022.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 15/64
Beoordeling Voorliggend plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen en het radarstation op vliegbasis Woensdrecht. Rondom deze radarstations mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In het radarverstoringsgebied van Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het radarverstoringsgebied van Woensdrecht geldt een maximale hoogte van 113 meter ten opzichte van het NAP. In het onderhavige plan wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat en er wordt ook geen planologisch kader geboden voor het oprichten van windturbines. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation. Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en de Rarro van toepassing, aangezien er bij onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro. 4.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012
Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.
Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan: a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied?
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 16/64
e.
Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?
a.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?
Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige bestemmingsplan maakt ter plaatse van het plangebied de realisatie van 71 woningen mogelijk. De ontwikkeling is gelet op de omvang als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. b.
Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
Uit de ‘overzichtsuitspraak van de ABRvS blijkt dat van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling van het ruimtelijke besluit, in vergelijking met het voorgaande planologische regime, blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied bestaat ruigtepercelen en percelen die als landbouwgrond in gebruik zijn. Het plangebied heeft grotendeels de bestemming ‘Agrarisch’ en voor een klein deel de bestemming ‘Groen’, ‘Wonen’ en ‘Horeca’. Het onderhavige plan maakt ter plaatse van het plangebied de realisatie van 71 woningen mogelijk. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en een groter ruimtebeslag. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. c.
Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling?
Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, lid 2 Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar een of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Uit een publicatie van de provincie Noord-Brabant ‘Kwartaalbeeld Woningmarkt Noord-Brabant’ (december 2019) blijkt hoe de Brabantse woningmarkt ervoor staat en hoe deze zich ontwikkeld. De groei van de woningvoorraad is de laatste jaren flink toegenomen in Brabant. Lag deze groei in 2015 nog op slechts 6.700 woningen, gegevens over 2018 laten een groei zien van liefst 12.750 woningen. In 2019 wordt een vergelijkbare toename van de woningvoorraad verwacht, al duidt de feitelijke groei over de eerste 9 maanden van dit jaar op een lichte terugval. Met een verwachte groei van ca. 11.500 woningen lijkt 2020 een wat minder bouwjaar te worden.
Naast de toegenomen nieuwbouw speelt, met name in de (grotere) steden, ook het aantal 'toevoegingen anderszins' een rol, zoals het herbestemmen naar woonruimte van leegstaand kantoor-, winkel- en ander vastgoed. In 2018 is de meest actuele versie van de Brabantse Agenda Wonen gepubliceerd. De Brabantse Agenda Wonen geeft aan wat van de provincie mag worden verwacht op de Brabantse woningmarkt. Hiermee wil de provincie stevig bijdragen aan het oplossen van een aantal maatschappelijke knelpunten, zoals verduurzaming en transformatie van leegstaand vastgoed. Brabant heeft een grote woningbouwopgave, met een sterk accent op de eerstkomende 10 tot 15 jaar (meer dan 120.000 woningen tot 2030). De belangrijkste doelstellingen van de Brabantse Agenda Wonen zijn: • dat er voldoende woningen worden gebouwd;
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 17/64
•
• •
• •
dat er een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod is van woningen en woonmilieus, dat aansluit op de vraag van de woonconsument, met aandacht ook voor de huisvesting van specifieke doelgroepen en nieuwe woonvormen; dat er oog is voor verduurzaming en kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en woonomgeving; dat het wonen bijdraagt aan de omgevingskwaliteit van stad én dorp en de mogelijkheden voor woningbouw op binnenstedelijke locaties en om woonruimte te realiseren in leegstaand vastgoed zo goed mogelijk worden benut; dat het planaanbod voor woningbouw realistisch en flexibel is en dat het planaanbod – zowel kwantitatief, kwalitatief als ruimtelijk – regionaal is afgewogen, met specifiek aandacht voor de meer grootschalige gebiedsontwikkelingen en uitbreidingslocaties.
In de Regionale Agenda Wonen 2017 zijn de laatste kwantitatieve woningbehoefte-gegevens opgenomen. Uit regionale woningbouwafspraken van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) in de Regionale Agenda Wonen 2017 blijkt dat de woningbouwbehoefte tot 2025 blijft stijgen. De regionale woningbouwopgave bedraagt tot 2025 16.725 woningen. Voor de gemeente Hilvarenbeek geldt dat de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen wordt geschat op 585 woningen. Naar aanleiding hiervan kan gesteld worden dat er voldoende ruimte is voor het toevoegen van de 71 woningen die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. De gemeente dient uiteindelijk de nieuwe woningen op te nemen in haar woningbouwprogramma. De provinciale ambities heeft de gemeente Hilvarenbeek vertaald naar de ‘Woonvisie 2020-2030’. Aan de gemeentelijke woonvisie wordt navolgend getoetst.
Woningbouwcapaciteiten en -opgaven in de regio Midden-Brabant. Binnen het rode kader is de gemeente Hilvarenbeek aangeduid. Bron: Regionale Agenda Wonen 2017– Deel A, 2016.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 18/64
Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente haar beleid op het brede vlak van ‘wonen’ opnieuw bepaald. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat voor alle inkomensgroepen voldoende mogelijkheden zijn om een passende woning te vinden. Voor kleine huishoudens, ouderen en starters (huishoudens met een laag inkomen) is het van belang dat er voldoende betaalbare woningen beschikbaar zijn in de gemeente. Onderhavig initiatief voorziet voor een groot deel in deze woningen. Het initiatief komt eveneens tegemoet aan de kwantitatieve opgave van ongeveer 500 woningen de komende tien jaar. Tevens wordt voldaan aan de kwalitatieve behoefte naar woningen. Het plan maakt veel goedkope woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens mogelijk. Voor een uitgebreide toetsing aan de Woonvisie 2020-2030 wordt verwezen naar paragraaf 4.4. d.
Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied?
Uit de wetstekst en de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat indien de ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ buiten ‘bestaand stedelijk gebied’ is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderhavige ontwikkeling is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van Hilvarenbeek. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ hoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan het vereiste van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, want het woningbouwplan voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. 4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’
Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeersen vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.
De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 19/64
Beoordeling Het onderhavige planvoornemen heeft raakvlakken met elk van de ambities uit de Omgevingsvisie. De realisatie van woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied is een vorm van duurzaam ruimtegebruik. Derhalve is met onderhavig initiatief sprake van een bijdrage aan een duurzame omgevingskwaliteit. Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen de in de Omgevingsvisie Noord-Brabant gestelde doelen.
4.3.2
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening – partiële herziening 2014
Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) weer. Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis en het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in 2014. Op onder andere de volgende onderdelen vindt bijsturing van het beleid plaats: transitie van stad en platteland, intrekken reconstructie- en gebiedsplannen, groenbeleid, samenhangend beleid voor de ondergrond en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij. De, ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn met name van belang voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol. De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren.
De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: 1. de groenblauwe structuur: gebieden waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden; 2. de agrarische structuur: een breed georiënteerde plattelandseconomie, waar landbouw een belangrijke drager is en waar de landbouwfunctie goed is afgestemd op de omgeving; 3. de stedelijke structuur: alle grote locaties voor wonen, werken en voorzieningen zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen, waar de nadruk ligt op concentratie, zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit, verknoping aan infrastructuur en versterking van kennisinnovatieve economie; 4. infrastructuur: samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen waarbij de nadruk ligt op betere verknoping, bevorderen bereikbaarheid, aandacht voor landschap en goede verdeling over verschillende netwerken.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 20/64
Uitsnede van de Structurenkaart behorend bij de SVRO. Het deel van het plangebied waarbinnen woningbouw wordt ontwikkeld ligt binnen de aanduiding ‘Kernen in het landelijk gebied’. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 21/64
Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dit dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen. Bij ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een investering in het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Beoordeling De kern Hilvarenbeek is op de structurenkaart behorende bij de SVRO aangeduid als ‘kernen in het landelijk gebied’. In de kernen in het landelijk gebied voorziet de provincie in enkel de opvang van de lokale behoefte voor verstedelijking, ten aanzien van wonen, werken en voorzieningen. In regionaal verband dienen afspraken gemaakt te worden over de verdeling van het te ontwikkelen programma. Voor het plangebied ligt het accent van de provincie binnen het ruimtelijk beleid op zorgvuldig ruimtegebruik: de provincie wil de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen. Voor de ‘kernen in het landelijk gebied’ betekent dit het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied. Dit houdt in dat het accent op inbreiden en herstructureren ligt.
Het aansnijden van nieuwe ruimte voor verstedelijking is pas aan de orde, als gebleken is dat de bouwopgave voor wonen en werken niet binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd, ook niet in andere kernen of op andere bedrijventerreinen binnen de gemeente, wat betreft wonen, en binnen de betreffende landelijke regio, wat betreft werken. Als toch nieuw ruimtebeslag nodig is, kan dit alleen daar waar, gelet op de ruimtelijke kwaliteiten binnen dat gebied, verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden liggen. Ruimtelijke karakteristieken en kwaliteiten worden dus meer bepalend voor de wijze waarop de (economische) dynamiek in de landelijke regio’s haar plek krijgt. Dit heeft tot gevolg dat de bouwmogelijkheden per kern verschillen en dat niet iedere gemeente of iedere kern een nieuwe locatie kan ontwikkelen. Met de realisatie van 71 woningen binnen het bestaand stedelijk gebied van Hilvarenbeek wordt op verschillende wijzen bijgedragen aan het leidende principe van ‘zorgvuldig ruimtegebruik’. Zo vindt er ten eerste inbreiding plaats op een locatie die tot op heden lange tijd onbenut is. Het gebruik van de gronden wordt door de voorgenomen ontwikkeling geïntensiveerd. Het open buitengebied rondom de kern Hilvarenbeek blijft hierdoor gevrijwaard van verstening.
Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat voorliggend planvoornemen mogelijk is binnen de kaders van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant. 4.3.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via een de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening NoordBrabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2021 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 22/64
waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze. Waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is binnen de Omgevingsverordening gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkeling binnen het ‘Stedelijk gebied’. Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit van de ruimtelijke kwaliteit uit artikel 3.5 t/m 3.8. De toetsing wordt hierna uitgevoerd.
Uitsnede kaartbeeld ‘stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 23/64
4.3.3.1
Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling
Toetsingskader Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch toevoegen van maximaal 71 wooneenheden in het bestaand stedelijk gebied van Hilvarenbeek. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het Stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov, mits passend binnen de woningbouwafspraken zoals deze op regionaal niveau zijn bepaald en mits de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.
De behoefte aan woningen wordt in Noord-Brabant bepaald aan de hand van de provinciale “Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant”. De woningbehoefte/opgave van 2016-2025 bedraagt 585 woningen. Hierbij is voornamelijk vraag naar betaalbare woningen voor starters en eenpersoonshuishoudens. Ter plaatse van het plangebied worden 71 wooneenheden toegevoegd aan de woningvoorraad. Het plan past binnen de regionale afspraken als bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Zie voor een uitgebreide verantwoording de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 4.2.3. Onderhavige ontwikkeling betreft voorts een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’: de ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door gebruikmaking van een inbreidingslocatie tussen de achterzijden van percelen aan de Tilburgseweg en het sportcomplex aan de Roodloop. Hittestress wordt voorkomen vanwege een ruim opgezet bouwplan met veel ruimte voor groen en water. In het plan wordt voldoende ruimte voor waterberging bij extreme neerslag gerealiseerd. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov. 4.3.3.2
Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (Paragraaf 3.1.2) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie.
datum referentie
14 oktober 2022 180350_AdB_TOE_0001_v3.2
P 24/64
Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1) nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2) er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.
de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Met onderhavig initiatief is hiervan sprake; b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 4.2.3 getoetst. c.