CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

16 Bestemmingsplan Klein Westerwijksestraat 8A (5 Toelichting)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Klein Westerwijksestraat 8a”.29.750 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Rondom het radarstation mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In onderhavig radarverstoringsgebied is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat en er wordt ook geen planologisch kader geboden voor het oprichten van windturbines. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation. Tevens is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied behorende bij het radarstation Woensdrecht. Hiervoor geldt een maximale bouwhoogte van 113 meter voor bouwwerken ten opzichte van NAP. Ook dergelijke bouwhoogtes zijn in het plan niet aan de orde. Verder is de planlocatie gelegen binnen een aangeduid zoekgebied voor buisleidingen van nationaal belang (voor vervoer van gevaarlijke stoffen). De planlocatie is niet gelegen binnen het aangeduide voorkeurstracé. De relevante regels voor het voorkeurstracé en de bijbehorende zoekgebieden zijn opgenomen in Titel 2.9 van het Barro.

In artikel 2.9.2 is bepaald dat door de verantwoordelijk minister tracés voor een buisleidingenstrook worden aangewezen, met aan weerszijden een zoekgebied van 250 meter, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van dat tracé. Artikel 2.9.3 van het Barro bepaalt dat een gemeenteraad het voorkeurstracé in bestemmingsplannen nader kan uitwerken, waarbij het voorkeurstracé in ieder geval gelegen blijft binnen het zoekgebied. Dit is dus ook de functie van het zoekgebied, namelijk dat de gemeenteraad deze kan betrekken bij de daadwerkelijke uitwerking. Artikel 2.9.4 bevat de belemmerende activiteiten, die enkel gelden voor het voorkeurstracé en dus niet voor de zoekgebieden. Eventuele belemmeringen in de zoekgebieden gaan pas gelden zodra een gemeenteraad heeft besloten om het leidingtracé binnen de zoekgebieden nader te gaan uitwerken. Artikel 2.9.4 bepaalt in hoofdzaak dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die zijn gelegen binnen het voorkeurstracé, geen (ten opzichte van het geldende planologische regime) nieuwe activiteiten moet toelaten die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Het betreft bijvoorbeeld bouwplannen, de aanleg van wegen en watergangen, de realisatie van andere leidingstelsels, het bebossen e.d. Het plangebied is volledig gelegen buiten het voorkeurstracé en bevindt zich enkel in het zoekgebied.

Nu in de huidige planologische situatie binnen de planlocatie reeds sprake is van bebouwing en meer bebouwing aanwezig is binnen de noordelijke zijde van dit zoekgebied, is het nadrukkelijk niet voor de hand liggend om aldaar het voorkeurstracé te realiseren. Bovendien is er al een bestaande aardgasleiding in het voorkeurstracé aanwezig.

Pagina 30 van 88

Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), en in haar huidige vorm op 1 juli 2017 in werking getreden. Dit motiveringsvereiste is gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en houdt in dat in de toelichting bij een bestemmingsplan dat ‘een nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is daarbij in het Bro gedefinieerd als ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Onder andere stedelijke voorzieningen wordt het volgende verstaan: onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Beoordeling In onderhavige situatie is sprake van de herbestemming van de planlocatie naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een bestaand metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Relevante jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075) laat zien dat indien ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bebouwing wordt toegestaan en een plan enkel voorziet in een planologische functiewijziging, in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit is enkel anders indien het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In voornoemde uitspraak is ook opgenomen dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m2, dat deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. In casu is sprake van een bestaand niet-agrarisch bedrijf.

Er is sprake van een vergunde situatie voor in totaal 1.000 m2 aan bedrijfsbebouwing. Met de beoogde herbestemming wordt deze bedrijvigheid in enigermate uitgebreid tot een totale omvang van circa 1.350 m2 aan bebouwing. Het vorenstaande laat zien dat de ondergrens van 500 m2 niet wordt overschreden, waardoor een en ander niet aan te merken is als een stedelijke ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd wordt dan ook dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en daardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op deze ontwikkeling. 3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Toetsingskader Pagina 31 van 88

In de Omgevingsvisie Noord-Brabant schetst de provincie een wensbeeld van de fysieke leefomgeving in 2050. De analyse van de huidige kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de trends en ontwikkelingen die hierop van invloed zijn, laten zien dat nieuw beleid en stevige inspanningen van de provincie nodig zijn om de ambities te bereiken. In de omgevingsvisie zijn vijf opgaven geformuleerd, waarvoor de provincie doelen heeft gesteld. Om die ambities te bereiken schetst de omgevingsvisie de eerste contouren van het voorgenomen beleid. Dit beleid wordt verder uitgewerkt met concrete maatregelen De volgende vijf opgaven zijn opgenomen in de Brabantse omgevingsvisie: • Basisopgave, werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit • Werken aan de Brabantse energietransitie • Werken aan een klimaatproof Brabant • Werken aan de slimme netwerkstad • Werken aan een concurrerende, duurzame economie Voor de opgaven zijn doelen gesteld en is aangegeven welke stappen de provincie wil zetten om deze doelen te bereiken. Met een fictieve dronevlucht beschrijft de visie de beoogde situatie in 2050, waarvan hieronder een citaat is opgenomen. “Boven Midden-Brabant zien we een drukte van jewelste. Maar zelfrijdende voertuigen en elektrische fietsen veroorzaken geen files of opstoppingen. Aan de rand van de steden zijn overstapfaciliteiten zodat mensen snel toegang hebben tot de stad.

Of het Van Gogh-park, waar aan de rand van Tilburg nog steeds het grootste stuifduinengebied van Europa te vinden is. Tilburg met zijn kennisinstituten en innovatieve maakindustrie vlak bij het Van Goghpark voor natuur en leisure, het is een prachtige combinatie die Brabant mede top-vestigingslocatie maakt. Het landschap kent hoge cultuurhistorische waarden en bewoners recreëren er maar wat graag. Karakteristieke Brabantse beken stromen door de dorpen en steden, door kleinschalige landbouwgebieden en landgoederen. De natuur is rijker geworden, dankzij kronkelende beken die de ruimte hebben gekregen zodat waterbeheerders ook bij extreem weer de juiste hoeveelheid water kunnen aanbieden of afvoeren. Historische kastelen, kloosters, kerken, boerderijen en industrieel erfgoed hebben een nieuwe recreatieve- of woonwerkfunctie. Hierdoor blijft onze geschiedenis concreet tastbaar en blijven de verhalen van onze voorouders springlevend.” Citaat uit Omgevingsvisie Noord-Brabant Beoordeling De onderhavige ontwikkeling betreft de herbestemming van de planlocatie naar gelang de vergunde situatie, waarbij wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een lokaal metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf).

Nu sprake is van een reeds vergunde situatie gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een niet-agrarisch bedrijf. Een en ander wordt uitsluitend planologisch verankerd met een bestemmingsplanherziening waarmee een ontstane omissie wordt hersteld. Verder wordt binnen de planlocatie voorzien in de herontwikkeling en een beperkte uitbreiding van het ter plaatse metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Een en ander vindt volledig plaats binnen het huidige bouwperceel, waardoor geen sprake is van nieuw ruimtebeslag. In de beoogde situatie komt binnen de planlocatie een passende bedrijfsbestemming te rusten die ten opzichte van de huidige woonbestemming qua omvang in enigermate afneemt. Verder biedt de beoogde ontwikkeling de mogelijkheid om binnen de planlocatie het niet-agrarische bedrijf dusdanig te herontwikkelen zodat een toekomstbestendig bedrijf ontstaat. Hierdoor wordt een belangrijke economische drager inhet buitengebied behouden, waardoor het planvoornemen eveneens een bijdrage levert aan de economische vitaliteit binnen de kern Hilvarenbeek en de directe omgeving. Ook wordt hiermee Pagina 32 van 88

mogelijke toekomstige leegstand en verrommeling voorkomen, waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de heersende omgevingskwaliteit. Tot slot dient opgemerkt te worden dat binnen de planlocatie wordt voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing passend binnen het Oude ontginningslandschap en binnen gemeentelijke uitgangspunten. Hiermee worden onder meer diverse vormen van beplanting en groenstructuren aangelegd ter versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteit. Conclusie Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met een aanmerkelijke verbetering van de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past derhalve binnen beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant. 3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Verordening worden regels gesteld waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels in de verordening gelden voor gemeenten en niet rechtstreeks voor burgers. De verordening bevat regels voor: • • • • • • • • •

Regionaal perspectief voor wonen en werken; Ruimte-voor-ruimteregeling; Groene hoofdstructuur-natuur en Ecologische hoofdstructuur; Bescherming tegen wateroverlast en overstromingen; Grond- en oppervlaktewatersysteem; Land- en tuinbouw; Water; Cultuurhistorie; Agrarisch gebied.

Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten de Interim omgevingsverordening vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is op 5 november 2019 in werking getreden. De meest recente geconsolideerde versie dateert van 1 oktober 2022. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 1 januari 2024 ingaat. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een 1e stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening voegt bestaande regels uit 6 verordeningen samen. De regels zijn eenvoudiger opgeschreven en omgezet naar een nieuw digitaal systeem, met een meer gebruiksvriendelijke opbouw. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een 1e stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze. Waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau.

Pagina 33 van 88

De Interim Omgevingsverordening bevat zowel algemene regels (o.a. over de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit) als gebiedsgerichte regels. Bij de gebiedsgerichte regels is vervolgens een onderscheid gemaakt naar ‘structuren’ (basisregels) en ‘aanduidingen’ (aanvullende of afwijkende regels ten opzichte van de basisregels of andere aanduidingen). De ontwikkelingsmogelijkheden voor locaties worden met name bepaald door de ligging van de locatie binnen de eerder genoemde structuren en aanduidingen. Beoordeling In het onderstaande is een relevante uitsnede van de plankaart ‘basiskaart Landelijk gebied’ uit de Iov opgenomen. Deze afbeelding laat zien dat de planlocatie is gelegen binnen de volgende structureren: ‘Gemengd landelijk gebied’ en Landelijk gebied’. Verder laten andere relevante plankaarten zien dat de planlocatie onder meer ook is gelegen binnen de structuur ‘Stalderingsgebied’.

Figuur 18: Uitsnede Iov: basiskaart landelijk gebied (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Interim omgevingsverordening. Ten eerste moet voldaan worden aan de ‘basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies’ (paragraaf 3.1.2 van de Omgevingsverordening. Daarnaast moet getoetst worden aan de regels voor een ‘Bestaande nietagrarische functie in Landelijk gebied’ (artikel 3.71). Wegens de toekenning van de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ gelden er beperkingen aan de van (intensieve) veehouderijen en mestbewerkingsactiviteiten. Nu met onderhavig planvoornemen een herbestemming plaatsvindt aan de hand waarvan de planlocatie wordt herbestemd naar gelang de vergunde situatie, waarbij wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een nietagrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf),

Pagina 34 van 88

is het vorenstaande niet relevant en wordt een toetsing aan deze aanduidingen derhalve achterwege gelaten. Kwaliteitsverbetering landschap Hoofdstuk 3 van de verordening bevat instructieregels aan gemeenten bij het vaststellen van een bestemmingsplan met betrekking tot zorgplicht, zuinig ruimtegebruik en kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze regels worden uitgesplitst in een zorgplicht (artikel 3.5), regels voor zuinig ruimtegebruik (artikel 3.6), toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7), meerwaardecreatie (artikel 3.8) en de kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.9). Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5) In artikel 3.5 is opgenomen dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6); b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7); c. meerwaardecreatie (art. 3.8). Navolgend worden deze aspecten van het plan verder onderbouwd. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat er in beginsel sprake dient te zijn van een bestaand bouwperceel en dat uitbreiding van het ruimtebeslag slechts is toegestaan, mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.

Beoordeling Binnen de planlocatie is in de huidige planologische situatie reeds sprake van de aanwezigheid van een woonbestemming met een omvang van circa 4.300 m2. Verder is aan de hand van een in 2015 verleende omgevingsvergunning sprake van een vergunde situatie voor de exploitatie van een nietagrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf) binnen de planlocatie. Deze vergunde situatie is abusievelijk niet in het vigerende bestemmingsplan verankerd. Het planvoornemen betreft de herbestemming van de planlocatie naar gelang de vergunde situatie, waarbij wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf. De beoogde ontwikkeling vindt volledig plaats binnen een bestaand bouwperceel en binnen het bestaande bestemmingsvlak “Wonen”. Verder wordt de huidige woonbestemming in geringe mate verkleind tot een passende bedrijfsbestemming. Gelet hierop neemt het ruimtebeslag in enigermate af als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Dit maakt dat met het planvoornemen wordt voldaan aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) In artikel 3.7 is tevens opgenomen dat in de toelichting een verantwoording moet worden opgenomen waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding en de archeologische, cultuurhistorische, ecologische, aardkundige en landschappelijke waarden. Verder dient de omvang van de bebouwing en de beoogde functie te passen in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op de omgeving heeft, waaronder vanwege milieuaspecten en volksgezondheid. Tevens dient de ontwikkeling adequaat te worden afgestemd op de aanwezige infrastructuur. Beoordeling Pagina 35 van 88

De toetsing van de gevolgen van het voornemen op bovengenoemde aspecten is per onderwerp uiteengezet in voorliggende toelichting. Hieruit volgt dat het voornemen ruimtelijk en milieuhygiënisch aanvaardbaar is. Daarmee wordt voldaan aan de zorgplicht uit artikel 3.5. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De Omgevingsverordening geeft aan dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 ‘Kwaliteitsverbetering landschap’ deel uit kan maken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Het planinitiatief beoogt op meerdere manieren ‘meerwaardecreatie’. Met de beoogde herbestemming wordt een reeds vergunde situatie positief bestemd en wordt een omissie hersteld. Verder wordt binnen de planlocatie voorzien in de herontwikkeling en een beperkte uitbreiding van het ter plaatse gevestigde e metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf).

De beoogde ontwikkeling biedt derhalve de mogelijkheid om binnen de planlocatie het niet-agrarische bedrijf dusdanig te herontwikkelen zodat een toekomstbestendig bedrijf ontstaat. Hierdoor wordt een belangrijke economische drager in het buitengebied behouden, waardoor het planvoornemen eveneens een bijdrage levert aan de economische vitaliteit binnen de kern Hilvarenbeek en de directe omgeving. Ook wordt hiermee mogelijke toekomstige leegstand en verrommeling voorkomen, waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de heersende omgevingskwaliteit. Tot slot dient opgemerkt te worden dat binnen de planlocatie wordt voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing passend binnen het Oude ontginningslandschap. Hiermee worden onder meer diverse vormen van beplanting en groenstructuren aangelegd ter versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteit. Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9) In artikel 3.9 is voorgeschreven dat bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, de ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Deze kwaliteitsverbetering dient bovendien financieel, juridisch en feitelijk te worden geborgd.

De bedoelde kwaliteitsverbetering kan mede betreffen een landschappelijke inpassing, het toevoegen van landschapselementen, activiteiten gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, het wegnemen van verharding, het slopen van bebouwing e.d. Indien de kwaliteitsverbetering niet op locatie kan worden bewerkstelligd is het ook mogelijk een passende financiële bijdrage te doen in een (gemeentelijk) landschapsfonds. In regionaal verband zijn op 10 december 2015 de ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ vastgesteld, waaraan de gemeente Hilvarenbeek zich ook conformeert. De regio acht het wenselijk dat elke ruimtelijke ontwikkeling, die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving, gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap. De invloed die een ruimtelijke ontwikkeling heeft op de omgeving, wordt onder meer bepaald door: • • •

De omvang van de ontwikkeling (is daarvoor vergroting bestemmingsvlak of bouwvlak nodig); Nieuw ruimtebeslag of wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing; De aard van de locatie en de omgeving; Pagina 36 van 88

• • •

De aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving (verkeersaantrekkende werking, geluid, milieucategorie); Het onderscheid in een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling; De ‘gewenstheid’ van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens.

In dit afsprakenkader is een categorisering uitgewerkt, waarbij al naar gelang de categorie-indeling de mate van inspanning wordt bepaald. Hierbij worden de volgende categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. • Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Beoordeling De onderhavige ontwikkeling betreft de herbestemming van de planlocatie naar gelang de vergunde situatie, waarbij wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Hierbij dient opgemerkt te worden dat de vergunde situatie abusievelijk niet reeds is verankerd in het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied.

Wanneer dat wel was gebeurd, was de beoogde herontwikkeling en beperkte uitbreiding naar alle waarschijnlijkheid in overwegende mate passend binnen een in het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied opgenomen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om te kunnen voorzien in enige toename van het bebouwde oppervlak. Een dergelijke binnenplanse afwijking is conform de geldende werkafspraken te bestempelen als een categorie 2 ontwikkeling, waardoor alleen landschappelijke inpassing is vereist. Dit omdat het bestemmingsplan specifiek landschappelijke inpassing als voorwaarde verbindt. In he verlengde daarvan is de beoogde ontwikkeling te bestempelen als een categorie 2 ontwikkeling. Te meer ook omdat de beoogde ontwikkeling volledig binnen een bestaand bouwperceel en bestaand ruimtebeslag plaatsvindt. Bovendien wordt de huidige woonbestemming (formeel gezien bedrijfsbestemming) zelfs in geringe mate verkleind tot een passende bedrijfsbestemming. Nu reeds sprake is van een vergunde situatie en geen sprake is van nieuw ruimtebeslag heeft de beoogde ontwikkeling geen of nauwelijks inbreuk op het landschap. Daar komt bij dat de herbestemming van een woonbestemming naar onder meer een agrarisch-, een agrarisch verwant- of een agrarischtechnisch hulpbedrijf wordt aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling voor zover het bestemmingsvlak niet wordt vergroot.

Alles in resumering nemende, kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling te bestempelen is als een categorie 2 ontwikkeling, waardoor in casu alleen landschappelijke inpassing is vereist. Aan de hand van een landschappelijk inpassingsplan wordt voorzien in het vereiste van een goede en zorgvuldige streekeigen landschappelijke inpassing. De beoogde landschappelijke inpassing bestaat onder meer uit de aanleg van struweelbeplanting direct ten oosten van de beoogde bedrijfsbestemming, een bomenrij aan de overwegend oostelijke zijde van de planlocatie, de aanleg van een kruidenrijk grasland en diverse andere vormen van beplanting op en rondom het erf. Het landschappelijk inpassingsplan met bijbehorende toelichting is als bijlage aan onderhavige toelichting bijgevoegd. In het onderstaande is ook een relevante uitsnede opgenomen. Pagina 37 van 88

Figuur 19: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan

Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede wordt in het onderstaande uitgegaan van een worstcase scenario waarin de beoogde herbestemming en herontwikkeling bestempeld wordt als een categorie 3 ontwikkeling. Voor onderhavig plan is de bij Vitaal Beeks Buiten behorende matrix voor bestemmingswinst en kwaliteitsverbetering ingevoerd ten behoeve van de beoogde herbestemming van de planlocatie. Hierbij is uitgegaan van de vergunde situatie sinds 2015 op grond waarvan de locatie reeds is herbestemd naar bedrijfslocatie door ter plaatse onder voorwaarden een metaalbewerkingsbedrijf toe te staan. Een en ander is met een buitenplanse afwijking vergund op grond waarvan binnen de planlocatie reeds een metaalbewerkingsbedrijf is toegestaan. Hiermee is de planlocatie reeds herbestemd naar bedrijvigheid, waardoor een en ander als uitgangspunt heeft gefungeerd in de uitgevoerde LIR-berekening. Immers, conform artikel 3.1, lid 1 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant wordt onder een bestemmingsplan ook een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, verstaan. Een en ander laat zien dat de beoogde herontwikkeling geen bestemmingswinst tot gevolg heeft, waardoor geen sprake is van een vereiste kwaliteitsverbetering.

In het onderstaande is een uitsnede opgenomen. De volledige berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd.

Pagina 38 van 88

Locatie Klein Westerwijksestraat 8A Totale omvang van het plangebied: Totale bestemmingswinst Te leveren kwaliteitsverbetering van het landschap

te Hilvarenbeek 10185 m2 € -23.768 (percentage)

20% € -4.754 € -2.377

(in euro's)

Minimaal door de initiatiefnemer zelf uit te voeren binnen het plan Voldoet aan de minimale eigen inspanning? Totale kwaliteitsverbetering van het landschap Voldoet aan de totale opgave voor kwaliteitsverbetering? Te storten in gemeentelijk fonds kwaliteitsverbetering landschap

ja € 17.359 ja €0

Figuur 20: Samenvatting LIR-berekening

Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede is eveneens een berekening uitgevoerd waarbij voor wat betreft de bestaande situatie, zij het ten onrechte, wordt uitgegaan van een woonbestemming. De aanwezige bedrijfsgebouwen zijn hierbij als bijgebouwen bij de woning ondergebracht. Hierbij wordt tot een totale bestemmingswinst van - € 1.768,00 gekomen aan de hand van een bestemmingswinst van € 145.232,00 minus een negatieve bebouwingswinst van € 147.000,00. Nu per saldo geen sprake is van bestemmingswinst geldt geen verplichting tot een kwaliteitsverbetering van het landschap. Verder bedraagt de kwaliteitsverbetering van het landschap in casu € 17.359,00. In het onderstaande is een samenvatting van deze LIR-berekening opgenomen. Locatie Klein Westerwijksestraat 8A Totale omvang van het plangebied: Totale bestemmingswinst Te leveren kwaliteitsverbetering van het landschap

te Hilvarenbeek 10185 m2 € -1.768 (percentage)

20% € -354 € -177

(in euro's)

Minimaal door de initiatiefnemer zelf uit te voeren binnen het plan Voldoet aan de minimale eigen inspanning? Totale kwaliteitsverbetering van het landschap Voldoet aan de totale opgave voor kwaliteitsverbetering? Te storten in gemeentelijk fonds kwaliteitsverbetering landschap

ja € 17.359 ja €0

Figuur 21: Samenvatting LIR-berekening

Structuur – gemengd landelijk gebied In het gemengd landelijk gebied stimuleert de Provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Het planinitiatief voorziet in de duurzame herbestemming en herontwikkeling van een bestaand nietagrarisch bedrijf. Een en ander is naar aard en omvang passend binnen het gemengd landelijk gebied. Hiermee wordt bovendien bijgedragen aan de versterking van landschappelijke waarden ter plaatse, alsmede de lokale bedrijvigheid. Bestaande niet-agrarische functie in landelijk gebied (artikel 3.71) Artikel 3.71 ‘Bestaande niet-agrarische functie in landelijk gebied’ zet de provinciale regels uiteen waaraan bestemmingsplannen voor bestaande niet-agrarische bedrijven/functies aan moeten voldoen binnen het landelijk gebied. In het onderstaande worden de regels opgesomd, waarna een toetsing plaatsvindt (in cursief). Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande nietagrarische functie die: a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; Pagina 39 van 88

De bestaande planologische gebruiksactiviteit wordt vastgelegd. Binnen de planlocatie komt een passende bedrijfsbestemming te rusten. Met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – las- en montagebedrijf’ wordt de specifieke bestaande planologische gebruiksactiviteit binnen de planlocatie vastgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat zonder ruimtelijke afweging zich binnen de planlocatie een andere functie kan vestigen. b. een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; Mestbewerking is in casu niet aan de orde, waardoor hieraan wordt voldaan. c. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk Gebied. Uitbreiding wordt in de Iov gedefinieerd als een vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak.

Nu de beoogde ontwikkeling volledig binnen een bestaand bouwperceel en binnen het bestaande bestemmingsvlak plaatsvindt, is van een uitbreiding conform de begripsbepaling uit de Iov geen sprake. Dit maakt dat een toetsing aan de ontwikkelingsrichting van het gebied in beginsel achterwege gelaten kan worden. Echter, wel dient hierbij in ogenschouw genomen te worden dat de bedrijvigheid an sich qua omvang in enigermate toeneemt. Waar in de huidige planologische situatie ten hoogste 1.000 m2 aan bedrijvigheid ten dienste van een lokaal metaalbewerkingsbedrijf toestaat, wordt in de beoogde situatie in zijn totaliteit 1.661 m2 aan bedrijfsgebouwen incl. overkappingen toegestaan. Derhalve wordt in het onderstaande getoetst aan artikel 3.71. De planlocatie is gelegen in een gemengde omgeving binnen het buurtschap Westerwijk. Dit buurtschap bestaat in hoofdzaak uit verspreid liggende bebouwing in een lintstructuur langs de bestaande wegenstructuren. Aanwezige functies bestaan onder meer uit verspreid gelegen woningen, agrarische bedrijven, agrarische gronden en niet-agrarische bedrijvigheid. Verder bevindt zich op korte afstand ten noordoosten van de planlocatie een horecavoorziening en een rundveehouderij. De omgeving van de planlocatie is hierdoor te typeren als een gemengd gebied.

Verder bevindt de planlocatie zich op korte afstand van de N269, waardoor de locatie goed is ontsloten. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat de huidige niet-agrarische functie passend is binnen de gemengde omgeving. Kijkend naar relevant gemeentelijk beleid kan bovendien geconcludeerd worden dat een en ander passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Zo schrijft onder meer de ‘Structuurvisie Hilvarenbeek, 2010’ onder andere voor dat nieuwe functies binnen het buitengebied mogelijk zijn, indien er sprake is van kleinschalige bedrijvigheid. In casu is geen sprake van een nieuwe functie, maar van een uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf binnen bestaand ruimtebeslag. Nu binnen bestaand ruimtebeslag wordt voorzien in uitbreiding van bedrijfsbebouwing is een en ander passend binnen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Verder is de planlocatie op grond van gemeentelijk beleid, meer specifiek de ‘Structuurvisie Buitengebied, 2014’, gelegen binnen het Oud Ontginningslandschap’. Met de landschappelijke inpassing binnen de planlocatie is verzekerd dat de planlocatie een Pagina 40 van 88

versterking van de omgevingskwaliteit tot gevolg heeft en is rekening gehouden met de karakteristieken van het oude ontginningslandschap. Daar komt bij dat in de ‘Structuurvisie Buitengebied, 2014’ onder meer wordt aangegeven dat een en ander gericht is op het behoud en waar mogelijk de versterking van de ruimtelijke en functionele kwaliteit van het buitengebied. Hierbij gaat het met name om kwaliteit voor aan het buitengebied gebonden functies, waaronder natuur en landschap en voor de veelvuldig voorkomende niet-agrarische functies en wonen. Nu met de beoogde ontwikkeling een bestaande niet-agrarische blijft behouden, waarbij een aanmerkelijke verbetering van de landschappelijke en natuurlijke waarden plaatsvindt aan de hand van een landschappelijk inpassingsplan, kan gesteld worden dat de ontwikkeling in algemene zin passend is binnen de ontwikkelingsrichting voor het buitengebied, zoals vastgelegd in de ‘Structuurvisie Buitengebied, 2014’. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de ‘Structuurvisie Buitengebied, 2014’ vervolgens is verankerd in het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de planlocatie in 2015 met een omgevingsvergunning reeds is herbestemd naar bedrijfslocatie door hier onder voorwaarden een metaalbewerkingsbedrijf toe te staan.

Deze herbestemming is tot op heden abusievelijk niet doorgevoerd en planologisch verankerd in het vigerende bestemmingsplan. Wanneer dit wel plaatsgevonden zou hebben, zou binnen de planlocatie reeds een passende bedrijfsbestemming van toepassing zijn waarbinnen de toegestane bedrijfsactiviteiten en de omvang van bebouwing vastgelegd zou zijn. Binnen een dergelijke bedrijfsbestemming is standaard een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om een grotere bebouwde oppervlakte toe te staan. Gelet hierop heeft de gemeenteraad het reeds ruimtelijk aanvaardbaar geacht om aan bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied enige toename/uitbreiding van bebouwing toe te staan. Dit maakt dat geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting die de gemeenteraad van de gemeente Hilvarenbeek voor ogen heeft. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Hilvarenbeek, 2010 Toetsingskader In de Structuurvisie Hilvarenbeek, vastgesteld d.d. 25 februari 2010, zijn de beleidsuitgangspunten opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente.

Voor het buitengebied wordt aangegeven dat de agrarische functie sterk is vertegenwoordigd en dat de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied vooral beleefd kan worden vanuit het recreatief gebruik van paden, wegen en recreatieve steunpunten. De kwaliteiten van de natuur zijn verankerd in de robuuste ecologische structuren en verbindingen en het divers karakter op de overgangen tussen buitengebied en de dorpen. De gemeente ziet het als haar basisverantwoordelijkheid voor het behouden van de ruimtelijke karakteristiek van haar gemeente. Hierbij worden de volgende criteria gehanteerd: - Behouden van robuuste natuurgebieden en ecologische verbindingszones; - Behouden van het divers karakter op de overgangen tussen buitengebied en de dorpen; - Behouden van cultuurhistorische waarden in het gebied. Het beleid van de gemeente is gericht op het versterken van de toeristische sector. Verder gelden voor nieuwe functies verschillende criteria. Zo mag de nieuwe functie niet leiden tot negatieve externe effecten op de woon- en leefomgeving, zoals een verkeersaantrekkende werking en parkeren. Nieuwe functies zijn mogelijk indien er sprake is van wonen, zorg, kleinschalige ambachten/bedrijvigheid, Pagina 41 van 88

toerisme en/of recreatie of educatie. Daarnaast is doorontwikkeling mogelijk, mits dit landschappelijk aanvaardbaar is en er geen negatieve externe effecten optreden. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van de planlocatie naar gelang de vergunde situatie, waarbij wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf). Ook al wordt met de beoogde herbestemming geen nieuwe functie toegevoegd, kan geconcludeerd worden dat sprake is van lokaal passende bedrijvigheid op een passende locatie binnen een gemengde omgeving in het buitengebied van de kern Hilvarenbeek nabij de N269. Hierdoor is een en ander in algemene zin passend binnen de ‘Structuurvisie Hilvarenbeek, 2010’ nu onder meer wordt gesteld dat nieuwe functies mogelijk zijn indien er sprake is van kleinschalige bedrijvigheid. Verder heeft de beoogde herontwikkeling geen negatieve externe effecten op de directe omgeving, waaronder ten aanzien van de aspecten verkeer en parkeren. Tot slot dient opgemerkt te worden dat binnen bestaand ruimtebeslag ter plaatse van de planlocatie wordt voorzien in enige uitbreiding.

Nu binnen en rondom de planlocatie wordt voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing passend binnen het oude ontginningslandschap kan geconcludeerd worden dat een en ander een versterking van het landschap tot gevolg heeft. Bovendien wordt in hoofdstuk 4 van de onderhavige toelichting uitvoerig gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling geen negatieve externe effecten optreden. 3.4.2 Structuurvisie Buitengebied, 2014 Op 25 februari 2010 heeft de gemeente Hilvarenbeek, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, de ‘Structuurvisie Hilvarenbeek’ vastgesteld. Dit betreft de Structuurvisie met de hoofdlijnen van de gemeentelijke ambities voor het gehele grondgebied. Ter concretisering van de visie voor het buitengebied is in januari 2014 de ‘Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek, januari 2014’ vastgesteld. Naast de 6 kernen die de gemeente Hilvarenbeek rijk is, is er ook sprake van een groot landelijk gebied waarin veel ontwikkelingen gaande zijn. De structuurvisie bevat een samenhangende visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Tevens is het de basis geweest voor de actualisatie van het bestemmingsplan voor het buitengebied.

Daar waar kansen en voorwaarden voor ontwikkelingen voldoende objectiveerbaar zijn, worden deze vastgelegd in bestemmingsplanregels, met binnenplanse afwijkings- of wijzigingsregels. Voor de meer grootschalige, weinig voorkomende of anderszins specifieke ontwikkelingen is maatwerk nodig. Dit is niet in algemene planregels te vatten en zal daarom blijvend buitenplans mogelijk worden gemaakt. De structuurvisie bevat bovendien de spelregels voor de diverse landschapstypes binnen de gemeente en de landschappelijke kwaliteitsverbetering. De visie buitengebied Hilvarenbeek richt zich op het behoud en waar mogelijk de versterking van de ruimtelijke en functionele kwaliteit van het plangebied. Het gaat hierbij met name om kwaliteit voor aan het buitengebied gebonden functies (water, landbouw, recreatie, natuur, landschap) en voor de eveneens veelvuldig voorkomende niet-agrarische functies en wonen. Beoordeling De gemeente houdt in het buitengebied ‘overal gelijke ontwikkelingsmogelijkheden’ aan. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende standpunten: • Overal gelijke ontwikkelingsmogelijkheden, met uitzondering van LOG; • Overal kwantitatief gelijke tegenprestaties bij een ontwikkeling; • Per locatie kwalitatief verschillende randvoorwaarden, afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief en de ruimtelijke kenmerken van de omgeving.

• RvR-ontwikkeling is als uitzondering niet overal mogelijk, maar alleen in de bebouwingsconcentraties zoals uitgewerkt in de structuurvisie. Pagina 42 van 88

De planlocatie is gelegen in het ‘Oud ontginningslandschap’, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.

Figuur 22: Uitsnede Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek - Gemeente Hilvarenbeek - januari 2014 (planlocatie is indicatief voorzien van een rode cirkel)

Ten aanzien van het oude ontginningslandschap wordt het navolgende gesteld (cursief): ‘De grote, open akkercomplexen behoren tot de oudere ontginningen in ons land. De veelal bolle akkers liggen van oorsprong op de overgang van de hogere gronden naar de lagergelegen beekdalen. De randen worden veelal bepaald door een slingerende wegenpatroon waarlangs kleinschalige lintbebouwing is gevestigd. De percelen hebben een onregelmatig patroon. Aan de randen komt beplanting voor in de vorm van boselementen, weg- en erfbeplanting. Plaatselijk kan de grens van het akkercomplex samenvallen met de rand van een beekdal. De boerderijen vormen een transparant lint langs de rand van de akker; hier vinden we de veelal oudere boerderijen (type langgevelboerderij) met bijbehorende kleine erven. Vooral deze langgevelboerderijen vormen, daar waar deze in een hogere dichtheid voorkomen, een sterke begrenzing van de akker. Soms is via doorkijkjes het achterliggende akkercomplex zichtbaar. Op oude luchtfoto’s zijn de traditionele inrichtingen van het erf goed te zien. Het erf is aan de zijde van het voorhuis, het woongedeelte ingericht als siertuin, omzoomd door hagen. Verder is het erf

Pagina 43 van 88

vooral functioneel ingericht met elementen als een moestuin, boomgaard, schapenweitje, etc.. Opvallend is de informele setting van de kleine gebouwen binnen het erf’. Inmiddels heeft een zekere schaalvergroting plaatsgevonden. De informele setting direct aan de weg is nog steeds herkenbaar, maar nu afgewisseld met diepere erven met grotere gebouwen en meer verhard oppervlak. Vooral de verticale elementen zoals voedersilo’s zijn sterk beeldbepalend’. Bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de karakteristieken behorende bij het oude ontginningslandschap, zoals in het bovenstaande is beschreven. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage aan de onderhavige ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Verder is het planvoornemen in voldoende mate objectiveerbaar binnen de in het bestemmingsplan opgenomen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om te kunnen voorzien in enige uitbreiding van bedrijfsbebouwing. Dit geeft aan dat met de beoogde ontwikkeling invulling wordt gegeven aan uitgangspunten uit ‘Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek, januari 2014’, zoals deze ook vertaald is in het huidige bestemmingsplan. De gemeentelijke structuurvisie is namelijk geëffectueerd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’. Derhalve vindt in navolgende paragraaf tevens toetsing aan dit bestemmingsplan plaats.

Verder wordt in de structuurvisie aangegeven dat een en ander gericht is op het behoud en waar mogelijk de versterking van de ruimtelijke en functionele kwaliteit van het buitengebied. Hierbij gaat het met name om kwaliteit voor aan het buitengebied gebonden functies, waaronder natuur en landschap en voor de veelvuldig voorkomende niet-agrarische functies en wonen. Verder bevat de structuurvisie een aantal doelen die voor het gehele buitengebied gelden, waaronder: - Landschap: behoud en waar mogelijk de versterking van de landschappelijke identiteit en verscheidenheid, - Bos/Natuur: behoud en waar mogelijk versterking van de ecologische verscheidenheid; - Wonen: behoud bestaande woningen; - Niet agrarische functies: behoud bestaande en beperkte ontwikkelingsmogelijkheden nieuwe functies op bestaande locaties. Nu met de beoogde ontwikkeling een bestaande niet-agrarische blijft behouden, waarbij een aanmerkelijke verbetering van de landschappelijke en natuurlijke waarden plaatsvindt aan de hand van een landschappelijk inpassingsplan, kan gesteld worden dat de ontwikkeling in algemene zin passend is binnen de doelen uit de ‘Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek, januari 2014’. Te meer nu met de beoogde ontwikkeling een bijdrage wordt geleverd aan de vitalisering van het buitengebied en het behoud van een belangrijke economische drager.

Hiermee wordt indirect een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid en de economische vitaliteit van de gemeente Hilvarenbeek. 3.4.3 Bestemmingsplan “Buitengebied” Het vigerende bestemmingsplan voor de planlocatie betreft het bestemmingsplan “Buitengebied” in combinatie met een aantal beperkte algemene wijzigingen in de regels in het bestemmingsplan “Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan” en later in het bestemmingsplan “Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019”, zoals respectievelijk vastgesteld door de raad d.d. 13 maart 2014, 7 maart 2017 en 15 oktober 2020. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan.

Pagina 44 van 88

Figuur 23: Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

In de huidige planologische situatie rust binnen de planlocatie op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemmingen “Wonen” en “Agrarisch” en de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 1” en “Waarde – Archeologie 3”. Verder rust binnen de planlocatie ten delen de gebiedsaanduiding ‘overige zone – akkercomplex’. De gronden waarop een woonbestemming van toepassing is, kennen een omvang van circa 4.300 m2. Hierbinnen is een woongebruik binnen één woning met een maximale inhoud van 750 m3 met aanhorigheden toegestaan. Binnen de gronden voorzien van een agrarische bestemming is in hoofdzaak een agrarisch grondgebruik met aanhorigheden toegestaan. Verder zijn de onderhavige gronden vanwege een specifieke gebiedsaanduiding tevens bestemd voor het behoud en herstel van de kenmerkende openheid van de complexen. Ten behoeve van de exploitatie van het niet-agrarische bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf (een las- en montagebedrijf) binnen de planlocatie is op 26 oktober 2015 een omgevingsvergunning (buitenplanse afwijking op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo) verleend voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening’. Ten behoeve van de exploitatie van het metaalbewerkingsbedrijf zijn toentertijd de volgende voorwaarden opgenomen in de beschikking van de verleende omgevingsvergunning: -

Maximaal 400 m2 van de bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt als stalling; Maximaal 400 m2 van de bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt als werkplaats; Maximaal 200 m2 van de bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt als opslagruimte.

Gelet op het vorenstaande is de planlocatie in 2015 reeds herbestemd naar bedrijfslocatie door hier onder voorwaarden een metaalbewerkingsbedrijf toe te staan. Deze herbestemming is tot op heden abusievelijk niet doorgevoerd en planologisch verankerd in het vigerende bestemmingsplan. Wanneer dit wel plaatsgevonden zou hebben, zou binnen de planlocatie reeds een passende bedrijfsbestemming van toepassing zijn waarbinnen de toegestane bedrijfsactiviteiten en de omvang van bebouwing vastgelegd zou zijn. Aangezien met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in een beperkte uitbreiding van het bebouwde oppervlak en het vigerende bestemmingsplan voor de Pagina 45 van 88

gronden voorzien van een bedrijfsbestemming een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid bevat om te kunnen voorzien in een uitbreiding van de oppervlakte, wordt hier in het onderstaande illustratief aan getoetst (toetsing in cursief). Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 teneinde een grotere bebouwde oppervlakte toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bebouwde oppervlakte mag in totaal met niet meer dan 15% van de in 4.2.4 maximaal toegestane bebouwde oppervlakte worden vergroot; De bestaande bebouwde oppervlakte is niet vastgelegd in artikel 4.2.4. Verder bedraagt de beoogde uitbreiding meer dan 15% van de bestaande vergunde situatie. b. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ecologische hoofdstructuur'; De gronden zijn niet gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – ecologische hoofdstructuur’. c. de bebouwing dient naar aard en omvang te passen in de omgeving; De bebouwing past naar aard en omvang binnen de omgeving. De planlocatie bevindt zich namelijk in een gemengde omgeving waar, naast agrarische gronden en verspreid gelegen woningen, ook agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid voorkomt. Een en ander is naar schaal en omvang niet afwijkend van dergelijke bouwpercelen in de directe omgeving.

Bovendien wordt met de beoogde ontwikkeling voorzien in een beperkte uitbreiding van een bestaand metaalbeweringsbedrijf. De beoogde uitbreiding is voorzien binnen het bestaande bouwperceel, waardoor een en ander in beginsel passend is binnen de omgeving. d. door deze uitbreiding mag een bedrijf dat nu behoort tot milieucategorie 2 van de in Bijlage 1 Bedrijvenlijst opgenomen bedrijvenlijst, niet veranderen in een bedrijf dat behoort tot milieucategorie 3 of meer, alsmede naar aard en omvang vergelijkbare activiteiten; In de huidige situatie is reeds sprake van een vergunde situatie voor de exploitatie van een metaalbewerkingsbedrijf in de hoedanigheid van een las- en montagebedrijf binnen de planlocatie. Een dergelijk metaalbewerkingsbedrijf is conform de VNG-handreiking het best vergelijkbaar met een constructiewerkplaats in een gesloten gebouw. Een dergelijke constructiewerkplaats wordt conform de VNG-handreiking aangemerkt als categorie 3.2 bedrijvigheid. Dit blijft in de beoogde planologische situatie gelijk. Hierbij dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat bij de vergunningverlening in 2015 een onderbouwing is aangeleverd om welke reden een en ander aan te merken is als categorie 2 bedrijvigheid.

Pagina 46 van 88

e. de noodzaak voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling is aangetoond; De beoogde beperkte uitbreiding is noodzakelijk om het bedrijf toekomstbestendig te maken. Een en ander is dan ook noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. f.

er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen: 1. Landschappelijke inpassing: er is aangetoond dat binnen een jaar na realisatie van de bebouwing sprake zal zijn van een goede landschappelijke inpassing alsmede de instandhouding daarvan, welke tenminste 10% van de omvang van het bouwvlak omvat en welke is gelegen binnen het bouwvlak dan wel dat er sprake is van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd landschapsontwikkelingsplan; In casu is sprake van een goedgekeurd landschappelijk inrichtingsplan. 2. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bestemmingsvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. Met de inrichting van het bestemmingsvlak wordt een gunstige verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag bevordert. Binnen de planlocatie komt een passende bedrijfsbestemming te rusten die zelfs ten opzichte van de huidige woonbestemming in enigermate wordt verkleind. Verder blijft ten oosten van de beoogde bedrijfsbestemming de agrarische bestemming gehandhaafd. Nu aldaar geen bouwvlak rust, kennen de onderhavige gronden zeer beperkte bouwmogelijkheden. 3.

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Voornoemde aanduiding is niet van toepassing. 4. Parkeren dient binnen het bestemmingsvlak plaats te vinden. Parken vindt op eigen terrein plaats.

g. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; De cultuurhistorische waarden worden met het planvoornemen niet onevenredig aangetast. Voor een nadere motivatie zie de toetsing in hoofdstuk 4.

Pagina 47 van 88

h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; Met de beoogde ontwikkeling vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. Voor een nadere motivatie ziet hoofdstuk 4 van de onderhavige toelichting. i.

bij toename van verharding van meer dan 500 m2 dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal waterneutraal gebouwd dienen te worden; Voor een nadere uitwerking zie de waterparagraaf in hoofdstuk 4.

j.

de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; Eerder in de toelichting is reeds getoetst aan het aspect verkeer. De conclusie luidt dat de normale afwikkeling van het verkeer niet in het geding komt als gevolg van de beoogde ontwikkeling en dat de Klein Westerwijksestraat het aantal verkeersbewegingen eenvoudig kan afwikkelen.

k. het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige waarden. De beoogde ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige waarden. Voor een nadere motivatie zie hoofdstuk 4. 3.4.4 Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies Op 11 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de visie ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies’ vastgesteld. Deze strategie is gericht op de vitalisering van het buitengebied en bevat de beleidskaders voor het buitengebied, behoudens voor de ontwikkeling van de agrarische sector. De afgelopen jaren is er veel veranderd in het buitengebied en deze trend zet zich door. Het aantal agrarische bedrijven daalt en de overblijvende agrarische sector ontwikkelt (bijvoorbeeld middels intensiveren, specialiseren of het ontplooien van nevenactiviteiten). Daarnaast ontwikkelen ook andere functies zich meer en meer in het buitengebied: wonen, recreëren, energietransitie en andere dan agrarische functies. Om hierin de juiste afwegingen te kunnen maken heeft de gemeente Hilvarenbeek deze uitvoeringsstrategie voor het buitengebied opgesteld. De Uitvoeringsstrategie Buitengebied is een breed pallet aan activiteiten, zoals beoogd in het raadsbrede programma 2018 2022 van de gemeente Hilvarenbeek. De Strategie Vitalisering bevat de ontwikkelingsmogelijkheden voor o.a.

vrijkomende (agrarische) gebouwen (VAB’s), ruimte-voor-ruimte-woningen, maar ook doorontwikkeling van andere bestaande functies. De strategie dient te leiden tot vitalisering van het buitengebied; het behouden en versterken van de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Beekse buitengebied. Het doel ‘versterken van de kwaliteiten van het buitengebied’ staat in deze strategie centraal. De aard van de nieuwe ontwikkeling is daaraan ondergeschikt. De gemeente wil met deze strategie belemmeringen voor innovatie opheffen en ruimte maken voor een toekomstige ontwikkeling gericht op het versterken Pagina 48 van 88

van de kernkwaliteiten van het buitengebied van Hilvarenbeek (zoals o.a. beschreven in de Structuurvisie Buitengebied 2014). De gemeente wil de balans tussen ondernemen en een gezonde en veilige fysieke leefomgeving verbeteren. De gemeente wil toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. Dat vergt een forse kwaliteitsslag in de komende jaren. Op basis van het provinciale ruimtelijke beleid moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied altijd sprake zijn van een fysieke kwaliteitsverbetering. De gemeente Hilvarenbeek hanteert hierbij de regionale ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’. Daarin wordt gewerkt met categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen, afhankelijk van het effect daarvan op het landschap. Bij categorie 3 (ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap), dient tenminste 20% van de grondwaarde te worden geïnvesteerd in het landschap. Onderdeel van deze visie wordt bovendien gevormd door het werkdocument en rekenbestand ‘Bestemmingswinst en kwaliteitsverbetering landschap’, waarmee de rekenbedragen voor het berekenen van de benodigde kwaliteitsverbetering in het landschap zijn geüniformeerd.

In de uitvoeringsstrategie zijn per type functie (zoals VAB’s, ruimte-voor-ruimte en niet-agrarische functies) de beleidskaders uitgewerkt. Beoordeling Onderhavig planvoornemen is reeds getoetst aan de hand van de regionale ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’. Deze toetsing laat zien dat de beoogde ontwikkeling te bestempelen is als een categorie 2 ontwikkeling, waardoor in casu alleen landschappelijke inpassing is vereist. Met een landschappelijk inpassingsplan, die als bijlage aan de onderhavige toelichting is gevoegd, wordt hieraan voldaan. Verder wordt met de beoogde ontwikkeling de planlocatie herbestemd naar gelang de vergunde situatie en wordt voorzien in de herontwikkeling en beperkte uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een metaalbewerkingsbedrijf. Ook al is in casu geen sprake van een nieuwe functie op een VAB-locatie, kan geconcludeerd worden dat sprake is van lokale bedrijvigheid op een passende locatie binnen een gemengde omgeving in het buitengebied van de kern Hilvarenbeek. Verder wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan de vitalisering van het buitengebied en wordt een belangrijke economische drager behouden. Hiermee wordt indirect een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid en de economische vitaliteit van de gemeente Hilvarenbeek.

Verder bevat de visie ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies’ een onderdeel waarin wordt ingegaan op de strategie voor uitbreiding niet-agrarische functies. Hierbij wordt aangegeven dat de gemeente open staat voor uitbreidingen van bestaande niet-agrarische functies in het buitengebied. Dit zolang dit maar bijdraagt aan een versterking van de omgevingskwaliteit. Met name als dit kan bijdragen aan de sloop van overtollige gebouwen elders, zou er sprake kunnen zijn van ’per saldo kwaliteitswinst’. In casu is sprake van een beperkte uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie. Hierbij vindt een kwaliteitsverbetering plaats aangezien agrarische gronden met een aanmerkelijke omvang worden herbestemd naar groen. Binnen deze groenbestemming vindt landschappelijke inpassing en een kwaliteitsverbetering van het landschap plaats. Hiermee is verzekerd dat de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met een versterking van de omgevingskwaliteit. Verder wordt aangegeven dat de maximale omvang van een dergelijk bedrijf op voorhand niet wordt vastgelegd. Het primaire uitgangspunt is of er sprake kan zijn van een forse kwaliteitsverbetering. Ook wordt aangegeven dat er sprake moet zijn van een functionele relatie met het buitengebied c.q. de specifieke locatie, anders dan het eigendom.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14330738/1