CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

15 Bestemmingsplan Roovertsedijk 2a (5 toelichting, regels en bijlagen)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Roovertsedijk 2A”.35.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt ongeveer 10.516 m² aan bestaande dierenverblijven bij een veehouderij, zijnde de huidige varkensstallen, gesloopt. Daarnaast is een vergunning aanwezig voor een stal van ongeveer 4.387 m², welke nog niet is gerealiseerd en ook niet gebouwd zal worden. De betreffende schuilgelegenheid voor de te houden schapen bedraagt ongeveer 50 m² en een klein deel van het bedrijfsgebouw ter grootte van 75 m² zal gedurende de lammerperiode ingericht en gebruikt worden als aflammerruimte. Dit is aanzienlijk minder dan de te slopen oppervlakte aan dierenverblijven bij de huidige veehouderij, waarmee er geen sprake is van een toename van de oppervlakte van dierenverblijven bij een veehouderij, maar van een aanzienlijke afname. Hiermee is het gestelde in artikel 3.50 van de verordening eveneens niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 3.2.2.4 Zonnepanelen op maaiveld (zonneweide) Voor wat betreft de gewenste zonnepanelen op stellingen op het maaiveld is het bepaalde uit artikel 3.41 van de verordening van toepassing. De regels uit dit artikel luiden als volgt: "Artikel 3.41 Zonne-parken in Landelijk gebied Lid 1 Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a.

uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is; b. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van 25

zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; c. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; d. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; e. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving. Lid 2 De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. Lid 3 Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; c. voor het gestelde onder b.

wordt financiële zekerheid gesteld." Uit de toelichting van artikel 3.41 blijkt dat onderhavig artikel enkel geldt voor zonneparken met een omvang boven de 5.000 m². De zonneweide zoals beoogd wordt niet beschouwd als een locatie waar grootschalig energie wordt opgewekt zoals bedoeld in artikel 3.41. Derhalve hoeft er niet getoetst te worden aan dit artikel. 3.2.2.5 Bijdrage aan de omgevingskwaliteit Naast de specifieke voorwaarden voor ontwikkelingen in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen.

Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, 26

behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een ontwikkeling binnen het bestaande ruimtebeslag. Daarnaast staat daar tegenover dat het ruimtebeslag op de locatie, door de sloop van de huidige varkensstallen, aanzienlijk zal afnemen. De gewenste nieuwbouw is qua oppervlakte aanzienlijk kleiner dan de huidige bebouwde oppervlakte. Daarnaast is, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Tevens zal na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van bebouwing buiten een bouwvlak. Er is daarmee sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies.

Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

27

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een intensieve veehouderij worden beëindigd. De huidige varkenshouderij heeft een aanzienlijk grotere uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak dan de gewenste bedrijfsvoering. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee aanzienlijk worden verbeterd. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing (zie hiervoor bijlage 2 bij deze toelichting).

Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Strategie vitalisering buitengebied Hilvarenbeek" (paragraaf 3.3.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate worden bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Hiertoe is een berekening gemaakt op basis van de bestemmingswinst die wordt behaald met het voorgenomen initiatief (zie bijlage 3 van deze toelichting). Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals reeds gemotiveerd in paragraaf 2.2.1, een netto afname van bebouwing van 11.903 m² plaatsvinden. Sloop van bebouwing is in artikel 3.9 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee voorzien in een meerwaardecreatie.

Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft op 25 februari 2010 de "Structuurvisie Hilvarenbeek" vastgesteld. De gemeente heeft met deze visie niet zozeer een toekomstvisie als wel een toetsingskader voor initiatieven voor de komende jaren. Hier en daar maakt de visie een doorkijk op langere termijn. De gemeente wil dat haar ruimtelijk beleid aansluit bij maatschappelijke ontwikkelingen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Vanuit de structuurvisie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Verwevingsgebied'. In het verwevingsgebied wordt ruimte geboden aan agrarische ontwikkelingen. Dit geldt zowel voor de grondgebonden agrarische bedrijvigheid als voor intensieve veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling 28

wordt een intensieve veehouderij beëindigd, maar wordt het bedrijf voortgezet in de vorm van een recreatiebedrijf met recreatiewoningen, met daarbij als ondergeschikte nevenactiviteit pensionstalling voor paarden en kleinschalige (paardgerelateerde) bedrijfsactiviteiten. Tevens worden zonnepanelen op stellingen op maaiveld aangelegd, waarbij het onderhoud van de zonneweide door begrazing met schapen plaatsvindt. Met het voorgenomen initiatief wordt ingezet op verblijfsrecreatie met, door het houden van paarden en schapen, een sterk agrarisch karakter. De ontwikkeling van verblijfsrecreatie past goed binnen de doelstellingen van de gemeente, waarbij de verdere ontwikkeling van de recreatieve sector een gemeentelijk speerpunt is. Met het agrarisch karakter en de ligging van de locatie nabij het natuurgebied de Rovertsche Heide past het gewenste initiatief goed in het gebied en sluit het aan bij de gemeentelijke doelstellingen voor het gebied. Van belang is het dat activiteiten geen nadelige effecten hebben op de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en/of op het woon- en leefklimaat. Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zal de gewenste ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en/of het woon- en leefklimaat.

Hiermee kunnen de gewenste activiteiten op basis van de beleidsuitgangspunten in de structuurvisie mogelijk worden gemaakt. Het beleid in de visie is gericht op het meewerken aan initiatieven op het gebied van (agro-)toerisme. Dit soort initiatieven ziet de gemeente als waardevolle aanvulling op het functioneren van het buitengebied. Bovendien vergroot een dergelijke vorm van toerisme de beleving van de kwaliteiten van het buitengebied. Om te bepalen of een initiatief gericht op (agro-)toerisme een waardevolle toevoeging een meerwaarde kan bieden voor het gebied hanteert de gemeente een aantal criteria waaraan zij een initiatief toetsen. Het betreft de volgende criteria: 1. Kleinschaligheid, passend binnen de grenzen ten aanzien van de schaal en omvang in combinatie met de omgeving; 2. Voorkomen van clustering en concentratie; 3. Voorkomen van belemmering voor omliggende functies, nu en in de toekomst; 4. Overtollige bebouwing dient gesloopt te worden. De voorgenomen voorzieningen voor verblijfsrecreatie, betreffende 20 kleinschalige recreatiewoningen, zijn kleinschalig van aard. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats op een reeds bestaand erf, waarmee geen sprake is van een toenemend ruimtebeslag. Door sloop van de huidige stallen zal het bebouwd oppervlak en het ruimtebeslag juist alleen maar afnemen.

De locatie is verder gelegen nabij een aantal grote en belangrijke natuur- en recreatiegebieden, waaronder de Rovertsche Heide, waardoor de locatie zich goed leent voor verblijfsrecreatie. Het gebied waarin de locatie is gelegen betreft in hoofdzaak een agrarisch gebied. Echter is dit gebied steeds meer aan het transformeren naar een gebied waarin naast agrarische functies ook andere functies plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling sluit daar goed op aan. Juist door de vrij unieke combinatie van verblijfsrecreatie en pensionstalling voor paarden, waardoor ruiters de gelegenheid krijgen om op dezelfde locatie als het eigen paard te verblijven, past goed in het gebied, waarbij agrarische en recreatieve activiteiten de boventoon voeren. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een clustering of concentratie van functies en/of bebouwing. De gewenste ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand erf en de locatie is ver genoeg van omliggende bedrijven en functies gelegen. Er is daarmee geen sprake van clustering en/of concentratie van verblijfsrecreatieve functies. Zoals nader aangetoond en omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor de bedrijfsvoering van omliggende functies en/of bedrijven.

Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling een groot deel van de aanwezige bebouwing worden gesloopt (ongeveer 10.516 m²) en zal de vergunde, nog te realiseren stal (ongeveer 4.387 m²) niet worden gebouwd. In totaal zal ongeveer 600 m² aan nieuwe recreatiewoningen, 2.100 m² aan nieuwe bedrijfsgebouwen ten behoeve van de pensionstalling, een nieuwe schuilgelegenheid van ongeveer 50 m² en een bijgebouw bij de woning van ongeveer 150 m² worden opgericht. Dit betreft een totaal van ongeveer 3.000 m². Daarmee zal het bebouwd oppervlak ter plaatse met ongeveer 7.516 m² afnemen. Daarnaast zal nog ongeveer 4.387 m² aan vergunde bebouwing niet worden gebouwd, wat feitelijk een afname van de 29

(toegestane) bebouwing van 11.903 m² inhoudt. Er is daarmee sprake van de sloop van overtollige bebouwing. Aan de criteria voor verblijfsrecreatieve functies in het verwevingsgebied wordt daarmee voldaan. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek.

3.3.2 Strategie vitalisering buitengebied Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft, om mogelijkheden te bieden aan niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied die niet binnen het geldende bestemmingsplan passen, de Strategie vitalisering buitengebied Hilvarenbeek opgesteld. De visie gaat niet over agrarische ontwikkelingen, maar juist over niet-agrarische ontwikkelingen. Bijvoorbeeld over nieuwe functie op een vrijkomende agrarische locatie, een ruimte voor ruimte woning, maar ook ontwikkeling van een al bestaande niet-agrarische functie. Uitgangspunt van de visie is dat veel mogelijk is, maar dat alle ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kwaliteit van het buitengebied binnen de gemeente. Dat kan bijvoorbeeld door nieuwe natuur aan te leggen, maar ook door sloop van gebouwen of een andere vorm van kwaliteitsverbetering. De visie gaat uit van veel ontwikkelingsmogelijkheden, maar niet onbeperkt. Deze beperking komen voort uit de ambities voor en kwaliteiten van de omgeving. Een initiatiefnemer moet zelf motiveren waarom een ontwikkeling goed is voor de omgeving en wat het initiatief bijdraagt aan toegevoegde waarde voor de omgeving. Hoewel de hoofdactiviteit agrarisch is en blijft is de gewenste verblijfsrecreatie niet-agrarisch van aard, waardoor alsnog aan de visie wordt getoetst.

De visie toetst aan de vijf beoordelingspunten zoals opgenomen in het algemeen afwegingskader van de visie. Deze zijn als volgt: 1. 2. 3. 4. 5.

Behoud van balans: toegevoegde waarde voor buitengebied. Past de ontwikkeling in de zonering dynamiek - luwte - rust. Tegenprestatie: versterking omgevingskwaliteit. Invloed op omwonenden. Integrale toetsing omgevingskwaliteit.

Behoud van balans: toegevoegde waarde voor buitengebied: Een verblijfsrecreatieve functie is een aan het buitengebied gebonden functie. De recreanten kiezen in dit geval specifiek voor een locatie in de nabijheid van de Rovertsche Heide, waar zij samen met de eigen paarden kunnen verblijven. De gewenste recreatiewoningen zijn zo ook een economische drager van het buitengebied. Binnen het stedelijk gebied zal dit op deze wijze niet mogelijk zijn. Er is op geen enkele wijze sprake van een verstoring van de leefbaarheid van de kernen. De functie zal niet concurreren met voorzieningen in de kernen, maar biedt eerder een aanvulling. Past de ontwikkeling in de zonering dynamiek - luwte - rust: De recreatiewonigen hebben slechts een beperkte verkeersaantrekkende werking. Volgens de CROW publicatie 'toekomstbestendig parkeren' dient er in het buitengebied uitgegaan te worden van maximaal 2,8 verkeersbewegingen per woning, wat overeenkomt met 56 verkeersbewegingen per dag. Dit betreft gemiddeld slechts iets meer dan twee verkeersbewegingen (gemiddeld ongeveer één voertuig) per uur. Daarnaast is uitsluitend sprake van verkeersbewegingen met personenvervoer. Dit zal zonder problemen passen in het huidige verkeersbeeld. Op het erf zal voorzien worden in voldoende parkeermogelijkheden voor de voertuigen, inclusief eventuele paardentrailers.

Tegenprestatie: versterking omgevingskwaliteit: Uitgangspunt van de strategie is dat ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de omgevingskwaliteit van het buitengebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, worden beëindigd. De gewenste bedrijfsvoering met de daarbij behorende nevenactiviteiten heeft een aanzienlijk lagere milieubelasting op de omgeving, waarmee de hinder aan de omgeving eveneens aanzienlijk zal afnemen. Dit zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarmee de 30

omgevingskwaliteit zal toenemen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) zal ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse worden voorzien in een goede, bij de omgeving passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin de voorgenomen inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Met de voorgenomen landschappelijke inpassing wordt een bijdrage geleverd aan de omgevingskwaliteit. Met de voorgenomen ontwikkeling zal in voldoende mate worden bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Hiertoe is een berekening gemaakt op basis van de bestemmingswinst die wordt behaald met het voorgenomen initiatief (zie bijlage 3 van deze toelichting). Uit deze berekening blijkt dat met het voorgenomen initiatief voldaan wordt aan de regeling kwaliteitsverbetering. Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling een netto afname van de (toegestane) bebouwing van 11.903 m² plaatsvinden. Ook de sloop van de bebouwing en de afname van het bebouwd oppervlak zal leiden tot een verbeterde omgevingskwaliteit. Invloed op omwonenden: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een dialoog met de omwonenden en belanghebbenden gehouden.

Hierbij zijn de omwonenden en belanghebbenden benaderd en in de gelegenheid gesteld op de voorgenomen plannen van de initiatiefnemer te reageren. Geen van de omwonenden en belanghebbenden hebben bezwaren geuit op de gewenste ontwikkeling en allen wensen de initiatiefnemer veel succes met de realisatie van de plannen. Van de gehouden dialoog is een verslag gemaakt. Dit verslag is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in het verslag onherkenbaar gemaakt. Integrale toetsing omgevingsk waliteit: Voor ruimtelijke initiatieven dient integraal te worden getoetst aan de omgevingskwaliteit. Hierbij zijn aspecten als externe veiligheid, geur, geluid, bodemkwaliteit, cultuurhistorie en archeologie, waterkwaliteit en -kwantiteit en de waterveiligheid van belang. Zoals nader aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige milieuhinder aan de omgeving en zal deze niet leiden tot een mogelijke aantasting van de in het gebied voorkomende waarden en functies. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Strategie vitalisering buitengebied Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek.

3.3.3 Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek Op 27 juni 2014 heeft de gemeente Hilvarenbeek het Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek vastgesteld, waarin het beleid ten aanzien van de bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen is opgenomen. Vanuit het landschapsontwikkelingsplan (LOP) is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'jonge ontginningslandschap'. Het jonge ontginningslandschap is ontstaan door het omvormen van de van nature schrale heidevelden. Deze uitgestrekte landbouwgebieden worden gekenmerkt door de rationele opbouw en een regelmatige relatief grootschalige verkaveling. Het patroon van wegen en waterlopen is regelmatig van vorm en systematisch opgezet. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt ter plaatse, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Bij de voorgenomen landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de kwaliteiten en waarden van het landschap in de omgeving en is aangesloten bij de ontwerprichtlijnen die zijn opgenomen in het LOP voor wat betreft het jonge ontginningslandschap. Hiermee zal de voorgenomen 31

ontwikkeling bijdragen aan de kwaliteit van het jonge ontginningslandschap en zal de ontwikkeling het landschap niet aantasten. De gemeente heeft verder voor nieuwe recreatieve voorzieningen de doelstelling dat deze zoveel mogelijk moeten aansluiten op bestaande voorzieningen en deze, waar mogelijk, versterken. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten op het ruiterroutenetwerk in de omgeving. De gewenste voorziening sluit hier goed op aan en biedt ruimte aan ruiters om met het eigen paard in de omgeving te verblijven en zo optimaal gebruik te kunnen maken van het ruiterroutenetwerk. Daarmee wordt het ruiterroutenetwerk versterkt. De voorgenomen ontwikkeling biedt daarmee een meerwaarde voor de ontwikkeling van de recreatieve sector in de gemeente. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn verwoord in het Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek.

3.3.4 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in 2016 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek vastgesteld. De nota bevat richtlijnen voor de uitstraling van nieuwe bebouwing binnen de gemeente. In de nota zijn algemene criteria opgenomen welke gelden voor elke nieuwe ontwikkeling. Daarnaast zijn specifieke criteria opgenomen welke alleen van toepassing zijn voor ontwikkelingen in specifieke gebieden. De locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als jong ontginningslandschap. Binnen het jong ontginningslandschap zijn de specifieke criteria alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. In de jonge zandontginningslandschappen liggen twee bebouwingslinten die als waardevol zijn aangeduid. Dit zijn de Ontginningsweg en de Wijnhovenstraat, beide ten oosten van de kern Haghorst. Hier wordt het kritische welstandsniveau gehanteerd. De locatie is niet in een van de betreffende bebouwingslinten gelegen. De locatie is daarmee niet gelegen in een gebied met een kritisch welstandsniveau. Daarmee zijn alleen de algemene criteria en objectcriteria van toepassing.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen de van toepassing zijnde criteria in acht worden genomen. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek.

32

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van de huidige intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij. Daarbij zal de varkenshouderij worden omgeschakeld naar een recreatiebedrijf met recreatiewoningen, met daarbij als nevenactiviteiten pensionstalling voor paarden, het uitvoeren van ondergeschikte en paardgerelateerde kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Daarnaast wordt duurzame energie opgewekt middels zonnepanelen op stellingen op het maaiveld. Deze zonneweide wordt duurzaam beheerd door extensieve begrazing door ter plaatse gehouden schapen. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden.

De locatie is gelegen in het buitengebied, in een hoofdzakelijk agrarisch gebied. Dit betreft geen gemengd gebied. Derhalve is uitgegaan van de standaard richtafstanden voor een gebiedstype 'rustige woonwijk'. Het meest dichtbijzijnde gevoelige object van derden betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3. Allereerst zijn de maximaal planologische mogelijkheden van deze locatie bepaald door in kaart te brengen waar binnen het bestemmingsvlak gevoelige objecten mogen worden opgericht. Een gevoelig object kan een bedrijfswoning zijn, maar bijvoorbeeld ook een kantine. Volgens artikel 3.2.4 van het vigerende bestemmingsplan mogen gebouwen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van minimaal 3 meter van de bouwperceelsgrens en minimaal 15 meter tot de as van de weg. De as van de weg bevindt zich op een afstand van 6 meter van de noordelijke perceelsgrens, wat betekent dat aan de noordzijde een gevoelig object mag worden opgericht op minimaal 9 meter van de kadastrale grens. Aan de oostzijde is dit een afstand van 3 meter van de kadastrale grens en aan de westzijde een afstand van 3 meter van de bouwperceelsgrens. In feite is er bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van de volgende activiteiten: Verblijfsrecreatie; Pensionstalling van paarden; Het uitvoeren van kleinschalige (paardgerelateerde) bedrijvigheid; Het opwekken van duurzame energie met zonnepanelen; 33

Het houden van schapen. Verblijfsrecreatie: Voor wat betreft recreatiewoningen zijn in de handreiking geen specifieke richtafstanden opgenomen. Derhalve dient in dat geval gekeken te worden naar de activiteit die daar het dichtst bij in de buurt komt. In de handreiking zijn wel richtafstanden opgenomen voor hotels en pensions met keuken. Ten aanzien van een dergelijke inrichting gelden de volgende richtafstanden: Geur: 10 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 10 meter. Gevaar: 10 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3. De afstand gemeten van de begrenzing van de maximaal planologische mogelijkheden van het bedrijf aan de Roovertsedijk 3 tot aan de grens van het vlak waarbinnen de recreatiewoningen worden opgericht bedraagt ongeveer 52 meter. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee de recreatiewoningen niet zullen leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Pensionstalling voor paarden: Ten aanzien van een pensionstalling voor paarden worden de richtafstanden voor het houden van paarden aangehouden. Voor het houden van paarden zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3.

De afstand gemeten van de begrenzing van de maximaal planologische mogelijkheden van het bedrijf aan de Roovertsedijk 3 tot aan de gens van het vlak waarbinnen een pensionstalling wordt opgericht bedraagt 55 meter, waarmee aan de richtafstanden wordt voldaan. De pensionstalling voor paarden zal daarmee niet leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving Het uitvoeren van kleinschalige (paardgerelateerde) bedrijvigheid: Voor de kleinschalige (paardgerelateerde) bedrijvigheid geldt dat deze uitsluitend in milieucategorie 2 of naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen worden uitgevoerd. Voor ontwikkelingen in milieucategorie 2 geldt een maximale richtafstand van 30 meter (bij een grotere richtafstand is sprake van een hogere milieucategorie). Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3. De afstand gemeten van de begrenzing van de maximaal planologische mogelijkheden van het bedrijf aan de Roovertsedijk 3 tot aan de grens van het vlak waarbinnen kleinschalige bedrijfvigheid mag worden uitgevoerd bedraagt 55 meter, waarmee aan de richtafstanden wordt voldaan. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee de gewenste activiteiten niet zullen leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.

Het opwekk en van duurzame energie met zonnepanelen: Voor wat betreft de zonnepanelen zijn in de handreiking geen richtafstanden opgenomen. In dat geval dient aansluiting te worden gezocht bij de activiteit die het dichtst in de buurt komt van de voorgenomen activiteit. In de VNG handreiking zijn wel richtafstanden opgenomen voor bedrijven voor de distributie van stroom, aardgas, stoom en warm water. Hierbinnen is de activiteit elektriciteitsdistributiebedrijf met transformatorvermogen opgenomen. Deze is het meest vergelijkbaar met de voorgenomen activiteit. Voor een dergelijke inrichting gelden de volgende richtafstanden: Geur: 0 meter. 34

Stof: 0 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3. De afstand gemeten van de begrenzing van de maximaal planologische mogelijkheden van het bedrijf aan de Roovertsedijk 3 tot aan de grens van het vlak waarbinnen de zonnepanelen worden opgericht bedraagt ongeveer 148 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee de zonnepanelen niet zullen leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Het houden van schapen: Voor het houden van schapen voor de begrazing van het zonneveld zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3. De afstand gemeten van de begrenzing van de maximaal planologische mogelijkheden van het bedrijf aan de Roovertsedijk 3 tot aan de grens van het vlak waarbinnen de zonnepanelen worden aangelegd, en dus waarbinnen de schapen worden gehouden voor de begrazing en de schuilgelegenheid voor de schapen wordt opgericht, bedraagt ongeveer 148 meter.

De afstand gemeten van de begrenzing van de maximaal planologische mogelijkheden van het bedrijf aan de Roovertsedijk 3 tot aan de grens van het vlak waarbinnen het bedrijfsgebouw wordt opgericht, waarvan een klein gedeelte in de aflammerperiode als aflammerruimte wordt ingericht en gebruikt, bedraagt ongeveer 55 meter. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee de schapen niet leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. De pensionstalling van paarden, het houden van schapen en de aanleg van een veld met zonnepanelen betreffen geen gevoelige objecten. Bij deze activiteiten is daarmee geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal er sprake zijn van de oprichting van recreatiewoningen, deze zijn aan te merken als gevoelige objecten. Vanwege de oprichten van nieuwe gevoelige objecten, is aan de omgekeerde werking getoetst.

Deze garandeert dat er geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Melkveehouderij Voor het houden en fokken van rundvee zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft de melkveehouderij aan de Roovertsedijk 3. Hierbij gaat het om de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object. Deze afstand bedraagt circa 75 meter. Met betrekking tot geur wordt niet voldaan aan de gestelde afstand van 100 meter. Voor een verdere toelichting met betrekking tot dit aspect wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2. 35

Verder bevindt op de Roovertsedijk 2 ook een melkveehouderij. Tussen de rand van het bouwvlak van deze melkveehouderij tot de rand van het bouwvlak van de Roovertsedijk 2a, zit een afstand van circa 175 meter. Er wordt hierbij ruimschoots voldaan aan de gestelde afstand van minimaal 100 meter met betrekking tot geur.

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een pensionstalling voor paarden als nevenactiviteit bij het gewenste recreatiebedrijf. Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3. Voor paarden geldt dat geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd. Dit houdt in dat in plaats van het toetsen aan de voorgrondbelasting wordt getoetst aan de vaste afstanden. Hiervoor geldt een minimale afstand tussen het emissiepunt van het dierenverblijf tot aan de gevel van de woning van 50 meter en een minimale afstand tussen de gevel van het dierenverblijf tot aan de gevel van de woning van 25 meter. Tevens betreft de woning aan de Roovertsedijk 3 een woning behorende bij een veehouderij, waarvoor eveneens geldt dat de geurbelasting op de woning niet hoeft te worden berekend, maar dat dient te worden getoetst aan de vaste afstanden. De afstand tussen de gevel van het bedrijfsgebouw waarin de paarden gehouden worden tot aan de gevel van de bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3 bedraagt ongeveer 83 meter, waarmee aan de vaste afstanden wordt voldaan. Omdat uitgegaan moet worden van de maximaal planologische mogelijkheden dient te worden uitgegaan van de afstand tussen het bouwvlak waarop het gevoelig object is gelegen en het deel van het bouwvlak van de initiatiefnemer waarop dierenverblijven mogelijk zijn.

Deze afstand bedraagt 55 meter, waarmee aan de vaste afstanden wordt voldaan. De afstand tot het bouwvlak aan de Roovertsedijk 3 is namelijk 46 meter, maar aangezien er een afstand van minimaal 15 meter tot de as van de weg van het bouwvlak aan de Roovertsedijk 3 niet bebouwd mag worden, wordt een afstand van 55 meter aangehouden. Voor wat betreft de gehouden schapen geldt dat schapen een aanzienlijk lagere emissie van geur hebben dan varkens. Daarnaast zullen aanzienlijk minder schapen worden gehouden dan de varkens die in de huidige situatie worden gehouden. Daarmee zal de geuremissie van het bedrijf aanzienlijk afnemen. Schapen hebben een geuremissie van 7,8 odeurunits (ouE/m³). Met 50 schapen bedraagt de geuremissie ter plaatse dus 390 ouE/m³. In de huidige situatie, met het houden van varkens, bedraagt de geuremissie ter plaatse 227.812,7 ouE/m³. Dit betekent een afname van de geuremissie met 227.422,7 ouE/m³. Dit is een aanzienlijke afname van de geuremissie en daarmee de geurhinder aan de omgeving. De dichtstbijzijnde woning betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Roovertsedijk 3. Deze woning is een woning behorende bij een veehouderij.

Voor dergelijke woningen geldt dat de geurbelasting op de woning niet hoeft te worden berekend, maar dat dient te worden getoetst aan de vaste afstanden (50 meter tussen emissiepunt dierenverblijf en gevel woning en 25 meter tussen gevel dierenverblijf en gevel woning). De schapen worden gehouden op het vlak waarop de zonnepanelen worden aangelegd, binnen de 36

agrarische bestemming. De afstand tussen dit vlak en de begrenzing van de maximale planologische mogelijkheden van het bouwvlak van de Roovertsedijk 3 bedraagt ongeveer 148 meter, waarmee ruimschoots aan de vaste afstanden wordt voldaan. Tevens wordt in de lammerperiode in een klein deel van het bedrijfsgebouw, ca 75 m², een aflammerruimte ingericht. De afstand van dit bedrijfsgebouw, waar ook de paarden in gehuisvest worden, tot aan de begrenzing van de maximale planologische mogelijkheden bedraagt 55 meter. De gewenste recreatiewoningen en zonnepanelen hebben geen emissie van geur en veroorzaken daarmee geen onevenredige geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal het voorgenomen initiatief niet leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving. Door de beëindiging van de varkenshouderij en de omschakeling ervan naar een recreatiebedrijf met pensionstalling als neventak zal de emissie van geur aanzienlijk afnemen. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling juist leiden tot een verminderde geurhinder aan de omgeving, waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk zal verbeteren.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuw op re richten gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd op het gebied van geur. De inrichting betreft een die behoort tot een veehouderij (het houden van schapen en pensionstalling van paarden) en op of na 19 maart 2000 heeft behoord tot een veehouderij. Voor inrichtingen die behoren of (op of na 19 maart 2000) hebben behoord tot een veehouderij geldt vanuit de Wgv dat de geurbelasting niet hoeft te worden berekend, maar dat dient te worden getoetst aan de vaste afstanden. Omdat uitgegaan van de maximaal planologische mogelijkheden dient daarbij te worden uitgegaan van de afstand tussen het vlak waarbinnen de recreatiewoningen mogen worden gerealiseerd en het bouwvlak van de omliggende bedrijven. Het dichtstbijzijnd veehouderijbedrijf betreft de (intensieve) veehouderij aan de Roovertsedijk 3. Vanuit het geldende bestemmingsplan mogen geen gebouwen worden gebouwd op een afstand van minder dan 15 meter uit de as van de weg. Dit betekent dat de eerste 9 meter vanaf de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak aan de Roovertsedijk 3 niet bebouwd mag worden met dierenverblijven.

Derhalve is gemeten vanaf de rand van het vlak waarop de recreatiewoningen worden gerealiseerd tot aan de lijn op 9 meter vanaf de naar de weg gekeerde zijde van het bouwvlak aan de Roovertsedijk 3. Deze afstand bedraagt ongeveer 52 meter, waarmee aan de vaste afstanden wordt voldaan. Er wordt voldaan aan de vaste afstanden. Om ook een goed woon- en leefklimaat te garanderen te garanderen is een V-stacks berekening gemaakt. In bijlage 6 is de notitie over het woon-leefklimaat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Daarin is eveneens de geurbelasting meegenomen en berekend. Gezien de notitie kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. 4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2). 37

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. Wel worden ter plaatse paarden gestald in de vorm van een paardenpension. Voor paarden zijn geen emissiefactoren vastgesteld. Dat betekent dat paarden geen onevenredige bijdrage hebben aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden en daarmee als NIBM zijn aan te merken. Tevens zullen ter plaatse een aantal schapen gehouden gaan worden. Ook voor schapen zijn echter geen fijnstof emissie normen opgenomen.

Dit houdt in dat het houden van schapen eveneens per definitie wordt gezien als een NIBM-ontwikkeling. De zonnepanelen en de recreatiewoningen hebben geen onevenredige emissie van fijnstof. Daarmee zijn deze ontwikkelingen eveneens aan te merken als een NIBM-ontwikkeling. Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. In onderhavig geval is sprake van en toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Om zeker te zijn dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden is hierbij uitgegaan van de totale gewenste bedrijfssituatie. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.

Resultaten berekening NIBM-tool. Bron: InfoMil. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 38

Ten slotte geldt dat wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten dat moet worden aangetoond dat, ter plaatse van de nieuw op te richten gevoelige objecten, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). Op basis van gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de resultaten uit de monitoringstool uit het NSL zijn opgenomen, blijkt dat de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstof, zoals is weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse 15,9 µg/m³ (PM10), 8,7 µg/m³ (PM2,5) en 10,7 µg/m³ (stikstofoxiden) bedragen. Dit is aanzienlijk minder dan 40 µg/m³, waarmee aan de normen kan worden voldaan en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof PM10. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

39

U itsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof PM2,5. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

40

4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. De voorgenomen bedrijvigheid zal eerder minder geluidsoverlast veroorzaken dan de huidige intensieve varkenshouderij. Het aantal verkeersbewegingen ter plaatse zal, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), slechts in beperkte mate toenemen. Daarbij zal echter het aandeel vrachtverkeer afnemen, waarmee het verkeer van en naar de locatie minder geluidsoverlast zal veroorzaken aan de omgeving. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Indien sprake is van het oprichten van een geluidsgevoelige functie dan dient aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de normen uit de Wgh ten gevolge van industrielawaai en wegverkeerslawaai. Onderhavig plan heeft geen betrekking op het toevoegen van een woning zoals bedoeld in de Wgv, maar enkel op het toevoegen van recreatiewoningen, een kantine en bedrijfsruimtes.

Dit zijn allen geen geluidgevoelige functies volgens de Wgh. Wel dient er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging te worden gemaakt van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Op basis van de geluidskaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is de geluidhinder die wordt ondervonden vanuit inrichtingen en het wegverkeer in beeld gebracht. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse geen sprake van geluid dat de normen overschrijdt, waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid kan worden geborgd.

41

Uitsnede kaart geluidhinder in Nederland, inclusief wegverkeer en nachtelijk wegverkeer. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

4.1.5 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.5.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.

De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of varkens en pluimvee gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. De beëindiging van de intensieve varkenshouderij zal eerder een positief effect hebben op de volksgezondheid, omdat niet langer sprake is van een veehouderij met daarbij een mogelijke uitstoot van 42

ziektekiemen en/of zoönosen. Er is getoetst aan de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is een stappenplan opgenomen welke doorlopen kan worden bij een ontwikkeling van een veehouderij. Wanneer het gehele stappenplan is doorlopen kan het advies van het Ondersteuningsteam zijn om een GGD advies op te vragen. Dit advies kan onder andere gebruikt worden om het gesprek met de ondernemer aan te gaan om omgevingsbewust handelen te stimuleren. Toetsing stappenplan Onderstaand wordt het stappenplan stap voor stap doorlopen: Stap 1: Endotoxine: Beoogd initiatief voldoet wel aan de endotoxine ‘richt-afstand’, omdat in de beoogde situatie geen fijnstof ter plaatse van het plangebied wordt geproduceerd. Voor paarden en schapen is namelijk geen fijnstof emissie vastgesteld. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het houden van varkens en/of pluimvee. Tevens zijn binnen 500 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen en binnen 200 meter geen varkenshouderijen. Stap 2: Emissies: De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur, fijnstof en/of ammoniak, omdat in de beoogde situatie sprake is van een aanzienlijke daling van geur, fijnstof en/of ammoniak ter plaatse van het plangebied. Stap 3: Geur Er is een V-stacks berekening uitgevoerd.

Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 6. Stap 4: Gecombineerde diersoorten a. Binnen één veehouderij worden bedrijfsmatig meerder diersoorten gehouden: b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter. Beoogde ontwikkeling betreft een beëindiging van een varkenshouderij. Met het voorgenomen initiatief is er wel sprake van het houden van meerdere diersoorten, te weten paarden en schapen. Aan de gestelde afstand tot een varkensbedrijf en pluimveebedrijf wordt ruimschoots voldaan. Stap 5: Varkens-. pluimvee- en geitenhouderijen: Beoogde ontwikkeling betreft een beëindiging van een varkenshouderij en realisatie van recreatiewoningen, pensionstalling voor paarden en opwekking van zonne-energie. Er bevinden zich binnen 200 meter, 2 melkveehouderijen. Binnen 2 kilometer bevinden zich geen geitenhouderijen en binnen 200 meter geen varkenshouderijen. Stap 6: Mestbewerking en/of -verwerking In de beoogde situatie is er geen sprake van mestbe- of verwerking. Stap 7: Ongerustheid bij omwonende Bij omwonende is er geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid, omdat in de beoogde situatie de bestaande varkenshouderij wordt beëindigd. Aan de hand van de doorlopen stappen kan er geconcludeerd worden dat advisering door GGD wordt geadviseerd.

4.1.5.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 2.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 1.000 meter. De locatie ligt buiten de richtafstanden voor pluimveehouderijen en buiten de richtafstand voor 43

varkenshouderijen in de omgeving. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 4.1.5.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Binnen 2 kilometer van de locatie zijn geen geitenhouderijen en/of inrichting waarop geiten in combinatie met een andere diersoort worden gehouden gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14330548/1