CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

13 Bestemmingsplan Biestsestraat 120-122 (4 toelichting)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Biestsestraat 120-122”.23.947 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Hier wordt aan voldaan. Er is sprake van een niet-agrarische functie in de hoedanigheid van reparatie en handel in fietsen. Een en ander is naar aard en omvang te bestempelen als een bedrijf-aan-huis ondergeschikt aan de hoofdfunctie wonen. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. b. c. d.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Met de beoogde ontwikkeling vindt een herbestemming naar wonen plaats met een bedrijf gericht op reparatie en handel in fietsen als bedrijf-aan-huis en ondergeschikt aan de woonfunctie. Een dergelijke functie is naar aard en omvang en qua verkeersaantrekkende werking passend binnen de omgeving. Bovendien wordt een en ander planologisch geborgd in de planregels. Van opslag en stalling buiten gebouwen is geen sprake. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Hier wordt aan voldaan. De bedrijvigheid gericht op reparatie en handel in fietsen is kleinschalig van aard en passend binnen de gemengde omgeving. Vanwege de beperkte aard en omvang is een en ander te bestempelen als een bedrijf-aan-huis en ondergeschikt aan de woonfunctie. Verder wordt het maximale vloeroppervlak die wordt voorgeschreven voor een detailhandelsvoorziening niet overschreden. 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Hilvarenbeek, 2010 Toetsingskader In de Structuurvisie Hilvarenbeek, vastgesteld d.d.

25 februari 2010, zijn de beleidsuitgangspunten opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. Voor het buitengebied wordt aangegeven dat de agrarische functie sterk is vertegenwoordigd en dat de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied vooral beleefd kan worden vanuit het recreatief gebruik van paden, wegen en Pagina 26 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

recreatieve steunpunten. De kwaliteiten van de natuur zijn verankerd in de robuuste ecologische structuren en verbindingen en het divers karakter op de overgangen tussen buitengebied en de dorpen. De gemeente ziet het als haar basisverantwoordelijkheid voor het behouden van de ruimtelijke karakteristiek van haar gemeente. Hierbij worden de volgende criteria gehanteerd: - Behouden van robuuste natuurgebieden en ecologische verbindingszones; - Behouden van het divers karakter op de overgangen tussen buitengebied en de dorpen; - Behouden van cultuurhistorische waarden in het gebied. Het beleid van de gemeente is gericht op het versterken van de toeristische sector. Verder gelden voor nieuwe functies verschillende criteria. Zo mag de nieuwe functie niet leiden tot negatieve externe effecten op de woon- en leefomgeving, zoals een verkeersaantrekkende werking en parkeren. Nieuwe functies zijn mogelijk indien er sprake is van wonen, zorg, kleinschalige ambachten/bedrijvigheid, toerisme en/of recreatie of educatie. Daarnaast is doorontwikkeling mogelijk, mits dit landschappelijk aanvaardbaar is en er geen negatieve externe effecten optreden. Beoordeling Met de beoogde herontwikkeling wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie herbestemd naar wonen.

De twee voormalige agrarische bedrijfswoningen worden hierbij bestemd naar burgerwoningen en overtollige bebouwing in de hoedanigheid van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Binnen de planlocatie wordt verder voorzien in de voortzetting van het bedrijf aan huis. Met de beoogde ontwikkeling wordt een passende herbestemming gevonden voor een voormalige agrarische bedrijfslocatie en wordt leegstand en verrommeling van het buitengebied voorkomen. Verder gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met een forse verbetering van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten middels landschappelijke inpassing en natuuraanleg. Nu de Structuurvisie Hilvarenbeek onder meer stelt dat wonen en kleinschalige bedrijvigheid passende nieuwe functies zijn, is de beoogde ontwikkeling passend binnen gemeentelijke uitgangspunten. 3.4.2 Structuurvisie Buitengebied, 2014 Op 25 februari 2010 heeft de gemeente Hilvarenbeek de ‘Structuurvisie Hilvarenbeek’ vastgesteld. Dit betreft de Structuurvisie met de hoofdlijnen van de gemeentelijke ambities voor het gehele grondgebied. Ter concretisering van de visie voor het buitengebied is in januari 2014 de ‘Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek, januari 2014’ vastgesteld. Naast de 6 kernen die de gemeente Hilvarenbeek rijk is, is er ook sprake van een groot landelijk gebied waarin veel ontwikkelingen gaande zijn.

De structuurvisie bevat een samenhangende visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Tevens is het de basis geweest voor de actualisatie van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Daar waar kansen en voorwaarden voor ontwikkelingen voldoende objectiveerbaar zijn, worden deze vastgelegd in bestemmingsplanregels, met binnenplanse afwijkings- of wijzigingsregels. Voor de meer grootschalige, weinig voorkomende of anderszins specifieke ontwikkelingen is maatwerk nodig. Dit is niet in algemene planregels te vatten en zal daarom blijvend buitenplans mogelijk worden gemaakt. De structuurvisie bevat bovendien de spelregels voor de diverse landschapstypes binnen de gemeente en de landschappelijke kwaliteitsverbetering. De planlocatie is gelegen in het Oud ontginningslandschap, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.

Pagina 27 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Figuur 10: Landschapstypen gemeente Hilvarenbeek (planlocatie is indicatief aangegeven met rode cirkel)

Ten aanzien van het oude ontginningslandschap wordt het navolgende gesteld (cursief): ‘De grote, open akkercomplexen behoren tot de oudere ontginningen in ons land. De veelal bolle akkers liggen van oorsprong op de overgang van de hogere gronden naar de lagergelegen beekdalen. De randen worden veelal bepaald door een slingerende wegenpatroon waarlangs kleinschalige lintbebouwing is gevestigd. De percelen hebben een onregelmatig patroon. Aan de randen komt beplanting voor in de vorm van boselementen, weg- en erfbeplanting. Plaatselijk kan de grens van het akkercomplex samenvallen met de rand van een beekdal. De boerderijen vormen een transparant lint langs de rand van de akker; hier vinden we de veelal oudere boerderijen (type langgevelboerderij) met bijbehorende kleine erven. Vooral deze langgevelboerderijen vormen, daar waar deze in een hogere dichtheid voorkomen, een sterke begrenzing van de akker. Soms is via doorkijkjes het achterliggende akkercomplex zichtbaar. Op oude luchtfoto’s zijn de traditionele inrichtingen van het erf goed te zien. Het erf is aan de zijde van het voorhuis, het woongedeelte ingericht als siertuin, omzoomd door hagen. Verder is het erf vooral functioneel ingericht met elementen als een moestuin, boomgaard, schapenweitje, etc.. Opvallend is de informele setting van de kleine gebouwen binnen het erf.

Inmiddels heeft een zekere schaalvergroting plaatsgevonden. De informele setting direct aan de weg is nog steeds herkenbaar, maar nu afgewisseld met diepere erven met grotere gebouwen en meer verhard oppervlak. Vooral de verticale elementen zoals voedersilo’s zijn sterk beeldbepalend’.

Pagina 28 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de karakteristieken behorende bij het oude ontginningslandschap, zoals in het bovenstaande is beschreven. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. Het planvoornemen past niet direct onder een in het vigerende bestemmingsplan opgenomen binnenplanse wijzigingsbevoegdheid. Het vigerende bestemmingsplan bevat namelijk wel een wijzigingsbevoegdheid voor herbestemming naar wonen, maar de maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak van 1.500 m2 wordt overschreden. Deze overschrijding is onder meer te verklaren doordat binnen de planlocatie een tweetal woonfuncties aanwezig zijn. De beoogde ontwikkeling is echter wel op basis van de wijzigingsbevoegdheid voldoende objectiveerbaar, wat aangeeft dat invulling wordt gegeven aan de structuurvisie, zoals deze ook vertaald is in het huidige bestemmingsplan. De gemeentelijke structuurvisie is geëffectueerd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’. Derhalve vindt in navolgende paragraaf tevens toetsing aan dit bestemmingsplan plaats. Verder wordt in de structuurvisie aangegeven dat een en ander gericht is op het behoud en waar mogelijk de versterking van de ruimtelijke en functionele kwaliteit van het buitengebied.

Hierbij gaat het met name om kwaliteit voor aan het buitengebied gebonden functies, waaronder natuur en landschap en voor de veelvuldig voorkomende niet-agrarische functies en wonen. Verder bevat de structuurvisie een aantal doelen die voor het gehele buitengebied gelden, waaronder: - Landschap: behoud en waar mogelijk de versterking van de landschappelijke identiteit en verscheidenheid, - Bos/Natuur: behoud en waar mogelijk versterking van de ecologische verscheidenheid; - Wonen: behoud bestaande woningen; - Niet agrarische functies: behoud bestaande en beperkte ontwikkelingsmogelijkheden nieuwe functies op bestaande locaties. Nu met de beoogde ontwikkeling een voormalige agrarische bedrijfslocatie wordt herbestemd naar wonen met een bedrijf-aan-huis, waarbij een aanmerkelijke verbetering van de landschappelijke en natuurlijke waarden plaatsvindt aan de hand van een landschappelijk inpassingsplan en natuurrealisatie, kan gesteld worden dat de ontwikkeling in algemene zin passend is binnen de doelen uit de ‘Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek, januari 2014’.

3.4.3 Het bestemmingsplan “Buitengebied” Het vigerend bestemmingsplan voor de planlocatie betreft het bestemmingsplan “Buitengebied” in combinatie met een aantal beperkte algemene wijzigingen in de regels in het bestemmingsplan “Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan”, zoals respectievelijk vastgesteld door de raad d.d. 13 maart 2014 en 7 maart 2017 en het “Reparatieplan Buitengebied” (vastgesteld 15-10-2020). Tevens is het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018” (vastgesteld 8-11-2018) van toepassing en is het “Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek” (vastgesteld 29-12-2021). Ter plaatse van de planlocatie rust op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming “Agrarisch” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”. Het bouwvlak binnen de agrarische bestemming kent een omvang van circa 4.700 m2. De planlocatie is bovendien voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – voormalig agrarisch bedrijf’. Vanwege deze functieaanduiding is binnen de planlocatie uitsluitend het bestaande gebruik toegestaan. Verder is ter plaatse een tweetal bedrijfswoningen toegestaan. Deze bedrijfswoningen mogen tevens door een derde worden bewoond. In onderstaande afbeelding is een relevante uitsnede opgenomen van het bestemmingsplan “Buitengebied” (en latere wijzigingen/herzieningen).

vigerende

Pagina 29 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Figuur 11: Relevante uitsnede vigerend bestemmingsplan "Buitengebied" (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks passend binnen de vigerende gebruiks- en bouwvoorschriften. Echter, het vigerende bestemmingsplan bevat, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, in artikel 3.6.9 een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid om een agrarisch bouwvlak te herbestemmen naar wonen. Navolgend zijn de wijzigingsvoorwaarden opgesomd en is tevens getoetst of het planvoornemen aan deze voorwaarden voldoet (cursief). Artikel 3.6.9 Wijziging naar Wonen/ woningsplitsing Burgemeester en wethouders kunnen de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' wijzigen teneinde deze aanduiding te laten vervallen en de bestemming deels te wijzigen in de bestemming Artikel 16 Wonen, waarbij na bedrijfsbeëindiging de herbouw van een voormalige bedrijfswoning of voormalig (woon)boerderijpand voor woondoeleinden kan worden toegestaan; tevens kan daarbij, mits het betreft (woon)boerderijpanden met de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie', woningsplitsing worden toegestaan. Een en ander mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Algemene voorwaarden: a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; Omwonenden of omliggende (agrarische) bedrijven worden niet onevenredig in de belangen geschaad.

In hoofdstuk 4 van deze toelichting wordt getoetst aan de milieu-hygiënische aspecten. b. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4.

Pagina 30 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

c. de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' worden verwijderd, alsmede er is zekerstelling omtrent het verwijderen van de ter plaatse aanwezige voorzieningen. Tenzij aangetoond wordt dat deze voorzieningen tevens noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; De genoemde aanduidingen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. d. de omvang van het bestemmingsvlak is passend bij de beoogde functie, met dien verstande dat de omvang niet meer bedraagt dan het voormalige agrarisch bouwvlak tot een maximum van 1500 m2; De omvang van het beoogde bestemmingsvlak wonen bedraagt niet meer dan het voormalige agrarische bouwvlak. Echter, in de beoogde situatie zal binnen de planlocatie één bestemmingsvlak wonen komen te rusten waarbinnen een tweetal woonfuncties zijn toegelaten. Het beoogde bestemmingsvlak voor wonen kent een omvang van circa 3.045 m2. Dit betekent dat de maximale maatvoering wordt overschreden en niet voldaan wordt aan bovenstaande voorwaarde. Een en ander maakt dat een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is om te kunnen voorzien in de beoogde herbestemming. e. ten aanzien van kwaliteitsverbetering geldt het volgende: 1.

indien het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' maximaal 30% bedraagt van het voormalig agrarisch bouwvlak, dan is geen specifieke kwaliteitsverbetering vereist; 2. indien het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' maximaal 40% bedraagt van het voormalig agrarisch bouwvlak dient de herinrichting van het erf landschappelijk wordt ingepast in welk kader een landschappelijk inpassingsplan dient te worden opgesteld; 3. in de overige gevallen vindt er kwaliteitsverbetering plaats; Het nieuwe bestemmingsvlak wonen kent een omvang groter dan 40% van het voormalige agrarische bouwvlak. Gelet hierop is een kwaliteitsverbetering vereist. Een en ander is in paragraaf 3.3.2 nader uitgewerkt en ook als bijlage aan de onderhavige toelichting bijgevoegd. f.

de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 29, beogen te beschermen; Binnen de planlocatie zijn geen gebiedsaanduidingen van toepassing.

g. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; Een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd waarmee is aangetoond dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Voor een nadere onderbouwing zie paragraaf 4.2. h. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; Er wordt met de omzetting van twee voormalige bedrijfswoningen naar burgerwoningen geen nieuw geluidgevoelig object opgericht, waardoor een toetsing aan de Wet geluidhinder achterwege kan blijven. Verder is vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien in paragraaf 4.8 wel inzicht gegeven in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied gelet op het aspect wegverkeerslawaai. i.

de regels van Artikel 16 Wonen worden van overeenkomstige toepassing verklaard; Dit bestemmingsplan bevat regels, waarbij is aangesloten op de regels voor de bestemming ‘Wonen’.

Specifieke voorwaarden voor wijziging in woondoeleinden: Pagina 31 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

j.

de bebouwde oppervlakte en inhoud van de voormalige bedrijfswoning (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot, met dien verstande dat: 1. vergroting is toegestaan indien er per 50 m3 vergroting van de woning telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing wordt gesloopt; 2. de uiteindelijke inhoud niet meer bedraagt dan 1000 m3; 3. de bebouwde oppervlakte van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 100 m2 per woning; de overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) dient te worden gesloopt; 4. in afwijking van het bepaalde onder 3. mag de bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 200 m2 bedragen, indien het surplus (alle aanwezige voormalige bedrijfsgebouwen en bijgebouwen boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 100 m2) in één keer wordt gesloopt, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en deze sloop is als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden; 5. uitsluitend de sloop van legaal gebouwde gebouwen komen in aanmerking voor deze sloopbonusregeling;

De bebouwde oppervlakte en inhoud van de naar burgerwoningen om te zetten bedrijfswoningen wijzigen niet. Verder wordt overtollige bebouwing binnen de planlocatie in de hoedanigheid van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Binnen de planlocatie zal in zijn totaliteit 480 m2 aan bijgebouwen aanwezig zijn; 180 m2 op het perceel aan de Biestsestraat 120 en 300 m2 op het perceel aan de Biestsestraat 122. De ontwikkeling past qua omvang van de beoogde bijgebouwen niet binnen de voorwaarden van de binnenplanse wijzigingsbevoegdheid, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Desondanks is in casu een grotere oppervlakte aan bijgebouwen vereist. Dit omdat voor bestaande en courante bijgebouwen ter plaatse van het perceel aan de Biestsestraat 120 een passende en reeds vergunde functie wordt gevonden in de hoedanigheid van onder meer een bedrijf-aan-huis. Verder wordt ter plaatse van het perceel aan de Biestsestraat 122 een garage met carport gerealiseerd en op het achtererf een bijgebouw. Laatstgenoemd bijgebouw zal onder meer ingezet worden als opslagruimte voor diverse werktuigen en materialen ten behoeve van het onderhoud van het perceel en diverse landschappelijke en natuurlijke elementen. Dit maakt dat in casu een grotere oppervlakte voor bijgebouwen benodigd is. k. de sloopbonusregeling als bedoeld onder j is niet van toepassing indien: 1.

op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden, 2. sloop heeft plaatsgevonden of kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voorruimteregeling, 3. sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, 4. of de sloop al op andere wijze is verzekerd; Onderhavig plan maakt geen gebruik van de sloopbonusregeling. l.

de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen;

Niet van toepassing Specifieke voorwaarden voor wijziging t.b.v. woningsplitsing: Lid m t/m s zijn niet van toepassing op onderhavig plan

Pagina 32 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

3.4.5 Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies Op 11 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de visie ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Nietagrarische functies’ vastgesteld. Deze strategie is gericht op de vitalisering van het buitengebied en bevat de beleidskaders voor het buitengebied, behoudens voor de ontwikkeling van de agrarische sector. De afgelopen jaren is er veel veranderd in het buitengebied en deze trend zet zich door. Het aantal agrarische bedrijven daalt en de overblijvende agrarische sector ontwikkelt (bijvoorbeeld middels intensiveren, specialiseren of het ontplooien van nevenactiviteiten). Daarnaast ontwikkelen ook andere functies zich meer en meer in het buitengebied: wonen, recreëren, energietransitie en andere dan agrarische functies. Om hierin de juiste afwegingen te kunnen maken heeft de gemeente Hilvarenbeek deze uitvoeringsstrategie voor het buitengebied opgesteld. De Uitvoeringsstrategie Buitengebied is een breed pallet aan activiteiten, zoals beoogd in het raadsbrede programma 2018 2022 van de gemeente Hilvarenbeek. De Strategie Vitalisering bevat de ontwikkelingsmogelijkheden voor o.a. vrijkomende (agrarische) gebouwen (VAB’s), ruimte-voor-ruimte-woningen, maar ook doorontwikkeling van andere bestaande functies.

De strategie dient te leiden tot vitalisering van het buitengebied; het behouden en versterken van de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Beekse buitengebied. Het doel ‘versterken van de kwaliteiten van het buitengebied’ staat in deze strategie centraal. De aard van de nieuwe ontwikkeling is daaraan ondergeschikt. De gemeente wil met deze strategie belemmeringen voor innovatie opheffen en ruimte maken voor een toekomstige ontwikkeling gericht op het versterken van de kernkwaliteiten van het buitengebied van Hilvarenbeek (zoals o.a. beschreven in de Structuurvisie Buitengebied 2014). De gemeente wil de balans tussen ondernemen en een gezonde en veilige fysieke leefomgeving verbeteren. De gemeente wil toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. Dat vergt een forse kwaliteitsslag in de komende jaren. Op basis van het provinciale ruimtelijke beleid moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied altijd sprake zijn van een fysieke kwaliteitsverbetering. De gemeente Hilvarenbeek hanteert hierbij de regionale Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015. Daarin wordt gewerkt met categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen, afhankelijk van het effect daarvan op het landschap.

Bij categorie 3 (ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap), dient tenminste 20% van de grondwaarde te worden geïnvesteerd in het landschap. Onderdeel van deze visie wordt bovendien gevormd door het werkdocument en rekenbestand ‘Bestemmingswinst en kwaliteitsverbetering landschap’, waarmee de rekenbedragen voor het berekenen van de benodigde kwaliteitsverbetering in het landschap zijn geüniformeerd. In de uitvoeringsstrategie zijn per type functie (zoals VAB’s, ruimte-voor-ruimte en niet-agrarische functies) de beleidskaders uitgewerkt. Gebleken is dat de regeling van reeds gestopte agrarische bedrijven in het bestemmingsplan buitengebied een averechts effect heeft. Teneinde te voldoen aan de provinciale eisen van kwaliteitsverbetering hebben de gestopte bedrijven in 2014 de agrarische bestemming behouden en is daar de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – voormalig agrarisch bedrijf' aan toegekend. Hierbij is in de meeste gevallen de omvang van het voormalige bouwblok echter wel verkleind tot de bestaande voorzieningen. Alleen de bestaande agrarische bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning zijn dan toegestaan. De regeling was destijds bedoeld als soort van 'tussenbestemming'. VAB-eigenaren kregen zo de kans om een goede afweging te maken wat ze wilden gaan doen.

Zonder dat daarbij gelijk alle rechten werden ontnomen of onomkeerbare bestemmingen werden opgelegd. Voordat er dan sprake kan zijn van hergebruik of een functiewijziging naar bijvoorbeeld de bestemming Wonen moet worden voldaan aan de eisen van kwaliteitsverbetering. De toegekende agrarische bouwvlakken zijn bij de vaststelling van het plan in 2014 echter al verkleind tot de nu geldende omvang. En daar wringt de schoen. De mogelijkheid om dan een functieverandering naar de woonbestemming toe te staan (d.m.v. de opgenomen wijzigingsbevoegdheid) is praktisch niet Pagina 33 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

bruikbaar omdat de eis van kwaliteitsverbetering is gerelateerd aan een percentage van het huidige agrarische bouwvlak. De eisen vallen hierdoor veel te hoog uit. De gemeente wil de belemmeringen ten aanzien van de herbestemming van de percelen met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – voormalig agrarisch bedrijf' opheffen. Dat kan door: 1. Medewerking te verlenen op basis van de voorliggende strategie. Dat betekent echter wel een bestemmingsplanherziening en dat in bepaalde situaties alsnog het risico wordt gelopen dat niet aan de verplichtingen uit de regionale werkafspraken en de Beekse kwaliteitsverbetering kan worden voldaan. Voor een aantal situaties kan de visie wel een haalbare oplossing bieden. Het concrete initiatief zal dat uit moeten wijzen. 2. Bij een eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan buitengebied wordt het bestemmingsplan zodanig aangepast dat de belemmering niet meer bestaat. Ook dit zal echter aanlopen tegen de kwaliteitseisen en juridische beperkingen uit de provinciale verordening. 3. Bij de toepassing van de huidige bestemmingsplanregelingen uitgaan van de omvang van het agrarische bouwblok van voor 2014. Beoordeling Voor onderhavig plan is de bij Vitaal Beeks Buiten behorende matrix voor bestemmingswinst en kwaliteitsverbetering ingevoerd ten behoeve van de beoogde herbestemming van de planlocatie met onderstaand resultaat.

De volledige berekening is als bijlage toegevoegd. Hieruit blijkt dat met de totale kwaliteitsverbetering van het landschap ruimschoots wordt voldaan aan de te leveren kwaliteitsverbetering conform de berekening van 20% van de bestemmingswinst.

C. Overzicht Locatie Biestsestraat 120-122

te Totale omvang van het plangebied:

Totale bestemmingswinst Te leveren kwaliteitsverbetering van het landschap

Biest-Houtakker 7746 m2 € 54.005

(percentage) (in euro's)

Minimaal door de initiatiefnemer zelf uit te voeren binnen het plan Voldoet aan de minimale eigen inspanning? Totale kwaliteitsverbetering van het landschap Voldoet aan de totale opgave voor kwaliteitsverbetering? Te storten in gemeentelijk fonds kwaliteitsverbetering landschap

20% € 10.801 € 5.401

ja € 13.544 ja €0

Figuur 12: Uitsnede LIR-berekening

Pagina 34 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •

bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Beoordeling Een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd om de bodemkwaliteit binnen de planlocatie te bepalen. Het gehele onderzoek is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek stemmen zintuiglijk overeen met de gestelde hypothese. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.

Conclusie De bodemkwaliteit staat de beoogde bestemmingswijziging niet in de weg. Pagina 35 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009.

De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit.

Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering Pagina 36 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.

Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.

De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m2 zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend Pagina 37 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt het volgende verstaan: ‘oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken’. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, waarbij een tweetal bedrijfswoningen met aanhorigheden wordt herbestemd tot burgerwoningen en een bestaand bedrijf aan huis wordt voorgezet. Overtollige bebouwing in de hoedanigheid van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 340 m2 en een garage met een oppervlakte van circa 40 m2 worden gesloopt. Met de beoogde ontwikkeling wordt een bijgebouw gerealiseerd met een oppervlakte van circa 180 m2, alsook een bijgebouw (garage met carport) met een oppervlakte van circa 120 m2.

Gelet hierop heeft de beoogde ontwikkeling per saldo een afname van bebouwing tot gevolg, waardoor de beoogde ontwikkeling een positief effect heeft op de waterkundige situatie. Echter, hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat conform het gemeentelijke waterbeleid het te slopen verhard oppervlak niet van het te compenseren oppervlak mag worden afgetrokken. Gelet hierop bedraagt het nieuwe verharde oppervlak conform het gemeentelijke waterbeleid in de beoogde situatie 300 m2. Aan de hand van voornoemd nieuw verhard oppervlak dient de benodigde waterbergende voorziening te worden berekend. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor ¼.

Figuur 13: Uitsnede kaart compensatiefactor (planlocatie is indicatief voorzien van een rode cirkel)

Pagina 38 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Vanwege de ligging van de planlocatie binnen een gebied met een compensatiefactor ¼ is een compenserende waterberging van 15 mm nodig voor de toename van het verharde oppervlak. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,006 (m) De benodigde compensatie voor de locatie betreft dus: 300 x 0,25 x 0,06 = 4,5 m³.

Figuur 14: GHG waterstand (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode omlijning)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) binnen de planlocatie overwegend circa 80 cm – 100 cm bedraagt. Om de berging van water te waarborgen wordt binnen het plangebied een poel aangelegd. De benutbare diepte voor retentie van hemelwater is vanaf maaiveld circa 60 cm (20 cm. boven GHG). Bij het ontwerp van de poel zal rekening gehouden worden met deze benutbare diepte en de gemiddelde hoogste grondwaterstand, alsook met de benodigde compensatie in m3. Middels het landschappelijk inpassingsplan, dat middels een voorwaardelijke verplichting is verankerd in de planregels, is geborgd dat binnen de planlocatie voorzien zal worden in een waterbergende voorziening van ruimschoots voldoende omvang. Een en ander zal in een latere fase, te weten op het moment dat een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen wordt ingediend, voorzien worden van een nadere uitwerking. Conclusie Omdat er in de beoogde situatie conform gemeentelijk waterbeleid sprake is van nieuw verhard oppervlak zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet in voldoende compenserende maatregelen. Een en ander wordt in een verdere planvorming voorzien van een nadere uitwerking. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Pagina 39 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Omdat er in de beoogde situatie geen sprake is van een toename van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Beoordeling Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.

Pagina 40 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Figuur 15: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

De planlocatie is niet gelegen binnen een cultuurhistorisch landschap, vlak of element. De Biestsestraat betreft een lijn van redelijk hoge waarde. De beoogde herbestemming van de planlocatie doet gelet op diens aard en omvang geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van de Biestsestraat. Verder bevindt zich in de directe nabijheid van de planlocatie een Rijksmonument aan de Heuvelstraat 33 te Moergestel en enkele cultuurhistorisch waardevolle boerderijen. Gelet op de aard van het planvoornemen kan met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet van negatieve invloed is op voornoemde cultuurhistorisch waardevolle panden. Conclusie De beoogde herontwikkeling heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft.

In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten Pagina 41 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven daarnaast aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de archeologische beleidskaart Hilvarenbeek.

Figuur 16: Uitsnede Archeologische beleidskaart Hilvarenbeek (planlocatie is indicatief aangegeven met een rode omlijning)

Beoordeling In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” (en latere wijzigingen/herzieningen) is aan het plangebied deels de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2” toegekend. Wegens de toekenning van de archeologische dubbelbestemming gelden ter plaatse diverse restricties ten aanzien van bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een diepte van 0,5 meter onder het maaiveld. Het planvoornemen voorziet in enkele bodemingrepen. Echter, deze bodemingrepen overschrijden de ondergrens van 2.500 m2 niet. Bovendien zijn deze bodemingrepen beoogd binnen het huidige agrarisch bouwvlak, waar aantoonbaar door de jaren heen diverse grondwerken hebben plaatsgevonden, waardoor sprake is van reeds geroerde grond. Ter bescherming van het archeologisch bodemarchief worden de archeologische dubbelbestemmingen met de hierbij passende planregeling overgenomen van het vigerend planologisch regime. Door het toepassen van deze regels bij eventuele toekomstige bodemingrepen blijft verzekerd dat het aspect archeologie passend wordt beschermd. Conclusie Pagina 42 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Het planvoornemen voorziet onder meer in de realisatie van bijgebouwen. Hiermee vinden bodemingrepen plaats. Echter, de ondergrens voor bodemingrepen wordt gelet op de aldaar rustende dubbelbestemming met betrekking tot archeologie niet overschreden. Daarbij wordt de dubbelbestemming overgenomen van het huidige bestemmingsplan ter bescherming van de aanwezige waarden. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op circa 2,9 kilometer in overwegend noordelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Pagina 43 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

2,9 km.

Figuur 17: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken. De planvoornemen is doorgerekend middels AERIUS. Hierbij zijn ten aanzien van de gebruiksfase de volgende aannames gedaan: - 2 cv installaties woonhuis met elk 3.300 m3 gas per jaar; - 31 verkeersbewegingen per etmaal (uitgaande van een worst-case scenario in beide richtingen.

Voor een nadere motivatie van het aantal verkeersbewegingen conform de geldende CROW-normeringen zie paragraaf 2.6.

Pagina 44 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. Ten aanzien van de aanlegfase is eveneens een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierbij is zowel ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen als ten aanzien van de inzet van mobiele bronnen uitgegaan van een absoluut worst-case scenario. Dit om met absolute zekerheid te kunnen duiden dat de beoogde aanlegfase met zekerheid geen noemenswaardige stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. In werkelijkheid zal zowel het aantal verkeersbewegingen als de inzet van mobiele bronnen beduidend minder bedragen. Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Voor wat betreft deze verkeersbewegingen is uitgegaan van 224 lichte verkeersbewegingen per jaar, 224 middelzware verkeersbewegingen per jaar en 56 zware verkeersbewegingen per jaar. Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen.

Figuur 18 Ingevoerde parameters mobiele bronnen

De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat ook in het geval van bovenstaand ‘worst-case’ scenario de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat de gemeente Hilvarenbeek door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant een Standaard advies met betrekking tot stikstofdepositie: voor de gebruiksfase en bouwfase van woningbouwplannen of -projecten op Natura 2000-gebieden op heeft laten stellen. In dit standaardadvies is de maximale stikstofdepositie in mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden per kern, uitgaande van Pagina 45 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

standaard mobiele werktuigen opgenomen. De planlocatie bevindt zich conform dit standaardadvies binnen Biest-Houtakker. Een en ander laat zien dat in het geval binnen de kern Biest-Houtakker t/m 8 woningen worden gerealiseerd de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierbij is het advies van de omgevingsdienst dat te overwegen valt om geen stikstofberekening voor de bouwen gebruiksfase te verlangen. Dit omdat significante effecten op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten zijn. Wanneer de realisatie van 8 woningen wordt afgezet tegen de beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie kan, losstaand van bovenstaande AERIUS-berekening, met zekerheid geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen significant effect heeft. Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur.

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende

Pagina 46 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing.

Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Een quickscan flora en fauna is uitgevoerd, waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden naar de actuele aanwezigheid van beschermede soorten flora en fauna in en om de projectlocatie. Hierbij zijn tevens de verwachten effecten van de activiteiten op de projectlocatie beoordeeld. De complete quickscan flora en fauna is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. In het onderstaande worden de conclusies weergegeven (in cursief): Uit de QuickScan is naar voren gekomen dat bij de uitvoering van de in de inleiding omschreven voorgenomen activiteiten geen onevenredig negatief effect uitgeoefend wordt op de in de zoals in de Wet natuurbescherming omschreven beschermde Flora en Fauna op de projectlocatie en directe omgeving. Op de projectlocatie zijn geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen aangetroffen. Er behoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Een ontheffing noodzakelijk bij een negatief effect op beschermde soorten is niet noodzakelijk. Incidenteel kunnen de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op algemene soorten.

Van toepassing hierop is een provinciale vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkeling. Plaatselijk kunnen deze aanwezige algemene soorten de projectlocatie verlaten en eventueel tijdelijk een vervangend deelleefgebied opzoeken. De algemene Zorgplicht opgenomen in de Wet natuurbescherming blijft onverminderd van toepasing. Conclusie Het aspect flora en fauna en de Wet Natuurbescherming staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader

Pagina 47 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Twee voormalige agrarische bedrijfswoningen worden hierbij herbestemd naar burgerwoningen. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de toevoeging van gevoelige functies.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14328183/1