15 definitieve REKS (3 bijlage definitief bod REKS)
Tekst van het document
Criteria:
Criteria: Ruimtelijke beleving en zichtbaarheid Schaal van het zonneveld past bij de schaal van de locatie. Draagkracht van het landschap bepaalt aantal velden. Landschapspecifieke inrichting van elk zonneveld per landschapseenheid.
Indien voldoende aansluitcapaciteit is op het netwerk:
Landschappelijke inpassing heeft landschappelijke kwaliteit en is geen %.
25 Landschapseenheden
Néé, tenzij; grondgebonden zonnepanelen in laag dynamische gebieden in het buitengebied mogen niet tenzij goed ingepast en deze substantieel bijdragen aan klimaatdoelstellingen, biodiversiteit en gebiedsopgaven. Nooit; géén grondgebonden zonnepanelen in het Natuurnetwerk Brabant, verbrede beekdalen, noodzakelijk voor klimaatdoelstellingen en biodiversiteit, en cultuurhistorische ensembles.
Maatwerk in agrarische gebieden:
Realistische maatvoering van robuuste en toekomstbestendige randen van het zonneveld (zie bijlagen handreiking). Meenemen van lokale aandachtspunten bijvoorbeeld biodiversiteit, beheer, dubbelgebruik, educatie, recreatie, omgevingsdialoog en participatie.
Voorkomen van verliezen van landbouwgrond | -locatie, én juist inzetten op versterken van de landbouwkundige structuur op basis van de toekomstige maatschappelijke vragen. (vragen als meer grondgebondenheid, extensiever grondgebruik, minder gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, verhogen biodiversiteit en verhoging van locale voedselproductie).
Voorkomen van belemmering van bedrijfsvoering en toekomstige groeiruimte van aangrenzende agrariërs.
Op verweesde gronden, vloeivelden vuilstortlocaties (gemeentelijk beleid), en boven parkeerterreinen, indien lokaal gewenst en passend binnen het lokale kader Transitie binnen landschapseenheden, op basis van lokale afwegingen In bedrijfsterreinen en randen van bedrijfsterreinen
inpassing van bedrijfsterreinen in de omgeving
Multifunctioneel ruimtegebruik
pilots in de agrarische sector, combinatie van teelten met zonne-energie
Participatie meenemen als toestingcriteria
(bijvoorbeeld aandacht voor huiskavels en aangrenzende kavels i.v.m. weidegang in omgeving en nevenfuncties als recreatie en zorg).
Sociale structuur van stoppers, blijvers en opvolgers belangrijk voor duurzame ontwikkeling van het gehele gebied en de landbouwkundige structuur.
Ingrediënten van landschappelijke inpassing
Zonnevelden moeten groeiruimte blijven geven.
Zonnevelden op incourante kavels op basis van grootte, slechte ontsluiting, ongunstige hydrologische situatie, nadelige beschaduwing voor teelten.
Extra beperkingen vanuit eigen gemeentelijk beleidskader zijn leidend bij afweging
In randen van steden en dorpen als duurzame groene afrondingen van occupatieranden naar het buitengebied
(zie bijlagen Regionale Handreiking voor duurzame opwek zonnevelden in buitengebied)
Goede landbouwkavels zijn kavels, die aansluiten bij de bedrijfsvoering (huiskavels, aangrenzende kavels), goed ontsloten zijn, hebben een goede kavel en verwerkingsvorm op basis van teelten, hydrologisch geschikt.
Zonnevelden zo inrichten dat negatieve effecten op bodem, bodemvruchtbaarheid, bodemvochtigheid, bodemstructuur en de hydrologische situatie niet voorkomen en zelfs verbeterd worden.
Criteria uit kaartenatlas Provincie Noord Brabant Natuurnetwerk Brabant
https://kaartbank.brabant.nl/ viewer/app/Kaartbank
Verbetering is ook in belang van de omringende agrariërs.
Opruimplicht na afschrijving
Verbrede beekdalen: de beekdalbodems en beekdal overstromingsvlakten uit bodematlas Provincie Noord Brabant
https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/bodematlas: legenda-eenheden geomorfologische kaart Documentnummer: L2014 P003 Datum: 18 01 2021
39
REKS Bod 1.0 H6 Zoekgebieden voor duurzame opwek
gemaakt. De landschapseenheden zijn beschreven in een van de basisdocumenten van het concept-bod. De hubs vormen een uitzondering in de afweging voor de landschapstypen. Deze hubs worden ontwikkeld als integrale gebiedsontwikkelingsprojecten in combinatie met de grootschalige opwek van wind- en/of zonne-energie. Wordt de keuze gemaakt om daadwerkelijk te ontwikkelen, dan zijn de criteria van participatie en landschappelijke inpassing leidend. De ingrediënten voor een robuuste landschappelijke inpassing staan vermeld in de bijlage van de Handreiking zonnevelden. Deze uitwerking van het afwegingskader geeft de gemeenten gezamenlijk eenzelfde handleiding binnen hun eigen gemeentelijke beleid. De twee posters verbeelden dit.
6.5.3 Kwantitatief: aantal hectares Bestuurlijk is de wens uitgesproken om het aantal hectares zonnevelden in het buitengebied te beperken. Het gaat dan niet over de zonneparken in de hubs, op bedrijventerreinen, langs de rijksinfrastructuur, en op verweesde gronden, op vuilstortlocaties, op vloeivelden en boven parkeerterreinen, en in “landschapseenheid, ja mits” (zie tabel), indien lokaal gewenst en passend binnen de lokale beleidskaders. De velden vragen veel van de aansluitcapaciteit van het netwerk. De provinciale verordening gaat ervan uit dat zonnevelden in het buitengebied pas gerealiseerd zouden moeten worden wanneer duidelijk is dat andere alternatieven voor duurzame opwek niet toereikend zijn.
Figuur 6.4 Ruimtelijke criteria zonneladder
Altijd; zon op dak en langs Rijksinfrastructuur (langs geluidswal, berm van de rijksweg en incourante zones, gelieerd aan de weg) en in de Hubs met wind- en zonne-energie of alleen zonne-energie (zie legendakaart Altijd).
Ruimtelijke criteria zonneladder binnen de REKS Altijd
Landschappelijke eenheden
specifiek thema
Overdiepse polder Maas + uiterwaarden
ja, mits
wens tot
in de hub
Nooit; géén grondgebonden zonnepanelen in het Natuurnetwerk Brabant, verbrede beekdalen, noodzakelijk voor klimaatdoelstellingen en biodiversiteit, en cultuurhistorische ensembles.
ja, mits
kassengebied
ja mits onderdeel van het erf
open buitengebied
ja mits met behoud van karakteristiek van het landschap, o.a. openheid
meer verdichte buitengebied
ja mits
NNB handhaven van openheid
open buitengebied
ja mits zo laag mogelijk
meer verdichte buitengebied
ja mits
robuuste erfbeplanting minder dan 2 hectare
Drongelens kanaal
ja mits met behoud van karakteristiek van het landschap, o.a. openheid
Langstraat
nooit
Moer & Vaart
nee, tenzij
Loonse & Drunense duinen
nooit
Landgoed Pauwels
Néé, tenzij; grondgebonden zonnepanelen in laag dynamische gebieden in het buitengebied mogen niet tenzij goed ingepast en deze substantieel bijdragen aan klimaatdoelstellingen, biodiversiteit en gebiedsopgaven.
fortificaties
bundeling zonnevelden
25 Landschapseenheden
redenen voor géén zon onderdeel van overstromingsgebied
binnen gemeentelijk kader duurzame opwek
Polder Heusden
Polder van Bokhoven
ruimtelijke randvoorwaarden
nooit
Polder Waalwijk
Ja mits; grondgebonden zonnepanelen in hoogdynamische gebieden mits goed ingepast en bijdragen aan klimaatdoelstellingen, biodiversiteit en gebiedsopgaven.
geschikt voor zonneakkers nooit
brede houtwallen rondom
NNB
NNB
nee, tenzij
houtwallen en singels rondom verhouding paneel en open grond 1:3, toename biodiversiteit
De Lange Rekken
nee, tenzij
in bospercelen en in moerasgebieden
Boswachterij Dorst
nooit
NNB
Stadsbos 013
nooit
stedelijk uitloopgebied omsloten door hubs
Park Moerenburg
nooit
Mozaiek landschap Oisterwijk/Haaren/Udenhout
coulissenlandschap
lager heesterwallen en/of water en/of lage grondwal rondom
lager heesterwallen en/of water en/of lage grondwal rondom brede houtwallen rondom
coulissenlandschap
nee, tenzij
stedelijk uitloopgebied omsloten door hubs
houtwallen en singels rondom verhouding paneel en open grond 1:3, toename biodiversiteit
Lokale afweging op basis van gemeentelijke zonnevisies Nooit
Oisterwijkse vennen
nooit
Molenakker
nee, tenzij onderdeel van het erf
NNB robuuste erfbeplanting minder dan 2 hectare
nee, tenzij
passend in kavelgrootte landschap bossen en houtwallen rondom of heidegebieden rondom
Het land van Hilver
nee, tenzij
diverse criteria bossen en houtwallen rondom
Esdekkenlandschap van Hilvarenbeek
nooit
Gorp & Roovert
nooit
Regte Heide
nooit
Oisterwijkse heide
Rielsche heide
Gilzesche heide
Chaamse bossen & Alphense Bergen
cultuurhistorisch landschappelijk ensemble NNB NNB
nee tenzij
passend in kavelgrootte landschap bossen en houtwallen rondom of heidegebieden rondom
nee tenzij
passend in kavelgrootte landschap bossen en houtwallen rondom of heidegebieden rondom
nooit
NNB
Nooit kaart: combinatiekaart van Natuurnetwerk Brabant en Verbrede beekdalen (zie eerste poster) Documentnummer: L2014 P003 Datum: 18 01 2021
40
REKS Bod 1.0 H6 Zoekgebieden voor duurzame opwek
We constateren wel dat er een aantal initiatieven voor zonnevelden in het buitengebied al in een verder gevorderd stadium is. We vinden initiatieven van onderop ook erg belangrijk en vinden dus dat die initiatieven door moeten gaan.
6.5.4 Afspraak We spreken als regio het volgende af: 1 Lopende initiatieven in het buitengebied kunnen doorgang vinden. Het betreft hier de volgende initiatieven: – Hilvarenbeek:
2 x 13 ha.
– Goirle:
2 x 6 ha, 1 x 8 ha.
– Heusden:
1 x 23 ha, 1 x 6 ha.
– Waalwijk:
15 ha verdeeld over minimaal 2 zonnevelden.
– Dongen:
bedrijventerrein Tichelrijt: 1 x 11 ha en bedrijventerrein De Wildert: 1 x 14 ha.
2 We motiveren het realiseren van zonnevelden in het buitengebied als volgt: – We beseffen dat waarschijnlijk niet alle plannen uit de REKS voor duurzame opwek gerealiseerd kunnen worden en overprogrammering is dus wenselijk; – Er is ook duurzame opwek nodig voor mobiliteit en voor de warmtetransitie; – We hebben na 2030 ook nog een opgaaf voor duurzame opwek; – We vinden het belangrijk om ook lokale initiatieven te honoreren. 3 Tot aan de vaststelling van het REKS-bod 2.0. worden nieuwe initiatieven voor zonnevelden in het buitengebied afgehouden. Dit geldt niet voor Initiatieven in de hubs, op bedrijventerreinen, langs de rijksinfrastructuur (langs een geluidswal, de berm van de rijksweg en incourante zones, gelieerd aan de weg), op verweesde gronden, op vuilstortlocaties, op vloeivelden, boven parkeerterreinen en in de landschapseenheid ‘ja-mits’ indien lokaal gewenst en passend binnen de lokale beleidskaders. Bij het opstellen van het REKS-bod 2.0 zal bepaald worden in hoeverre nieuwe zonnevelden in het buitengebied gewenst zijn. Het REKS-bod 2.0 zal in 2023 worden vastgesteld.
6.5.5 Programmering We verkennen de komende tijd hoe we tot een regionale programmering van zonne-initiatieven kunnen komen. Dit in samenhang met initiatieven voor zon op dak, wind maar ook met nieuwe functies als nieuwe bedrijventerreinen en woonwijken. De aansluitcapaciteit van het netwerk is beperkt en dat noopt tot
41
REKS Bod 1.0 H6 Zoekgebieden voor duurzame opwek
het maken van keuzes en tot het prioriteren van projecten. Gekoppeld aan deze programmering zal in samenspraak met onder andere de natuurorganisaties en de ZLTO bepaald worden of een nieuw initiatief, indien zich dat aandient, van voldoende belang is voor de regio en inpasbaar is in het netwerk en dus door de regio ondersteund gaat worden.
6.5.6 Beschrijvingen Zonnevelden Zelfstandige opstelling van zonnepanelen: installatie voor de opwekking van zonne-energie die niet gecombineerd wordt met bebouwing, maar zelfstandig opgesteld is in het vrije veld.
Lopende initiatieven in het buitengebied Initiatieven die al vergund zijn of waar de gemeente al langere tijd mee bezig is. We streven ernaar om die initiatieven in deze strategie concreet te benoemen.
Hoog- en laagdynamische gebieden Planologische termen die worden gebruikt in de cascoplanning van het landelijk gebied. Hoogdynamische gebieden zijn de gebieden die zeer aan veranderingen of ontwikkelingen onderhevig zijn. De laagdynamische gebieden blijven door de tijd heen ongeveer hetzelfde of veranderen geleidelijk, voor het oog niet direct waarneembaar.
Vloeivelden Een vloeiveld is een groot lager gelegen bassin om het in het proceswater (bijvoorbeeld spoelwater) opgeloste sediment te laten bezinken. Vloeivelden werden vaak aangelegd in de buurt van aardappelzetmeel-, strokarton- of suikerfabrieken.
Incourante kavels Incourante kavels zijn kavels die voor agrarisch gebruik niet optimaal geschikt zijn. Een algemene definitie is hier niet van te geven, het is namelijk sector- en teeltafhankelijk. Het opbrengend vermogen van de grond speelt hierbij een cruciale rol. Criteria hierbij zijn kavelvorm, kavelgrootte, ontsluiting van de kavel (voor groot materieel), grondsoort, bodemvruchtbaarheid, mogelijkheden tot beregening, wel of geen aanwezigheid van schaduwvorming en mogelijkheden om water af te voeren of juist langer vast te houden. De weging van criteria tussen de sectoren is verschillend. Een akkerbouwer zal kritisch zijn op kavelvorm, kavelgrootte, ontsluiting en mogelijkheid tot
REKS Bod 1.0 H6 Zoekgebieden voor duurzame opwek
beregenen en ook erg kritisch kijken naar eerder gebruik van de grond, waardoor besmetting van bijvoorbeeld aaltjes en bijvoorbeeld knolcyperus kan zijn opgetreden. Een melkveehouder zal extra aandacht hebben voor de beweidingsmogelijkheden voor zijn melkvee en afstand tot zijn bedrijfslocatie.
Verweesde gronden Verweesde gronden zijn geïsoleerde gronden of gronden die wachten op toekomstige invullingen van de aanwezige planologische bestemming.
6.6 Verankeren REKS in Omgevingswet Inleiding Met ingang van 1 januari 2022 beschikken de overheden over de ´nieuwe´ instrumenten van de Omgevingswet. Welk instrument of welke instrumenten zijn nu het meest geschikt om de REKS in te laten landen? Ook speelt in dit kader de vraag of, en op welk moment, een MER moet worden toegepast.
Beleidscyclus Omgevingswet en instrumenten In de beleidscyclus van de Omgevingswet zijn een aantal instrumenten beschikbaar: omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en de omgevingsvergunning.
e
Beleidscyclus
so
n
Omgevingsvisie & omgevingswaarde
Programmatische aanpak
sd
we
rki
ng
e
Algemene regels
o
g rin
Programma
ele id
Projectbesluit
Instructieregels
B
Omgevingsvergunning
ling
Toezicht & handhaving
ke
Monitoring & evaluatie
Te r u
eid
ik
gk
pp
Bel
g lin
tw
o
Figuur 6.5
or
Ui
tv
o
42
43
REKS Bod 1.0 H6 Zoekgebieden voor duurzame opwek
Omgevingsvisie De REKS als een regionale thematische omgevingsvisie zal op lokaal niveau een eerste vertaling moeten krijgen in een gemeentelijke integrale omgevingsvisie. Het kan daarbij niet op voorhand worden uitgesloten dat in de ‘confrontatie’ regionaal-thematisch (REKS) versus gemeentelijk-integraal (omgevingsvisie) de keuzes per gemeente anders kunnen uitvallen dan die op regionaal niveau. Als dat gebeurt, dan moet teruggekoppeld worden naar het bovenliggende REKSniveau (bijstelling taakstelling en/of alternatieve locaties) of in de gemeentelijke omgevingsvisie de zoektocht ingezet worden naar een alternatieve locatie(s) bij gelijkblijvende taakstelling. Ongeacht de weg, is het resultaat een beleidsmatig verankerde REKS in de gemeentelijke omgevingsvisie.
Programma In de systematiek van de Omgevingswet is het programma opgehangen aan de omgevingsvisie als uitvoeringsparagraaf van die visie. Net als de omgevingsvisie is het een beleidsmatig instrument. Ook het programma kan ingezet worden als instrument om de REKS door te vertalen. Dit kan zowel lokaal als thematisch programma als intergemeentelijk in de vorm van bijvoorbeeld een gebiedsprogramma. Naast het (publiekrechtelijk instrument) programma zijn er ook nog legio alternatieven in de ‘privaatrechtelijke’ sfeer, die vandaag de dag worden gebruikt in gebiedsontwikkelingen. Dit varieert van intentieverklaringen tot realisatieovereenkomsten. Aan welk instrument de voorkeur moet worden gegeven is nog niet uitgekristalliseerd. Mogelijk kan een programma ook gevuld worden met deze al ‘privaatrechtelijke’ instrumenten. Als regio Hart van Brabant nemen we op dit moment deel aan een pilot van het NPRES, waarin wordt onderzocht of, en op welke manier, het instrument programma van toegevoegde waarde kan zijn bij de verankering van de REKS. De uitkomsten van deze pilot kunnen te zijner tijd worden betrokken bij de afweging om een programma op te stellen. De vormvrijheid van het programma staat het in de weg om daar nu al een echt standpunt over in te kunnen nemen, maar het programma lijkt op het eerste gezicht wel een toepasbaar instrument.
Omgevingsplan Het omgevingsplan en de omgevingsvergunning vormen samen de juridisch bindende instrumenten van de Omgevingswet. In de systematiek van de beleidscyclus komen deze twee juridisch bindende instrumenten na de twee beleidsmatige instrumenten. Het omgevingsplan is net als het programma een uitwerking van de omgevingsvisie, met in het programma een accent op de uitvoering en in het omgevingsplan het accent op de juridische afhechting van de omgevingsvisie en het programma. Het omgevingsplan is net als de omgevingsvisie een verplicht instrument. In de geest van de Omgevingswet verdient het echter de voorkeur om na de omgevingsvisie niet alleen het omgevingsplan in te zetten, maar daarnaast ook het instrument programma toe te passen bij de publiekrechtelijke vertaling van de tussen partijen gemaakte afspraken in de
44
REKS Bod 1.0 H6 Zoekgebieden voor duurzame opwek
REKS. Dit omdat het programma uitgaat van de leefomgeving en ruimte biedt voor participatie (met de relatie als invalshoek) en het omgevingsplan vooral geënt is op het juridiseren, het opstellen van regels (de inhoud).
Omgevingsvergunning Als alternatief voor het omgevingsplan kan in een concrete casus, waarbij een initiatief niet in het omgevingsplan past, ook nog de weg worden bewandeld van de buitenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit. De hierboven bij het omgevingsplan uitgestippelde redeneerlijn is hier ook op van toepassing.
Conclusie instrumenten Vertaal de REKS/gemeentelijke sectorale energietransitie eerst in een gemeentelijke integrale omgevingsvisie met een accent op het ‘waarom’ van deze opgave met daarna een doorvertaling naar het ‘hoe’ in de vorm van programma en borg vervolgens de hierin gemaakte bestuurlijke afspraken met een omgevingsplan als juridische achtervang.
MER in relatie tot de REKS Het is geen juridische verplichting om een MER ten behoeve van een RES op te stellen. Te bezien is of, en op welk moment, het instrument MER van toegevoegde waarde is in relatie tot de REKS. Is het opstellen van een MER voor de REKS zelf wel of niet zinvol? De MER-plicht is in het ruimtelijk ordeningsrecht ontstaan, omdat in de planfiguren van de Wet ruimtelijke ordening onvoldoende aandacht was voor de milieueffecten van omgevingsbesluiten. Nu het begrip ruimtelijke ordening met de Omgevingswet wordt ingewisseld voor het ruimere begrip fysieke leefomgeving, wordt inmiddels het milieubelang wel integraal gewogen bij plannen zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De REKS is ook een vreemde eend in de bijt van de Omgevingswet. De REKS is een thematische omgevingsvisie op regionaal, of beter intergemeentelijk, schaalniveau. De Omgevingswet kent wel thematische omgevingsvisies, maar is onbekend met het regionale schaalniveau. De regio is ook geen bestuurslaag in de zin van de Omgevingswet, wat betekent dat een lagere overheid gemotiveerd mag afwijken van een visie van een hogere overheid op basis van de lokale gemeentelijke belangen. Tegen deze achtergrond is de REKS niet meer dan een convenant en niet een publiekrechtelijk juridisch instrument waaraan partijen ‘gehouden’ zijn.
Daarnaast verlegt de Omgevingswet onderzoeksverplichtingen van het moment van planvaststelling naar het moment van planuitvoering. Deze beweging wordt ingezet omdat dan op de feitelijke situatie toegespitst onderzoek kan worden uitgevoerd in plaats van legio onderzoeken naar de eventueel mogelijke
45
REKS Bod 1.0 H6 Zoekgebieden voor duurzame opwek
(veelal theoretische) invullingen. Dit plaatst vraagtekens bij een MER bij een RES. Onderzoeksresultaten ter onderbouwing van een ruimtelijk besluit hebben bovendien een houdbaarheidsduur van twee jaar. De doorlooptijden van de REKS naar een af te geven omgevingsvergunning / projectbesluit maakt dat de termijn van twee jaar onder druk staat als op REKS-niveau besloten wordt tot een MER.
Conclusie Op basis van het voorgaande is de conclusie dat de toegevoegde waarde van een MER bij de REKS zelf in juridisch opzicht uiterst twijfelachtig is. De REKS is geen rechtmatig en/of doelmatig schaalniveau voor een MER; het moet niet, het kan wel. Het is gelet op het voorgaande passender om de MER door te schuiven naar het lokale schaalniveau. Daarbij kan, afhankelijk van de lokale situatie, een keuze worden gemaakt op welk niveau of op welke niveaus het instrument MER het beste past en in welke vorm, of dat misschien een ander instrument beter is. Misschien dat niet een MER, maar een omgevingseffectrapportage (OER) waarmee ook de andere dan de milieubelangen expliciet in beeld worden gebracht, op het lokale niveau meer gewenst is. Een goed alternatief zou ook nog een Maatschappelijk Kosten-Batenanalyse (MKBA) kunnen zijn, omdat dan breder wordt ingezet dan alleen het milieubelang en dit bredere perspectief beter aansluit op de term fysieke leefomgeving van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 7
Regionale Structuur Warmte
47
Hoofdstuk 7
Regionale Structuur Warmte 7.1
Inleiding
In het kader van de REKS in Hart van Brabant is de Regionale Structuur Warmte (RSW) uitgewerkt. Hierbij gaat het om het verduurzamen van de gebouwde omgeving (woningen en utiliteit). De regio heeft opdracht gegeven aan het adviesbureau DWA om de RSW te maken. Hieronder is een samenvatting gegeven van de RSW en er is in het bijlagedocument een uitgebreide PowerPointpresentatie opgenomen die één en ander uitvoerig toelicht. De werkgroep energie en infrastructuur van de REKS en een expertgroep van externen hebben de totstandkoming van de RSW begeleid. In de RSW gaat het over het combineren van warmtevraag, warmteaanbod of -bronnen en het verbinden van vraag en aanbod door infrastructuur. Het gaat om het verduurzamen van de warmtevoorziening van woningen en gebouwen. Nb: in deze RSW hebben we aannames gedaan, waarbij we voorzichtig zijn geweest. De uitwerking is een ‘worst-case’. Zo worden alle (collectieve) bronnen ‘opgewerkt’ naar 70-75°C, zodat we alle gebouwen kunnen aansluiten. In de praktijk kunnen bepaalde gebouwen met een lagere temperatuur verwarmd worden, wat efficiënter is. Deze keuzes worden in de Transitievisie Warmte van de individuele gemeenten en de daaruit voortvloeiende wijkplannen uitgewerkt.
48
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
7.2 Warmtevraag De totale warmtevraag van Hart van Brabant voor woningen en utiliteit1 is 10.528 TJ (peiljaar 2018). Dit is gebaseerd op de huidige gasafzet en de warmte-afzet in Tilburg vanuit het Amer-net. We rekenen met een reductie van de warmtevraag met 20%, uitgaande van een mix van oplossingen voor verduurzamen (met een warmtenet, all electric, of een hybride- oplossing met biogas) en de daarbij verwachte mate van isolatie (rendabel tot vergaand). Deze besparing is nu gelijk verdeeld over de gemeenten. De detaillering van de isolatiemaatregelen en -opgave zal in een apart project ‘Energiebesparing’ worden uitgewerkt. In de RSW zoeken we dus duurzame warmteoplossingen om aan de toekomstige vraag te voldoen, dus voor 8.423 TJ.
Figuur 7.1
Vraag -/- 20% (Tj)
Totale warmtevraag per gemeente (2019)
10.000 Waalwijk Tilburg Oisterwijk Loon op Zand 5.000
Hilvarenbeek Heusden Haaren Goirle Gilze en Rijen
0
Dongen
7.3 Warmteaanbod Het warmteaanbod in Hart van Brabant bestaat uit een aantal verschillende bronnen, met bepaalde kenmerken. Niet elke bron kan overal in de regio worden ingezet. De vervoerbaarheid van de warmte is daarbij belangrijk. Regionaal vervoerbaar wil zeggen over de gemeentegrenzen heen, lokaal vervoerbaar betekent binnen de gemeente. Hieronder volgt een opsomming van de verschillende bronnen.
1
Het gaat om warmtevraag voor het verwarmen van gebouwen en het maken van warmtapwater. Proceswarmte voor industrie en landbouw en energie voor mobiliteit zit hier niet in.
49
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Tabel 7.1 Overzicht van de verschillende warmtebronnen in Hart van Brabant
Naam
Omschrijving
Kenmerken
Vervoerbaarheid
HT (hoogtemperatuur)- Amer
Bestaande warmte-aanbod van Amercentrale op 90°C
Op termijn verlagen naar 75°C. Bepaald o.b.v. huidige afzet in Tilburg. Bron verduurzamen2
Regionaal vervoerbaar
MT (middentemperatuur)-restwarmte3
Restwarmte van industrie op 40-50°C
Met Warmtepomp naar 75°C brengen. Bepaald o.b.v. informatie van provincie/Blueterra over verwachte restwarmte per gemeente.
Regionaal vervoerbaar
HT (hoogtemperatuur)-biomassa
Verbranden in biomassacentrale
Bij voorkeur grootschalig toepassen i.v.m. rookgasreiniging. Bepaald o.b.v. informatie provincie/ RHDHV-onderzoek.
Regionaal vervoerbaar
Geothermie (GEO)
Aardwarmte van minstens 75°C.
Bron nog ongewis. SCANonderzoek levert in 2021 resultaat.4
Regionaal vervoerbaar
Thermische energie uit Oppervlaktewater (TEO)
Water van 12-20°C.
Met Warmtepomp naar 75°C brengen of als bron voor warmtepomp in woning. Bepaald o.b.v. DWA inschatting van potentiële energieopbrengst van grotere plassen, rivieren en kanalen.
Lokaal vervoerbaar, in combinatie met warmte-koude-opslag (wko)
Thermische energie uit Afvalwater (TEA)
Water van 12-20°C. (RWZI)
Met Warmtepomp naar 75°C brengen of als bron voor warmtepomp in woning. Bepaald o.b.v. afvoerhoeveelheid (effluent) per RWZI.
Lokaal vervoerbaar, vaak combinatie met warmte-koude-opslag (wko)
LT(laagtemperatuur)- restwarmte
Water van 12-20°C. (restwarmte van bedrijven)
Met Warmtepomp naar 75°C brengen. Bepaald o.b.v. restwarmte uit koelinstallaties van supermarkten.
Lokaal vervoerbaar, vaak combinatie met warmte-koude-opslag (wko)
Lage Temperatuur Aardwarmte
Aardwarmte van 25-40°C.
Met Warmtepomp naar 75°C brengen of als bron voor warmtepomp in woning. Bepaald o.b.v. potentie van ondergrond en aanwezige bebouwing.
Lokaal vervoerbaar
LT(laagtemperatuur)- restwarmte
Water van 12-20°C. (restwarmte van bedrijven)
Met Warmtepomp naar 75°C brengen. Bepaald o.b.v. restwarmte uit koelinstallaties van supermarkten.
Lokaal vervoerbaar, vaak combinatie met warmte-koude-opslag (wko)
Lage Temperatuur Aardwarmte
Aardwarmte van 25-40°C.
Met Warmtepomp naar 75°C brengen of als bron voor warmtepomp in woning. Bepaald o.b.v. potentie van ondergrond en aanwezige bebouwing.
Lokaal vervoerbaar
Biogas/Groengas
Door vergisting van reststromen verkregen gas
Bruikbaar in (hybride) CV-ketel. Bepaald o.b.v. informatie provincie/ RHDHV-onderzoek.
Regionaal vervoerbaar
Buitenlucht, Bodemlus en Zonthermie5
Bronnen voor warmtepompen/zonneboiler
Ter gebruiken op woning/ pandniveau.
Niet of beperkt vervoerbaar
2
Verduurzamen Amer-bron is geen onderdeel van de RSW Hart van Brabant, maar van de ‘Amer-werkgroep’
3
Uiteraard vraagt restwarmte commitment van de bedrijven die dit leveren. Hoe lang wil men zich verbinden?
4
Potentie van (diepe) geothermie niet meegenomen in aanbod.
5
Potentie ‘oneindig’: niet meegenomen in berekening van aanbod.
50
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Biogas en biomassa In het onderzoek van RHDHV voor de provincie is onderzocht welke biostromen er beschikbaar zijn en welke reële potentie (in energiehoeveelheden) deze stromen hebben. Biogas bestaat uit vergistbare stromen: mest (rundveemest, varkensmest, pluimveemest), akkerbouw (bietenloof, aardappelloof, stro van granen), beheer & onderhoud openbare ruimte (gras), huishoudelijk GFT-afval en RWZI-slib. Biogas kan opgewerkt worden naar groengas. De termen biogas en groen gas worden in dit hoofdstuk door elkaar gebruikt. Wanneer gesproken wordt over toepassing van biogas voor verwarming van de gebouwen wordt daarmee bedoeld dat dat gas is.
Figuur 7.2 Totaal (Tj)
Totale aanbod bronnen Hart van Brabant
10.000
Biogas LTA 5.000
Aqua / TEO RWZI / TEA LT restwarmte MT restwarmte HT (biomassa)
0
HT (Amer)
51
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Figuur 7.3 Warmtebronnen geografisch geduid (2019)
Tabel 7.2 Warmtevraag en warmteaanbod per gemeente (2019) Bronnen van warmte in TJ per gemeente
Warmtevraag
Warmtevraag 20% reductie
Totaal bronnen
HT Biomassa
MT Restwarmte
LT Restwarmte
RWZI/ TEA
Aqua/ TEO
LTA
HT Biogas
HT Amercentrale
Dongen (TJ)
587
470
1.327
11
858
23
-
225
150
60
-
Gilze en Rijen (TJ)
555
444
429
30
-
16
26
75
120
162
-
Goirle (TJ)
507
406
500
14
-
16
4
270
123
73
-
Haaren (TJ)
327
262
233
24
-
10
18
-
64
118
-
Heusden (TJ)
973
778
1.033
27
379
23
-
270
231
104
-
Hilvarenbeek (TJ)
366
293
439
44
-
13
21
-
77
284
-
Loon op Zand (TJ)
531
425
269
27
-
16
16
-
127
83
-
Oisterwijk (TJ)
728
582
333
24
-
16
-
-
149
144
-
Tilburg (TJ)
4.789
3.831
3.818
66
453
151
140
620
934
255
1.200
Waalwijk (TJ)
1.165
932
1.700
15
60
60
23
1.125
332
85
-
Totaal (TJ)
10.528
8.423
10.081
282
1.749
344
248
2.585
2.305
1.368
1.200
Berekening DWA
Berekening DWA
Debiet RWZI uit https://www. watersector.nl/rwzi
Berekening DWA o.b.v. lokale wateroppervlakken
Bronnenregister Brabant + berekening DWA
Bron
BAG-data
Bronnen register Brabant
Studie Blue Terra
Bronnen register Brabant
Afkortingen HT
Hoge temperatuur
R W Z I Rioolwaterzuiveringsinstallatie
MT
Middel temperatuur
TEA
Thermische energie afvalwater
LT
Lage temperatuur
TEO
Thermische energie oppervlaktewater
LTA
Lage temperatuur aardwarmte
Bronnen register Brabant
O.b.v. overleg werkgroep Amernet
52
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
7.4 Oplossingsrichtingen In tabel 7.3 is samengevat welke combinaties van aanbod(bronnen), vraag (woningen of gebouwen) en infrastructuur mogelijk zijn. Het distributienetwerk is hierbij onderscheidend, daarom stellen we de infrastructuur centraal. De verschillende combinaties zijn toepasbaar op verschillende schaalniveaus. Ook hebben de combinaties steeds eigen consequenties. In onderstaand overzicht zijn deze elementen samengebracht. Opmerking Onderstaande tabel is complex, maar is bedoeld als een overzicht over alle elementen die belangrijk zijn bij de combinaties van aanbod, vraag en infrastructuur. Ook introduceren we hierin de oplossingsrichtingen: 1. is een regionaal warmtenetwerk, 2. is een lokaal warmtenetwerk en 3a/3b is geen warmtenetwerk. Onder de tabel worden de oplossingsrichtingen nader toegelicht.
Tabel 7.3 Overzicht van elementen van
Opmerking Tabel moet horizontaal gelezen worden om tot zinvolle combinaties te komen.
Oplossingsrichting
1
Bron
Opslag
Collectieve conversie
HT-Amer
-
-
MT-restwarmte
-
Warmtepomp
Geothermie
-
-
Biomassa
-
Bioketel
Zonthermisch
Ecovat**
-
LT-Restwarmte TEO/TEA LTA
2
LT-Restwarmte TEO/TEA
3a
Installatie in woning
Schaalgrootte
Regio of Wijk MT, 75°C geïsoleerd net
Afleverset
-
70°C in de woning, rendabel isoleren wenselijk, huidige radiatoren, Meer elektravraag tbv warmtepomp (collectief)
-
-
-
Zonthermisch
Ecovat**
-
Buitenlucht
-
-
Bodemlus
-
-
-
70°C in de woning, rendabel isoleren wenselijk, huidige radiatoren
Buurt (25-250)
Wijk (250-2000)
Warmtepomp
wko*
Consequenties
Regio
wko*
LTA
Hybride warmtepomp met biogas
3b
Distributienet
duurzame warmtevoorziening
-
LT, ±15°C niet geïsoleerd net
Warmtepomp
Wijk ⁄Buurt (25-2000)
Buurt (25-250)
All electric
Biogas/ Elektrisch
Warmtepomp
Hybride Warmtepomp met CV-ketel
*
Noodzaak van opslag (wko) hangt ook af van de temperatuur gedurende het jaar en de beschikbaarheidsprofielen van de bron en de vraagprofielen.
**
Ecovat is een opslagsysteem voor seizoensopslag van thermische energie (www.ecovat.eu)
40°C in de woning, goed isoleren noodzakelijk, LT-verwarming, Meer elektravraag tbv warmtepomp (per woning)
Woning
Woning
40-70°C in de woning, goed isoleren wenselijk, huidige radiatoren, meer elektravraag tbv warmtepomp. Biogasketel voor piek en tapwater.
53
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
De tabel maakt duidelijk dat er veel combinaties van elementen mogelijk zijn, maar niet alle. Bovendien zijn sommige elementen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit is belangrijk bij het verder uitwerken van de oplossingsrichtingen, die zijn opgehangen aan de infrastructuur (het distributienet) en die uitgaan van drie schaalniveaus.
1 Regionaal warmtenet (MT, 75°C) Grote bronnen met (relatief) hoge temperatuur worden gekoppeld door een regionaal net. Dit maakt het mogelijk warmte uit te wisselen tussen gemeenten. De bronnen die hieraan gekoppeld kunnen worden zijn: HT-Amer (de centrale), MT-restwarmte en HT-biomassa. Ook toekomstige geothermie is te koppelen aan dit net. Deze oplossingsrichting is aantrekkelijk vanuit gebouwen, omdat maar beperkte aanpassingen (lees: isolatie) nodig zijn.
2 Lokaal warmtenet in wijk of buurt (MT, 75°C of LT, 40°C) Lokale bronnen (TEO, TEA, LT-restwarmte, LTA) worden met een lokaal collectief net gekoppeld aan de vraag (woningen en bedrijven). In deze oplossingsrichting zijn er twee opties: de LT-warmte van de bronnen wordt met een collectieve warmtepomp naar MT-niveau (75°C) gebracht en gedistribueerd in de gebouwen. Of de LT-warmte wordt gedistribueerd op lagere temperatuur en in de gebouwen met een warmtepomp naar een hogere temperatuur gebracht, meestal 40°C. De laatste variant vereist goede isolatie van de gebouwen. Nb Het aanbod van lokale, collectieve bronnen wordt dus ingezet binnen de wijk of gemeente. Het is niet vervoerbaar naar andere gemeenten. Dat kan betekenen dat een ‘overschot’ van deze bronnen in een gemeente verloren gaat. Met het overschot van de ene gemeente kan het tekort van de andere gemeente niet worden aangevuld, omdat de vervoerbaarheid ervan beperkt is. Nb2 In deze oplossingsrichting is het nodig een back-up of piekvoorziening van de collectieve warmtepompcentrale te hebben. Deze back-up kan bijvoorbeeld worden ingevuld door biogas.
3 Individuele oplossing per woning Een derde oplossingsrichting is het toepassen van individuele oplossingen. Daarbij zijn er twee mogelijkheden: – 3a. all-electric; – 3b. hybride met warmtepomp. Bij all-electric wordt een warmtepomp ingezet met een buitenluchtunit of een bodemlus. In principe kan iedere woning deze oplossing toepassen, maar de woning moet goed geïsoleerd zijn en voorzien zijn van lagetemperatuurverwarming, omdat de warmtepomp water maakt van 40°C. Bij hybride met biogas wordt ook een warmtepomp ingezet, maar met een lager vermogen dan de all-electric-variant. Naast de warmtepomp wordt een biogasketel of zonnecollector geplaatst om ‘bij te springen’ als het koud is of voor het maken van tapwater.
54
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Bij de keuze voor warmtebronnen gaat de voorkeur uit naar projecten die een directe vermindering op de CO2-uitstoot bereiken.
7.5 Regionale Structuur: 2 Denkrichtingen In de vorige paragrafen is verkend wat de vraag in de regio Hart van Brabant is, wat het aanbod aan warmte is en welke oplossingsrichtingen er mogelijk zijn om de vraag en het aanbod bij elkaar te brengen. In deze paragraaf gaan we in op de mogelijke structuur van de warmtevoorziening in Hart van Brabant. Daarvoor zijn twee denkrichtingen ontwikkeld: één met regionale en lokale oplossingen en één met alleen lokale oplossingen. Lokaal wil zeggen binnen de eigen gemeente. De leidende principes voor denkrichting 1, regionale en lokale oplossingen, zijn: – Er wordt 20% bespaard ten opzichte van de huidige vraag; dit hangt ook samen met keuze voor de warmte-oplossing: lage temperatuur vereist betere isolatie dan hogere temperatuur; – Het regionaal vervoerbaar ‘Amer’-aanbod (HT-Amer, MT-restwarmte en HT-biomassa) wordt gekoppeld in een uitbreiding van een regionaal (Amer) warmtenet waar nuttig en mogelijk. Dit regionale net zorgt voor uitwisseling van overschot en tekort tussen de aangesloten gemeenten; – HT-biomassa van alle gemeenten wordt gebruikt om het regionale net te voeden; – Lokaal vervoerbare bronnen (TEO, TEA, LT-restwarmte en LTA) worden lokaal ingezet en zo veel mogelijk benut; – Biogas is vervoerbaar en wordt niet gebruikt per gemeente, maar ingezet in gemeenten met een (lokaal) tekort aan bronnen.
– De leidende principes voor denkrichting 2, lokale oplossingen, zijn: – Er wordt 20% bespaard ten opzichte van de huidige vraag; – Biogas en HT-biomassa van alle gemeenten zijn vervoerbaar met de huidige infrastructuur (gasleiding en weg). Deze worden niet gebruikt per gemeente, maar ingezet in gemeenten met een (lokaal) tekort aan bronnen. – Er wordt geen extra regionale warmte-infrastructuur aangelegd; – Alle andere bronnen worden maximaal en lokaal ingezet. Hiervoor kan wel een lokaal (warmte)net nodig zijn. In figuur 7.4 en 7.5 zijn de twee denkrichtingen verbeeld.
55
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Figuur 7.4 Denkrichting 1: Uitbreiding regionaal warmtenet Visualisatie van denkrichting 1 Bron: studie DWA (2020)
Legenda Amercentrale Bestaand warmtenet Toekomstige uitbreiding Verbinding Waalwijk / Heusden Verbinding Dongen / Tilburg Mogelijke lokale netten
Bronnen lokaal net: LT restwarmte, TEO, TEA, LTA Bronnen uitbreiding Amernet: HT Amer, MT restwarmte, HT biomassa Biogas wordt gebruikt om lokale tekorten aan bronnen aan te vullen.
Figuur 7.5 Denkrichting 2: Bestaande regionale net blijft intact. Visualisatie van denkrichting 2 Bron: studie DWA (2020)
Legenda Amercentrale Bestaand warmtenet Mogelijke lokale netten
Bronnen lokaal net: LT restwarmte, TEO, TEA, LTA, MT restwarmte Bronnen Amernet: HT Amer Biogas en HT biomassa worden gebruikt om lokale tekorten aan bronnen aan te vullen.
56
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Uitwerking denkrichting 1 We gaan uit van de huidige warmtevraag en reduceren die met 20%. Vervolgens kijken we welk deel van de warmtevraag lokaal opgelost kan worden en welk deel niet (het ‘tekort’). Hierbij worden het ‘regionaal vervoerbaar aanbod’ en biogas niet ingezet maar bewaard voor uitwisseling. Vervolgens zijn er in de REKS-regio vier gemeenten die in principe in aanmerking komen voor aansluiting op het regionale (Amer)net: Tilburg, Dongen, Waalwijk en Heusden. Dat komt omdat er bestaande aansluitingen op het Amernet en/of MT-restwarmte beschikbaar zijn en omdat de dichtheid van de bebouwing hoog genoeg is voor een regionaal net. Het regionale net verzorgt de uitwisseling van de tekorten en overschotten. De overige zes gemeenten passen alleen de lokaal inzetbare (collectieve) bronnen toe, namelijk TEO, TEA, LT-restwarmte en LTA. Biogas wordt gebruikt om tekorten in een gemeente op te vangen. Het resultaat is weergegeven in Figuur 7.6.
Conclusie denkrichting 1 Het tekort in de ‘Amer’-gemeenten (2.313 TJ) kan ruimschoots worden ingevuld met het ‘Amer’ HT/MT-aanbod (3.231 TJ). Het tekort in de ‘Lokaal’-gemeenten (1.242 TJ) kan worden ingevuld met het ‘Lokaal’ biogas-aanbod (1.368 TJ). Er is uitgegaan van het maximaal gebruiken van het regionale en lokale aanbod. De individuele all-electric-oplossing 3a hoeft om energetische redenen niet ingezet te worden.
Figuur 7.6 Vraag en aanbod bij
Totaal (DR1/in Tj)
denkrichting1 10.000
5.000
MT restwarmte HT (biomassa) HT (Amer)
0 Huidige vraag
Vraag -/- 20%
Aanbod lokaal ingevuld
Tekort Tekort ‘Amer’‘lokaal’gemeenten gemeenten
‘Amer’ HT/MT aanbod
‘Lokaal’ biogas aanbod
Opsplitsing ‘Amer’aanbod
57
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Uitwerking denkrichting 2 Ook hier gaan we uit van een reductie van de huidige warmtevraag met 20%. Daarna zet iedere gemeente eerst in op het toepassen van alle beschikbare bronnen behalve biogas en biomassa. De laatste twee noemen we het uitwisselbaar aanbod. Sommige gemeenten zullen dan volledig voorzien zijn, andere hebben een tekort. Biogas en biomassa worden gebruikt om deze tekorten aan te vullen. Het resultaat is weergegeven in Figuur 7.7.
Conclusie denkrichting 2 Het tekort in de gemeenten (1.576 TJ) kan worden ingevuld met het uitwisselbaar aanbod (1.650 TJ). Er is uitgegaan van het maximaal gebruiken van het lokale aanbod. De individuele all-electric-oplossing 3a is energetisch niet noodzakelijk.
Figuur 7.7 Vraag en aanbod bij
Totaal (DR2/in Tj)
denkrichting 2 10.000
5.000
Biogas HT (biomassa)
0 Huidige vraag
Vraag -/- 20%
Aanbod lokaal ingevuld
Tekort
Uitwisselbaar aanbod
Opsplitsing ‘Uitwisselbaar ’
58
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Amercentrale en warmtenet De Amercentrale in Geertruidenberg is een elektriciteitscentrale. Een belangrijk deel van de Nederlandse elektriciteitsbehoefte wordt opgewekt in deze centrale. De restwarmte die hierbij vrijkomt wordt gebruikt voor het verwarmen van circa 45.000 woningen en enkele honderden bedrijven in Breda, Oosterhout en Tilburg. De Amercentrale wekt zijn energie op dit moment op door gebruik te maken van biomassa en steenkool. Een klein deel extra biomassa bijstook is nodig om alle woningen en bedrijven van warmte te voorzien.De ambitie is om in 2024 volledig van steenkool af te zijn. Tevens is de ambitie om de biomassa volledig uit te faseren en het warmtenet volledig van duurzame warmte te voorzien. Voor de toekomst moet de Amercentrale in Geertruidenberg los gezien worden van het warmtenet. De centrale zelf moet uiteindelijk biomassa uitfaseren. Daarnaast is het doel om veel meer lokale warmtebronnen te ontwikkelen en deze te koppelen aan het warmtenet. Hierdoor ontstaat er langzaam een warmtenetwerk dat gevoed wordt door tal van ‘kleinere’ warmtebronnen die genoemd staan in figuur 7.3. De Amercentrale hoeft op termijn dan steeds minder warmte te leveren. Ook in West-Brabant wordt gekeken naar nieuwe warmtebronnen.
Op dit moment vindt in die regio bijvoorbeeld een onderzoek plaats naar de mogelijkheden om restwarmte uit Moerdijk te koppelen aan het warmtenet in West-Brabant en Hart van Brabant.
7.6
Uitwerking denkrichtingen
In de denkrichtingen gaan we uit van de beschikbaarheid van een bepaald aanbod, maar wat gebeurt er als bronnen er niet zijn of als de opbrengst ervan tegenvalt? Een paar hoofdlijnen: – In beide denkrichtingen is nog geen gebruik gemaakt van individuele all-electric-oplossingen 3a, terwijl die in de praktijk wel bruikbaar zijn. Dit verlaagt de vraag naar een collectief aanbod. De vraag naar warmte is uiteraard locatiegebonden. De Transitievisie Warmte zal hier per gemeente een meer verfijnd beeld van geven. – HT biomassa, LT restwarmte en RWZI/TEA zijn vanwege de relatief kleine omvang misbaar. Zeker in denkrichting 2 betekent dit wel dat de minder efficiënte all-electric-oplossingen nodig zijn. – Denkrichting 1: Voor de ‘Amer’-gemeenten is er een relatief groot overschot van warmte. Als in de praktijk blijkt dat er fors minder TEO of LTA beschikbaar is, dan leidt dit nog niet tot een tekort aan warmte voor deze gemeenten.
59
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
– Denkrichting 1: Voor de ‘Amer’-gemeenten geldt dat het wegvallen van de HT-Amer (de centrale dus) een klein tekort veroorzaakt. Met all-electric-oplossingen is dit op te vangen. Uitgangspunt is dan uiteraard wel het voorzien van de bestaande Amernet-aansluitingen van voldoende warmte uit andere bronnen. De hoeveelheid gevraagde warmte is overigens beschikbaar in die andere bronnen. – Denkrichting 2: het overschot aan warmte is klein, dus minder collectief aanbod betekent dat all-electric-oplossingen noodzakelijk zijn. – In denkrichting 2: als HT-Amer (de centrale) wegvalt, dan ontstaat een tekort aan HT-warmte in Tilburg. Dan zal een fors deel van het uitwisselbaar aanbod (biogas en biomassa) nodig zijn om de bestaande Amernet-aansluitingen te voeden. – In beide denkrichtingen is er nog geen rekening gehouden met geothermie. Als dit beschikbaar is, dan kan dat gekoppeld worden aan een regionaal net. Ook is nog geen rekening gehouden met de mogelijkheid van zonthermie die eventueel gekoppeld kan worden aan een lokaal net. Opmerking Er is discussie over de rol van biomassa. Als dit wordt toegepast, dan is het energetisch mogelijk om het in één gemeente te doen en er dus een relatief grote centrale van te maken. Voor het reinigen van rookgassen is een grotere centrale beter toegerust dan een serie kleine centrales. Een groter centrale is dus minder belastend voor het milieu.
Opmerking Het inzetten van bodemenergie wordt beperkt in verband met de bescherming van de grondwaterkwaliteit.
Al met al kan geconcludeerd worden dat de gevoeligheid van bronnen meevalt. Wanneer er minder bronnen zijn dan oorspronkelijk gedacht kunnen altijd nog all-electric-oplossingen toegepast worden. De Transitievisies Warmte zullen een gezamenlijk beeld moeten geven van de beste toepassing van de verschillende bronnen.
7.7
MKBA
Om meer zicht te krijgen op welk niveau een warmtebron het best ingezet zou kunnen worden (regionaal, lokaal of individueel) is besloten om een Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse te laten uitvoeren. Dat is samen gedaan met de RES-regio West Brabant. De maatschappelijke kosten en baten zijn voor 7 projectalternatieven met elkaar vergeleken (zie onderstaand schema): regionaal 1A, 1B en 1C, lokaal: 2A en 2B en individueel: 3A en 3B. Er wordt vergeleken met het nulalternatief dat uitgaat van een autonome ontwikkeling van de energietransitie zonder gewijzigd beleid.
60
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Na doorrekening bleek dat alle projectalternatieven een negatief saldo hadden ten opzichte van het nulalternatief. Dat betekent dat de kosten die moeten worden gemaakt om dat alternatief te realiseren niet opwegen tegen de baten ervan. Zowel kosten en baten zijn financieel vertaald. Voor de baten betekent dat bijvoorbeeld dat elke ton CO2-reductie een financiële waarde heeft gekregen (CO2-prijs). Het negatieve saldo van de kosten en baten varieert van € 0,4 miljard tot € 1,9 miljard.
Figuur 7.8 De projectalternatieven van de MKBA
Welke warmtebronnen worden daarbij ingezet?
Hoe verloopt het transport van warmte?
Variant
Variant
Variant
A
B
C
Nadruk op biomassa en restwarmte
Nadruk op geothermie, biomassa en restwarmte
Nadruk op geothermie, biomassa, restwarmte en extra energiebesparing
Nadruk op lokaal aanbod en met behoud bestaand regionaal net
Nadruk op lokaal aanbod en zonder behoud bestaand regionaal net
Nadruk op groengas, zonthermie en extra energiebesparing
Nadruk op all-electric en extra energiebesparing
Regionaal
1
Lokaal
2
Gas- en electriciteitsnet
3
61
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
Figuur 7.9 Uitkomsten MKBA Hart van Trage uitfasering aardgas (geen extra investeringen)
0
miljard (€)
Nu l
Brabant bij de verschillende Regionaal warmtenet
Lokale warmtenetten
Groen All gas electric
1A
1B
1C
2A
2B
3A
3B
-1,7
-1,2
-1,4
-1,7
-1,9
-0,4
-1,5
-1
-2
Verder kan uit de MKBA het volgende geconcludeerd worden: 1 Het alternatief dat is gebaseerd op individuele warmteoplossingen en met name zonthermie en groen gas als warmtebronnen kent, heeft de laagste kosten. – De bruikbaarheid van dit alternatief hangt echter sterk samen met de toekomstige beschikbaarheid van groen gas voor de verwarming van woningen. – Groen gas is een hoogwaardige energiedrager, die warmte met hoge temperaturen kan leveren. Deze bron is daarom ook van (groot) belang voor industriële toepassingen. De warmtebehoefte in de industrie in de regio is fors groter dan van de gebouwde omgeving. Anderzijds is onduidelijk welk deel van de industrie gaat elektrificeren. – Daarom is er meer onderzoek naar nodig, alvorens verdere conclusies te trekken over dit alternatief. De MKBA zal worden geactualiseerd met de resultaten van dit onderzoek. 2 Alternatieven met een belangrijke rol voor een regionaal warmtenet en grote, hoog-temperatuur warmtebronnen (biomassa, restwarmte en geothermie) komen als ‘second best’ uit de MKBA. – Dit zou pleiten voor behoud van het regionale net en voor uitbreidingen, zoals richting Waalwijk/Heusden en mogelijk zelfs naar Gilze en Rijen en Loon op Zand, waarbij ervan uit gegaan wordt dat de bronnen die dit net voeden verduurzaamd zijn.
– Het alternatief met veel individuele warmte-oplossingen op basis van ‘all electric’ heeft ordegrootte een vergelijkbaar saldo. Het effect van de onzekerheden in de gevoeligheidsanalyse zijn op dit alternatief echter groter dan bij het alternatief met nadruk op het regionale net.
projectalternatieven
62
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
– De uitwerking van een regionale benadering vergt zowel extra aandacht voor het draagvlak voor warmte uit biomassa voor de korte termijn en de verbranding van reststoffen (restafval), voor de flexibiliteit in de tijd en voor de rol en beschikbaarheid van (diepe) geothermie in de toekomst. 3 Een warmtevoorziening met lokale warmtenetten met een accent op lokale warmtebronnen (onder andere aquathermie en bodemwarmte) leidt tot relatief hogere maatschappelijke kosten. – Lage kosten zijn daarom een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling en exploitatie van lokale bronnen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als woningen vlak bij het water liggen waar warmte uit wordt gewonnen. 4 Extra besparen van energie beperkt het verbruik van energie en de uitstoot van CO 2, maar leidt ook tot hogere kosten in de MKBA (de extra kosten van isolatie wegen niet op tegen de CO 2-besparing). – Bij het gebruik van groen gas is de extra besparing van energie noodzakelijk. Groen gas is immers beperkt beschikbaar en moet daarom zo effectief mogelijk worden gebruikt. De MKBA-variant is daarom ook al uitgegaan van deze extra besparingskosten. – Bij de alternatieven met een regionaal warmtenet in de hoofdrol staan de vermeden kosten vanwege lagere CO2-emissies onvoldoende in verhouding tot de extra kosten voor energiebesparing.
Dit betekent dat het energiebesparingsdoel moet aansluiten bij de keuze van de warmtebron, zodat de energiebesparing op een redelijke wijze kosten-efficiënt wordt gerealiseerd.
Op basis van de conclusies van de MKBA zijn er de volgende aanbevelingen: 1 Verkennen uitbreiding regionaal net We stellen voor om in samenwerking met de gemeenten Waalwijk, Heusden, Tilburg en Dongen een nadere verkenning te doen naar de haalbaarheid van het uitbreiden van het regionale net naar Waalwijk/Heusden en de verbinding te maken tussen Tilburg en Dongen, inclusief de daarbij behorende bronnenstrategie (ook betrekken lokale bronnen). De haalbaarheid betreft onder andere de technische en financiële haalbaarheid (globale businesscase). In een tweede ring daarom heen zou opnieuw gekeken kunnen worden naar de uitbreiding van het warmtenet naar Gilze en Rijen en naar Loon op Zand. In deze verkenning zal veel aandacht gegeven worden aan de mogelijkheden van verduurzaming van de bronnen van het regionale net.
63
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
2 Verkenning groen gas We stellen voor een nadere verkenning te doen naar de beschikbaarheid van groen gas voor de gebouwde omgeving en te verkennen waar dat groen gas het best ingezet zou kunnen worden. 3 Verkenning elektrabehoefte van all-electric-oplossinge In de RSW is een eerste inschatting gemaakt van de extra elektriciteitsbehoefte van all electric-oplossingen. Aanbevolen wordt hier nauwkeuriger naar te kijken en ook de gevolgen voor het elektriciteitsnet (ook op hoogspanningsniveau) in beeld te brengen. 4 Ontwikkeling strategie lokale netten We stellen voor om samen met de gemeenten Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Oisterwijk en Loon op Zand een verkenning te doen naar de beschikbaarheid van lokale bronnen (met name aquathermie LTA en zonthermie) in relatie tot de kosten voor de benodigde netten en van daaruit een strategie te ontwikkelen voor de inzet van die bronnen. Daarbij wordt aangesloten bij verkenningen die door individuele gemeenten apart of gezamenlijk al worden uitgevoerd. 5 Verkennen van de rol van de overheden binnen nieuwe regionale en lokale warmtenetten Het Amernet van Ennatuurlijk heeft op dit moment een monopolistisch karakter. Binnen de nieuwe warmtewet ontstaan voor de overheid mogelijkheden om een publieke rol in deze netten te nemen.
Nader onderzocht moet worden welke rollen mogelijk zijn en welke rollen passen bij de te ontwikkelen nieuwe regionale en lokale warmtenetten. Ook een mogelijke rol van de LEC’s kan daarbij in beeld komen. 6 Waar komen de kosten terecht? In de MKBA is gekeken naar de kosten voor het totale systeem. Bij de uiteindelijke keuze voor de systemen moet nadrukkelijk gekeken worden waar de uiteindelijke kosten neerslaan. Is dat bij de eindgebruiker of zijn dat kosten die gesocialiseerd worden? Binnen de Transitievisies Warmte van de verschillende gemeenten moet hier nadrukkelijk aandacht voor zijn. 7 Koude Bij alle uitwerkingen zal niet alleen gekeken worden naar warmtelevering maar ook naar de levering van koude.
64
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
7.8 Samenhang met Transitievisie Warmte De resultaten van deze Regionale Structuur Warmte (RSW) dienen als input voor de Transitievisie Warmte (TVW) per gemeente. En andersom leidt de optelsom van de TVW’s over Hart van Brabant mogelijk tot een verfijning van de RSW. Ook moeten we een goede afstemming houden met de RSW West-Brabant en het transitieplan voor het Amernet. Een aantal aspecten uit de RSW om rekening mee te houden zijn: – Bij het opstellen van de Transitievisies Warmte moet aandacht zijn voor het verdeelvraagstuk van TEO en biogas, waarbij samenwerking tussen gemeenten, waterschappen en netbeheerder essentieel is. – Voordat MT-restwarmte een plaats krijgt in de TVW moet met de eigenaar van de restwarmtebron het gesprek gevoerd worden over de beschikbaarheid op lange termijn. – De ontwikkelingen rond de Amercentrale zijn van belang voor de uitwerking van de TVW’s. Deze samenhang moet worden geborgd. – Om de grote hoeveelheid MT-restwarmte te verdelen ligt een koppeling tussen Dongen en Tilburg voor de hand. – Tilburg kan voor een groot deel in de eigen vraag voorzien. Het restant kan uit de koppeling met Dongen verkregen worden. Biogas is nodig voor andere gemeenten in Hart van Brabant. – Voor Waalwijk en Heusden: beide gemeenten kunnen in principe op eigen kracht in de warmtevraag voorzien.
Biogas en biomassa zijn daarbij nodig maar die zijn ook nodig voor andere gemeenten in Hart van Brabant. Mogelijk kan er op termijn een koppeling komen met het Amernet (ook met het oog op continuïteit van levering), maar op korte termijn ligt dit niet voor de hand. Voor Heusden zijn er mogelijk ook kansen om te koppelen met Den Bosch. – Goirle kan in de eigen vraag voorzien. De mogelijkheden voor het toepassen van aquathermie moeten op regionale schaal verder worden uitgewerkt. Biogas (en biomassa) zijn mogelijk ook nodig voor andere gemeenten in Hart van Brabant. – Hilvarenbeek kan in de eigen vraag voorzien. Een deel van het biogas is voor eigen gebruik en een deel is nodig voor andere gemeenten in Hart van Brabant. – Gilze en Rijen kan bijna in de eigen vraag voorzien. Er is maar een beetje biogas nodig of er kan voor een deel van de vraag voor een all-electric-oplossing gekozen worden. – Loon op Zand heeft een tekort en zal dus aanspraak moeten maken op de biogas-‘reserve’ uit andere gemeenten. – Oisterwijk heeft een tekort aan bronnen, alhoewel aquathermie uit de Voorste Stroom goede mogelijkheden lijkt te bieden. Haaren, dat bij Oisterwijk is gevoegd, kan bijna in de eigen vraag voorzien en zal maar een beetje biogas nodig hebben of kan kiezen voor een all-electric-oplossing.
65
REKS Bod 1.0 H7 Regionale S tructuur Warmte
7.9
Extra elektriciteitsvraag om de warmtebronnen nuttig in te zetten
De meeste warmtebronnen hebben een lagere temperatuur dan de gewenste leveringstemperatuur in de woningen. We zijn uitgegaan van levering van water van 70-75°C in de woning door middel van een (lokaal) warmtenet. We gaan er ook van uit dat we de volledige bron benutten, behalve bij MT-restwarmte. Daar gaan we bij denkrichting 1 uit van 60% benutting en bij denkrichting 2 van 80%. Dit om te voorkomen dat we ‘overcapaciteit’ hebben en dus te veel elektriciteitsvraag extra berekenen. Let op het gaat hier om een grove benadering. In de Transitievisies Warmte moeten de keuzes verfijnd worden en zal er dus een beter beeld ontstaan van de extra elektriciteitsvraag en de consequenties voor de elektriciteitsinfrastructuur.
Om van de verschillende bronnen de temperatuur te verhogen maken we gebruik van een warmtepomp(centrale). Om de elektriciteitsinput van de warmtepomp te berekenen gebruiken we een zogenaamde Coëfficiënt of Performance (COP). Deze is afhankelijk van de temperatuur van de bron. Hoe groter de temperatuursprong, hoe lager de COP. Wij nemen aan dat: – de COP voor LT-restwarmte/TEO/TEA 3 is; – de COP voor LTA 4 is; – de COP voor MT-restwarmte 5 is.
Dat geeft de volgende extra elektriciteitsvraag:
Tabel 7.4 Extra elektriciteitsvraag bij
In kWh
Voor MT rest
Voor LT rest/ TEA/TEO
Voor LTA
Totaal
Denkrichting 1
58.290.000
294.160.000
160.080.000
512.530.000
Denkrichting 2
77.722.000
294.160.000
160.080.000
531.962.000
Dit betekent dat er een vergelijkbaar aantal molens extra nodig zou zijn. Een deel daarvan is al meegerekend bij het bepalen van de opgaaf van 35 TWh op Rijksniveau. In het kader van de REKS 2.0 zal door het Rijk bepaald worden of hier nog een extra opgaaf ligt voor de regio.
2 denkrichtingen
Hoofdstuk 8
Impact op het elektriciteitsnetwerk
67
Hoofdstuk 8
Impact op het elektriciteitsnetwerk 8.1 Inleiding Een robuuste energie-infrastructuur De energie-infrastructuur van ons land verbindt alle ambities en plannen in de 30 RES-regio's; het is de ruggengraat van onze gezamenlijke energiestrategie. De energie-infrastructuur maakt onder invloed van de energietransitie een ware revolutie door. Het werd aangelegd als transportmiddel om te voorzien in de vraag naar energie. Nu verandert het net in een multifunctionele verbinder van vraag en aanbod van elektriciteit, energieopslag en -conversie, duurzame warmte en groene alternatieven voor aardgas. Dat biedt kansen maar plaatst ons ook voor forse uitdagingen. Juist daarom is een gedeeld beeld over vraagstukken en mogelijkheden met betrekking tot de energie-infrastructuur belangrijk om te komen tot haalbare en betaalbare plannen. Door inzichten met elkaar te delen en samen te ontwerpen, kunnen we gezamenlijk anticiperen op ontwikkelingen.
Impact op de energie-infrastructuur De plannen voor duurzame opwek hebben grote impact op de benodigde infrastructuur. In het proces van de totstandkoming van de REKS 1.0 heeft Enexis Netbeheer daarom op basis van de aangeleverde gegevens de impact van de plannen op de energie-infrastructuur bepaald (december 2020). Er is een integrale doorrekening gemaakt, waarbij ook rekening is gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in andere sectoren. De impact wordt uitgedrukt in tijd (termijn om aanpassingen te realiseren), geld (investeringen) en ruimte (ruimtebeslag van stations en infrastructuur)
Investeringsplan Enexis De REKS 1.0 geeft richting aan het Investeringsplan van Enexis, dat tweejaarlijks wordt herijkt. Tussentijdse aanpassingen, al dan niet voortkomend uit ontwikkelingen in de markt, kunnen impact hebben op de haalbaarheid van de REKS. Ontwikkelingen uit de markt betreft ook de aanvragen die niet vergunningplichtig zijn en toch door Enexis in behandeling moeten worden genomen.
68
REKS Bod 1.0 H8 Impact op het elektriciteitsnetwerk
Systeemefficiëntie voor een uitvoerbare en betaalbare REKS De totale maatschappelijke kosten, het ruimtebeslag en de benodigde tijd in de uitvoering is fors. Door in te zetten op systeemefficiëntie kan de impact worden beperkt. Daarom is in de Netimpactanalyse nadrukkelijk aandacht gegeven aan mogelijkheden om het net zo efficiënt mogelijk in te zetten. Bijvoorbeeld door een evenwichtige balans van zonne- en windparken en door energie daar op te wekken waar er vraag is, zodat minder energie getransporteerd hoeft te worden. Met deze adviezen kan een RES-regio sturen op keuzes die bijdragen aan een uitvoerbare en betaalbare RES.
Een gezamenlijk uitvoeringsprogramma voor de realisatie van de REKS Een uitvoerbare REKS vraagt ook om het programmeren van plannen in de tijd. Uitbreiding van de energie-infrastructuur kent langere doorlooptijden dan de ontwikkeling van duurzame opwek. Starten met de realisatie van duurzame opwek waar netcapaciteit beschikbaar is, is sterk aan te bevelen. We moeten daarom tijdig starten met benodigde planprocedures voor de energie-infrastructuur en onderzoek hoe planprocedures versneld kunnen worden. Samenwerken in gebiedsprocessen en het erkennen van wederzijdse belangen, kunnen tot een beter, sneller en gedragen planproces leiden.
8.2 Netimpact van de REKS 1.0 De netimpact voor de REKS-regio Hart van Brabant laat zien dat: – er op 8 stations knelpunten worden verwacht, 6 daarvan ontstaan al vóór 2025. – de knelpunten een gevolg zijn van beperkte capaciteit op de HS/MS-stations van Enexis en/of op het hoogspanningsnet van TenneT.
Netimpact voor Enexis Onderdeel van de oplossing voor de 8 knelpunten zijn 8 investeringen voor Enexis. Daarnaast zijn ook investeringen van TenneT nodig voor uitbreiding van het hoogspanningsnet. – 6 HS/MS-stations moeten worden uitgebreid. Voor deze stations geldt dat de beschikbare capaciteit op het net van Enexis pas benut kan worden na uitbreiding van het hoogspanningsnet van TenneT. – 2 nieuwe HS/MS-stations moeten worden gerealiseerd. Het gaat hier over een nieuw station in de omgeving Geertruidenberg/Moerdijk (regio WestBrabant) en in het gebied tussen de regio’s Hart van Brabant, Noordoost Brabant en Metropoolregio Eindhoven.