15 Begroting 2024 (3 boekwerk)
Tekst van het document
De berekening leidt tot een geraamde totaalopbrengst OZB 2024 van afgerond € 4.652.000. Toeristenbelasting Bij de voorjaarsnota 2020 heeft u gekozen om de toeristenbelasting stapsgewijs te verhogen met 17% per jaar tot en met 2025. We constateren dat we als gemeente boven het regionale gemiddelde tarief zitten. Tevens constateren we dat het aantal overnachtingen zijn toegenomen. Daardoor is de verhoging voor 2024 niet nodig om dezelfde opbrengst te realiseren. De tarieven bedragen: - € 1,90 per overnachting voor groepsaccommodatie; - € 1,90 per overnachting voor mobiel kampeeronderkomen en/of op vaste standplaatsen op een mini-camping; - € 2,15 per overnachting voor mobiel kampeeronderkomen en/of op vaste standplaatsen niet zijnde een mini-camping; - € 2,65 per overnachting voor overige accommodaties; - € 382,40 jaartarief mobiel kampeeronderkomen of stacaravan op vaste standplaats Forensenbelasting We heffen forensenbelasting van natuurlijke personen die geen hoofdverblijf in de gemeente hebben maar gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar een gemeubileerde woning beschikbaar houden voor zichzelf of voor hun gezin. In de regel gaat het om eigenaren en gebruikers van recreatieverblijven, zoals vakantiewoningen of stacaravans. 66
De forensenbelasting kent een laag en een hoog tarief. Welk tarief van toepassing is, dat hangt af van de WOZ-waarde van het object. In de voorgaande belastingjaren gold voor objecten tot € 65.000 het lage tarief en voor objecten vanaf € 65.000 het hoge tarief. Voor 2024 handhaven we beide categorieën. In lijn met de toeristenbelasting verhogen we de tarieven voor 2024 niet. Laag tarief Hoog tarief
2024 € 382,40 € 792,40
2023 € 382,40 € 792,40
2022 € 356,20 € 738,20
2021 € 331,80 € 687,45
Tabel - Tarievenoverzicht forensenbelasting ten opzichte van vorige jaren
Vermakelijkhedenretributie De maatstaf voor de heffing is het aantal bezoekers van een vermakelijkheid dat de 20.000 bezoekers overstijgt. We verhogen het tarief met de standaard indexatie van 2,25 % en ronden het tarief naar boven af. We verhogen het tarief van € 0,17 naar € 0,18. Precariobelasting gebruik openbare ruimte Gemeenten kunnen precariobelasting heffen voor het gebruik van de openbare ruimte door particulieren en bedrijven. Denk bijvoorbeeld aan gebruik voor terrassen en reclameborden. Wij heffen vanaf 2015 precariobelasting voor terrassen op gemeentegrond. We verhogen het tarief met de standaard indexatie van 2,25%. Het tarief voor 2024 bedraagt daarmee € 22,30 per m2 per seizoen voor voorwerpen (stoelen, tafels, banken en andere voorwerpen) onder, op of boven een terras. Het maximumaantal m2 is 50. Marktgelden We verhogen het tarief met de standaard indexatie van 2,25% van € 67,70 naar € 69,20 per kwartaal per standplaats van vier strekkende meter. Rioolheffing We belasten niet alleen de gebruikers van het rioolstelsel maar ook degenen die profiteren van onze hemelwaterafvoer en van de maatregelen die we nemen voor onze grondwaterstand. Dus ook eigenaren van panden, die geen gebruikers zijn. De rioolheffing kent voor agrarische percelen een speciale regeling.
Al het water dat zij naar hun perceel toevoeren, lozen zij namelijk niet volledig via de gemeentelijke riolering. De gevolgen van de veranderde heffingssystematiek van de rioolheffing voor de agrariërs minimaliseren we door een speciale regeling voor agrarische percelen te handhaven. We bepalen de rioolheffing op basis van het gebruik, maar de agrarische percelen plaatsen we standaard in de derde staffel van de rioolheffing. Deze staffelcode is van toepassing bij een waterverbruik tussen 251 m3 en 500 m3 per jaar. De tariefstijging is beperkt tot een trendmatige correctie van 2,25%. Dit is in overeenstemming met het in februari 2022 door de gemeenteraad vastgestelde nieuwe riool- en waterplan. Eigenaren woningen Eigenaren niet-woningen Eigenaren garageboxen Gebruikers afgevoerd water tot en met 130 m3 Gebruikers afgevoerd water van 131 tot en met 250 m3 Gebruikers afgevoerd water van 251 tot en met 500 m3 Gebruikers afgevoerd water van 501 tot en met 1.500 m3 Gebruikers afgevoerd water van 1.501 tot en met 5.000 m3 Gebruikers afgevoerd water van 5.001 m3 en meer
Tarief 2024 113,67 194,32 57,15 32,88 137,16 308,76 708,60 1.417,20 2.834,64
Tarief 2023 111,17 190,05 55,90 32,16 134,16 301,92 693,00 1.386,00 2.772,24
Tabel – Ontwikkeling Tarieven Rioolheffing
67
Afvalstoffenheffing Met de opbrengsten van de afvalstoffenheffing betalen we voor 100% de kosten die we kwijt zijn aan inzamelen en verwerken van huishoudelijk restafval. Het huishoudelijk restafval en GFT-afval zamelen we in via afzonderlijke minicontainers. Een aantal (appartementen)complexen heeft een eigen inzamelsysteem met ondergrondse containers. Er vindt een grote wijziging plaats met betrekking tot restafval. Zo wordt de frequentie van ophalen verlaagd van eens in de drie weken naar eens in de vier weken. Daarnaast worden de huidige minicontainers met een inhoud van 270 liter, vervangen door minicontainers met een inhoud van 120 liter. De minicontainers voor restafval worden eind maart 2024 uitgezet. Voor het GFT afval geldt dat de frequenties van ophalen van eens in de drie weken verhoogd wordt naar eens per twee weken. De minicontainers van 180 liter blijven gehandhaafd, waarbij huishoudens in het buitengebied ook de mogelijkheid krijgen een 180 liter minicontainer af te nemen en aan te bieden. In de huidige systematiek geldt dat ongeveer de helft van de opbrengst gehaald wordt via vast recht en het overige deel via variabel recht op basis van het aantal ledigingen en tarieven bij de milieustraat. Bij het variabel deel komt het overgrote deel binnen via de ledigingen restafvalcontainers. Dit terwijl de kosten van het product afval voor zo’n 80% ‘vast’ zijn.
De vaste kosten voor het ophalen van rest, gft- en pmd-afval gaan omhoog van jaarlijks € 170.000 naar € 340.000 met ingang van 2024. Door het tarief van ‘vast recht’ substantieel te verhogen, kan het tariefbedrag per lediging gematigd worden. Het extra verhogen van het ‘vast recht’ is ook te rechtvaardigen door het aandeel van de vaste kosten binnen het product afval. We gaan ervan uit dat het aantal ledigingen van de restafval minicontainer aanzienlijk terugloopt. Omdat 2024 een overgangsjaar is hanteren we dezelfde tarieven voor het ledigen van een restafval minicontainer van 270 liter (tot en met maart 2024) en het ledigen van een restafval minicontainer van 120 liter (met ingang van april 2024). We verhogen het vast recht tarief en we verlagen het variabel tarief voor de ledigingen van restafval minicontainers. We verhogen het tarief GFT afval en de tarieven van de milieustraat met de reguliere index van 2,25%.
Vast tarief per maand Variabel tarief per lediging Restafvalcontainer 270 liter Variabel tarief per lediging Restafvalcontainer 120 liter Gemiddeld aantal ledigingen Restafval per object per jaar
Tarief 2024 12,50 10,95 10,95 4,60
Tarief 2023 7,87 12,85 nvt 6,65
Variabel tarief per lediging GFT-afval Gemiddeld aantal ledigingen GFT-afval per object per jaar
2,44 5,09
2,39 3,13
Tarief per inworp 60lt zak in ondergrondse container Gemiddeld aantal inworpen 60lt zak in ondergrondse container per jaar
5,47
1,90
9,2
30
Tabel - Tarievenoverzicht afvalstoffenheffing
Leges De legesverordening omvat de belastingtarieven voor onder andere burgerzaken, de APV en de omgevingsvergunningen. Voor de legesverordening en de daarbij behorende tarieventabel is het van be-
68
lang om de tarieven niet zodanig vast te stellen dat de geraamde baten uitkomen boven de geraamde lasten. We spreken ook wel over de opbrengstenlimiet ofwel de kostendekkendheid. Dit is expliciet bepaald in artikel 229b lid 1 Gemeentewet. De totale kostendekkendheid zoals opgenomen in het raadsvoorstel belastingverordeningen voor de leges komt neer op 71%. Een overzicht van deze kostendekkendheid vindt u ook in de bijlage van deze begroting. Per Titel van de legesverordening doen zich op hoofdlijnen de volgende wijzigingen voor vanaf jaar 2024: Hoofdstuk 1: De meeste tarieven zijn geïndexeerd. Bij reisdocumenten, Nederlandse identiteitskaart en rijbewijzen gelden wettelijke maximumtarieven. Er is gerekend met de voorlopige wettelijke tarieven per belastingjaar 2023 omdat de nieuwe wettelijke tarieven nog niet bekend zijn. Hoofdstuk 2: Voor de intaketafel waarbij de wenselijkheid van het initiatief centraal wordt getoetst is gekozen om dit overleg gratis te maken. We willen graag stimuleren dat aanvragers in de voorfase in overleg met ons treden. Onder de Omgevingswet zijn twee afzonderlijke vergunningen nodig bij een bouwproject als het gaat om een Gevolgklasse 2 of 3 bouwwerk: één voor de bouwtechnische activiteit (bouwtechnische omgevingsvergunning) en één voor de omgevingsplanactiviteit (ruimtelijke omgevingsvergunning).
Voor gevolgklasse 1 is alleen de ruimtelijke omgevingsvergunning nodig. De legestarieven hebben nog steeds een degressieve tariefstructuur waarbij de hoogte van de bouwkosten als grondslag dienen. Onder de Omgevingswet is het weer mogelijk om leges te heffen voor milieuvergunningen. Het gaat hierbij om een vergunning per Milieubelastende Activiteit (MBA). De werkzaamheden voor de vergunning wordt uitgevoerd door de OMWB. Voor belastbare feiten die vergelijkbaar zijn onder het huidige regime is qua tarief een indexatie doorgevoerd. Hoofdstuk 3: De tarieven zijn geïndexeerd.
Ontwikkeling totale belastingdruk In deze paragraaf vergelijken we de totale gemeentelijke lasten 2024 voor een gemiddeld gezin ten opzichte van 2023. Dit doen we voor zowel een eigenaar als voor een huurder van een woning. Bedragen x € 1 Afgerond op hele euro’s Afvalstoffenheffing Rioolheffing OZB – eigenaar Totaal
2024 2023 213 187 251 245 393 379 857 811
Mutatie 2024 tov 2023 13,90 % stijging 2,25 % stijging 3.75 % stijging 5,67 % stijging
Tabel – Ontwikkeling Belastingdruk eigenaar woning
Bedragen x € 1 Afgerond op hele euro’s Afvalstoffenheffing Rioolheffing OZB – eigenaar Totaal
Mutatie 2024 tov 2024 2023 2023 213 187 13,90 % stijging 137 134 2,24 % stijging Nvt nvt 350 321 9,03 % stijging
Tabel – Ontwikkeling Belastingdruk huurder woning
Volgens de Atlas Lokale Lasten van Coelo bedragen de gemiddelde lokale lasten in 2023 voor: - een meerpersoonshuishouden met een eigen woning € 944 - meerpersoonshuishoudens met een huurwoning € 436.
69
Uitgangspunten Bij de bepaling van de belastingdruk zijn we uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Afvalstoffenheffing Afvalstoffenheffing Vast tarief per maand Variabel tarief per lediging restafval Variabel tarief per lediging GFTafval Totalen afgerond
Tarief 2024 12,50 10,95
Tarief 2023 7,87 12,85
Aantal ledigingen 2024 12 maanden 4,60
Aantal ledigingen 2023 12 maanden 6,65
Totaal 2024 150,00 50,37
Totaal 2023 94,44 85,45
2,44
2,39
5,09
3,13
12,42
7,48
213
187
Tabel - Afvalstoffenheffing
Rioolheffing We hanteren de staffel van 131 m3 tot en met 250 m3 waterverbruik als grondslag voor de berekening van de rioolheffing en gaan uit van een twee ouderhuishouden met één kind. OZB – eigenaar Voor de OZB-vergelijking rekenen we met de volgende uitgangspunten: - € 379 ozb zoals verwerkt in vergelijking bij begroting 2023 - € 379 + 3,75% indexering naar begroting 2024
Gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid We voeren een actief kwijtscheldingsbeleid voor afvalstoffenheffing en rioolheffing. De begrote kosten voor 2022 en volgende jaren bedragen € 22.000 voor het kwijtscheldingsbeleid voor afvalstoffenheffing en rioolheffing (exclusief uitvoeringskosten).
70
Paragraaf 2
2.2 Weerstandsvermogen en risicobeheersing
In deze paragraaf leest u meer over ons risicoprofiel en hoe we dit opvangen met onze weerstandscapaciteit. Deze weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen om substantiële onverwachte kosten af te dekken zonder dat dit ten koste gaat van het bestaand beleid. Het weerstandsvermogen is de mate waarin we de risico’s op kunnen vangen met onze weerstandscapaciteit. In de nota ‘risicomanagement & weerstandsvermogen’ beschrijven we hoe we risicomanagement toepassen als vast proces in onze bedrijfsvoering. In deze paragraaf beoordelen we ook onze financiële positie aan de hand van vijf kengetallen.
Beoordelen risico’s Om te bepalen welke risico’s de meeste aandacht verdienen, kwantificeren we ze. Per risico, schatten we in - eventueel op basis van ervaringen - hoe waarschijnlijk het is dat het zich voordoet en hoe groot de financiële gevolgen zijn. Ontwikkelingen waarvan de kans 90% of meer is dat deze zich voordoen, nemen we niet mee omdat we dit niet als risico’s zien. We gebruiken de volgende scoringstabellen. Kans Gering (minder dan 1 x per 4 jaar) Gemiddeld (ongeveer 1 x per 4 jaar) Hoog (minimaal 1 x per jaar)
Score 1 3 5
Financieel gevolg (bij omzetverwachting van € 45.000.000) Gering (< 0,1% omzet = < € 45.000 Beperkt (> 0,1% omzet < 0,5 % omzet = tussen € 45.000 - € 225.000) Groot (> 0,5 % omzet = > € 225.000)
Score 1 2 3
Omdat risico’s zich niet allemaal tegelijkertijd voordoen, nemen we alle risico’s niet voor de volledige omvang mee. Aan de hand van de kans vermenigvuldigt met het gevolg van het risico berekenen we een score. Aan de hand van deze score voorzien we het risico van een ranking met impactcategorie. Afhankelijk van de impactcategorie nemen we een risico volledig, voor een deel of niet mee in de berekening van ons benodigd weerstandscapaciteit. Ranking Scores 10 en hoger Scores hoger dan 5, maar lager dan 10 Scores van 5 en lager
Impactcategorie Hoog risico Voor het risico dient 100% weerstandscapaciteit aanwezig te zijn. Beperkt risico Voor een structureel risico dient 25% weerstandscapaciteit aanwezig te zijn. Voor een incidenteel risico dient 50% weerstandscapaciteit aanwezig te zijn. Gering risico We achten het risico te dragen binnen de reguliere bedrijfsvoering
71
Opstellen risicoprofiel Het risicoprofiel bevat alle risico’s die we hebben geïnventariseerd in onze organisatie. We maken een onderscheid tussen de risico’s voor de ‘algemene dienst’ en risico’s voor de grondexploitaties. In deze paragraaf volstaan we met een samenvatting van de belangrijkste risico’s zoals bekend op 6 september 2023. Het gedetailleerd risicoprofiel vindt u in bijlage van deze begroting onder de ‘risicokaart’. Nr. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15.
1. 2. 3. 4. 5. 6.
Onderwerp Structurele risico's algemene dienst BUIG-middelen ontoereikend Algemene uitkering Jeugdhulpverlening (specialistische zorg) Toerekening uren aan investeringen en grondexploitaties Rentewijzigingen WMO middelen ontoereikend Capaciteitstekort binnen de gemeentelijke organisatie Structurele gevolgen omgevingswet Niet behalen taakstellingen Oplopende prijzen Informatiemanagement projecten Project Hart van Haghorst Huisvesting statushouders Kostprijsonderzoek Oekraïners Maaien bermen
€ 33.000 € 68.000 € 65.000 € 95.000 € 150.000 € 44.000 € 52.000 € 81.000 €0 € 100.000 €0 € 50.000 € 50.000 PM € 100.000
Totaal structurele risico’s algemene dienst
€ 888.000
Incidentele risico's algemene dienst Onvoorzien uit reguliere bedrijfsvoering / Algemeen bedrijfsrisico Kabels en leidingen Wachtgeldregeling wethouders Huur Nieuwe Erf Gerechtelijke procedures en aansprakelijkheidsstellingen Deelname Regionaal Publiek Ontwikkelbedrijf Totaal incidentele risico’s algemene dienst
Nr. Onderwerp Risico’s grondbedrijf 1. Afzet gronden 2. Prijsrisico/inflatie 3. Geurcontour de Leeuwerik 3 4. Gelderakkers 2 5. De Welder Totaal risico’s grondbedrijf
Risico
€ 450.000 € 30.000 € 202.000 €0 €0 € 682.000
Risico € 235.000 € 100.000 € 83.000 € 1.960.000 €0 € 2.378.000
72
Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen waarmee de gemeente in staat is om substantiële tegenvallers op te vangen zonder dat dit betekent dat we het beleid moeten wijzigen. We onderscheiden een structurele en een incidentele weerstandscapaciteit. We gaan hier nu verder op in. Structurele capaciteit Onze structurele weerstandscapaciteit bepalen we op basis van de onbenutte belastingcapaciteit voor de onroerende zaakbelastingen. We berekenen de onbenutte belastingcapaciteit op twee wijzen. Enerzijds houden we rekening met de meest recente OZB-tarieven van het gemiddeld niveau in Nederland. We hanteren deze onbenutte belastingcapaciteit voor onze weerstandscapaciteit. Anderzijds laten we ook de OZB-opbrengst zien als we het OZB-tarief hanteren dat opgelegd wordt indien een gemeente een artikel 12 status aanvraagt. Het rijk stelt zo’n gemeente dan onder financiële curatele.
Bedragen x € 1.000 OZB opbrengst Hilvarenbeek 2024 OZB opbrengst landelijk gemiddeld 1 OZB artikel 122
Ruimte ten opzichte van landelijk artikel 12 4.672 5.013 6.399
341 1.727
Onze beschikbare capaciteit - de ruimte die beschikbaar is wanneer we het gemiddeld landelijk tarief hanteren - bedraagt € 341.000. De onbenutte belastingcapaciteit, wanneer de tarieven gelijk zouden zijn aan de artikel 12 norm, bedraagt € 1.727.000. We tellen bij de beschikbare structurele capaciteit nog de structurele ruimte op die nu in onze begroting 2024 zit. Deze bedraagt voor 2024 € 1.010.000 (2025: € 1.961.000, 2026: € 396.000, 2027: -/- € 343.000) Incidentele capaciteit Voor de incidentele capaciteit weerstandscapaciteit nemen wij bij de omvang van onze algemene reserve en de reserve grondexploitatierisico’s - voor resultaatbestemming - mee. Incidentele weerstandscapaciteit (x € 1.000) Algemene bedrijfsreserve Algemene reserve grondexploitatie
3.063 2.379
Tabel - Stand van 31-12-2023
Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen is de mate waarin de gemeente in staat is om substantiële tegenvallers op te vangen zonder dat het beleid veranderd moet worden. Om het structurele weerstandsvermogen te bepalen, confronteren we de structurele risico’s met de structurele weerstandscapaciteit. Het incidentele weerstandsvermogen bepalen we door alle incidentele risico’s af te zetten tegen de algemene bedrijfsreserve. De confrontatie van het risicoprofiel en weerstandscapaciteit is hieronder weergegeven. 1 2
Bron: Coelo.nl, tarievenoverzicht 2023 Bron: meicirculaire 2023, tarieven 2024
73
Weerstandsvermogen (x € 1.000) Structureel Algemene Dienst Algemene bedrijfsreserve Algemene reserve grondexploitatie Ratio's Structureel Algemene Dienst (A / B) Algemene bedrijfsreserve (C / D) Algemene reserve grondexploitatie (E / F)
Beschikbaar A C E
1.351 3.063 2.379
Benodigd B D F
888 682 2.378
JR2021 0,99 0,76 1,95
JR2022 0,75 10,20 1,23
B2023 2,02 11,70 1,00
B2024 1,52 4,49 1,00
Conclusie: waardering en normen voor het weerstandsvermogen We waarderen het weerstandsvermogen zoals opgenomen in onderstaande tabel. Ratio >2 1,5 – 2 1,0 - 1,5 0,8 - 1,0 0,6 - 0,8 < 0,6
Waardering uitstekend ruim voldoende voldoende matig onvoldoende ruim onvoldoende
De provincie adviseert ons om een norm vast te stellen voor het noodzakelijke weerstandsvermogen. Wij hebben dit advies ter harte genomen. Wij hanteren een norm van minimaal 0,8 voor zowel het structurele als het incidentele weerstandsvermogen. Tussen de 1 en de 0,8 is extra voorzichtigheid geboden. Een score onder de 0,8 betekent dat we een onvoldoende scoren. Structureel Voor het structurele weerstandsvermogen voldoen wij ruim aan deze norm. In de berekening is rekening gehouden met de structurele ruimte die nu in onze begroting 2024 zit. In de berekening is alleen gekeken naar het verschil in OZB ten opzichte van het gemiddelde in Nederland en niet naar de uitbreidingsmogelijkheden in vergelijking met een artikel 12 status. Wanneer we deze werkwijze hanteren stijgt de ratio nog van 1,52 naar 3,06. In dat geval is de waardering uitstekend. Incidenteel Het incidentele weerstandsvermogen van de algemene dienst scoort uitstekend. Het incidentele weerstandsvermogen voor de grondexploitatie is voldoende. Wanneer we naar het totaal van de incidentele risico´s kijken en dit afzetten tegen de totale beschikbare incidentele weerstandscapaciteit is de ratio 1,78. Dit wordt gewaardeerd als ruim voldoende.
Financiële kengetallen In deze paragraaf geven wij u een overzicht van enkele financiële kengetallen met als doel u op een eenvoudige manier inzicht te geven in de financiële positie van de gemeente. Deze financiële kengetallen zijn verplicht op basis van artikel 11 BBV. Naast een structureel sluitende reële begroting is het voor een gezonde financiële positie ook van belang dat de schulden niet te hoog oplopen, de risico’s binnen de grondexploitatie op te vangen zijn en er nog voldoende financiële ruimte is binnen de exploitatie of om belastingen te verhogen. We gaan eerst in op de normering en daarna volgen de financiële kengetallen.
74
Normering Om meer inzicht te krijgen in de kengetallen kiezen we ervoor om aan te sluiten bij de ‘signaleringswaarden’ die diverse gemeenten gebruiken zoals in onderstaande tabel weergegeven. De signaleringswaarden zijn oorspronkelijk afkomstig uit de houdbaarheidstest voor gemeenten van de VNG. De signaleringswaarden zijn geen normeringsinstrument in het kader van het financieel toezicht door de provincie. Het is primair bedoeld al instrument voor de raad. Per kengetal zijn signaleringswaarden ingedeeld in drie categorieën. Categorie A is het minst risicovol, categorie B is een risicoprofiel waarbij voorzichtigheid is geboden, categorie C is een risicovol profiel. Kengetallen
Cat. A
Cat. B
Cat. C
Netto schuldquote
<0,9
0,9 - 1,3
>1,3
Netto schuldquote - correctie verstrekte leningen Solvabiliteitsratio
<0,9 >0,5
0,9 - 1,3 0,2 - 0,5
>1,3 <0,2
>0
0
<0
Grondexploitatie
<0,2
0,2 - 0,35
>0,35
Belastingcapaciteit: Woonlasten meerpers. huishouden
<0,95
0,95 - 1,05
>1,05
Structurele exploitatieruimte
Financiële kengetallen We hebben de financiële kengetallen berekend voor onze gemeente. U ziet ze in onderstaand overzicht. De kengetallen van 2019 – 2022 komen uit de jaarrekeningen. De kengetallen van 2023 uit de begroting 2023 en van 2024 en verder zijn berekend op basis van de cijfers uit dit begrotingsboekwerk. Per kengetal hebben we met kleur weergegeven in welk risicoprofiel het kengetal valt. Kengetallen (31 december) Netto schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Solvabiliteitsratio Structurele exploitatieruimte Grondexploitatie Belastingcapaciteit: Woonlasten Meerpersoonshuishouden
JR19 0,55 0,48
JR20 0,55 0,49
JR21 0,51 0,46
JR22 0,61 0,55
B23 0,76 0,73
0,28 -0,01 0,08 0,85
0,26 -0,02 0,10 1,00
0,27 0,03 0,10 0,97
0,23 0,07 0,16 1,02
0,17 0,00 0,09 0,90
B24 0,54
B25 0,61
B26 0,96
B27 0,94
0,48 0,24 0,02 0,01 0,91
0,56 0,25 0,04 0,03 0,91
0,90 0,18 0,01 0,03 0,91
0,89 0,20 -0,01 0,03 0,91
Netto schuldquote De netto schuld weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. De netto schuldquote geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Een laag percentage is gunstig. Omdat bij verstrekte leningen er onzekerheid kan bestaan of ze allemaal terug worden betaald bepalen we de netto schuldquote zowel inclusief als exclusief verstrekte leningen. De VNG adviseert om 1,3 als maximum norm te hanteren en daarboven de schuld af te bouwen. Als algemene norm geven we de onderstaande richtgetallen. De netto schuldquote gaat vanaf 2026 naar een niveau waarbij voorzichtigheid is geboden. Dit heeft te maken met de externe financiering die nodig is voor investeringen zoals Doelakkers en Haghorst. Solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin het bezit van de gemeente is afbetaald en de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Het betreft het eigen vermogen uitgedrukt in een percentage van het balanstotaal. De schuldratio is de tegenhanger hiervan. De toename of afname van de schulden in een jaar is het financieringsresultaat van de gemeente. Het wordt ook wel schuldevolutie genoemd. De schuld mag niet zover oplopen dat de financiële positie in de waagschaal wordt gelegd.
De gemeentefinanciën horen - ook bij economisch slecht weer zonder hulp van buitenaf beheersbaar te blijven. Normaal ligt de waarde voor de solvabiliteitsratio tussen de 0,5. Voorzichtigheid is geboden bij een ratio tussen de 0,2 en 0,5. We zien dat de waarde 75
de komende jaren op een niveau ligt waarbij voorzichtigheid is geboden. In 2026 duikt de waarde even naar een risicovol profiel. Net zoals bij de netto schuldquote heeft dit te maken met de investeringen in onder andere Haghorst en Doelakkers. Ook zien we dat vanaf 2026 we minder middelen van het Rijk ontvangen waardoor we ook minder kunnen reserveren in onze algemene reserves. Structurele exploitatieruimte Dit kengetal is van belang om te kunnen beoordelen welke structurele ruimte er is om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. De provincie hanteert de richtlijn dat de begroting structureel en reëel in evenwicht moet zijn. Het structurele saldo berekenen we in hoofdstuk 3 van de jaarrekening. Als het structurele saldo positief is dan is het kengetal van de structurele exploitatieruimte ook positief. We berekenen dit kengetal namelijk door het structurele saldo van de baten en lasten te delen door de totale baten. De provincie hanteert als richtlijn dat het structurele saldo meerjarig positief moet zijn. Wij hanteren daarom als norm dat de structurele exploitatieruimte minimaal 0 moet zijn. Met een kengetal van 0,01 in 2024 voldoen wij aan deze norm.
We kunnen de structurele exploitatieruimte verder vergroten door het eigen beleid aan te passen waardoor we meer opbrengsten ontvangen of minder kosten maken. Grondexploitatie Dit kengetal geeft weer hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. De boekwaarde van de voorraden grond is van belang, omdat deze waarde moet worden terugverdiend bij de verkoop. De boekwaarden van verliesgevende plannen zijn gebaseerd op de actuele marktwaarde en voor verwachte verliezen zijn voorzieningen getroffen. De invloed van de grondexploitatie op de exploitatie is met een kengetal van 0,01 tot 0,03 beperkt. We hebben ook een aparte algemene reserve voor de grondexploitatie waarmee we risico’s opvangen. Belastingcapaciteit De ruimte die een gemeente heeft om belastingen te verhogen wordt vaak gerelateerd aan de totale woonlasten. Onder woonlasten worden verstaan de OZB, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing voor een woning met gemiddelde waarde in de gemeente. Het kengetal belastingcapaciteit wordt berekend door de totale woonlasten meerpersoonshuishouden in het begrotingsjaar te vergelijken met het landelijke gemiddelde. De (ongewogen) gemiddelde woonlasten van gemeenten waar we mee rekenen zijn € 944 in jaar 2023. De gemiddelde woonlasten voor een meerpersoonshuishouden in de gemeente Hilvarenbeek bedragen € 857 in 2024. Het kengetal komt daardoor op 0,91.
Daarmee is onze lokale lastendruk normaal en onder het landelijk gemiddelde. Algemene conclusie financiële positie Onze financiële positie is normaal, maar er is wel voorzichtigheid geboden. Zowel bij de netto schuldquote als bij de solvabiliteit is voorzichtigheid geboden. De solvabiliteit schuurt zelfs tegen een risicovol profiel aan. De positieve incidentele resultaten van de komende jaren zorgen ervoor dat ons solvabiliteitsratio in 2027 niet onder onze ondergrens zakt. Nieuwe investeringen van een grote omvang moeten zorgvuldig worden afgewogen omdat onze schuld daarmee kan stijgen naar een niet wenselijke omvang. De grondexploitaties hebben een beperkte invloed op de exploitatie. De gemiddelde woonlasten liggen onder het landelijk gemiddelde. Tot slot voldoet de structurele exploitatieruimte van jaar 2024 aan de norm van de provincie. Wel accepteren we vanaf 2027 een structureel nadelig resultaat waardoor we op dat moment onder de norm uitkomen. We hebben hier nog invloed op door het eigen beleid aan te passen. Bijvoorbeeld de lokale heffingen verhogen of versoberen op een beleidsterrein waardoor kosten dalen.
76
Paragraaf 3
2.3 Onderhoud kapitaalgoederen
Deze paragraaf gaat in op hoe wij onze kapitaalgoederen beheren en onderhouden. Het gaat zowel om gemeentelijke wegen, riolering en gebouwen, als om groen, sportvelden en water. Het grootste deel van de werkzaamheden aan kapitaalgoederen vloeit voort uit onze verantwoordelijkheden als eigenaar en beheerder van de publieke ruimte en van een aantal eigendommen. We hebben een groot vermogen geïnvesteerd in kapitaalgoederen. De kwaliteit van deze kapitaalgoederen en het onderhoud hiervan zijn medebepalend voor het voorzieningenniveau binnen onze gemeente. Ze bepalen uiteraard ook de hoogte van de lasten die dit met zich meebrengt. De paragraaf geeft inzicht in de beleidskaders voor instandhouding van kapitaalgoederen en de financiële consequenties daarvan. We gaan eerst in op de kapitaalgoederen binnen de openbare ruimte. Hierna lichten we de categorie gebouwen toe.
Onderhoud openbare ruimte Beheer openbare ruimte Beleidskader Openbaar groen Het openbaar groen wordt al jaren onderhouden op onderhoudsniveau B met uitzondering van de Vrijthof wat op niveau A onderhouden wordt. De werkzaamheden worden uitgevoerd op basis van een bestek. Dit is deels een beeldbestek met posten die op een bepaald beeld onderhouden moeten worden. Denk hierbij onkruidbeheersing. Voor de controle op deze posten worden de beeldlatten van het CROW gebruikt. In de beeldlatten is omschreven aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Door de toezichthouders van de buitendienst wordt hierop steekproefsgewijs gecontroleerd. Naast de beeldposten zijn er werkzaamheden op frequentie basis opgenomen. Denk hierbij aan het knippen van de hagen dat twee keer per jaar wordt uitgevoerd. Werkzaamheden die nauwelijks uitvoerbaar zijn op basis van beeld of frequentie, zoals bijv. het onderhoud aan de parkeerkelder worden op regiebasis uitgevoerd. Beleidskader Spelen De beleidsnota Spelen vormt het kader voor ons speelterreinenbeleid. Vanaf 2021 vervangen we de toestellen waarvan uit de keuring is gebleken dat ze gevaarlijk zijn. Daarnaast wordt in overleg met bewoners enkele speelplekken vernieuwd. Jaarlijks worden de speelterrein gecontroleerd. De controle vindt vier keer per jaar plaats waarvan één keuring door een extern deskundige wordt uitgevoerd.
Financiële consequenties die voortvloeien uit het beleidskader We maken het volgende financiële onderscheid:
77
1. Exploitatiekosten, exclusief de kapitaallasten; 2. Kapitaallasten (rente- en afschrijvingslasten) van investeringen; Afgerond op € 1.000 1. Exploitatiekosten 2. Kapitaallasten
Begroting 2024 1.075.000 8.000
Begroting 2025 1.045.000 6.000
Begroting 2026 1.045.000 6.000
Begroting 2027 1.045.000 6.000
In de exploitatiekosten in 2024 een extra bedrag van € 40.000 opgenomen voor het opstellen van een groen- en zandpadenbeleidsplan. Dit bedrag is beschikbaar gesteld bij de vaststelling van de begroting 2023. Sportvelden Beleidskader Het onderhoud aan de sportvelden wordt jaarlijks afgestemd met de diverse sportverenigingen. Daarnaast wordt in overleg het groot onderhoud uitgevoerd. De werkzaamheden worden uitgevoerd op basis van een raambestek. In de nabije toekomst wordt een nieuw accommodatie en vastgoedbeleid opgesteld met daarin ook de afspraken over beheer en onderhoud. Financiële consequenties die voortvloeien uit het beleidskader We maken het volgende financiële onderscheid: 1. Exploitatiekosten, exclusief de kapitaallasten; 2. Kapitaallasten (rente- en afschrijvingslasten) van investeringen; Afgerond op € 1.000 1. Exploitatiekosten 2. Kapitaallasten
Begroting 2024 213.000 96.000
Begroting 2025 213.000 94.000
Begroting 2026 213.000 88.000
Begroting 2027 213.000 90.000
Riolering en Water Beleidskader De wet milieubeheer verplicht gemeenten om een actueel gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) te hebben. In februari 2022 is het Riool- en Waterprogramma voor de periode 2022-2026 vastgesteld. Daarbij is een kostendekkingsplan met kostendekkende tarieven opgesteld voor de periode 2022 tot en met 2026. Financiële consequenties die voortvloeien uit het beleidskader Om uitvoering te geven aan het beleidskader kennen we het volgende financiële onderscheid in: 1. Saldo exploitatielasten en -baten, inclusief overhead en fictieve BTW, maar exclusief kapitaallasten 2. Kapitaallasten, zijnde rente- en afschrijvingslasten investeringen. Inclusief de kapitaallasten van de investeringen in de komende jaren. De nieuwe investeringen vindt u terug in de bijlage ‘Overzicht investeringen (meerjarig). 3. Rioolrechten 4. Mutatie voorziening riolering = Saldo product riolering. Geraamde stand van de voorziening per 01-01-2024 = € 4.943.000 Exploitatie Bedragen x € 1.000 1. Saldo Exploitatielasten en –baten 2. Kapitaallasten 3. Rioolrechten 4. Onttrekking aan voorziening = inkomst
Begroting 2024 1.555 535 -/- 1.612 -/- 478
Begroting 2025 1.538 536 -/- 1.612 -/- 462
Begroting 2026 1.601 540 -/- 1.612 -/- 529
Begroting 2027 1.613 622 -/- 1.612 -/- 623
78
Wegbeheer Beleidskader In februari 2022 heeft de raad het beleids- en wegenbeheerplan 2021-2025 scenario 2a vastgesteld. Daarbij wordt onderhoudsniveau C als ondergrens gehanteerd. Voor de voetpaden zijn extra middelen beschikbaar gesteld om knelpunten aan te pakken en het onderhoudsniveau te verbeteren. Er wordt meer preventief onderhoud uitgevoerd zodat de kosten voor groot structureel onderhoud uitgesmeerd worden over een langere periode. De provincie hanteert als toezichthouder van gemeenten onderhoudsniveau C als ondergrens bij de integrale toetsing van de financiële positie van de gemeente. Het nieuwe beheerplan kunnen we uitvoeren binnen de huidige beschikbare middelen voor wegenonderhoud. Wij verwachten dat dit geen nadelige effecten oplevert voor de kwaliteit van onze wegen en dat de verkeersveiligheid niet in het geding komt. Voorvloeiende financiële consequenties uit beleidskader Om het beleidskader uit te voeren, kennen we het volgende financiële onderscheid in: 1. Klein jaarlijks onderhoud, aangevuld met overige kleinere exploitatiekosten; 2. Jaarlijks groot onderhoud aan asfalt- en elementenverharding, die we ten laste van de voorziening dekken; 3. Storting in voorziening ter dekking van de jaarlijkse kosten voor groot onderhoud (geraamde stand van de voorziening per 1 januari 2024 = € 785.000); 4.
Kapitaallasten rehabilitaties, zijnde rente- en afschrijvingslasten voor vervangingen van het wegdek inclusief de fundering. Betreft bestaande en nieuwe kapitaallasten samen. De nieuwe investeringen vindt u terug in de bijlage ‘Overzicht investeringen (meerjarig). Kosten Afgerond op € 1.000 1. Klein jaarlijks onderhoud 2. Jaarlijks groot onderhoud 3. Storting in voorziening 4. Kapitaallasten rehabilitaties
Begroting 2024 181.000 405.000 413.000 119.000
Begroting 2025 181.000 420.000 413.000 126.000
Begroting 2026 181.000 510.000 413.000 157.000
Begroting 2027 181.000 510.000 413.000 217.000
Openbare verlichting Beleidskader Uitgangspunt voor onderhoud en vervanging van afgeschreven materieel is het vastgestelde beleidsplan ‘Openbare Verlichting 2012 -2021’. Dit beleidsplan is opgesteld overeenkomstig de bepalingen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). De geldigheidsduur van het beleidsplan is verstreken. Er is budget beschikbaar gesteld om in 2024 het beleidsplan te herzien. Het huidig plan biedt nog wel voldoende handvaten om afgeschreven lichtpunten te vervangen door onderhoudsvriendelijke en energiezuinige duurzame ledverlichting. Nadat in het najaar 2023 het herverlichtingsplan 2023 is uitgevoerd bestaat 2/3 van de openbare verlichting uit ledverlichting. Voorvloeiende financiële consequenties uit beleidskader Om uitvoering te geven aan het beleidskader kennen we het volgende financiële onderscheid in: 1. Exploitatiekosten, zijnde jaarlijks regulier onderhoud, oplossen storingen en stroomverbruik; 2. Jaarlijkse kapitaallasten (in de vorm van rente en afschrijving) bij vervangingen lichtmasten en armaturen. De nieuwe investeringen vindt u terug in de bijlage ‘Overzicht investeringen (meerjarig).
79
Openbare Verlichting Afgerond op € 1.000 1. Exploitatiekosten 2. Kapitaallasten
Begroting 2024 222.000 56.000
Begroting 2025 212.000 58.000
Begroting 2026 212.000 61.000
Begroting 2027 212.000 66.000
In de exploitatiekosten in 2024 een extra bedrag van € 10.000 opgenomen voor het actualiseren van het beleidsplan openbare verlichting. Dit bedrag is beschikbaar gesteld bij de vaststelling van de begroting 2023. Gemeentelijke gebouwen Beleidskader onderhoud gebouwen Voorzieningen waaronder gebouwen voor sport, onderwijs, gemeenschap, cultuur en zorg in onze gemeente zijn belangrijk. In 2023-2024 wordt nieuw accommodatie- en vastgoedbeleid opgesteld, omdat het nodig is om vast te leggen hoe de gemeente met accommodaties omgaat. Het op te stellen beleid moet duidelijkheid geven over de kosten, de betaalbaarheid en verantwoordelijkheden. Dan wordt ook duidelijk gemaakt welke effecten dit voor het vastgoedbeheer teweegbrengt. We vragen de (sport)verenigingen mee te denken over het accommodatiebeleid. In 2023 is het Duurzaam Meerjaren Onderhoudsprogramma voor de gemeentelijke gebouwen(DMJOP’s) geactualiseerd. voor de periode van 2023 - 2026 . Hierin worden verdere stappen gezet naar verduurzaming van het eigen vastgoed. Op basis van de DMJOP’s en technische inspecties maken we een jaarplanning 2024 voor de uit te voeren werkzaamheden. We hebben een actueel beeld van de benodigde middelen voor het meerjarig groot onderhoud en de vervangingsinvesteringen voor de gemeentelijke gebouwen.
Voorvloeiende financiële consequenties uit beleidskader We maken onderscheid tussen kosten voor groot onderhoud en vervangingsinvesteringen. De kosten voor groot onderhoud - zoals schilderwerk - brengen we in één keer ten laste van de voorziening. Bij vervangingsinvesteringen – zoals vervangen van een dak - brengen we jaarlijks de kapitaallasten (afschrijvingen en rente) afhankelijk van de afschrijvingsperiode ten laste van de exploitatie. Voorvloeiende financiële consequenties uit beleidskader Om uitvoering te geven aan het beleidskader kennen we het volgende financiële onderscheid in: 1. Jaarlijkse storting in de voorziening gemeentelijke gebouwen en gymnastieklokalen (geraamde stand voorziening per 01-01-2024 € 1.737.000); 2. Jaarlijkse kosten ten laste van de voorziening gemeentelijke gebouwen en gymnastieklokalen; Voorziening Gebouwenbeheer Afgerond op € 1.000 1. Storting in voorziening 2. Kosten ten laste van voorziening
Begroting 2024 266.000 498.000
Begroting 2025 266.000 416.000
Begroting 2026 266.000 564.000
Begroting 2027 266.000 276.000
80
Paragraaf 4
2.4 Financieringsparagraaf
De gemeentelijke begroting moet worden opgesteld volgens de regels van het stelstel van baten en lasten. Dat wil zeggen dat we uitgaven en inkomsten toerekenen aan het jaar waarop ze betrekking hebben. Dit betekent bijvoorbeeld dat investeringen in een gebouw dat x jaar meegaat niet ten laste komen van het jaar waarin de rekeningen zijn betaald, maar worden gespreid over de jaren waarin het gebouw wordt gebruikt. Voor gezonde gemeentefinanciën is alleen sturen op baten en lasten niet genoeg. We moeten ook sturen op uitgaven en inkomsten (kasstelsel). Kopen we bijvoorbeeld een nieuw gebouw dan betekent dit dat we eenmalig een bedrag betalen aan de verkoper. We moeten er dan bij stilstaan hoe we dit financieren. Betalen we het bedrag met onze eigen middelen - hebben we het bijvoorbeeld op onze bankrekening staan - of moeten we een lening afsluiten waardoor we een schuld opbouwen? Het is belangrijk dat we de schuld in de gaten houden en deze niet te hoog laten oplopen. We gaan in deze paragraaf allereerst in op de gemeentelijke financieringsbehoefte. Daarna beantwoorden we de vraag hoe we in onze financieringsbehoefte voorzien en in hoeverre dat past binnen de wettelijke kaders. Vervolgens evalueren we onze schuldpositie. Omdat we financieren met externe middelen hebben we te maken met rente. We gaan in op de rentes die we hanteren en het renteresultaat.
Financieringsbehoefte Hoe we omgaan met onze financiering, hebben we vastgelegd in de financiële verordening. De behoefte aan financiering ontstaat hoofdzakelijk door twee zaken. Enerzijds door investeringen in materiële vaste activa, zoals wegen, gebouwen en riolering. Anderzijds door verstrekte leningen en onze grondexploitaties. Dit laatste komt doordat bij grondexploitaties de kosten voor de baten uitgaan. We voorzien in deze financieringsbehoefte door - naast de eigen reserves en voorzieningen - geld te lenen. We brengen dit cijfermatig in beeld in de meerjarenprognose van de balans in hoofdstuk 3. Omdat we niet genoeg middelen beschikbaar hebben om in de verwachte financieringsbehoefte te voorzien, ontstaat per saldo een behoefte aan nieuwe financiering. Financiering (x € 1.000) Financieringsbehoefte
2024 -94
2025 -1.355
2026 -5.347
2027 -18.243
De financieringsbehoefte geldt van jaar tot jaar. Het is bijvoorbeeld niet zo dat de financieringsbehoefte van 2026 bovenop de financieringsbehoefte van 2025 komt. In de tabel is al rekening gehouden met de toekomstige investeringen die in deze begroting zijn opgenomen. Bij de interpretatie van deze cijfers moet u rekening houden met het volgende. Allereerst maken we financieel ruimte om investeringen te kunnen plegen. Echter, in de praktijk lopen geplande investeringen regelmatig vertraging op. 81
Het geld dat we hiervoor nodig hebben hoeven we dan ook pas later te lenen. Ten tweede lopen in het verleden afgesloten leningen ook weer af. Dit verklaart ook een deel van de nieuwe financieringsbehoefte. We voorzien in onze (nieuwe) financieringsbehoefte door continu binnen de kaders kort en lang te lenen. Kaders kortlopende leningen (kasgeldlimiet) Op grond van de kasgeldlimiet mogen we zo’n € 4,00 miljoen aan ‘kort geld’ aantrekken. De kasgeldlimiet bepaalt namelijk dat onze gemiddelde netto-vlottende schuld in een bepaald kwartaal niet hoger mag zijn dan 8,5% van ons gemiddelde begrotingstotaal, dat zo’n € 47 miljoen aan lasten - inclusief reservemutaties - bedraagt. De meerjarenbegroting laat zien dat we in alle jaren te maken krijgen met een financieringstekort. We blijven de financieringsbehoefte nauwlettend volgen op basis van onze liquiditeitsprognoses. Deze is uiteindelijk bepalend voor de strategische afweging voor het aantrekken van kort of lang geld. Kaders langlopende leningen (renterisiconorm) De renterisiconorm bepaalt dat jaarlijks 20% van het begrotingstotaal onderhevig mag zijn aan renteherziening en herfinanciering. Hiermee is een maximumgrens gesteld aan het renterisico op de langlopende leningenportefeuille. Van renteherziening is sprake als in de leningsovereenkomst is bepaald dat de rente gedurende de looptijd in een bepaald jaar wordt aangepast.
Herfinanciering is het totaalbedrag aan aflossingen op de bestaande leningenportefeuille. Zoals uit onderstaande tabel blijkt, lopen we € 1,19 miljoen renterisico [3] in 2024, terwijl de norm [4] ruimte geeft tot € 10,20 miljoen. Deze renterisiconorm is afgeleid van het begrotingstotaal.
1a 1b 1 2 3 4a 4b 4 5a 5b
Bedragen x € 1mln renteherziening op vaste schuld o/g renteherziening op vaste schuld u/g renteherziening op vaste schuld (1a -/- 1b) Aflossingen renterisico op vaste schuld (1 + 2) begrotingstotaal, afgerond op 1 mln percentage regeling renterisiconorm (4a x 4b) ruimte onder renterisiconorm (4 > 3) overschrijding renterisiconorm (3 > 4)
2024 0,00 0,00 0,00 1,19 1,19 51 20% 10,20 9,01 0,00
2025 0,00 0,00 0,00 1,19 1,19 48 20% 9,60 8,41 0,00
2026 0,00 0,00 0,00 1,19 1,19 45 20% 9,00 7,81 0,00
2027 0,00 0,00 0,00 0,99 0,99 46 20% 9,20 8,21 0,00
Langlopende leningen Afhankelijk van het verloop van de financieringsbehoefte en renteontwikkelingen gaan we in 2024 of in een van de direct daaropvolgende jaren een conversie uitvoeren. Dit betekent dat we dan kortlopende geldleningen, nodig voor het financieringstekort, vervangen door een - vaste - langlopende geldlening. Schatkistbankieren Schatkistbankieren bij het Rijk is verplicht en betekent dat we al onze overtollige liquide middelen - die we (tijdelijk) niet nodig hebben om onze publieke taken en verantwoordelijkheden uit te oefenen boven een bepaald drempelbedrag verplicht moeten aanhouden in de schatkist bij het ministerie van Financiën. De drempel voor schatkistbankieren, opnieuw vastgesteld vanaf 1 juli 2021, ligt voor onze gemeente tussen een minimum van € 1,0 miljoen en een maximum van € 10,0 miljoen. Op basis van 2% van het begrotingstotaal van € 47 miljoen komt de gemeente niet uit boven de ondergrens van € 1,0 miljoen.
82
Gezien het ontbreken van overtollige middelen is de ‘budgettaire impact’ van Schatkistbankieren voor onze gemeente naar verwachting tot en met 2027 nihil. We hebben dan namelijk een financieringstekort in plaats van een structureel financieringsoverschot.
Schuldpositie Voor gezonde, houdbare gemeentefinanciën is alleen sturen op baten en lasten niet genoeg. We moeten ook kijken naar de hoogte van de schuld. Rente en aflossingen leggen tenslotte een beslag op de toekomstige begroting. Hoe meer we extern financieren, hoe hoger de schulden, hoe meer rente en aflossingen drukken op onze toekomstige begroting. In de paragraaf ‘weerstandsvermogen en risicobeheersing’ gaan we in op de risico’s die we hierbij lopen.
Renteontwikkeling Europese Centrale Bank ECB is de afkorting voor Europese Centrale Bank. Sinds 1 januari 1999 is de ECB verantwoordelijk voor het uitvoeren van het monetair beleid voor het eurogebied. De ECB werkt hierbij nauw samen met de nationale centrale banken van de EU-landen die de euro hebben ingevoerd, zoals De Nederlandsche Bank (DNB). De belangrijkste taak van de ECB is het garanderen van prijsstabiliteit in de Eurozone. In tegenstelling tot de Amerikaanse Fed, houdt de ECB bij hun monetaire politiek minder rekening met de economische vooruitzichten. Doelstelling van de ECB is om de inflatie laag, stabiel en voorspelbaar te houden. Refi rente naar recordhoogte Als er gesproken wordt over de rente van de ECB gaat het meestal om de zogenaamde refirente. De refirente wordt ook wel herfinancieringsrente genoemd. De refirente is de rente die banken moeten betalen aan de ECB wanneer zij geld bij de ECB opnemen. Banken maken gebruik van deze faciliteit als ze liquiditeit te kort komen. De refirente is een goed instrument voor de ECB om invloed uit te oefenen op de marktrente. De ECB gebruikt de refirente daarom voor het beheersen van de geldmarkt en voor het beheersen van de inflatie.
Door de renteontwikkelingen en oplopende inflatie, vanaf het begin van 2022, heeft de ECB besloten om op 21 juli 2022 de herfinancieringsrente - ook wel beleidsrente genoemd - vast te stellen op 0,50%. Deze refirente is gaandeweg steeds verder, in stapjes, verhoogd naar 4,25% op 27 juli 2023. Het doel – inflatie bestrijden – is nog niet bereikt. Het is daarom niet duidelijk of de refirente nog verder zal worden verhoogd. De driemaands Euribor rente - waarbij de leningen een looptijd hebben van drie maanden -, volgt in grote lijnen het verloop van de refirente. Halverwege 2022 was de driemaands Euribor rente ca. 0,71%, deze driemaands Euribor is halverwege 2023 opgelopen tot 3,72%. De verwachting is dat een stijging van de driemaands Euribor voor de hand ligt, aangezien de hoge inflatie nog niet is beteugeld. Dit geldt ook voor de lange rente; de lange rente ligt halverwege 2023 op ca. 3%. De ECB verwacht dat de markt de rente in 2023 nog licht verhoogd, en daarna ook wat langer hoog zal blijven.
83
Inflatie en economische groei Inflatie betekent letterlijk opblazen, aanzwellen of groter worden. Inflatie is een term die in de economie veel gebruikt wordt waarbij inflatie meestal omschreven wordt als geldontwaarding of waardevermindering van het geld. Eenvoudig gezegd, betekent inflatie in dit verband dat je na verloop van tijd steeds minder kunt kopen met hetzelfde aantal euro's. Deze inflatie wordt prijsinflatie genoemd. DNB publiceerde in de Economische Ontwikkelingen en Vooruitzichten, juni 2023, de ontwikkeling van de inflatiecijfers. In 2023 daalt de inflatie fors: van 11,6% in 2022 tot 4,2% in 2023. In de jaren daarna neemt de inflatie – naar verwachting - verder af tot 3,7% in 2024 en 2,5% in 2025. De daling komt grotendeels door de energieprijzen, die in 2023 naar verwachting ruim 25% lager liggen dan in 2022. Het energieprijsplafond dat de overheid voor 2023 heeft ingesteld hielp dan ook vooral in de eerste maanden van 2023. Later in 2023 dalen de verwachte marktprijzen voor gas en elektriciteit steeds verder, wat zich in de raming vertaalt in duidelijk lagere energieprijzen voor consumenten. In dezelfde publicatie schetst de DNB een beeld van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). Het jaar 2023 verschilt economisch aanzienlijk van 2022.
Het bbp blijft in 2023 relatief stabiel met naar verwachting een groei van 0,8%, na de stevige 4,5% groei in 2022. Terwijl de economie in 2022 nog profiteerde van het herstel uit de pandemie, zijn in 2023 de economische gevolgen van de Russische inval in Oekraïne duidelijker te merken. De hogere energieprijzen en de doorwerking daarvan in de prijzen van vrijwel alle goederen en diensten zetten een rem op de koopkracht en op de bestedingen van huishoudens. De economie blijft gespannen, met een hoge inflatie en lage werkloosheid. De DNB verwacht een economische groei van 1,3% in 2024. Rente uitgangspunten Voor de berekening van de rentelasten en –opbrengsten hanteren we de volgende uitgangspunten:
Financieringsoverschot Financieringstekort (tot kasgeldlimiet) Financieringstekort (boven kasgeldlimiet) Omslagrente (kapitaallasten investeringen) Omslagrente (grondexploitatie) Projectfinanciering binnensportaccommodatie
2024 n.v.t. 3,00% 3,50% 1,00% 0,89% 1,66%
2025 n.v.t. 3,00% 3,50% 1,00% 0,89% 1,66%
2026 n.v.t. 3,00% 3,50% 1,00% 0,89% 1,66%
2027 n.v.t. 3,00% 3,50% 1,50% 1,83% 1,66%
Renteresultaat Het renteresultaat bestaat uit het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen en te ontvangen rente en aan de exploitatie toegerekende rente. In hoofdstuk ‘algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien´ is het renteresultaat gepresenteerd vanuit de financieringsfunctie. De rente die we doorberekenen aan onder andere investeringen is lager dan de rente die we betalen. In de bijlage ‘berekening renteresultaat’ brengen we de totstandkoming van het renteresultaat in beeld.
84
Paragraaf 5
2.5 Bedrijfsvoering
In deze paragraaf leest u meer over onze bedrijfsvoering. We gaan specifiek in op een aantal aandachtspunten in de bedrijfsvoering zoals de financiële besturing en beheersing, personeel en informatiemanagement.
Aandachtspunten bedrijfsvoering Besturing en beheersing Om u in staat te stellen uw kaderstellende en controlerende rol in te vullen, hebben we afspraken gemaakt over de jaarlijks door de organisatie op te leveren begrotings- en verantwoordingsdocumenten zoals de begroting, voorjaarsnota(+), najaarsnota en jaarstukken. De risicovolle processen beheersen we met behulp van de interne controles die we uitvoeren op basis van onze Interne Controle plannen. Organisatieontwikkeling Een van de uitgangspunten in het Samenlevingsakkoord is ‘modern bestuur, invloedrijke inwoners’. Wij willen een betrokken gemeente zijn die deskundig en tijdig inspeelt op vragen van inwoners en ondernemers. Een gemeente die in samenspraak en samenkracht de leefomgeving en leefbaarheid in de kernen voortdurend zo optimaal mogelijk maakt. Hiervoor is nodig dat de gemeentelijke organisatie aansluit bij de opgaven van de gemeente Hilvarenbeek, haar inwoners, ondernemers en partnerorganisaties. De wereld is tegelijkertijd in transitie en democratische vernieuwing staat hoog op de agenda in het samenlevingsakkoord. Belangrijk is hier als organisatie op in te spelen en ons te blijven ontwikkelen. Dit betekent focus en aandacht voor organisatieontwikkeling, van medewerkers, van de strategie en cultuur van de organisatie, systemen en werkwijzen.
Bijstellen van het programma organisatieontwikkeling “Samen Krachtig Vooruit” In 2023 deden we aan evaluatie, monitoren en verdiepen zoals bepaald in de bestuursopdracht organisatieontwikkeling. Eind 2023 stellen we het programma organisatieontwikkeling 24-27 op en investeren daarmee in de toekomst van onze organisatie. Vanaf 2024 gaan we aan de slag met het programma waarin we concretiseren wat eigenaarschap, planmatig werken en verplaatsen in de klant betekent voor onze medewerkers. Dit vertalen we in (cultuur-)ontwikkeling en verbetering van werkwijze. We gaan hier voor duidelijkheid. We stellen hierin de mens centraal: we ontwikkelen ons als organisatie met oog voor ontwikkeling van de medewerker als mens. Met overkoepelend doel uitstekende dienstverlening voor de klant/inwoner als mens.
85
Cultuurontwikkeling: uitvoering van het programma Samen Krachtig Vooruit Na vaststellen van het programma organisatieontwikkeling beginnen we vanaf 2024 met stapsgewijze verbetering in de komende jaren. Concreet doen we dit door organisatiebrede trainingen, teamontwikkeling, coaching en intervisie. Dit alles met het doel als organisatie met alle individuen te blijven leren en ontwikkelen en onze dienstverlening voor de inwoner te blijven verbeteren. We hebben aandacht voor de medewerkers als individu en sturen tegelijkertijd op het opzoeken van samenwerking. Samenwerking met onze inwoners, collega’s, GHO, en (netwerk-)partners. Vergroten van de strategische slagkracht Om onze strategische slagkracht te versterken hebben we in 2022 de topstructuur van onze organisatie gewijzigd. Met een structuurwijziging alleen ben je er nog niet. Dit vergt een andere manier van sturen, ontwikkeling van leiderschap en een nadrukkelijkere positionering van (strategische) beleidsmedewerkers. Een leertraject voor strategisch adviseurs start eind 2023 en loopt door 2023 in 2024. Hiernaast vraagt dit om ontwikkeling van de leidinggevenden, hiervoor startte we in 2023 een management ontwikkeltraject. Hierin focussen we in 2024 op sturen en leidinggeven, stimuleren van ontwikkeling bij medewerkers, opdrachtgeverschap en gesprekstechnieken.
Verbetertraject Ruimte In 2023 zijn we gestart met het verbetertraject Ruimte, hierbij wordt zowel aandacht besteed aan de cultuur van samenwerken als de structuur ervan. Een van de structuur-verbetermaatregelen is de implementatie van het programmatisch werken in aanvulling op het al in de organisatie geïmplementeerde projectmatig werken. De vraagstukken waaraan de afdeling Ruimte werkt zijn vaak complex en kenmerken zich door een veelheid aan samenhangende activiteiten. Programmatisch werken stelt de organisatie in staat om in onderlinge samenhang één of meer complexe strategische doelstellingen met minimale risico’s en beperkte middelen te realiseren. Personeel en formatie Een van de uitgangspunten in het Samenlevingsakkoord is ‘modern bestuur, invloedrijke inwoners’. Wij willen een betrokken gemeente zijn die deskundig en tijdig inspeelt op vragen van inwoners en ondernemers. Om dit te bereiken, werken we voortdurend aan verbetering van onze dienstverlening. Hierbij is het van belang dat we over voldoende gekwalificeerd personeel beschikken. Het ambitieniveau en forse bezuinigingen in de afgelopen jaren hebben een sterke wissel getrokken op personeel en bemensing van de organisatie. Dit vraagt om keuzes maken in ambities voor de komende periode en een passende bemensing van de organisatie.
Daarnaast komt door de vergrijzing van ons personeelsbestand en de krapte op de arbeidsmarkt de bedrijfscontinuïteit en kwaliteit van onze dienstverlening onder druk te staan. Werkdruk loopt op en ongewenste uitstroom stijgt. Huidige medewerkers worden actief benaderd voor een baan elders. Deze schaarste op de arbeidsmarkt heeft een langdurig karakter aangezien de beroepsbevolking daalt. Opstellen wervingsstrategie Dit vraagt ons om na te denken over het binden en boeien van onze medewerkers. Ook moeten we inzetten op onze employee value proposition waarmee we een passende wervingsstrategie en een sterker werkgeversmerk kunnen creëren, voorwaarden om nu en in de toekomst onze vacatures in te kunnen blijven vullen. Ook halen we hiermee medewerkers binnen die beter passen binnen onze organisatie. Het gerichter werven op de juiste doelgroepen draagt bij aan vermindering van de uitstroom. Dit betekent onder andere meer aandacht voor employer branding, maar ook meer inzet op wervingscampagnes en bredere/andere inzet van wervingskanalen en -tools. De samenwerking met Goirle en Oisterwijk kan hierbij ook beter benut worden, door nauwere aansluiting op vacatures en kandidaten. Daarnaast geven we aandacht aan arbeidsmarktcommunicatie, doelgroepanalyse en beleid, inzet van de juiste wervingstools en de versnelling van wervingsprocedures.
Ook maken we, waar mogelijk, meer gebruik van stagiaires en traineeships.
86
Vitaliteit Aandacht voor vitaliteit en duurzame inzetbaarheid wordt steeds belangrijker. Ons ziekteverzuim is de afgelopen jaren gestegen. Dit brengt aanzienlijke kosten met zich mee. We hebben meer budget beschikbaar voor ziekteverzuimbegeleiding en vitaliteit. In 2023 werken we aan onze visie en aanpak op vitaliteit. In het najaar van 2023 organiseren we in samenwerking met Goirle en Oisterwijk een Week van de vitaliteit, waarin we activiteiten op het gebied van vitaliteit aanbieden aan onze medewerkers. In bijeenkomsten met medewerkers halen we op wat zij belangrijk vinden als het om vitaliteit gaat. In 2024 werken we dat verder uit in een uitvoeringsplan. Formatie In onderstaande tabel zetten we de formatie exclusief bestuur af tegen de formatie 2023.
Reguliere formatie Griffiefunctie Garantiebanen Bovenformatief Totaal exclusief bestuur
raming begroting 2024 128,6 1,8 0,4 3,0 133,8
raming begroting 2023 121,1 1,8 1,4 2,1 126,4
Het verschil van 7,5 fte bij reguliere formatie betreft: • 1 fte juridische capaciteit sociaal domein (VJN23/22) • 1 fte Veiligheid en Toezicht (VJN23/44) • het structureel maken van de voorheen tijdelijke formatie van 0,6 fte evenementencoördinator VTH (VJN23/42), • 3 fte Projectleider Ruimtelijke projecten (VJN23/48), • 1fte Adviseur communicatie/participatietrajecten (VJN23/74), • 0,67 fte Financiële advisering en ondersteuning (VJN23/75), • 0,22 fte financieel beheer K80. Daarnaast is in de voorjaarsnota 2023 nog 0,5 fte Inrichting en functioneel beheer zaaksysteem opgenomen (VJN23/70). Dit gaat in vanaf 2025 en is in deze cijfers nog niet zichtbaar. De 3,0 fte bovenformatief betreft 1,83 fte projectleiders met een vaste aanstelling waarvoor dekking is binnen projecten en GREX, 0,67 fte extra capaciteit piek reisdocumenten t/m 2028 (VJN23/60) en 0,5 fte erfgoedbeleidsmedewerker 2024/2025 (VJN23/ amendementen knop 37) De formatie en bijbehorende bruto salarislasten, inclusief bestuur, zijn als volgt over de programma’s verdeeld: Programma Formatie (fte) Brutosalaris 1. Samenlevend 27,3 2.323.194 2. Belevend 45,7 3.753.807 3. Ondernemend 1,7 132.854 4. Dienstverlenend 10,2 930.246 6.
Overhead 50,4 4.293.360 Investeringen 2,5 234.578 Eindtotaal 137,8 11.668.039 Ander systeem van functiebeschrijving- en waardering In 2024 stappen we over naar een ander systeem van functiebeschrijving- en waardering: HR21. De financiële middelen voor de implementatie zijn beschikbaar. Mogelijk heeft de overstap naar HR21 gevolgen voor de inschalingen van een beperkt aantal functies, ook hiervoor is geld beschikbaar gesteld.
87
Aanpassen regelingen Als gevolg van de nieuwe Cao gemeenten moeten verschillende personele regelingen aangepast worden. We pakken dit samen met Goirle en Oisterwijk op. Dit werkt efficiënt en daarmee komen we zoveel als mogelijk tot dezelfde personele regelingen voor medewerkers binnen GHO. Steeds vaker werken collega’s voor twee of drie van de GHO-gemeenten, waardoor het wenselijk is om dezelfde personele regelingen te hebben. Ten aanzien van hybride werken kan Hilvarenbeek naar verwachting eind 2023 ook aansluiten bij Goirle en Oisterwijk. Er zijn middelen beschikbaar gesteld, waarmee we onze tijdelijke regeling hybride werken kunnen omzetten in een structurele regeling. Hiermee faciliteren we onze medewerkers vanuit goed werkgeverschap in het Arboproof maken van hun thuiswerkplek. Informatiemanagement Digitalisering is één van de topprioriteiten van de Europese Commissie en ook de rijksoverheid zet stevig in op digitale transformatie o.a. met een agenda digitale overheid en met het aanstellen van een staatssecretaris Digitale Zaken. Maar de aanpak van veel maatschappelijke opgaven is zeker ook op het niveau van gemeenten belegd. De digitale transformatie zal dan ook op die bestuurslaag voor een belangrijk deel vorm moeten krijgen. Zijn gemeenten daar wel klaar voor? Digitale transformatie kan niet zonder voldoende politiek-bestuurlijke aandacht.