CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

16 Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 8A (5 Toelichting)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Klein Westerwijksestraat 8a”.29.750 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. Op basis van de geurkaart met de achtergrondbelasting opgesteld door de ODZOB (peildatum maart 2022) valt op te maken dat bij de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting tussen 7 – 13 ouE/m3, zijnde ‘redelijk goed’. Gelet hierop is ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In onderstaande afbeelding is de achtergrondbelasting weergegeven.

Pagina 73 van 88

Figuur 34: Kaart achtergrondbelasting geur ODZOB (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte stip)

Vanwege het groot aantal veehouderijen in de directe omgeving is een geurberekening (voor- en achtergrondbelasting) uitgevoerd om het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie te bepalen. Het complete geuronderzoek is als bijlage aan de toelichting opgenomen. Beknopt weergegeven, is in dit geuronderzoek tot de conclusie gekomen dat de achtergrondbelasting ter plaatse maximaal 10,47 Oue/ m3 bedraagt. Hiermee is sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. Verder is de veehouderij gelegen aan de Klein Westerwijksestraat 17 te Hilvarenbeek, gelet op de afstand en hoeveelheid odour units, dominant en maatgevend voor de geurberekening van de voorgrondbelasting. De uitgevoerde berekening van de voorgrondbelasting resulteert in ten hoogste 9,8 ouE/m³ op het nieuwe kantoor als nieuw geurgevoelig object zijnde. Op basis van de Verordening geurhinder en veehouderij van gemeente Hilvarenbeek bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij in het buitengebied op de voor geurgevoelige objecten 10 ouE/m³. Hier wordt in casu aan voldaan. Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’.

4.11 Volksgezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herbestemd naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Zowel in de beoogde als de huidige situatie bevindt zich binnen de planlocatie één woonfunctie. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie, waardoor een toetsing aan het aspect volksgezondheid in beginsel achterwege kan blijven. Echter, vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, is het woon- en leefklimaat in het kader van volksgezondheid in relatie tot omliggende veehouderijen toch relevant. Pagina 74 van 88

Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen) en geitenhouderijen. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld.

Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Binnen 250 meter van de planlocatie is geen varkenshouderij of pluimveehouderij gelegen.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Ook al wordt met de beoogde ontwikkeling geen woning of gevoelig object toegevoegd, wordt in het onderstaande toch getoetst aan de afstanden van de planlocatie ten opzichte van nabij gelegen geitenhouderijen. Pagina 75 van 88

Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Groot Loo 13 Hilvarenbeek (3,1 km); • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (1,3 km); • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (1,3 km); • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (1,2 km); • Tuldensedijk 7 Esbeek (6,4 km); • Hoekje 9 Diessen (3,5 km); • Esbeeksedijk 4 Diessen (6,4 km); • Frankenstraat 2 Haghorst (4,3 km); • Ontginningsweg 15 Haghorst (5,9 km). De afstand tot de meest dichtstbijzijnde geitenhouderijen (Kanaaldijk 4 en Kleine Voort 12/Oude Tilburgseweg 5) tot het plangebied bedraagt circa 1,2 kilometer, respectievelijk 1,3 kilometer. Overige geitenhouderijen bevinden zich op een afstand die aanmerkelijk meer bedraagt dan 2 kilometer. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen voornoemde geitenhouderijen en de planlocatie meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder dient opgemerkt te worden dat tussen de planlocatie en de nabijgelegen geitenhouderijen reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderijen eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd.

Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie en sprake is van een bestaande situatie, wordt een GGD-advies niet noodzakelijk geacht. Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede kan hierbij worden verwezen naar relevante jurisprudentie van de Afdeling, waaronder een uitspraak van 23 februari 2022 (zaaknummer: 202002286/1/R4). Ook al is deze uitspraak niet geheel vergelijkbaar met onderhavige casus laat deze uitspraak zien dat alleen belangen waarvoor voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat een rol kunnen spelen in de besluitvorming. Aan de hand van algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten moet vast staan dat een activiteit zodanige risico’s oplevert, dat hieraan aanvullende voorschriften moeten worden verbonden of een en ander geweigerd moet worden. Het voorzorgprincipe is naar het oordeel van de Afdeling niet gestoeld op algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten over het verband tussen het houden van geiten en negatieve gevolgen voor de gezondheid en omwonenden.

Deze uitspraak laat derhalve zien dat niet enkel het voorzorgprincipe in de weg kan staan aan bepaalde ontwikkelingen. 4.11.3 Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie wordt in het onderstaande, vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, getoetst of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Pagina 76 van 88

Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. • De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. • Feitelijke omstandigheden: • Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.).

Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen de planlocatie voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing. Zo wordt de bedrijfswoning aan de overwegend westelijke/zuidwestelijke zijde onder meer omzoomd door een robuuste beukenhaag. Deze haag heeft een afschermende werking ten opzichte van agrarische gronden aldaar aangezien drift hierdoor wordt afgevangen. Verder grenst het beoogde kantoorgebouw aan de oostelijke zijde aan gronden die tot het eigendom van de initiatiefnemer behoren. De onderhavige gronden worden ingericht als kruidenrijk grasland/bloemenweide met extensief beheer. Ter plaatse zullen geen bestrijdingsmiddelen worden aan gewend. Gelet hierop zijn de gevoelige functies binnen de planlocatie in voldoende mate afgeschermd van gronden waar bestrijdingsmiddelen worden aangewend. Daar komt bij dat in de directe omgeving zijn nieuwe activiteiten met toepassing van bestrijdingsmiddelen voor de boomteelt niet rechtstreeks mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Hiervoor moet een afwijkingsbesluit worden genomen waarbij ook getoetst moet worden op een goede ruimtelijke ordening en gevoelige functies. Gezien het huidige gebruik in de omgeving, de grondeigenaren van omliggende gronden en de kenmerken van het gebied is een dergelijke activiteit ook niet reëel te verwachten.

Gezien deze omstandigheden kan geconcludeerd worden dat er, voor wat betreft de spuitzone, een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden op het plangebied. Daarnaast gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een gevoelige functie. Conclusie Het aspect gezondheid staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Pagina 77 van 88

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herbestemd naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Zowel in de beoogde als de huidige situatie bevindt zich binnen de planlocatie één woonfunctie. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie, waardoor een toetsing aan het aspect externe veiligheid in beginsel achterwege kan blijven. Echter, vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, wordt in het onderstaande volledigheidshalve getoetst aan het aspect externe veiligheid.

De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute. Wel bevinden zich in de directe nabijheid van de planlocatie een 3-tal aardgasleidingen (van de Gasunie). Deze aardgasleidingen komen samen bij het gasmengstation aan de Tilburgseweg 39a. Rondom deze leidingen en het gasmengstation is ook de PR 10-6 risicocontour aangeduid. De planlocatie is buiten deze plaatsgebonden risicocontour gelegen. Deze risicocontour is bovendien doorvertaald in het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” middels de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’. In deze veiligheidszone zijn nieuwe kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten in beginsel niet toegestaan. Het plangebied is ruimschoots buiten deze veiligheidszone gelegen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van deze buisleidingen. Bovendien is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting (Beekse Bergen, NV Nederlandse Gasunie) en de provinciale weg N269. Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgevonden risicocontour van deze inrichtingen en transportroute. Verder is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied, vanwege toxische scenario’s, van de snelweg A58. De A58 is gelegen vanaf 3,6 kilometer in overwegend noordelijke richting.

Derhalve dient getoetst te worden aan artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Hiervoor wordt verwezen naar het standaardadvies van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Gezien er met de ontwikkeling geen bijzonder kwetsbaar object wordt opgericht, er sprake is van een ruime afstand tot de buisleidingen en de risicobronnen van de genoemde inrichtingen en wegen, en er sprake is van zelfredzame personen, mag voor de ontwikkeling het standaardadvies inclusief de standaard groepsrisicoverantwoording van de Veiligheidsregio Middenen West-Brabant worden gehanteerd. Een en ander is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. Geconcludeerd kan worden dat een voldoende afstand wordt gerespecteerd tot risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen. Omdat de onderhavige planlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn er geen onaanvaardbare risico’s met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

Pagina 78 van 88

Figuur 35 Uitsnede risicokaart.nl (planlocatie is indicatief aangegeven met een zwarte cirkel)

Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht. 4.13 Luchtkwaliteit 4.13.1 Effect op de luchtkwaliteit (NIBM) Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

Pagina 79 van 88

Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.

Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Voor woningbouwlocaties wordt in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen beschouwd als NIBM. Het planvoornemen betreft de herbestemming van de planlocatie naar gelang de vergunde situatie, waarbij wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in Pagina 80 van 88

de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Een en ander vindt volledig binnen het huidige bouwperceel plaats. Indien voornoemd planinitiatief wordt vergeleken met een uitbreiding van 1.500 nieuwe woningen kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. Deze beredenering wordt tevens ondersteund door onderstaande berekening met de NIBM-tool. Zie onderstaande afbeelding.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

93

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

3

NO2 in μg/m

0,11

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 36: Berekening NIBM-tool

4.13.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³. - de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³. - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 μg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10, PM2,5 en NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2020).

Pagina 81 van 88

Figuur 37: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM10-2020) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Figuur 38: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM2,5-2020) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Figuur 39: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (NO2-2021) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Pagina 82 van 88

Gelet op bovenstaande uitsneden is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties PM10, PM2,5 en NO2 die ver onder de grenswaarden blijven. Immers, de jaargemiddelde concentratie PM10 bedraagt circa 16,3 μg/m³ waar de grenswaarde 40 μg/m³ bedraagt. Verder bedraagt de jaargemiddelde concentratie van PM2,5 circa 9,5 μg/m³ waar de grenswaarde 25 μg/m³ bedraagt. Tot slot bedraagt de jaargemiddelde concentratie NO2 binnen de planlocatie circa 12 μg/m³ waar de grenswaarde 40 μg/m³ bedraagt. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat de concentraties binnen de planlocatie ver onder de grenswaarden blijven, waardoor het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is. 4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d.

buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt dat zich op enige afstand ten zuiden van de planlocatie enkele gasleidingen bevinden. Voor een nadere onderbouwing zie de paragraaf externe veiligheid. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed.

Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Pagina 83 van 88

2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld.

Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage wordt onder categorie D11.2 en D11.3 gesproken over de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject respectievelijk een geheel industrieterrein. Het plan voorziet enkel in de herbestemming van de planlocatie naar gelang de vergunde situatie, waarbij wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). De ontwikkeling vindt volledig plaats binnen het huidige bouwperceel. Derhalve wordt de beoogde ontwikkeling niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject of de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie niet noodzakelijk. Immers, de beoogde ontwikkeling is ook bij de toetsing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling aangezien de uitbreiding van de bebouwing binnen de planlocatie minder bedraagt dan 500 m2.

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r.

Pagina 84 van 88

5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. Daarbij dienen de volgende bestemmingsplannen als basis voor het onderhavige plan: - ‘Buitengebied’ (vastgesteld 13-3-2014); - ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan’ (vastgesteld 7-3-2017); - ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018’ (vastgesteld 8-11-2018); - ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’ (vastgesteld 15 oktober 2020).

Pagina 85 van 88

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en gemeente Hilvarenbeek draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van eventuele planschade. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

Pagina 86 van 88

7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. 7.2 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd. Hierbij zijn directe omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen en in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Uit de gevoerde omgevingsdialoog is gebleken dat geen enkele omwonende bezwaren tegen het planvoornemen heeft geuit. Gelet hierop gaf de gevoerde omgevingsdialoog geen aanleiding om het plan aan te passen naar gelang wensen en/of bezwaren vanuit omwonenden. De resultaten van de gevoerde omgevingsdialoog zijn gedeeld met de gemeente Hilvarenbeek. 7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode zijn zienswijzen op het plan kenbaar gemaakt.

Eventuele aanpassingen van het plan zijn weergeven in de nota van zien zienswijze.

Pagina 87 van 88

BIJLAGEN Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan; Bijlage 2 Toelichting landschappelijke inpassing; Bijlage 3 LIR-berekening; Bijlage 4 AERIUS-berekening aanlegfase; Bijlage 5 AERIUS-berekening bouwfase; Bijlage 6 Quickscan flora en fauna; Bijlage 7 Geuronderzoek; Bijlage 8 Standaard advies veiligheidsregio; Bijlage 9 Nota van zienswijze.

Pagina 88 van 88

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14330738/1