CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

15 Bestemmingsplan Roovertsedijk 2a (5 toelichting, regels en bijlagen)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Roovertsedijk 2A”.35.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

HILVARENBEEK, ROOVERTSEDIJK 2A bestemmingsplan

Hilvarenbeek, Roovertsedijk 2a bestemmingsplan

Ontwerp

Projectleider Ruimtelijke Ordening Mw. F. Klomp-Pullens Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp

Datum: 23 november 2023

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Definitieve beschikking omgevingsvergunning voor aanleg zonnepanelen op maaiveld Bijlage 2 Landschappelijk inrichtingsplan Bijlage 3 Berekening investering ruimtelijke kwaliteit Bijlage 4 Bodemonderzoek Bijlage 5 Verslag dialoog met de omgeving Bijlage 6 Notitie woon- en leefklimaat Bijlage 7 Standaard verantwoording groepsrisico Gemeente Hilvarenbeek Bijlage 8 Vormvrije m.e.r. Bijlage 9 Besluit op de aanmeldingsnotitie milieueffectrapportage Bijlage 10 AERIUS toelichting Bijlage 11 Toetsing overige effecten Wnb Bijlage 12 Quickscan flora en fauna

Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

5 6 6 7 8 9 11 11 12 17 17 19 28 33 33 48 55 58 60 64 64 64 67 68 68 68 70

71 72 74 96 100 194 197 213 245 275 277 345 363

447 448 448 461 462 2

Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Groen - Landschappelijke inpassing Artikel 5 Recreatie Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel

Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Landschappelijk inrichtingsplan Bedrijvenlijst Vergunning zonnepark

462 465 467 474 476 476 477 478 480 481 481 482

483 484 486 488

3

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" en de (reparatie)herzieningen daarop van gemeente Hilvarenbeek ten behoeve van het beëindigen en omschakelen van de intensieve veehouderij aan de Roovertsedijk 2a te Hilvarenbeek. De intensieve veehouderij zal daarbij worden omgeschakeld naar een recreatiebedrijf met als neventak een paardenpension en kleinschalige paardgerelateerde bedrijvigheid. Daarnaast zullen zonnepanelen op stellingen op het maaiveld worden aangelegd. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De ontwikkelingen in de agrarische sector, en in het bijzonder de (intensieve) veehouderij volgen zich in hoog tempo op. Van veehouders wordt steeds meer verwacht dat zij aan steeds strengere eisen en regels gaan voldoen op het gebied van milieu, ammoniak, volksgezondheid, dierwelzijn, hygiëne en duurzaamheid. Daarvoor moeten veehouders vaak forse investeringen doen om aan deze strenge eisen en regelgeving te kunnen voldoen.

Hoewel de initiatiefnemer de noodzakelijke investeringen kan doen ziet deze echter in dat de toekomst van de (intensieve) veehouderij niet zeker is en wilde zich daarom niet blind staren op één afslag van de rotonde, maar ook andere afslagen verkennen. Het gaat dan om de mogelijkheden om te stoppen met het veehouderijbedrijf. De stikstofbelasting van de natuur in Nederland is een groot probleem. De stikstofuitstoot moet daarom worden verlaagd. Alleen zo kan de natuur herstellen en komt er weer ruimte voor maatschappelijke en economische activiteiten. Alle sectoren die stikstof uitstoten (industrie, landbouw, verkeer, zee- en luchtvaart) moeten de stikstofemissies terugdringen. De landbouwsector heeft de afgelopen decennia veel reducerende maatregelen genomen. Er liggen echter nog steeds grote opgaven voor de sector. In gebieden waar de opgave voor emissiereductie en natuurherstel het grootst zijn wordt met ondernemers gekeken naar de mogelijkheden om te innoveren, extensiveren, verplaatsen of om te schakelen naar alternatieve vormen van landbouw. Daarnaast willen de ministers ondernemers die overwegen te stoppen, financieel ondersteunen. Vanuit de overheid is daarom de Maatregel gerichte aankoop en beëindiging veehouderijen nabij natuurgebieden (MGA) in het leven geroepen.

Met deze regeling wil de overheid agrarische ondernemers met een grote stikstofemissie op de beschermde natuurgebieden (de Natura 2000 gebieden) stimuleren het bedrijf te beëindigen door er een aantrekkelijke subsidie tegenover te stellen. De initiatiefnemer komt in aanmerking voor een vergoeding voor het beëindigen van het bedrijf middels de MGA en wens daarvan gebruik te maken. De vergoeding vanuit de MGA is voldoende om de beëindiging van het bedrijf en de daarbij behorende sloop van bedrijfsbebouwing mogelijk te maken, maar biedt onvoldoende draagkracht om ook op lange termijn te kunnen voorzien in voldoende inkomsten voor de initiatiefnemer. De initiatiefnemer is daarom op zoek naar een passende nieuwe invulling van het bedrijf om ook op de langere termijn te kunnen blijven voorzien in voldoende inkomsten. De locatie is gelegen aan de rand van de Rovertsche Heide, een landschap in eigendom en beheer van het Brabants Landschap. De Rovertsche Heide is een van de grotere natuurgebieden in de regio en is erg in trek bij recreanten. Er zijn vele mogelijkheden om in dit gebied wandelend, fietsend of per paard te recreëren. Door de populariteit van het gebied onder recreanten is er in de omgeving veel vraag naar recreatieve voorzieningen.

De initiatiefnemer wenst aan deze vraag tegemoet te komen en als passende vervolgfunctie van het bedrijf te voorzien in een recreatief bedrijf met recreatiewoningen, waarbij maximaal 600 m² aan recreatiewoningen aanwezig mag zijn. Het gebied de Rovertsche Heide is erg in trek bij ruiters en in de omgeving is een grote vraag naar pensionstalling voor paarden. Om hierop in te spelen wenst de initiatiefnemer te voorzien in een pensionstalling voor paarden. Het paardenpension heeft een beoogde omvang van 20 paardenboxen. Daarbij zullen 5 tot 10 boxen beschikbaar zijn voor de stalling van de paarden van gasten van de recreatiewoningen en 10 tot 15 boxen voor de reguliere pensionstalling, afhankelijk van het seizoen. 6

Hiertoe zal een nieuwe paardenstal worden gebouwd met de daarbij behorende voorzieningen die men van een paardenpension mag verwachten, zoals een rijbak, een longeercirkel, een wasplaats en een zadelkamer. Om het toekomstperspectief van het bedrijf te kunnen borgen en te kunnen blijven voorzien in voldoende inkomsten zullen in de paardenstal twee kleinschalige bedrijfsruimtes worden ingericht, welke beschikbaar worden gesteld aan derden voor kleinschalige bedrijvigheid. Daarbij geldt als voorwaarde dat de bedrijvigheid gerelateerd dient te zijn aan de activiteiten op het erf. Daarbij wordt dan voornamelijk gedacht aan bijvoorbeeld zadelmakerij, dekenwasserij, paardenfysiotherapeut, enzovoorts. Ten slotte wenst de initiatiefnemer bij te dragen aan de winning van duurzame energie. Hiertoe heeft de initiatiefnemer, middels een reeds verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingplan, een aantal zonnepanelen op stelling op het maaiveld aangelegd. Met de aangelegde zonnepanelen wordt voorzien in de eigen energiebehoefte en wordt daarnaast nog een groot aantal huishoudens in de gemeente voorzien van duurzaam opgewekte energie. In het voorliggende plan zullen de zonnepanelen, welke reeds zijn gerealiseerd op basis van de verleende tijdelijke vergunning, worden meegenomen en definitief worden bestemd.

De huidige agrarische bedrijfswoning zal worden omgeschakeld naar een bedrijfswoning bij het recreatiebedrijf. Daarbij is het wenselijk tevens te voorzien in een nieuw bijgebouw bij de woning. De huidige aanwezige bebouwing is sterk verouderd en niet goed geschikt voor het uitvoeren van de in het voorgaande omschreven functies. De voormalige bebouwing is immers ingericht op het houden van varkens en daarmee niet geschikt als recreatieverblijf en/of voor de stalling van paarden en de daaraan gerelateerde bedrijfsruimtes. Daarnaast geldt er vanuit de MGA een verplichting voor de sloop van de stallen. De aanwezige stallen zullen daarom in zijn geheel worden gesloopt. Voor de gewenste bedrijfsvoering zullen nieuwe recreatiewoningen en een bedrijfsgebouw worden opgericht. De gewenste activiteiten passen niet binnen de huidige agrarische bestemming. In het geldende bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid en/of afwijkingsmogelijkheid opgenomen om de gewenste activiteiten mogelijk te maken. De gewenste ontwikkeling past daarmee niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Roovertsedijk 2a te Hilvarenbeek en ligt aan de westkant van Hilvarenbeek in het landelijk gebied van gemeente Hilvarenbeek. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Hilvarenbeek, sectie P, nummers 1659, 1662, 1694, 1718, 3090, 3091 en 3092. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

7

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Hilvarenbeek, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 maart 2014, onverkort van toepassing. Tevens is het bepaalde uit de (reparatie)herzieningen op het bestemmingsplan buitengebied, zijnde "Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan" en "Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019", voor zover relevant, van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'intensieve veehouderij', 'overige zone - groenblauwe mantel' en 'overige zone - historische verkavelingsstructuur' van toepassing. Over een klein deel van het erf, aan de voorzijde, is daarnaast de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' gelegen.

8

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. De initiatiefnemer is voornemens de intensieve veehouderij om te schakelen naar een recreatiebedrijf met recreatiewoningen met daaraan ondergeschikt als nevenactiviteit een paardenpension met kleinschalige, paardgerelateerde bedrijvigheid. Tevens wordt duurzame energie opgewekt middels zonnepanelen op stellingen op het maaiveld. In het geldende bestemmingsplan is in artikel 3.6.10 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een recreatiebedrijf. Echter zijn daarbij geen mogelijkheden om te voorzien in nieuwe recreatiewoningen. Tevens is de maximale oppervlakte vanuit deze wijzigingsbevoegdheid beperkt. Het voorgenomen initiatief past daarmee niet binnen de voorwaarden uit deze wijzigingsbevoegdheid. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en 9

maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

10

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Hilvarenbeek. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Op wat grotere afstand van de locatie zijn eveneens enkele burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven gelegen. Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij gevestigd waarop varkens worden gehouden. Volgens de vigerende vergunning mogen ter plaatse 11.609 vleesvarkens worden gehouden. Ter plaatse zijn een bedrijfswoning met aangebouwde garage en zes varkensstallen (in totaal ongeveer 10.516 m²) aanwezig. Daarnaast is ter plaatse een vergunning verleend voor een uitbreiding van de bedrijfsvoering met een loods, vergister en vleesvarkenstal (van ongeveer 4.387 m²) voor 2.964 vleesvarkens. Deze vergunde uitbreiding is echter nog niet gerealiseerd. Daarnaast bevinden zich op het erf nog overige voorzieningen als een spuitplaats, voeropslag en erfverharding. De initiatiefnemer beschikt daarnaast nog over een huiskavel van ongeveer 5 hectare aan landbouwgrond. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 2 hectare groot.

In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het huidige bouwvlak is daarin rood omlijnd en uitgelicht weergegeven.

11

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens de intensieve veehouderij op de locatie te beëindigen. Bij de beëindiging van de intensieve veehouderij, waarbij de initiatiefnemer wenst deel te nemen aan de Maatregel gerichte aankoop en beëindiging veehouderijen nabij natuurgebieden (MGA), zal de huidige aanwezige bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Deze is namelijk verouderd en niet geschikt voor de gewenste vervolgactiviteiten. Daarnaast is de sloop van de stallen een verplichting vanuit de MGA. Voor de initiatiefnemer is het van belang dat er op de locatie echter voldoende mogelijkheden worden geboden voor een passende vervolgfunctie. De initiatiefnemer is daarom voornemens ter plaatse de intensieve veehouderij om te schakelen naar een recreatief bedrijf met maximaal 600 m² aan recreatiewoningen. Daarnaast zal als ondergeschikte nevenactiviteit worden voorzien in een paardenpension, deels voor de gasten van de recreatiewoningen en deels regulier. Tevens wordt, eveneens als kleinschalige en ondergeschikte nevenactiviteit, voorzien in twee kleinschalige bedrijfsruimtes voor kleinschalige paardgerelateerde bedrijfsactiviteiten. Ten slotte wordt duurzame energie opgewekt middels zonnepanelen die op stellingen op het maaiveld worden aangelegd. De bestemming zal gewijzigd worden van de enkelbestemming 'Agrarisch' naar de enkelbestemming 'Recreatie'.

Hoewel er meerdere acitviteiten op het erf gaan plaatsvinden zijn de recreatieve activiteiten de belangrijkste pijler onder de beoogde bedrijfsvoering en is het overige hier functioneel aan ondergeschikt. Ook ruimtelijk gezien kennen de verblijfsrecreatieve activiteiten, bestaande uit de recreatiewoning en de daarbij horende buitenruimte, het grootste ruimtebeslag. Tot slot doet de recreatieve bestemming recht aan deelname aan de MGA regeling, waarbij het voortzetten van een veehouderij in welke vorm dan ook, niet toegestaan is. De locatie biedt, gezien de ligging nabij het natuurgebied de Rovertsche Heide, een uitgelezen mogelijkheid voor de ontwikkeling van recreatieve voorzieningen. Het gebied is erg in trek bij recreanten, waardoor de vraag naar recreatieve voorzieningen in de omgeving erg groot is. De initiatiefnemer wil inspelen op deze grote vraag en wenst ter plaatse te voorzien in maximaal 600 m² aan recreatiewoningen. De recreatiewoningen worden hoogwaardige twee- tot vierpersoons woningen, die verplaatsbaar zijn. De woningen hebben een vloeroppervlakte van circa 35 m² en worden aan de oostzijde van het perceel opgericht. Daarbij zullen de recreatiewoningen op een goede, bij het landschap passende wijze worden ingepast op het erf. Er wordt daarmee voorzien in een hoogwaardige vorm van verblijfsrecreatie, waarbij de beleving van het landschap wordt gestimuleerd.

In de volgende figuur zijn impressies opgenomen met voorbeelden van de gewenste recreatiewoningen. De daadwerkelijke vormgeving van de recreatiewoningen kan bij de realisatie daarvan afwijken van deze sfeerbeelden, maar de impressies geven een goed beeld van de door de initiatiefnemer gewenste stijl.

Sfeerimpressies recreatiewoningen. Bron: Millhome.nl. 12

De Rovertsche Heide is gelegen aan het ruiterroutenetwerk en is daarmee erg in trek bij ruiters. Er is daarom een grote vraag naar pensionstalling in de omgeving. De initiatiefnemer wenst als doelgroep voornamelijk in te zetten op ruiters die met het eigen paard op de locatie willen verblijven. Daarmee wordt voorzien in een uniek aanbod van verblijfsrecreatie binnen de gemeente. De gasten van de recreatiewoningen kunnen verblijven op dezelfde locatie als het eigen paard. Dit is voor veel ruiters een zeer wenselijke situatie. Omdat het verblijf in de recreatiewoningen voornamelijk een seizoensgebonden activiteit betreft dient, om de seizoensinvloed van de recreatiewoningen en de daaraan gekoppelde pensionstalling op te kunnen vangen, daarnaast ook jaarrond reguliere pensionstalling te worden geboden. Voor gebruikers van de reguliere pensionstalling is, gezien de ligging van de locatie nabij de Rovertsche Heide, sprake van een aantrekkelijke locatie met goede uitrijmogelijkheden naar het ruiterroutenetwerk in het gebied. De pensionstalling zal een beoogde omvang hebben van 20 paardenboxen, waarbij 5 tot 10 boxen in gebruik zullen zijn ten behoeve van de stalling van paarden van de gasten van de recreatiewoningen en 10 tot 15 boxen voor de reguliere pensionstalling, afhankelijk van het seizoen.

Ten behoeve van de pensionstalling zal een nieuwe paardenstal van ongeveer 2.100 m² worden opgericht. Het gebouw wordt eenvoudig van ontwerp, maar luxe van uitstraling. Zoals van een modern paardenpension verwacht wordt zullen hier de nodige voorzieningen als een binnen- en buitenrijbaan en longeercirkel, een wasplaats en een zadelkamer in gerealiseerd worden. Als vertrekpunt is ervan uitgegaan dat de stal gecerticifeerd kan worden voor de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) voor paardenstallen als het gaat om afmetingen van de boxen, breedte van de looppaden en dergelijke. Verder is, met name omdat sprake is van een inpandige rijbak, het van belang dat de bebouwing voldoende hoog wordt. In de rijbak moet een ruiter op een paard kunnen rijden, waarbij het paard kan steigeren, zonder dat de ruiter daarbij het dak raakt. Het geldende bestemmingsplan laat slechts en beperkte goothoogte toe (slechts 3,5 meter). Dit is onvoldoende om te borgen dat een ruiter op een paard dat steigert het dak niet raakt. Derhalve wordt voorzien in een bedrijfsgebouw met een hogere goothoogte van 4,6 meter. Gezien de eisen ten aanzien van de dakhelling en de optimale hellingshoek van het dak voor de zonnepanelen die op het dak zullen worden gelegd is ook een hogere nokhoogte nodig. Deze zal, in plaats van de huidig toegestane 9 meter, worden vergroot tot 10 meter.

De aangepaste hoogtes zijn in de planregels behorende bij dit plan als maximaal toegestane hoogte opgenomen. In de volgende figuur is de gewenste indicatieve indeling van de nieuwe paardenstal weergegeven.

13

Gewenste indicatieve indeling nieuwe paardenstal. Bron: Van Dooren Landschap. Verbreding van de bedrijfsvoering blijft voor de initiatiefnemer een belangrijk uitgangspunt om te kunnen blijven voorzien in voldoende inkomsten en toekomstperspectief. Om het toekomstperspectief en de verbreding te versterken worden in de paardenstal twee kleinschalige bedrijfsruimtes ingericht voor kleinschalige en ondergeschikte bedrijfsmatige activiteiten. Deze ruimtes worden beschikbaar gesteld aan derden, waarbij als voorwaarde geldt dat de uitgevoerde bedrijvigheid gerelateerd dient te zijn aan de activiteiten op het erf. Daarbij wordt dan voornamelijk gedacht aan bijvoorbeeld zadelmakerij, dekenwasserij, paardenfysiotherapeut, enzovoorts. De huidige agrarische bedrijfswoning zal om worden geschakeld naar een bedrijfswoning bij het recreatiebedrijf en de daarbij behorende nevenactiviteiten. Momenteel is de bedrijfswoning voorzien van een aangebouwd bijgebouw van ongeveer 50 m² groot. Het is voor de initiatiefnemer wenselijk om voor privéopslag een nieuw bijgebouw van ongeveer 150 m² bij de woning op te richten. Hiermee is voldoende ruimte beschikbaar. Ten slotte wenst de initiatiefnemer bij te dragen aan de doelstellingen ten aanzien van het klimaat en energie door te voorzien in voorzieningen voor het opwekken van duurzaam geproduceerde energie.

De initiatiefnemer heeft een beschikking voor subsidie vanuit de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) voor het opwekken van 500 kilowatt (kW). Dat komt overeen met ongeveer 2.650 m² aan zonnepanelen in ideale positie. De SDE beschikking schrijft voor dat de zonnepanelen uiterlijk april 2021 in bedrijf moesten zijn. De initiatiefnemer heeft reeds een vergunning verkregen voor het tijdelijk plaatsen van de zonnepanelen in een veldopstelling, waarbij de panelen op stellingen op het maaiveld worden aangelegd. De installatie is op deze wijze al aangelegd en in werking. Vanuit meervoudig ruimtegebruik worden de gronden van de zonneweide begraasd door schapen, welke ter plaatse worden gehouden. Het gaat daarbij om maximaal 50 schapen. De schapen worden gehouden in het kader van 14

natuurlijk en extensief beheer van de gronden en niet met als doel het uitvoeren van een veehouderij. Het zonneveld wordt voorzien van een schuilgelegenheid voor de schapen en in de lammerperiode zal er in bedrijfsgebouw een aflammerruimte van 75 m² ingericht worden, welke slecht kortdurend in gebruik is. Daarnaast is sprake van een ondergeschikte nevenactiviteit bij het recreatiebedrijf en geen sprake van een volwaardige veehouderij. In het kader van de MGA mogen deze schapen dan ook worden gehouden. Dit is met de provincie Noord-Brabant afgestemd en zij hebben ingestemd met het voorliggende plan, inclusief het houden van de schapen voor het natuurlijk beheer van de gronden. Ten behoeve van de te houden schapen is een kleinschalige schuilgelegenheid aanwezig bij de panelen. De zonneweide is ter overbrugging van de overgang van agrarisch bebouwde gronden naar agrarisch onbebouwde gronden voor een periode van maximaal 25 jaar, de gemiddelde levensduur van de zonnepanelen. Als de panelen technisch afgeschreven zijn worden de zonnepanelen en schuilgelegenheid verwijderd en resteert onbebouwde agrarische cultuurgrond. Het tijdelijk gebruik van de zonnepanelen is middels een aanduiding op de verbeelding en in de planregels behorende bij dit plan geborgd (artikel 3.1 en artikel 3.4.1).

Daarbij is uitgegaan van een termijn van 25 jaar na het verkrijgen van de definitieve beschikking van de omgevingsvergunning, zoals is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschappelijk en stedenbouwkundig deskundige een inrichtingsschets gemaakt. Deze is in de volgende figuur weergegeven. De volledige tekening op schaal is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting.

I nrichtingsschets gewenste situatie. Bron: Van Dooren Landschap.

2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, 15

waarin is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Tevens is de voorgenomen landschappelijke inpassing daarin nader uitgewerkt en onderbouwd. De inrichtingsschets bij het landschappelijk inrichtingsplan is reeds in de paragraaf "Ruimtelijke structuur" (paragraaf 2.2.1) van deze toelichting opgenomen. De toelichting en onderbouwing van de voorgenomen landschappelijke inpassing is opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan dat is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. Verder dient vanuit het ruimtelijk beleid te worden aangetoond of in voldoende mate wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Dit is verder uitgewerkt in de paragraaf "Strategie vitalisering buitengebied Hilvarenbeek" (paragraaf 3.3.2). Zoals daarin nader omschreven wordt met de voorgenomen ontwikkeling en landschappelijke inpassing in voldoende mate bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Hiertoe is een berekening gemaakt op basis van de bestemmingswinst die wordt behaald met het voorgenomen initiatief. Voor de betreffende berekening wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting.

16

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen.

Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 17

belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een recreatiebedrijf. In beginsel is geen sprake van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, kantoren, detailhandel en/of een woningbouwlocatie. De vraag is echter wel of een recreatiebedrijf kan worden gezien als een "andere stedelijke ontwikkeling". In de afgelopen jaren zijn door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State diverse uitspraken met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking gedaan.

Waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075) waarin staat: "Een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 in zaak nr. 201408879/1/R3 en van 5 augustus 2015 in zaak nr. 201500276/1/R2). Zoals hiervoor is overwogen voorziet het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan niet in uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden, en derhalve niet in nieuw ruimtebeslag, maar uitsluitend in uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden. Naar het oordeel van de Afdeling brengt in dit geval de wijziging van het toegestane gebruik van het perceel niet met zich dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt.

Nu het plan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is artikel 3.1.6, tweede lid, niet van toepassing." Uit deze en andere uitspraken is te herleiden dat als bij een bestemmingsplan enkel sprake is van een planologische functiewijziging, en geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en is enkel sprake van een functiewijziging (van agrarisch naar recreatie met opslag in categorie 1 en 2 als ondergeschikte activiteit). Er is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee een verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk wordt geacht. 18

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden.

Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

19

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een recreatiebedrijf met als neventak pensionstalling van paarden, kleinschalige paardgerelateerde bedrijvigheid en het opwekken van duurzame energie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt gebouwd. Bij de omschakeling van de intensieve veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan aanzienlijk afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Tevens wordt de nieuwe bebouwing volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid opgericht, waarmee deze zullen bijdragen aan een verduurzaming van de locatie. Ten slotte worden bij de voorgenomen ontwikkelingen voorzieningen opgericht voor het opwekken van duurzame energie, waarbij voldoende energie wordt opgewekt om te kunnen voorzien in de eigen energiebehoefte en om daarnaast nog een groot aantal huishoudens in de gemeente te voorzien van duurzaam opgewekte energie. Daarmee wordt bijgedragen aan de klimaatdoelstellingen van de overheid.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. De omgevingsverordening is meerdere malen geactualiseerd. De meest recente versie is op 8 december 2020 geconsolideerd en in werking getreden. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'landelijk gebied' met de nadere aanduidingen 'groenblauwe mantel' en 'stalderingsgebied'. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve varkenshouderij omgeschakeld naar een recreatiebedrijf met als neventak een paardenpension en kleinschalige paardgerelateerde bedrijvigheid. Daarnaast zullen zonnepanelen op stellingen op het maaiveld worden aangelegd. Daarbij worden de huidige bedrijfsgebouwen gesloopt. In ruil daarvoor worden een nieuw bedrijfsgebouw en een nieuw bijgebouw bij de woning opgericht. Daarnaast worden ter plaatse de bij de gewenste bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen opgericht. Binnen het gebied dat is aangemerkt als stalderingsgebied gelden aanvullende voorwaarden voor (de ontwikkeling van) veehouderijbedrijven.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen spake van een (ontwikkeling van een) veehouderijbedrijf, maar wordt dit juist beëindigd. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 3.2.2.1 Omschakeling naar recreatiebedrijf met recreatiewoningen Voor wat betreft de gewenste omschakeling naar een recreatiebedrijf met recreatiewoningen is het bepaalde in artikel 3.73 en, als aanvulling daarop, het bepaalde in artikel 3.75 van toepassing. De betreffende regels luiden als volgt: "Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokk en: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 20

3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. b. c. d.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare." Op basis van het gestelde onder artikel 3.73, eerste lid onder a geldt dat de functie moet passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin de locatie is gelegen. De vraag daarbij is of de gewenste recreatieve voorzieningen passen binnen het gebied. De locatie is gelegen in een gebied dat door de nabijheid van enkele grote natuur- en recreatiegebieden, waaronder de Rovertsche Heide, erg in trek is bij recreanten. De omgeving is met name populair bij fietsers, wandelaars en ruiters. De bedrijfsvoering zal juist door de unieke combinatie van verblijfsrecreatie en pensionstalling, goed aansluiten bij de vraag in de omgeving. Aan de vele ruiters in het gebied wordt de mogelijkheid voor een pensionstalling in combinatie met verblijfsrecreatie geboden, zodat de recreanten in het gebied bij het paard op de locatie kunnen verblijven. Dit is een vrij unieke combinatie, waarnaar steeds meer vraag is.

Door de vele ruiters in het gebied is de vraag naar dergelijke accommodaties groot, waarmee de gewenste ontwikkeling goed zal aansluiten bij de vraag in de omgeving. Daarnaast leent het gebied zich goed voor verblijfsrecreatie. Door de nabijheid van grote natuur- en recreatiegebieden trekt de omgeving vele recreanten. Omdat de gebieden vrij groot zijn bieden deze voldoende gelegenheid om meer dan één dag te recreëren. De vraag naar voorzieningen voor verblijfsrecreatie is daarmee erg hoog. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt hier goed op aangesloten. Met de verblijfsrecreatie wordt aangesloten bij de versterking van de recreatieve sector in de omgeving. Dit is een van de speerpunten van de gemeente. Met de beëindiging van de varkenshouderij zal de hinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen. De te houden paarden en schapen zullen een aanzienlijk lagere hinder aan de omgeving veroorzaken dan de varkens die in de huidige situatie worden gehouden. Daarmee zal het woon- en leefklimaat aanzienlijk verbeteren in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de verbetering van de leefomgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) leiden tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie.

Gezien de toename van het aantal verkeersbewegingen beperkt is zal dit geen onevenredig nadelige gevolgen hebben op de mobiliteit. Daarnaast zal het aandeel vrachtverkeer van en naar de locatie 21

afnemen, waarmee het verkeer van en naar de locatie in mindere mate zal leiden tot hinder aan de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling biedt een unieke combinatie van verblijfsrecreatie en pensionstalling, waarbij ruiters die op de locatie verblijven de gelegenheid hebben met het paard op dezelfde locatie te verblijven. Dit betreft een voorziening die niet op veel andere plekken voorkomt in de omgeving, waarmee geen sprake is van onevenredige concurrentie met eventuele voorzieningen in de omgeving. Er zal daarmee ook geen sprake zijn van leegstand elders. De voorgenomen ontwikkeling zal op passende wijze landschappelijk worden ingepast. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2). Daarbij is berekend in welke mate de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast wordt op de locatie een groot aantal m² aan agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt (ongeveer 10.516 m²) en zal de vergunde, nog te realiseren stal (ongeveer 4.387 m²) niet worden gebouwd. In totaal zal ongeveer 600 m² aan nieuwe recreatiewoningen, 2.100 m² aan nieuwe bedrijfsgebouwen ten behoeve van de pensionstalling, een nieuwe schuilgelegenheid van ongeveer 50 m² en een bijgebouw bij de woning van ongeveer 150 m² worden opgericht. Dit betreft een totaal van ongeveer 3.000 m².

Daarmee zal het bebouwd oppervlak ter plaatse met ongeveer 7.516 m² afnemen. Daarnaast zal nog ongeveer 4.387 m² aan vergunde bebouwing niet worden gebouwd, wat feitelijk een afname van de (toegestane) bebouwing van 11.903 m² inhoudt. Deze sloop en afname van het bebouwde oppervlak draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, waarmee aan de voorwaarden uit artikel 3.73, lid 1 onder a wordt voldaan. Op basis van het gestelde onder artikel 3.73, eerste lid, sub b mag geen splitsing van het bouwvlak plaatsvinden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is hier geen sprake van, waarmee aan deze voorwaarde wordt voldaan. Op basis van het gestelde onder artikel 3.73, eerste lid, sub c dient overtollige bebouwing te worden gesloopt. Zoals reeds eerder aangegeven wordt netto een grote hoeveelheid (overtollige) bebouwing gesloopt, waarmee aan deze voorwaarde wordt voldaan. Op basis van het gestelde onder artikel 3.73, eerste lid, sub d zijn een kantoor met baliefunctie, lawaaisporten en mestbewerking niet toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een kantoor met baliefunctie, geen sprake van lawaaisporten en geen sprake van mestbewerking, waarmee aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Vanuit het tweede lid uit artikel 3.73 dient het bestemmingsplan te borgen dat de functie, ook op langere termijn, moet passen binnen de ontwikkelingsrichting. Daarbij moet worden aangetoond dat er sprake moet zijn van een bij de omgeving passende publieksaantrekkende werking, moet worden vastgelegd welke gebruiksactiviteiten zijn toegestaan, dient opslag en stalling in bebouwing plaats te vinden en dient de ontwikkeling te worden verplaatst naar een meer passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal in beperkte mate meer publiek worden aangetrokken dan in de huidige situatie. Er zal immers sprake zijn van verblijfsrecreatie, wat mensen uit de omgeving zal aantrekken. Het aantal personen dat verblijft zal echter beperkt zijn, waarmee de publieksaantrekkende werking eveneens beperkt zal blijven. In de regels van dit plan is geborgd dat op de locatie uitsluitend de aangevraagde activiteiten zijn toegestaan. Daarmee is (juridisch) geborgd welke gebruiksactiviteiten zijn toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal alle opslag en stalling in bebouwing plaatsvinden. Er zal geen sprake zijn van buitenopslag. Ten slotte zal, indien de ontwikkelingen op de locatie niet langer binnen de maximaal toegestane omvang passen, worden gekeken naar een alternatief.

Daarmee wordt aan het gestelde in artikel 3.73, lid 2 voldaan. In het derde lid van artikel 3.73 worden nadere regels gesteld aan de in de omgeving passende omvang. Daarbij geldt vanuit het bepaalde in artikel 3.73, lid 3 onder a dat bedrijvigheid kleinschalig moet zijn en moet passen binnen de gemengde omgeving, waarmee het niet doelmatig is deze te vestigen op een 22

bedrijventerrein. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een combinatie van een pensionstalling voor paarden met verblijfsrecreatie. Juist de unieke combinatie van verblijfsrecreatie en het paardenpension bieden recreanten en met name ruiters in de omgeving de mogelijkheid op de locatie te verblijven met het eigen paard. Omdat de functie sterk is gericht op de recreatieve sector past deze niet op een bedrijventerrein. Het is daarmee niet doelmatig deze op een bedrijventerrein te vestigen. Zoals in reeds eerder in deze paragraaf omschreven past de ontwikkeling goed binnen het gebied. Daarnaast is de ontwikkeling kleinschalig van aard en past deze binnen de maximaal toelaatbare omvang vanuit de verordening. Daarmee wordt aan de voorwaarden uit artikel 3.73, lid 3 onder a voldaan. Vanuit artikel 3.73, lid 3 onder b is een detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlak van meer dan 200 m² niet toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daar geen sprake van, waarmee aan deze voorwaarden wordt voldaan. Vanuit artikel 3.73, lid 3 onder c geldt dat de bebouwing bij voorzieningen voor vrije tijd en zorg niet meer dan 1 hectare mag bedragen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is een voorziening voor vrije tijd. De bebouwing ten behoeve van deze functie zal slechts ongeveer 600 m² bedragen.

Ook de totale bebouwing bij het bedrijf bedraagt minder dan 1 hectare, waarmee aan deze voorwaarde wordt voldaan. Gezien het voorgaande wordt aan de voorwaarden uit artikel 3.73 voldaan. Als aanvulling daarop gelden echter de regels uit artikel 3.75. Deze luiden als volgt: "Artikel 3.75 Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening Lid 1 In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt. Lid 2 In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: a. het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; b. permanente bewoning is uitgesloten." Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een watergebonden functie. Er is tevens geen sprake van nieuwvestiging, waarmee het bepaalde in artikel 3.75, lid 1 niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling.

Op basis van het tweede lid van artikel 3.75 dient te worden geborgd dat het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd en dat permanente bewoning wordt uitgesloten. In de regels van dit plan is opgenomen dat de uitvoerder van het bedrijf het terrein en de woningen beheert en hiervoor een register bijhoudt. Tevens wordt in de regels bij dit plan geborgd dat permanente bewoning van de recreatiewoningen niet is toegestaan. Daarmee wordt aan het gestelde in artikel 3.75, lid 2 voldaan. 3.2.2.2 Pensionstalling voor paarden Een pensionstalling voor paarden is aan te merken als een niet-agrarische bedrijvigheid. Zoals reeds omschreven in de paragraaf "Omschakeling naar recreatiebedrijf met recreatiewoningen" (paragraaf 3.2.2.1) wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de regels met betrekking tot niet-agrarische ontwikkelingen in het landelijk gebied. Omdat paarden echter gezien kunnen worden als landbouwhuisdieren en het houden van paarden in die zin beschouwd zou kunnen worden als een agrarische activiteit is eveneens een beschouwing gemaakt voor het houden van paarden. Voor wat betreft agrarische bedrijven wordt in de verordening onderscheid gemaakt tussen vier 23

verschillende typen, zijnde veehouderijen, glastuinbouwbedrijven, (vollegronds)teeltbedrijven en overige agrarische bedrijven. Onder een veehouderij wordt het volgende verstaan: "agrarisch bedrijf gericht op het fokk en, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren." Een pensionstalling voor paarden wordt niet gezien als een veehouderij. Tevens is het niet aan te merken als een glastuinbouwbedrijf en/of een (vollegronds)teeltbedrijf. Derhalve dient de gewenste pensionstalling voor paarden te worden gezien als een overig agrarisch bedrijf. Voor de ontwikkeling van overige agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel zijn in artikel 3.59 de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.59 Overig-agrarisch bedrijf in Groenblauwe mantel Een bestemmingsplan van toepassing op Groenblauwe mantel voor een overig-agrarisch bedrijf: a. bepaalt dat de vestiging van een overig-agrarisch bedrijf is uitgesloten; b. kan bepalen dat omschak eling naar een overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel is toegestaan, als dit bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied; c.

kan voorzien in een uitbreiding van een bestaand overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel als dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van vestiging van een overig agrarisch bedrijf, waarmee het gestelde onder a niet van toepassing is. Er is sprake van de omschakeling van een intensieve veehouderij naar een recreatiebedrijf waarbij paarden als neventak worden gestald in de vorm van een paardenpension, wat kan worden gezien als gedeeltelijke omschakeling naar een overig agrarisch bedrijf. Formeel is geen sprake van een omschakeling naar een overig agrarisch bedrijf, maar naar een niet-agrarisch bedrijf. Echter heeft de provincie in de provinciale (interim) omgevingsverordening opgenomen (in artikel 3.3) dat een neventak op een bedrijf is toegestaan als vanuit de regels van de verordening eveneens vestiging of omschakeling naar de volwaardige functie mogelijk kan worden gemaakt. Derhalve is eveneens getoetst aan de voorwaarden voor omschakeling naar een overig agrarisch bedrijf in de groenblauwe mantel. Omschakeling is op basis van het gestelde onder b mogelijk tot een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare en als de omschakeling bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof.

De beëindiging van de varkenshouderij zal leiden tot een aanzienlijke afname van de uitstoot van geur, ammoniak en fijnstof in het gebied. De te houden paarden (en schapen) hebben immers een aanzienlijk lagere uitstoot dan de momenteel gehouden varkens. Het huidige bouwvlak is 2 hectare groot. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal het bouwvlak worden teruggebracht naar een omvang van maximaal 1,5 hectare. Voor de zonnepanelen op het maaiveld zal een speciale aanduiding worden opgenomen om deze ter plaatse mogelijk te maken. Met deze aanduiding zal, aansluitend aan het bouwvlak, een vlak van ongeveer 0,5 hectare worden gereserveerd voor de zonnepanelen. Er is met de voorgenomen ontwikkeling daarmee sprake van een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare. Hiermee wordt aan de voorwaarden voor omschakeling naar een overig agrarisch bedrijf voldaan. Er is geen sprake van een uitbreiding van een overig agrarisch bedrijf, waarmee het gestelde onder c niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling.

24

3.2.2.3 Houden van schapen Omdat bij de gewenste zonnepanelen een schuilgelegenheden voor schapen wordt opgericht en omdat er ter plaatse, ten behoeve van het begrazen van de zonneweiden, schapen worden gehouden dient dit deel van de bedrijfsvoering te worden gezien als een veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is feitelijk geen sprake van een veehouderij, maar gezien de provincie in de provinciale (interim) omgevingsverordening (in artikel 3.3) heeft opgenomen dat nevenfuncties mogelijk zijn wanneer op basis van de regels zoals zijn opgenomen in de verordening ook de vestiging of omschakeling naar de volwaardige functie mogelijk kan worden gemaakt, dient alsnog aan de bepalingen voor veehouderijen te worden getoetst. Vanuit artikel 2.72 en artikel 3.49 is de vestiging van, de omschakeling naar en/of de uitbreiding van een veehouderij alleen mogelijk onder specifieke voorwaarden. Onder vestiging wordt verstaan het (nieuw) vestigen van een veehouderij op een locatie waar het uitvoeren van een veehouderij vanuit het huidige planologisch regime niet mogelijk is. Op de locatie is reeds een veehouderij legaal aanwezig, waarmee het uitvoeren van een veehouderij vanuit het geldende planologisch regime reeds mogelijk is. Er is daarmee geen sprake van een vestiging van een veehouderij.

Onder omschakeling wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene naar een andere bedrijfsvoering. Hoewel er wordt omgeschakeld van een intensieve veehouderij naar een niet-agrarisch bedrijf met daarbij als neventak het houden van schapen ten behoeve van de begrazing van de zonneweide is geen sprake van omschakeling naar een veehouderij. In de huidige situatie is namelijk reeds sprake van een veehouderij. In de gewenste situatie kan de schuilgelegenheid voor het houden van schapen worden gezien als een veehouderij. In feite is daarmee sprake van een veehouderij en dat blijft zo. Er is daarmee geen sprake van een omschakeling naar een veehouderij. Onder uitbreiding wordt verstaan het vergroten van een bouwvlak bij een veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een vergroting van het bouwvlak, waarmee eveneens geen sprake is van een uitbreiding van een veehouderij. De regels uit artikel 2.72 en 3.49 zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit artikel 3.50 van de verordening is het oprichten van nieuwe dierenverblijven bij een veehouderij echter niet zomaar mogelijk. Vanuit dat artikel geldt dat geen sprake mag zijn van een toename van de oppervlakte aan dierenverblijven bij een veehouderij, behalve als aan de in dat artikel opgenomen specifieke voorwaarden wordt voldaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14330548/1