CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

16 Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 8A (5 Toelichting)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Klein Westerwijksestraat 8a”.29.750 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In casu vindt, zoals hiervoor reeds is aangegeven, een aanmerkelijke kwaliteitsverbetering plaats middels de herbestemming van agrarische gronden naar groen en een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Pagina 49 van 88

van het landschap. Daarnaast betreft het een functie die zich, gelet op diens aard en omvang uitermate goed in het buitengebied voegt. Voor een nadere motivatie van het bedrijf en de gedane werkzaamheden en dergelijke wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van de onderhavige toelichting. Daar komt bij dat de planlocatie uitermate geschikt is gelegen nabij de N269. Hierdoor kent de planlocatie een erg goede ontsluitingsroute in de richting van onder meer Tilburg en de Beekse Bergen en worden diverse verkeersbewegingen in het buitengebied voorkomen. Daarnaast wordt benoemd dat als strategie wordt aangesloten bij niet-agrarische functies uit paragraaf 3.3 voor wat betreft omvang en soort functie. Hierbij dient opgemerkt te worden dat geen sprake is van op zichzelf staande detailhandel en van een soort bedrijf wat veel verkeer genereert. Ook is geen sprake van mestbewerking en/of verwerking en daarnaast dient opgemerkt te worden dat van veel milieuhinder geen sprake is. Immers, de beoogde beperkte uitbreiding heeft geen wijziging in de milieucategorie en daarmee op de milieubelasting tot gevolg. Tot slot wordt nog verwezen naar het algemene afwegingskader, zoals vastgelegd in hoofdstuk 4. Op basis van Vitaal Beeks Buiten (VBB) is er een afwegingskader op basis van ‘toegevoegde waarde voor het buitengebied’ en of de ‘ontwikkeling past in de zonering dynamiek-luwte-rust’.

Ten aanzien van toegevoegde waarde wordt onder meer aangegeven dat een verruiming van de ontwikkelingsmogelijkheden in het buitengebied niet ten koste mag gaan van de kwaliteit en leefbaarheid. Er wordt alleen ruimte geboden aan initiatieven die bijdragen aan de kwaliteiten van het buitengebied. Ook moet aangegeven worden dat door een bepaalde ontwikkeling de leefbaarheid en het daarvoor benodigde voorzieningenniveau in de kernen niet wordt verstoord. De planlocatie bevindt zich gunstig ten opzichte van de N269. Hierdoor kent de planlocatie een erg goede ontsluitingsroute in de richting van onder meer Tilburg en de Beekse Bergen en worden diverse verkeersbewegingen in het buitengebied voorkomen. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen van de situering van de planlocatie ten opzichte van de nabijgelegen N269. Deze afbeelding laat zien dat de planlocatie op zeer korte afstand van de N269 is gesitueerd en een eenvoudige ontsluiting in onder meer de richting van Tilburg kent. Immers, verkeer dat het plangebied verlaat in overwegend westelijke richting maakt vervolgens gebruik van de Leisenweg in overwegend zuidelijke richting. De Leisenweg wordt vervolgens via de Tilburgseweg ontsloten op de N269 die ontsluiting biedt aan verkeer in de richting van onder meer Tilburg en de A58.

Pagina 50 van 88

Figuur 24: Situering ten opzichte van N269

De beoogde beperkte uitbreiding van het niet-agrarische bedrijf binnen de planlocatie heeft geen negatieve impact op de leefbaarheid of de kwaliteit van het buitengebied. Immers, de beoogde ontwikkeling vindt volledig binnen bestaand ruimtebeslag plaats. Verder vindt binnen de planlocatie een herbestemming van agrarische gronden naar groen plaats waarbinnen wordt voorzien in landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap. Gelet hierop heeft de beoogde ontwikkeling toegevoegde waarde voor het buitengebied nu een en ander gepaard gaat met een versterking van de omgevingskwaliteit. Daarnaast heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve impact op de leefbaarheid of het voorzieningen niveau binnen de kernen en is de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit inpasbaar binnen de omgeving. Voor een nadere motivatie zie hoofdstuk 4 van de onderhavige toelichting. Het ‘buitengebied’ ter plaatse van de planlocatie is in de zonering ‘dynamiek-luwte-rust’ te positioneren tussen dynamiek en luwte. De planlocatie bevindt zich namelijk tussen de N269, hetgeen een belangrijke verkeersader betreft en de kern Biest-Houtakker. In onderstaande afbeelding is dit weergeven.

Pagina 51 van 88

planlocatie Figuur 25: Zonering ‘dynamiek-luwte-rust’

Gezien sprake is van een redelijk dynamische locatie met een goede ontsluiting is de wens voor een beperkte uitbreiding van de bestaande bedrijfsactiviteiten voorstelbaar. Daar komt bij dat geen sprake is van een functie die onevenredig veel verkeer aantrekt. Ook wordt parkeer op eigen terrein opgelost. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies’.

Pagina 52 van 88

4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •

bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herbestemd naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf. Op grond van de vergunde situatie is binnen de planlocatie reeds een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf met aanhorigheden toegestaan. Ook is binnen de planlocatie in de huidige planologische situatie reeds een woonfunctie toegestaan. In de beoogde planologische situatie wordt de vergunde situatie positief bestemd en wordt het gebruik voorgezet met een beperkte uitbreiding.

Ook blijft een woonfunctie binnen de planlocatie behouden. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met een gebruikswijziging en met de komst van een gevoelige functie. Dit maakt dat geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen andere bodemkwaliteit vraagt dan in de huidige situatie, waardoor de bodemkwaliteit geschikt is voor de voortzetting van het huidige en reeds vergunde gebruik. Pagina 53 van 88

Conclusie Het aspect ‘bodem’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.3.1 Waterrelevant beleid Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009.

De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit.

Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Pagina 54 van 88

Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Uniformering Keuren

Pagina 55 van 88

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. De keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. b. c. d.

het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x Gevoeligheidsfactor x 0,06.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Beoordeling Ten aanzien van de beoordeling of de beoogde ontwikkeling een toename van verhard oppervlak tot gevolg heeft dient opgemerkt te worden dat hiervan geen sprake is. Dit ondanks de omstandigheid dat de beoogde ontwikkeling een toename van bebouwing tot gevolg heeft. Dit is te verklaren door de omstandigheid dat de gronden rondom de reeds aanwezige bedrijfsgebouwen binnen de planlocatie nagenoeg volledig zijn voorzien van verharding. De beoogde uitbreiding van onder meer de bedrijfsgebouwen zijn voorzien op gronden die reeds voorzien zijn van verharding, waardoor de ontwikkeling per saldo geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg heeft. Per saldo is in casu zelfs sprake van een afname van verhard oppervlak.

Gelet hierop is op grond van de keur van het waterschap geen verplichting tot de realisatie van een waterbergende voorziening.

Pagina 56 van 88

Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek (Riool- en Waterprogramma 2022-2026 (met bijlage Hemel- en Grondwaterbeleid) De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m2 zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt het volgende verstaan: ‘oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd.

Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken’. Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor ¼.

Figuur 26: Uitsnede kaart compensatiefactor (planlocatie is indicatief voorzien van een rode cirkel)

Vanwege de ligging van de planlocatie binnen een gebied met een compensatiefactor ¼ is een compenserende waterberging van 15 mm nodig voor de toename van het verharde oppervlak. Ten aanzien van de beoordeling of de beoogde ontwikkeling een toename van verhard oppervlak tot gevolg heeft dient opgemerkt te worden dat hiervan geen sprake is. Dit ondanks de omstandigheid dat de beoogde ontwikkeling een toename van bebouwing tot gevolg heeft. Dit is te verklaren door de omstandigheid dat de gronden rondom de reeds aanwezige bedrijfsgebouwen binnen de planlocatie Pagina 57 van 88

nagenoeg volledig zijn voorzien van verharding. De beoogde uitbreiding van onder meer de bedrijfsgebouwen zijn voorzien op gronden die reeds voorzien zijn van verharding, waardoor de ontwikkeling per saldo geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg heeft. Per saldo is in casu zelfs sprake van een afname van verhard oppervlak. Echter, hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de gemeente Hilvarenbeek onder “nieuw verhard oppervlak” het volgende verstaat: ‘oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken’. Dit betekent dat inzichtelijk gemaakt dient te worden welke bebouwing/verharding nieuw wordt aangelegd en/of herbouw. In casu wordt de huidige woning verplaatst en herbouwd. De beoogde bedrijfswoning kent een omvang van circa 120 m2. Hierbij wordt uitgegaan van circa 100 m2 aanvullend verhard oppervlak. Verder wordt ter plaatse van de te verplaatsen woning een kantoor gerealiseerd met een omvang van 96 m2. Daarnaast wordt een machineloods inclusief overkapping gerealiseerd met een omvang van circa 383 m 2 en worden aan bestaande bedrijfsgebouwen een dakoverstek en/of overkapping gerealiseerd met een omvang van circa 102 m2. Gelet op het vorenstaande bedraagt het “nieuwe verharde oppervlak” in zijn totaliteit circa 800 m2.

De vereiste compensatie kan berekend worden door het “nieuwe verharde oppervlak” te vermenigvuldigen met een waterschijf van 15 mm (0,015 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,006 (m) De benodigde compensatie voor de locatie betreft dus: 800 x 0,25 x 0,06 = 12 m³.

Pagina 58 van 88

Figuur 27: GHG waterstand (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode omlijning)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) binnen de planlocatie overwegend circa 140 cm – 100 cm bedraagt. Om de berging van water te waarborgen wordt binnen het plangebied een infiltratiesloot aangelegd. De benutbare diepte voor retentie van hemelwater is vanaf maaiveld circa 80 cm. (20 cm. boven GHG). Bij het ontwerp van de infiltratiesloot zal rekening gehouden worden met deze benutbare diepte en de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Verder kent de infiltratiesloot een breedte van circa 2,2 meter en een inhoud van circa 80 m3. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de benodigde waterberging binnen de planlocatie. Middels het landschappelijk inpassingsplan, dat tevens wordt gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat binnen de planlocatie voorzien zal worden in een waterbergende voorziening van ruimschoots voldoende omvang. Conclusie Omdat er in de beoogde situatie sprake is van her- en nieuwbouw van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet in voldoende compenserende maatregelen. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd.

Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond Pagina 59 van 88

aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Met het planvoornemen wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren gaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.

Figuur 28 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte stip)

De planlocatie bevindt zich binnen de regio de Kempen, hetgeen is aangemerkt als een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Het cultuurhistorisch belang van deze regio wordt als volgt beschreven: ‘De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de Pagina 60 van 88

plaatselijk aanwezige klein-schaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland’. De beoogde herbestemming en herontwikkeling van de locatie aan de Klein Westerwijksestraat 8A te Hilvarenbeek doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de Kempen als regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Verder is de planlocatie gelegen binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied, te weten het Akkercomplex Biest-/Westerwijk. Dit betreft een open akkercomplex met de bolle ligging en het esdek. Binnen dit complex geldt de strategie van planologische bescherming van de waarden en kenmerken. Daarnaast is ten aanzien van dit gebied de navolgende specifieke beschrijving opgenomen: ‘Het gebied bestaat uit het akkercomplex van de buurtschappen Biest, Driehuizen, Voort en Westerwijk.Het akkercomplex wordt doorsneden door het Wilhelminakanaal en de N 269. Het bodemgebruik is grasland, bouwland en verschillende percelen boomteelt. Het is een akkercomplex met esdek, bolle ligging, openheid, steilranden en zandpaden. Over het akkercomplex loopt de Bosscheweg.

Deze onverharde weg maakte onderdeel uit van de oude handelsroute van Hilvarenbeek naar 's-Hertogenbosch. Aan de noordkant van het akkercomplex staat een oude kapel een restant van het grotendeels verwenen buurtschap Westrik. Het gebied kent een samenhang met het beekdal Spruitenstroompje/Roodloop’. In het vigerende bestemmingsplan is het akkercomplex planologisch beschermd met een gebiedsaanduiding, waardoor de gronden onder meer zijn beschermd voor het behoud en herstel van de kenmerkende openheid van de complexen. In casu vindt de beoogde herontwikkeling en beperkte uitbreiding volledig plaats binnen het huidige bouwperceel. Een en ander doet geen afbreuk aan het akkercomplex wat zich direct ten oosten van de beoogde bedrijfsbestemming bevindt. Bovendien blijft een gebiedsaanduiding ter plaatse van toepassing ter bescherming van de cultuurhistorische waarden. Daarnaast is de planlocatie gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap ‘landgoederen ten zuiden van Tilburg’. Het cultuurhistorisch belang wordt als volgt omschreven: ‘Het gebied bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de middeleeuwse hoeves en buurtschappen (met kleine akkercomplexen) die de kern vormden van de landgoederen of die daarin zijn opgenomen.

Dun, Teulder, Gorp en Lamenakker zijn grotendeels) verdwenen buurtschappen met beboste akkercomplexen (wüstungen)’. Als ontwikkelstrategie wordt onder meer het behoud en beleefbaar maken van buurtschappen en akkercomplexen aangemerkt. Ook wordt aangegeven dat de cultuurhistorische waardering vergroot dient te worden door de vergroting van de beleving. In overeenstemming met de eerdere beoordeling geldt dat de beoogde herontwikkeling en beperkte uitbreiding volledig plaatsvindt binnen het huidige bouwperceel. Een en ander doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van het akkercomplex. Bovendien blijft dit akkercomplex ook in de beoogde situatie beschermd. Tot slot dient opgemerkt te worden dat met een zorgvuldige en adequate landschappelijke inpassing een bijdrage wordt geleverd aan de vergroting van de beleving van het akkercomplex als zodanig. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de Klein Westerwijksestraat is aangemerkt als een lijn van redelijk hoge waarde. Echter, het planvoornemen doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk doet aan deze cultuurhistorisch waardevolle lijn of het heersende straatbeeld. Conclusie Pagina 61 van 88

De beoogde herontwikkeling heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7).

Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de archeologische beleidskaart Hilvarenbeek.

Pagina 62 van 88

Figuur 29: Uitsnede Archeologische beleidskaart Hilvarenbeek (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte cirkel)

Beoordeling De planlocatie is op grond van de archeologische beleidskaart Hilvarenbeek in hoofdzaak aangeduid als ‘hoge archeologische verwachting’ (categorie 4). Verder is de uiterst oostelijke zijde van de planlocatie aangeduid als ‘archeologische vindplaats’ (categorie 3). Het gemeentelijke archeologiebeleid is vervolgens verankerd in het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied. De planlocatie kent op grond van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 1” en “Waarde – Archeologie 3”. Op voorhand kan hierbij opgemerkt worden dat binnen de gronden voorzien van de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3” geen bodemingrepen zijn voorzien, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen archeologische waarden verloren gaan. Bovendien blijft de dubbelbestemming gehandhaafd, waardoor archeologische waarden ook in de beoogde planologische situatie beschermd blijven. Pagina 63 van 88

Ten aanzien van de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” dient opgemerkt te worden dat voor bodemingrepen met een oppervlakte van 500 m2 geen restricties gelden. Met het planvoornemen zijn geen bodemingrepen voorzien waarbij de voorgeschreven oppervlakte van 500 m2 wordt overschreden. Gelet hierop wordt de ondergrens van 500 m2 niet overschreden, waardoor geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Bovendien zijn de beoogde bodemingrepen van geringe omvang beoogd binnen een bestaand bouwperceel en ten dele ter plaatse van bestaande bebouwing. Hierdoor is het voor de hand liggend dat ter plaatse reed sprake is van geroerde grond, waardoor het voorkomen van archeologische waarden zeer onwaarschijnlijk is. Conclusie Met het planvoornemen zijn geen bodemingrepen voorzien die de ondergrens van 500 m2 overschrijden. Hierdoor is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten.

Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft Kempenland-West op circa 2,85 kilometer in overwegend zuidoostelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Pagina 64 van 88

2,85 km.

Figuur 30: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte stip)

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan in beginsel met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is, indien nodig, een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken. Bouwfase Ten aanzien van de bouw-/aanlegfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierbij is zowel ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen als ten aanzien van de inzet van mobiele bronnen uitgegaan van een absoluut worst-case scenario.

Dit om met absolute zekerheid te kunnen duiden dat de beoogde aanlegfase met zekerheid geen noemenswaardige stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. In werkelijkheid zal zowel het aantal verkeersbewegingen als de inzet van mobiele bronnen beduidend minder bedragen. Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Voor wat betreft deze verkeersbewegingen is uitgegaan van 224 lichte Pagina 65 van 88

verkeersbewegingen per jaar, 224 middelzware verkeersbewegingen per jaar en 56 zware verkeersbewegingen per jaar. Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen.

Figuur 31: Ingevoerde parameters mobiele bronnen aanlegfase

De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat ook in het geval van bovenstaand ‘worst-case’ scenario de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat de gemeente Hilvarenbeek door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant een Standaard advies met betrekking tot stikstofdepositie: voor de gebruiksfase en bouwfase van woningbouwplannen of -projecten op Natura 2000-gebieden op heeft laten stellen. In dit standaardadvies is de maximale stikstofdepositie in mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden per kern, uitgaande van standaard mobiele werktuigen opgenomen. De planlocatie bevindt zich conform dit standaardadvies binnen Biest-Houtakker. Een en ander laat zien dat in het geval binnen de kern Biest-Houtakker t/m 8 woningen worden gerealiseerd de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierbij is het advies van de omgevingsdienst dat te overwegen valt om geen stikstofberekening voor de bouwen gebruiksfase te verlangen. Dit omdat significante effecten op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten zijn.

Wanneer de realisatie van 8 woningen wordt afgezet tegen de beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie kan, losstaand van bovenstaande AERIUS-berekening, met zekerheid geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen significant effect heeft. Alles in resumering nemende is met het bovenstaande voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Conform relevante jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt dit in de fase van een Pagina 66 van 88

bestemmingsplanherziening voldoende geacht. Bij een nadere planvorming, te weten op het oment dat een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen wordt ingediend, zal een en ander voorzien zijn van een verdere uitwerking. Gebruiksfase Ook de gebruiksfase is doorgerekend met het rekenprogramma AERIUS. Hierbij is uitgegaan van in zijn totaliteit 93 verkeersbewegingen per etmaal. Hierbij is uitgegaan van een aandeel van 10% van vrachtverkeer. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de nieuwe gebouwen, waaronder de woning, niet worden aangesloten op het gasnetwerk. Gelet hierop is ten aanzien van voornoemde gebouwen geen sprake van stikstofemissie, waardoor een en ander achterwege is gelaten in de AERIUSberekening. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.

Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. Dat het planvoornemen geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, is bovendien met een AERIUS-berekening aangetoond voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien

Pagina 67 van 88

aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herbestemd naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Een en ander vindt volledig binnen de huidige begrenzing van het bouwperceel perceel plaats. De gronden behorende tot het plangebied worden in de huidige planologische situatie reeds intensief gebruikt. De onderhavige gronden worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf met aanhorigheden. Binnen de planlocatie zijn diverse bedrijfsgebouwen aanwezig en verder is nagenoeg het gehele terrein voorzien van erfverharding. Er bevinden zich binnen de planlocatie geen noemenswaardige groenstructuren of houtopstanden, zoals bomen, boomvormers of struiken. Verder vindt binnen de planlocatie bewoning binnen en rondom een (bedrijfs)woning plaats. De gronden rondom en met name aan de voorzijde van de (bedrijfs)woning zijn ingericht als erf en intensief gebruikte tuin.

Dit intensieve gebruik en de omstandigheid dat nagenoeg de gehele planlocatie is voorzien van erfverharding maakt dat de aanwezigheid van beschermde soorten in zijn algemeenheid niet te verwachten is. Een quickscan flora en fauna is uitgevoerd, waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden naar de actuele aanwezigheid van beschermede soorten flora en fauna in en om de projectlocatie. Hierbij zijn tevens de verwachten effecten van de activiteiten op de projectlocatie beoordeeld. De complete quickscan flora en fauna is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. Beknopt weergegeven, luidt de conclusie van de quickscan flora en fauna dat geen aanleiding bestaat om aanvullend flora- en faunaonderzoek uit te voeren en dat zonder voorziene problemen begonnen kan worden met de geplande werkzaamheden. Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ en de Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen dan ook, gelet op bovenstaande conclusies, niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art.

74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling

Pagina 68 van 88

Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herbestemd naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). In zowel de huidige als de beoogde planologische situatie is binnen de planlocatie één woonfunctie toegestaan. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). Als gevolg van de beoogde herontwikkeling is een akoestisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien is het desondanks wenselijk om het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie inzichtelijk te maken ten aanzien van het aspect geluid wegverkeer. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de geluidsbelasting afkomstig van wegverkeer binnen de planlocatie. Hieruit komt naar voren dat de geluidsbelasting binnen de planlocatie en meer specifiek binnen de beoogde bedrijfswoning circa 51-55 dB bedraagt. Nu sprake is van een bestaand gevoelig object, staat deze geluidsbelasting niet in de weg aan het planvoornemen.

Figuur 32: Geluidsbelasting wegverkeer (planlocatie is indicatief voorzien van een zwarte cirkel

Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Beoordeling

Pagina 69 van 88

Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herbestemd naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). In zowel de huidige als de beoogde planologische situatie is binnen de planlocatie één woonfunctie toegestaan. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie. Hierdoor kan een toetsing aan het aspect bedrijven en milieuzonering in beginsel achterwege blijven en kan met zekerheid geconcludeerd worden dat omliggende bedrijvigheid niet wordt belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Ook kan daarom een toetsing aan geldende richtafstanden ten opzichte van omliggende bedrijvigheid achterwege blijven om het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie inzichtelijk te maken. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien is het desondanks toch wenselijk om te toetsen aan de geldende richtafstanden om inzichtelijk te maken of ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: -

Klein Westerwijksestraat 11: restaurant: categorie 1: grootste richtafstand 10 meter; Klein Westerwijksestraat 13: melkveehouderij: categorie 3.1: grootste richtafstand 100 meter; Klein Westerwijksestraat 6A: melkveehouderij: categorie 3.1: grootste richtafstand 100 meter; Klein Westerwijksetraat 10: grondgebonden teelbedrijf: categorie 2: grootste richtafstand 30 meter; Klein Westerwijksestraat 17: varkenshouderij: categorie 4.1: grootste richtafstand 200 meter.

In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van het bestemmingsplan “Buitengebied” waarop de omliggende bedrijvigheid is weergegeven.

Varkenshouderij, afstand 260 m. Melkveehouderij, afstand 85 m. Restaurant, afstand 40 m.

Grondgebonden teeltbedrijf, afstand 160 m.

Melkveehouderij, afstand 260 m.

Figuur 33: Ligging planlocatie ten opzichte van bedrijvigheid in de directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Pagina 70 van 88

Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van alle omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Dit met uitzondering van de melkveehouderij aan de Klein Westerwijksestraat 13. Ten aanzien van deze melkveehouderij wordt uitsluitend niet voldaan aan de richtafstand van 100 meter voor geur. Ten aanzien van alle overige risicofactoren wordt wel voldaan aan de geldende richtafstanden. In de navolgende paragraaf wordt getoetst aan het aspect geur. Nu voldaan wordt aan geldende richtafstanden ten opzichte van bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie kan worden geconcludeerd dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien kan met zekerheid geconcludeerd worden dat omliggende bedrijven niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat de ligging van de planlocatie zich laat typeren als ‘gemengd’ gebied. De planlocatie bevindt zich namelijk in het buitengebied binnen het buurtschap Westerwijk. Dit buurtschap bestaat in hoofdzaak uit verspreid liggende bebouwing in een lintstructuur langs de bestaande wegenstructuren.

Aanwezige functies bestaan onder meer uit verspreid gelegen woningen, agrarische bedrijven, agrarische gronden en niet-agrarische bedrijvigheid. Verder bevindt zich op korte afstand ten noordoosten van de planlocatie een horecavoorziening. De omgeving van de planlocatie is hierdoor te typeren als een gemengd gebied. Temeer nu de planlocatie zich op betrekkelijk korte afstand van de provinciale weg de N269 bevindt. Dit betekent dat voornoemde richtafstanden zelfs nog met één afstandsmaat verlaagd mogen worden. Hierdoor wordt eveneens ten aanzien van de melkveehouderij aan de Klein Westerwijksestraat 13 voldaan aan de geldende richtafstanden. Ten aanzien van de bedrijfsmatige activiteiten die binnen de planlocatie worden geëxploiteerd, dient opgemerkt te worden dat reeds sprake is van een vergunde situatie voor de exploitatie van een metaalbewerkingsbedrijf aldaar. Met de beoogde ontwikkeling wordt een en ander uitsluitend herbestemd naar gelang de reeds vergunde situatie en wordt voorzien in een beperkte uitbreiding binnen bestaand ruimtebeslag. Nu geen uitbreiding van het bouwperceel of anderszins is voorzien, kan met zekerheid geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bezien inpasbaar is in de omgeving.

Immers, het college heeft bij besluit van 26 oktober 2015 aan de hand van een verleende omgevingsvergunning geoordeeld dat de komst van een metaalbewerkingsbedrijf ter plaatse vanuit milieuhygiënisch oogpunt inpasbaar is binnen de omgeving. Met de beoogde herbestemming wordt in principe de reeds vergunde situatie uitsluitend positief bestemd. Daar komt bij dat het vergunde metaalbewerkingsbedrijf het beste te typeren is als een constructiewerkplaats, gesloten gebouw, p.o. > 200 m2. Een en ander betreft conform de VNGhandreiking bedrijven en milieuzonering categorie 3.2 bedrijvigheid. Binnen gemengd gebied geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. Ten aanzien van omliggende gevoelige functie wordt voldaan aan deze afstandsmaat ten opzichte van de situering van het bouwvlak binnen de planlocatie. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat het college bij de vergunningverlening in 2015 tot de conclusie is gekomen dat de bedrijvigheid categorie 2 bedrijvigheid betrof. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet in de weg aan het planvoornemen.

Pagina 71 van 88

4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Niet-agrarische bedrijven in de omgeving bevinden zich namelijk op behoorlijke afstand van de planlocatie in overwegend zuidwestelijke richting. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen.

Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. 4.10.1 Geurgevoelige objecten Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herbestemd naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Zowel in de beoogde als de huidige situatie bevindt zich binnen de planlocatie een metaalbewerkingsbedrijf waarbinnen zich in relatief permanente mate mensen kunnen begeven en één woonfunctie. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling in beginsel niet gepaard met de toevoeging van een geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Echter, vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, is het toch wenselijk om te toetsen aan het aspect geur. Dit om inzichtelijk te maken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven worden beperkt in ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Daar komt bij dat binnen de planlocatie wordt voorzien in een kantoorfunctie.

Nu zich binnen dit kantoor meer dan twee uur per dag mensen kunnen begeven, kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de toevoeging van een geurgevoelig object. 4.10.2 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Binnen de planlocatie bevindt zich zowel in de huidige als in de beoogde situatie één geurgevoelig object onder artikel 3, lid 2: ‘een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij’. Verder bevindt zich zowel in de huidige als de beoogde situatie een metaalbewerkingsbedrijf waarbinnen zich in betrekkelijk permanente mate mensen kunnen begeven. Nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de toevoeging van een geurgevoelig object heeft de beoogde ontwikkeling per definitie geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg voor omliggende veehouderijen. Verder is voor de bedrijfswoning die voorheen onderdeel uitmaakte van een andere veehouderij alleen een vaste afstandsmaat van toepassing, te weten 50 meter, aangezien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Verder dient op grond van artikel 3 van de Wgv de afstand van de

Pagina 72 van 88

buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal 25 meter te bedragen aangezien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. In het onderhavige geval wordt voldaan aan de minimale afstanden, zoals vastgelegd in de Wgv. Omliggende veehouderijen worden dan ook niet beperkt in diens ontwikkelingsmogelijkheden. 4.10.3 Woon- en leefklimaat In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking.

Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in onderstaande tabel. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25

Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14330738/1