CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

15 Bestemmingsplan Roovertsedijk 2a (5 toelichting, regels en bijlagen)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Roovertsedijk 2A”.35.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

44

Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen, over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Nabij de locatie zijn twee buisleidingen voor de transport van gas gelegen. Het invloedsgebied van deze leidingen is vrij ruim en de locatie is dichtbij de betreffende leidingen gelegen. De locatie is daarmee binnen het invloedsgebied van de betreffende buisleidingen gelegen. Het groepsrisico dient daarmee nader te worden gemotiveerd. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3). 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van de nabijgelegen buisleidingen dient een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling kan, op basis van een advies van de veiligheidsregio en de brandweer, gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording van het groepsrisico van de gemeente Hilvarenbeek dat is opgesteld door de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB) en de brandweer. Deze is opgenomen als bijlage 7 van deze toelichting. Als aanvulling daarop geldt dat, gezien de relatief korte afstand tot de betreffende gasleiding, er extra aandacht nodig is voor alarmering en het ontvluchten van de locatie. Voor de alarmering zal gebruik worden gemaakt van aanvullende alarmeringsmethoden, zoals bijvoorbeeld Alert4All. Voor wat betreft het ontvluchten van de locatie zal gebruik worden gemaakt van duidelijk aangegeven vluchtroutes en zal een evacuatieplan worden opgesteld. Het groepsrisico is daarmee (beperkt) verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. Er zijn derhalve geen (wettelijke) belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het voorgenomen initiatief. 45

4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Om aan te tonen of ter plaatse van de recreatiewoningen sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 uitgevoerd. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er sprake is van asbest verontreiniging in de bodem. Hiervoor dient de nog aanwezige asbest gesaneerd te worden en de toplaag ontgraven te worden. Wanneer dit is uitgevoerd kan er, wat betreft het onderdeel bodem, een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. Gezien het voorgaande zal de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg staan.

4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.

Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Over de richtafstand wordt echter opgemerkt dat die afstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden.

Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de directe omgeving van de projectlocatie komen geen boomgaarden voor. 46

De richtafstand van 50 meter is 20 jaar oud. 20 jaar geleden waren er minder drift reducerende maatregelen dan nu. Zo moet conform het activiteitenbesluit sinds 1 januari 2018 gebruik worden gemaakt van driftarme spuitdoppen met een driftreductie van minimaal 75%, om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 75-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze spuitdoppen worden ook getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Bij het ontstaan van de richtafstand van 50 meter was bovenstaande niet van toepassing.

Op basis van de planologische mogelijkheden blijkt dat op het naastgelegen perceel (aan beiden zijden) het niet is toegestaan om teeltondersteunde voorzieningen te realiseren. Dit maakt het voor nu en voor de toekomst niet mogelijk om, zonder rekening te houden met het initiatief op de Roovertsedijk 2a, teeltondersteunde voorzieningen te plaatsen. Binnen een straal van 50 meter van het plangebied zijn diverse grasland- en akkerlandpercelen gelegen. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn een viertal percelen van derden gelegen, die in gebruik zijn van twee agrariërs, een schapenhouder en een melkrundveehouder. De percelen ten westen, oosten en zuiden van het plangebied zijn in gebruik als grasland voor de winning van ruwvoer (gras en hooi) en voor de beweiding van schapen. Het perceel aan de noordoostzijde is in gebruik als akkerland van de melkveehouder. Er zijn geen concrete plannen om de percelen in te zetten voor boomteelt of fruitteelt. Het akkerbouwperceel ligt op een afstand van 43 meter van de te realiseren recreatiewoningen. Tussen dit perceel en de recreatiewoningen is in de landschappelijk inpassingsplan een houtsingel opgenomen, welke de drift in de periode van april tot oktober aanzienlijk reduceert.

In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de zuidwestelijke richting. Dit komt ten goede aan de recreatiewoningen aan de oostzijde. Eventuele drift zal met name de andere richting op waaien. Tevens kan opgemerkt worden dat recreatiewoningen bestemd zijn voor recreatief gebruik, waardoor de verblijftijd in deze woningen beperkt is en blijft. Gezien bovenstaande uiteenzetting, kan een acceptabel woon- en leefklimaat, ook binnen 50 meter van agrarische percelen, van omliggende percelen worden gegarandeerd. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen. 4.1.9 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten.

Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; 47

of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de beëindiging van een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, waarbij deze zal worden omgeschakeld naar een recreatiebedrijf met recreatiewoningen. Daarbij zal als nevenactiviteit een pensionstalling voor paarden worden gerealiseerd met 20 plaatsen voor paarden en zullen zonnepanelen op stellingen op het maaiveld worden aangelegd. Voor het extensieve beheer van het veld met zonnepanelen zullen 50 schapen worden gehouden. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 100 volwassen paarden. Paarden in opfok worden hierbij niet meegerekend. Voor schapen geldt een drempelwaarden voor een toename met 2.000 schapen. Tevens geldt, uitsluitend wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling, een drempelwaarde voor het oprichten van meer dan 2.000 woningen.

Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. Het aantal te houden paarden en schapen zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Ook de drempelwaarde voor het aantal te bouwen woningen zal met de recreatiewoningen niet worden overschreden. Tevens is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3), geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling dienen nog nader in beeld te worden gebracht om aan te tonen of hiervoor een volledige milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Omdat de drempelwaarden niet worden overschreden kan hiervoor worden volstaan met een vormvrije aanmeldingsnotitie milieueffectrapportage. De gemeente dient aan de hand daarvan een besluit te nemen of de milieueffecten op die manier voldoende in beeld zijn gebracht en of een volledige milieueffectrapportage nodig is. De vormvrije aanmeldingsnotitie is door de gemeente beoordeeld. Op basis van deze vormvrije aanmeldingsnotitie heeft de gemeente op PM besloten dat [wel/geen] volledige milieueffectrapportage nodig is.

Voor het besluit van de gemeente wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

48

4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Kempenland-West) is gelegen op een afstand van ongeveer 0,46 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Sinds 1 juli 2021 was de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet was het vanaf 1 juli 2021 niet meer nodig om voor de aanlegfase een stikstofberekening uit te voeren. In deze wet was namelijk een bouwvrijstelling opgenomen voor tijdelijke stikstofemissies tijdens sloop-, bouw- en aanlegactiviteiten. Het slopen van de voormalige varkensstallen en het bouwen van een nieuwe woning waren activiteiten waarbij sprake was van een tijdelijke stikstofemissie, waarvoor de vrijstelling gold. Met de tussenuitspraak van 2 november 2022 door de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State is echter gebleken dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europese beschermingsrecht en dat per project onderzoek moet worden gedaan naar de mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof per project. Om de mogelijke effecten tijdens de aanlegfase op de depositie van stikstof op de betreffende gebieden in beeld te brengen zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt. Uit deze berekeningen is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect bedraagt niet meer dan 0,00 mol per hectare per jaar).

Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Voor de resultaten en een daarbij 49

behorende onderbouwing van de berekeningen wordt verwezen naar bijlage 10 van deze toelichting. De initiatiefnemer neemt daarnaast deel aan de Maatregel gerichte aankoop en beëindiging veehouderijen (MGA). Een van de voorwaarden vanuit de MGA is dat de maximale stikstofemissie na herbestemming niet meer dan 15% mag bedragen van de huidige emissie. Dit betekent dat de stikstofemissie van het bedrijf na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling met minimaal 85% zal afnemen. Daarmee zal de depositie van stikstof op de betreffende gebieden aanzienlijk afnemen, waarmee sprake is van een sterk verbeterde situatie voor de betreffende gebieden. Middels een AERIUS berekening, eveneens opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting, is deze afname van depositie aangetoond. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

In overleg met de omgevingsdienst is daarnaast het volgende opgenomen in de overeenkomst voor het deelnemen aan de MGA het volgende opgenomen: "al naar gelang de toepasselijk e verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer en de Wet natuurbescherming, dan wel op grond van de Omgevingswet: de omgevingsrechtelijke melding en vergunning en de vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingwet, de omgevingsvergunning voor de Natura-2000 activiteit voor de vestiging worden ingetrokken of zodanig worden aangepast dat er niet langer veehouderijactiviteiten zijn toegestaan." Daarmee wordt geborgd dat ter plaatse geen nieuwe veehouderij meer kan worden uitgevoerd en dat alle vergunningen voor het uitvoeren van een veehouderij worden ingetrokken. Dit, in combinatie met de eis dat minimaal 85% van de ammoniakemissie moet worden gereduceerd en de resultaten uit de Aerius berekeningen, borgt in voldoende mate dat de depositie van stikstof op de betreffende gebieden niet zal toenemen. Er is zelfs sprake van een afname. De NH3 emissie neemt af met 8972,3 kg per jaar, dit resulteert in een afname van 29,00 mol/ha/jaar. De overige resultaten zijn terug te vinden in bijlage 11.

Naast de depositie van stikstof kunnen activiteiten die leiden tot een uitstraling van licht, geluid en/of trillingen eveneens nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. De beoordeling van de overige effecten die gezien de ligging van de planlocatie op korte afstand van een Natura2000-gebied niet uitgeloten kunnen worden is opgenomen als bijlage 11.

4.2.1.2 Houtopstanden Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een rijbak. Wanneer daarbij gebruik wordt gemaakt van verlichting dan kan mogelijk sprake zijn van lichtuitstraling naar de betreffende gebieden. De gewenste rijbak is echter geheel ingesloten in het erf gelegen, waarbij deze wordt afgeschermd door het bedrijfsgebouw en de landschappelijke elementen voor de landschappelijke inpassing van het erf. Het bedrijfsgebouw is gelegen tussen de gewenste rijbak en het dichtstbijzijnde natuurgebied. Daarmee zal de lichtuitstraling van de locatie naar het betreffende gebied niet of nauwelijks merkbaar zijn en niet leiden tot onevenredig nadelige effecten op de betreffende gebieden Verstoring door trillingen Tevens is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een inrichting of installatie die trillingen veroorzaakt. Daarmee zal geen sprake zijn van structurele trillingen die in de betreffende gebieden merkbaar zullen zijn. Mogelijk is er tijdens de werkzaamheden (de aanlegfase) sprake van incidentele werkzaamheden die trillingen veroorzaken. Onderzoeksgebieden voor verschillende voorkomende trillingen liggen volgens InfoMil nooit verder dan 250 meter. Gezien de afstand tot de betreffende gebieden en de incidentele aard van deze trillingen zullen eventuele trillingen tijdens de werkzaamheden niet leiden tot onevenredig nadelige effecten op de betreffende gebieden.

Optische verstoring De aanwezigheid/bewegingen van mensen kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Tevens kan dit leiden tot vluchtgedrag. Gelet op de afstand tot het gebied, en de aanwezige functies tussen de inrichting en het gebied (beplanting en bebouwing), is er geen sprake van bewegingen vanuit de inrichting die nog zichtbaar zijn ter plaatse van het gebied en hier verstoring kunnen veroorzaken. 50

Verstoring door mechanische effecten Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. Vanuit het bedrijf worden geen mechanische handelingen uitgevoerd die invloed hebben op de habitats binnen het Natura 2000-gebied. Significant nadelige effecten door mechanische effecten zijn derhalve uitgesloten. Versnippering Versnippering betreft het uiteenvallen van het leefgebied van een soort in meerdere kleinere ruimtelijk gescheiden leefgebieden. Er vindt geen versnippering plaats doordat de inrichting buiten de gebieden is gelegen. Verandering in populatiedynamiek De storende factor verandering in populatiedynamiek treedt op indien er een direct effect is van een activiteit op de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. Er wordt hier vooral gedoeld op de situatie wanneer er sprake is van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, jacht of visserij. Bewuste verandering soortensamenstelling betreft het bewust ingrijpen in de natuur door herintroductie van soorten, introductie van exoten, uitzetten van vis, inzaaien van genetisch gemodificeerde organismen e.d. De wijziging van de inrichting heeft geen effect op de verandering in populatie / soortensamenstelling, omdat de inrichting buiten de gebieden is gelegen en geen handelingen verricht in de gebieden.

Gelet op het bovenstaande volgt dat de inrichting geen mogelijke effecten heeft op de Natura 2000gebieden. De beoogde opzet is derhalve vergunbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

51

4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.

Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te 52

beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd.

Uit de quickscan blijkt dat onderhavig plan en de daarbij horende werkzaamheden naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Ook bevinden zich geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten binnen het plangebied. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 12 van deze toelichting.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. De provincies dienen in het ruimtelijk beleid regels op te nemen ten behoeve van het behoud en de bescherming van het NNN.

De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben zij vervolgens specifieke regels opgenomen voor het behoud en de bescherming van het NNN/NNB. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 335 meter.

53

Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.

54

Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

De gemeente Hilvarenbeek heeft de verwachtingen op het aantreffen van archeologische resten in de bodem opgenomen in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. De locatie is gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld, waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. 55

Hiermee is het niet aannemelijk dat met de voorgenomen ontwikkeling mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord-Brabant. De Roovertsedijk en enkele andere wegen in de omgeving zijn aangemerkt als historisch geografische lijn in het landschap. Het is van belang dat deze lijnen niet worden geschaad door ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een initiatief op een reeds bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen aanpassingen en/of wijzigingen aan de structuur van de Roovertsedijk en/of andere wegen in de omgeving plaatsvinden. Door de sloop van de huidige bebouwing en de vermindering van het bebouwde oppervlak zal er meer openheid op de locatie ontstaan met meer doorzichten van de betreffende wegen naar het achterliggende landschap. Hiermee leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een mogelijke aantasting van de betreffende historisch geografische lijnen, maar zal deze de betreffende lijnen eerder versterken. Nabij de locatie zijn verder enkele historische groenstructuren gelegen. Ook deze mogen door de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling zal geen wijzigingen in of aan de betreffende groenstructuren tot gevolg hebben. Daarnaast zal ter plaatse, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. 56

Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie hiervoor bijlage 2 van deze toelichting), waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is onderbouwd en uitgewerkt. Met de voorgenomen landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de betreffende historische groenstructuren, waarmee de betreffende groenstructuren niet zullen worden aangetast, maar waar mogelijk juist zullen worden versterkt. Ten slotte is de locatie gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied. Het betreft het gebied De Kempen. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Plaatsen met leem in de ondergrond hadden een gebrekkige afwatering, zodat daar vennen en kleine veenmoerassen ontstonden. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Langs de beken lagen de graslanden, vaak verdeeld in lange smalle percelen die omzoomd waren door elzensingels.

Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding en het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk zandverstuivingen. De identiteit van het gebied wordt bepaald door bossen met heide en vennen en nieuwe natuur in het beekdal. In de Kempen liggen tal van - vaak uitgestrekte - landgoederen. Oude landgoederen zijn bijvoorbeeld Baest, Heeze en Annanina's Rust. De landhuizen met bijgebouwen, de parken en lanen en de afwisseling van bossen en landbouwgronden verlenen de landgoederen grote cultuurhistorische betekenis. In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn veel heidevelden omgezet in landbouwgrond of bos. De jonge landbouwontginningen zijn tamelijk grootschalig en rationeel ingericht. De jonge bosgebieden maken vaak deel uit van ontginnings-landgoederen, zoals De Utrecht en Gorp en Rovert, of zijn aangeplant door het Staatsbosbeheer. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen.

De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het landschap in het gebied dient behouden te blijven door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. Daarbij is het van belang de cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder te ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief te ontsluiten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling op een reeds bestaand agrarisch erf. Omdat de ontwikkeling op een reeds bestaand erf plaatsvindt is de impact op het landschap zeer gering. De voorgenomen ontwikkeling zal daarnaast geen wijzigingen aan de structuur van het landschap tot gevolg hebben. Door de afname van de bebouwde oppervlakte op de locatie zal meer zicht op het waardevolle landschap ontstaan.

Hiermee wordt de belevingswaarde van het landschap bevorderd. Daarnaast zal ter plaatse, zoals reeds eerder aangegeven in deze paragraaf, worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt bijgedragen aan de kwaliteit van het betreffende gebied. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van het cultuurhistorisch waardevol gebied, maar zal dit eerder versterken. Gezien het voorgaande is het niet aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een aantasting van de in het gebied voorkomende cultuurhistorisch waardevolle elementen.

57

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Roovertsedijk. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is 58

het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, beëindigd, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een recreatiebedrijf met recreatiewoningen en daarbij als nevenactiviteit een paardenpension (pensionstalling) en paardgerelateerde kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Tevens worden zonnepanelen op maaiveld aangelegd, worden enkele schapen gehouden ten behoeve van het extensief begrazen van het zonnepanelenveld. De huidige intensieve veehouderij heeft gemiddeld genomen in de worst-case situatie de volgende verkeersbewegingen: Leveren van dieren: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van dieren: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Leveren van voer: 3 vrachtwagen per week, leidt tot 6 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van mest: 3 vrachtwagen per week, leidt tot 6 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Controle/bezoek dierenarts: 1 bestelauto of personenauto per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Levering van overige diensten en goederen: 2 bestelauto's en/of personenauto's per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Totaal: gemiddeld 26 verkeersbewegingen per week, waarvan 20 met vrachtverkeer.

Gemiddeld genomen betreft dit ongeveer 4 verkeersbewegingen per dag. Daarnaast is sprake van verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning. Dit betreft gemiddeld genomen 8 verkeersbewegingen met personenvervoer per dag. De verkeersbewegingen als gevolg van de bedrijfswoning zullen met de voorgenomen ontwikkeling niet wijzigen. Deze zullen gelijk blijven. In de gewenste situatie zullen verkeersbewegingen plaatsvinden ten behoeve van de recreatiewoningen. Volgens de CROW publicatie 'toekomstbestendig parkeren' dient er in het buitengebied uitgegaan te worden van maximaal 2,8 verkeersbewegingen per recreatiewoning (dit betreffen de verkeersbewegingen van de recreanten die in de recreatiewoningen verblijven). Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van 20 recreatiewoningen, wat zal leiden tot maximaal 56 verkeersbewegingen per dag met personenvervoer. Daarnaast is sprake van pensionstalling voor paarden. Ten behoeve van de pensionstalling zullen de volgende verkeersbewegingen plaatsvinden: Leveren van voer en stro/hooi: 1 vrachtwagen per maand, leidt tot 0,25 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van mest: 1 vrachtwagen per maand, leidt tot 0,25 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer.

Bezoekers ten aanzien van pensionstalling (halen/brengen paarden, verzorging van paarden): 5 personenauto's (al dan niet met trailer) per dag, leidt tot 70 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Controle/bezoek dierenarts: 1 bestelauto of personenauto per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Levering van overige diensten en goederen: 1 bestelauto's en/of personenauto's per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. In totaal zullen ten behoeve van de pensionstalling voor paarden gemiddeld 74,5 verkeersbewegingen per 59

week plaatsvinden. Dit betreft gemiddeld 10,5 verkeersbewegingen per dag. Voor het beheer en onderhoud van de zonnepanelen zullen slechts incidenteel verkeersbewegingen plaatsvinden. De zonnepanelen hoeven niet te worden schoongemaakt, deze zijn voorzien van een speciale coating waardoor vuil er gemakkelijk afspoelt. De panelen worden daarmee door regenval gereinigd. Slechts één keer per jaar zal er inspectie aan de panelen en de installaties plaatsvinden. Hiertoe zal slechts één keer per jaar een bestelwagen naar het terrein rijden. Verdere inspecties en monitoring vinden op afstand plaats. In uitzonderlijke gevallen zal een kleine reparatie of onderhoud nodig zijn, maar dit zal naar verwachting niet vaker dan maximaal drie keer per jaar voorkomen. In totaal kan worden uitgegaan van maximaal vier bezoeken met een bestelauto per jaar, dus maximaal 8 verkeersbewegingen met een bestelauto per jaar. Concreet genomen is er sprake van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen per dag in vergelijking met de huidige situatie. Het aandeel vrachtverkeer zal echter aanzienlijk afnemen, waarmee de hinder aan de omgeving zal afnemen. In vergelijking met de huidige situatie zal sprake zijn van gemiddeld (in de worst-case situatie) 62,5 verkeersbewegingen per dag meer. Dit betreft echter gemiddeld genomen slechts 2 tot 3 verkeersbewegingen per uur.

Dit betreft een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. In de praktijk zal de worst-case situatie daarnaast slechts incidenteel voorkomen, waarmee het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie in de praktijk waarschijnlijk een stuk lager zullen liggen.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap De Dommel (hierna: het waterschap). Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente.

Het gaat dan om het waterkwantiteits en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen.

Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling 60

onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen.

Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt.

4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, waarbij deze zal worden omgeschakeld naar een recreatiebedrijf met recreatiewonigen en daarbij een pensionstalling van paarden als nevenactiviteit. Daarnaast zullen zonnepanelen op maaiveld worden aangelegd. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor ontwikkelingen tot 500 m² is geen aanvullende compensatie nodig. Voor ontwikkelingen tussen de 500 m² en 10.000 m² dient de rekenregel te worden toegepast om te bepalen hoeveel compensatie nodig is. Voor ontwikkelingen boven de 10.000 m² is maatwerk noodzakelijk. Momenteel is op de locatie ongeveer 10.516 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig.

Daarnaast is reeds een vergunning aanwezig voor het bouwen van een nieuwe stal van ongeveer 4.387 m². Deze vergunde stal is nog niet gerealiseerd, maar met het verkrijgen van de vergunning heeft wel al compensatie voor waterberging plaatsgevonden. Bij de gewenste ontwikkeling zal ongeveer 600 m² aan nieuwe recreatiewoningen, 2.100 m² aan nieuwe bedrijfsgebouwen ten behoeve van de pensionstalling, een nieuwe schuilgelegenheid van ongeveer 50 m² en een bijgebouw bij de woning van ongeveer 150 m² worden opgericht. Dit betreft een totaal van ongeveer 3.000 m² aan bebouwing. In de gewenste situatie zal sprake zijn van aanzienlijk minder bedrijfsbebouwing dan in de huidige situatie. Als uitsluitend de reeds gerealiseerde bebouwing wordt gerekend als de bestaande situatie dan zal het verhard oppervlak ter plaatse met ongeveer 7.516 m² afnemen. Omdat de vergunde, maar nog niet gerealiseerde loods echter ook beschouwd kan worden als bestaande bebouwing zal het bebouwde oppervlak in feite met ongeveer 11.903 m² afnemen. Op de locatie zal echter nog een veld voor zonnepanelen op maaiveld worden aangelegd. Door de grote tussenruimte tussen de panelen en het feit dat deze onder een hoek ten aanzien van maaiveld worden geplaatst zal de meeste neerslag tussen de panelen in vallen. Het hemelwater stroomt ook direct af van de zonnepanelen.

Er is immers geen sprake van goten of andere manieren van het afvangen van 61

hemelwater. Het hemelwater zal daarmee grotendeels direct infiltreren in de grond, zoals in de huidige situatie ook het geval is. Ten aanzien van de huidige situatie zal er daarmee op het gebied van afkoppeling van hemelwater nagenoeg niets wijzigen. Daarnaast zal de oppervlakte aan panelen om het resultaat waarvoor de beschikking vanuit de subsidieregeling Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) te behalen ongeveer 2.650 m² bedragen. Zelfs als deze meegenomen wordt in de berekening voor het verharde oppervlak dan zal alsnog sprake zijn van een afname van het verharde oppervlak ter plaatse. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak daarmee niet toenemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. In afwijking van het beleid van het waterschap heeft de gemeente een eigen beleid over hoe om te gaan met het afkoppelen van hemelwater. In het hemel- en grondwaterbeleid van de gemeente is opgenomen dat al het nieuwe oppervlak aan bebouwing en/of verharding moet worden beschouwd als nieuw verhard oppervlak. De te slopen/verwijderen oppervlakte aan bebouwing en/of verharding mag hiermee niet worden verrekend.

Dit houdt in dat elke nieuwe bebouwing die wordt opgericht en elke nieuwe verharding die wordt aangelegd gecompenseerd dient te worden, ongeacht de eventuele afname van het verhard oppervlak door sloop en/of het verwijderen van verharding. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden nieuwe recreatiewoningen met een oppervlakte van maximaal 600 m² opgericht. Verder wordt een nieuw bedrijfsgebouw opgericht van ongeveer 2.100 m². Daarnaast wordt een nieuw bijgebouw bij de woning opgericht van ongeveer 150 m². Verder wordt nog ongeveer 2.000 m² aan nieuwe erfverharding aangelegd. In totaal zal het verhard oppervlak daarbij met ongeveer 4.750 m² toenemen. Vanuit het gemeentelijke hemel- en grondwaterbeleid geldt op de locatie een compensatie-eis van 30 millimeter per m² toename. Dat houdt in dat voor de gewenste ontwikkeling nog een aanvullende compensatie nodig is van 142,5, afgerond 143 m³. Deze aanvullende capaciteit dient boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand te worden gerealiseerd. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.2).

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. De locatie is voorzien van een drukriolering, waarop het (bedrijfs)afvalwater wordt afgekoppeld. Deze drukriolering heeft een beperkte capaciteit, waardoor de afvoer van het (bedrijfs)afvalwater niet in te grote mate mag toenemen. Op basis van het gemeentelijke beleid ten aanzien van (afval)water dient de toename van de afvoer van het afvalwater bekend te zijn. Het afvalwater vanuit de gewenste bedrijfsvoering zal gelijk blijven of minder worden dan het huidige afvalwater vanuit de intensieve veehouderij. Het afvalwater dat wordt afgekoppeld zal daarmee ten aanzien van de bedrijfsvoering niet toenemen. Wel worden ter plaatse enkele nieuwe recreatiewoningen opgericht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14330548/1