CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

13 Bestemmingsplan Biestsestraat 120-122 (4 toelichting)

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Biestsestraat 120-122”.23.947 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Immers, de voormalige agrarische bedrijfswoningen waren reeds aan te merken als een gevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). Als gevolg van de beoogde herontwikkeling is een akoestisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien is het desondanks toch wenselijk om het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie inzichtelijk te maken ten aanzien van het aspect geluid wegverkeer. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de geluidsbelasting afkomstig van wegverkeer binnen de planlocatie.

Pagina 48 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Figuur 19: Geluidsbelasting wegverkeer (woningen zijn indicatief voorzien van een rode cirkel)

Op grond van bovenstaande afbeelding komt naar voren dat de geluidsbelasting op de voorgevel van de woningen circa 58 tot 55 dB bedraagt. Dit is acceptabel bij herbestemming van deze woning van een bedrijfswoning naar een burgerwoning in het buitengebied. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.

De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Beoordeling Het planinitiatief betreft de herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Twee voormalige agrarische bedrijfswoningen worden hierbij herbestemd naar burgerwoningen. Pagina 49 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling in beginsel niet gepaard met de toevoeging van gevoelige functies. Hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling geen beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien is het desondanks toch wenselijk om te toetsen aan de geldende richtafstanden om inzichtelijk te maken of ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omgeving van de planlocatie aan de Biestsestraat 120-122 te Biest-Houtakker kan getypeerd worden als ‘rustig buitengebied’. Bedrijvigheid in de directe nabijheid van de planlocatie betreft hoofdzakelijk agrarische bedrijvigheid. Dit betreffen onder meer: Adres

Feitelijke bedrijvigheid Melkveehouderij

Maximale bedrijvigheid Biestestraat Veehouderij, 119 niet intensief Biestsestraat Paardenhouderij Veehouderij, 117 niet intensief Biestsestraat Rundveehouderij Intensieve 115 veehouderij Biestestraat Varkenshouderij Intensieve 113 veehouderij Heuvelstraat Rundveehouderij Intensieve 34 veehouderij Heuvelstraat Melkveehouderij Intensieve 30 veehouderij Heuvelstraat Rundveehouderij Intensieve 31 veehouderij

Maximale Grootste Feitelijke milieucategorie richtafstand afstand 3.2 100 meter 14 meter 3.2

100 meter

59 meter

4.1

200 meter

4.1

200 meter

4.1

200 meter

4.1

200 meter

4.1

200 meter

130 meter 191 meter 151 meter 310 meter 290 meter

Ten aanzien van omliggende agrarische bedrijvigheid geldt een richtafstand variërende van 200 meter tot 100 meter. Hierbij dient opgemerkt te worden dat deze richtafstanden van toepassing zijn voor het aspect geur. Het aspect geur wordt in de navolgende paragraaf beoordeeld, waardoor een en ander in de onderhavige paragraaf achterwege gelaten wordt. Ten aanzien van overige hindervormen in de hoedanigheid van stof, geluid en gevaar wordt ten aanzien van alle veehouderijen voldaan aan de geldende richtafstanden. Dit met uitzondering van de melkveehouderij aan de Biestsestraat 119. De planlocatie bevindt zich binnen de richtafstand voor geluid en stof ten aanzien van de melkveehouderij aan de Biestsestraat 119. Echter, nu het planvoornemen niet gepaard gaat met de toevoeging van een gevoelige functie staat een en ander niet in de weg aan het planvoornemen. Hierdoor wordt niet toegekomen aan een nader onderzoek of aldaar sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast bevindt zich ter plaatse van de locatie aan de Biestsestraat 118 te Biest-Houtakker een nietagrarisch bedrijf, waarbinnen in hoofdzaak een bedrijfsverzamelcomplex ten behoeve van bedrijven tot en met milieucategorie 2 is toegestaan. Voor een dergelijk bedrijfsverzamelgebouw ten behoeve van bedrijven tot en met milieucategorie 2 geldt een grootste richtafstand van 30 meter.

Nu de afstand tot de beoogde woonbestemming binnen het plangebied circa 51 meter bedraagt, wordt hier ruimschoots aan voldaan. Verder is ter plaatse eveneens een paardenhouderij als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan, alsook recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig logeren. Voor een paardenhouderij geldt een grootste richtafstand van 50 meter en voor dergelijke recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig logeren een grootste richtafstand van 10 meter. Gelet op de omstandigheid dat dat de afstand tot de beoogde woonbestemming binnen het plangebied circa 51 meter bedraagt, wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden. Pagina 50 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Verder bevindt zich aan de Biestsestraat 116 op een kortste afstand van circa 230 meter een opslagbedrijf (statische opslag) en aan de Biestsestraat 105A op een kortste afstand van circa 360 meter een garagebedrijf. Beide vormen van bedrijvigheid worden aangemerkt als categorie 2 bedrijvigheid met een grootste richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Tot slot dient eveneens in ogenschouw genomen te worden dat de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de voortzetting van een reeds vergund bedrijf-aan-huis in de hoedanigheid van reparatie en handel in fietsen. Dergelijke bedrijvigheid is te bestempelen als categorie 1 bedrijvigheid, waardoor een grootste richtafstand van 10 meter geldt. Nu hier ten opzichte van omliggende gevoelige functies aan wordt voldaan, kan worden aangenomen dat het bedrijf-aan-huis geen negatieve impact heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende gevoelige functies. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten.

Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd.

Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10

Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

<5 5 – 10 10- 15 15 – 20

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Pagina 51 van 69

Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25

20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50

20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35

Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv

De gemeente Hilvarenbeek heeft een geurverordening vastgesteld met geurnormen die afwijken van de landelijke normen. Conform de gemeentelijke geurverordening bevindt de planlocatie zich binnen het buitengebied waarbinnen een maximale geurbelasting van 10 ouE/m³ geldt. Deze geurnormen zijn echter in beginsel enkel van toepassing voor het verlenen van milieuvergunningen voor veehouderijbedrijven en zeggen volgens vaste jurisprudentie niet iets over het woon- en leefklimaat ten aanzien van een ruimtelijke procedure. Aangezien het planvoornemen niet gepaard gaat met de komst van een geurgevoelig object hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de geurnorm van de gemeente Hilvarenbeek. Zie een nadere onderbouwing in de passage hieronder. 4.10.1 Geurgevoelige objecten De beoogde ontwikkeling gaat voor wat betreft de herbestemming van twee agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen in beginsel niet gepaard met de komst van een extra geurgevoelig object. Immers, de voormalige agrarische bedrijfswoningen betroffen reeds geurgevoelige objecten in de zin van artikel 1 van de Wgv. Dit maakt dat een toetsing aan de Wgv niet noodzakelijk is. Echter, vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, wordt volledigheidshalve toch getoetst aan het aspect geur en de Wgv.

Dit om inzichtelijk te maken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven worden beperkt in ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. 4.10.2 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant kan de achtergrondbelasting van de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is sprake van een ‘matig’ en ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting tussen circa 7-20 ouE/m3 ter plaatse van de planlocatie. Nu sprake is van bestaande geurgevoelige objecten, kan een en ander als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden bestempeld.

Pagina 52 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Figuur 20: Kaart achtergrondbelasting planlocatie (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte stip)

4.10.3 Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) De voormalige agrarische bedrijfswoningen aan de Biestsestraat 120-122 te Biest-Houtakker hebben toebehoort tot een veehouderij. De vergunning van deze veehouderij is bij besluit van 16 september 2003 ingetrokken. Voor geurgevoelige objecten die toebehoren aan een andere veehouderij gelden op grond van artikel 3, lid 2 Wet geurhinder en veehouderij (en een gelijkluidend artikel in het Activiteitenbesluit milieubeheer) minimaal vereiste afstanden van 50 meter tot het emissiepunt, buiten de bebouwde kom. Voor deze geurgevoelige objecten hoeft dus niet aan de normstelling voor de voorgrondbelasting van geur te worden getoetst. In artikel 3, lid 2 Wgv is bovendien opgenomen dat deze toetsing (ongewijzigd) tevens van toepassing blijft, indien het een geurgevoelig object betreft, dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Dit maakt dat een toetsing aan de voorgrondbelasting voor onderhavig planvoornemen niet aan de orde is. 4.10.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijbedrijven In de onderhavige situatie is voor wat betreft de herbestemming van twee voormalige agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen geen sprake van de oprichting van een nieuw geurgevoelig object. Op de locatie bevindt zich reeds een tweetal voormalige agrarische bedrijfswoningen.

Conform wetgeving en jurisprudentie is de toetsing aan normen en grenswaarden van milieuaspecten voor burgerwoningen in het buitengebied en voor (voormalige) agrarische bedrijfswoningen gelijkluidend, behoudens voor het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven. De woningen behoren, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, toe aan een voormalige veehouderij (op of na 19 maart 2000 beëindigd). De toetsing op deze woningen blijft derhalve ongewijzigd behouden. Er worden aan het plangebied met voornoemde herbestemming geen nieuwe

Pagina 53 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

geurgevoelige objecten toegevoegd. Doordat deze toetsing ongewijzigd blijft, heeft de herbestemming reeds geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van derden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer dient een afstand van 50 meter vanuit veehouderijen van derden (vanuit het emissiepunt) gerespecteerd te worden. Deze afstand wordt ten opzichte van omliggende veehouderijen behaald. Voor een nadere motivatie van de afstand van de planlocatie ten opzichte van omliggende veehouderijen wordt verwezen naar paragraaf 4.9. Immers, de in paragraaf 4.9 opgenomen tabel laat zien dat in alle gevallen de afstand van bouwvlak tot bouwvlak meer dan 50 meter bedraagt. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat eveneens de afstand tot de emissiepunten 50 meter bedraagt. Dit met uitzondering van de veehouderij aan de Biestsestraat 119. In dat geval bedraagt de afstand circa 40 meter. Echter, nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie, heeft de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg. 4.10.5 Conclusie Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat omliggende veehouderij als gevolg van het planvoornemen niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.11 Gezondheid De beoogde ontwikkeling gaat in beginsel niet gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie. Echter, vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, is het woon- en leefklimaat in het kader van volksgezondheid in relatie tot omliggende veehouderijen toch relevant. Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen) en geitenhouderijen. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond.

Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de

Pagina 54 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie bevindt zich geen pluimveehouderij. Binnen een afstand van circa 200 meter van de planlocatie tot nabijgelegen emissiepunten van een varkenshouderij bevindt zich eveneens geen varkenshouderij. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de varkenshouderij aan de Biestsestraat 118 reeds is gesaneerd, waardoor ter plaatse geen emissiepunten meer aanwezig zijn. Conclusie Het aspect ‘endotoxine’ staat de planvorming niet in de weg. 4.11.2 De 7 stappen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) Een toetsing aan de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ is in casu niet noodzakelijk. Dit omdat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie.

Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede wordt hier in het onderstaande aan getoetst. Stap 1 In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In het bovenstaande is aan het aspect endotoxine getoetst. Hieruit komt naar voren dat binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie zich geen pluimveehouderij bevindt. Ook bevindt zich binnen 200 meter van de planlocatie geen emissiepunten van een varkenshouderij. Stap 2 Toets aan toename van emissies. Dit is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. Stap 3 In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Voor het buitengebied zijn deze waarden: • 5 ouE/m3 voor de voorgrondbelasting. • 10 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting. • 100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. In casu is een toetsing aan voorgrondbelasting niet aan de orde. Dit omdat de geurgevoelige objecten binnen de planlocatie op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Verder wordt niet voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde van 10 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting.

Immers, de achtergrondbelasting bedraagt circa 7-20 ouE/m3 ter plaatse van de planlocatie. Nu sprake is van bestaande geurgevoelige objecten, kan een en ander als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden bestempeld. Tot slot dient opgemerkt te worden dat eveneens niet wordt voldaan aan de voorgeschreven gezondheidskundige advieswaarden voor zover Pagina 55 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

het gaat om een afstand van 100 meter tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. Echter, in overeenstemming met vorenstaande uiteenzetting, staat een en ander niet in de weg aan het planvoornemen nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie en sprake is van bestaande geurgevoelige objecten. Stap 5 a t/m c In casu wordt voldaan aan de richtafstanden voor omliggende varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is gelegen binnen de straal van 2 kilometer van geitenhouderijen (stap 5a). De planlocatie is niet gelegen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveebedrijf (stap 5b). Wel bevindt de planlocatie zich binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). Echter, in overeenstemming met hetgeen hiervoor reeds uiteen is gezet, gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een gevoelige functie. Derhalve staat een en ander niet in de weg aan het planvoornemen. Stap 6 Er vindt geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Aan stap 6 wordt voldaan. Stap 7 Er is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan 7 wordt daarmee voldaan. Volledigheidshalve en ten overvloede is in het bovenstaande het stappenplan van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ doorlopen. Hieruit blijkt dat niet overal wordt voldaan aan de gestelde uitgangspunten.

Wanneer de beoogde ontwikkeling gepaard zou gaan met een gevoelige functie, zou dit tot gevolg hebben dat een GGD-advies noodzakelijk is. Echter, nu hier in casu geen sprake van is, is een GGD-advies niet noodzakelijk en staat een en ander niet in de weg aan het planvoornemen. 4.11.3 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt met de herbestemming van de voormalige bedrijfswoningen naar burgerwoningen geen nieuw ‘kwetsbaar object’ opgericht.

Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Groot Loo 13 Hilvarenbeek (4,6 km) • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (2,6 km) • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (2,8 km) • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (150 meter) • Tuldensedijk 7 Esbeek (7,4 km) • Hoekje 9 Diessen (3,7 km) • Esbeeksedijk 4 Diessen (6,9 km) • Frankenstraat 2 Haghorst (4 km) Pagina 56 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

•

Ontginningsweg 15 Haghorst (5,3 km)

De afstand tot de meest dichtstbijzijnde geitenhouderij (Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker) tot het plangebied bedraagt circa 150 meter. Overige geitenhouderijen bevinden zich op een afstand die aanmerkelijk meer bedraagt dan 2 kilometer. Hierbij dient ten eerste opgemerkt te worden dat met de beoogde ontwikkeling geen nieuw kwetsbaar object wordt toegevoegd. Immers, enkel wordt een tweetal voormalige bedrijfswoningen herbestemd naar burgerwoningen, waardoor de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie. Gelet hierop staat het aspect gezondheid en geitenhouderijen per definitie niet in de weg aan het planvoornemen en bestaat in casu geen aanleiding om een GGD-advies op te vragen. Ten tweede kan opgemerkt worden dat tussen de geitenhouderij en het plangebied reeds meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Ten derde is het relevant om op te merken dat het planvoornemen er op toeziet dat een voormalige veehouderij-locatie definitief wordt herbestemd, waardoor de mogelijkheid vervalt om ter plaatse een agrarisch bedrijf te exploiteren.

Tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderij zijn meerdere (burger)woningen gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Dit betekent dat het voorzorgprincipe niet in de weg staat aan de onderhavige ontwikkeling. Te meer omdat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie. Het aspect ‘geitenhouderijen’ staat de planvorming niet in de weg. 4.11.4 Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Echter, aangezien de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie, is een toetsing aan het aspect spuitzones niet noodzakelijk. Immers, nu sprake is van een bestaande situatie wordt niet toegekomen aan de toetsing aan het woon- en leefklimaat ten aanzien van spuitzones en heeft de beoogde ontwikkeling per definitie geen beperking van de gebruiksmogelijkheden van omliggende agrarische gronden tot gevolg. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, wordt hier in het onderstaande volledigheidshalve en ten overvloede aan getoetst. Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. • De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. • Feitelijke omstandigheden: Pagina 57 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

•

Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.).

Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen de planlocatie voorzien in een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing. Zo wordt de planlocatie en de woonbestemming aan de overwegend zuidwestelijke zijde omzoomd door een robuuste houtsingsel. Deze houtsingel heeft een afschermende werking ten opzichte van agrarische gronden aldaar aangezien drift hierdoor wordt afgevangen. De realisatie en instandhouding van deze houtsingel is met een groenbestemming verankerd in het bestemmingsplan. Daar komt bij dat in de regels eveneens de realisatie en instandhouding is geborgd met een voorwaardelijke verplichting, waardoor de afschermende werking ten opzichte van agrarische gronden is verzekerd waarmee eventuele drift wordt afgevangen. Verder grenst de woonbestemming aan de zuidoostelijke aan eigen agrarische gronden waar geen gewasbeschermingsmiddelen worden aangewend. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat aan de overwegend noordwestelijke zijde geen sprake is van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden aangewend. Tot slot dient in ogenschouw genomen te worden dat de woonbestemming binnen de planlocatie aan de overwegend noordwestelijke zijde niet direct grenst aan agrarische gronden aangezien aldaar een verkeersbestemming rust met daarlangs een bomenrij/beplanting.

Gelet hierop zijn de gevoelige functies binnen de planlocatie in voldoende mate afgeschermd van gronden waar bestrijdingsmiddelen worden aangewend. Daar komt bij dat in de directe omgeving zijn nieuwe activiteiten met toepassing van bestrijdingsmiddelen voor de boomteelt niet rechtstreeks mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Hiervoor moet een afwijkingsbesluit worden genomen waarbij ook getoetst moet worden op een goede ruimtelijke ordening en gevoelige functies. Gezien het huidige gebruik in de omgeving, de grondeigenaren van omliggende gronden en de kenmerken van het gebied is een dergelijke activiteit ook niet reëel te verwachten. Gezien deze omstandigheden kan geconcludeerd worden dat er, voor wat betreft de spuitzone, een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden op het plangebied. Daarnaast gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een gevoelige functie, waardoor bovenstaande toetsing enkel ter volledigheid en vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien is uitgevoerd. Conclusie Het aspect gezondheid staat niet in de weg aan het planvoornemen.

4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Pagina 58 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt een tweetal bedrijfswoningen met aanhorigheden herbestemd tot burgerwoningen. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een gevoelige functie, waardoor een toetsing aan het aspect externe veiligheid achterwege kan blijven. Vanuit een goede ruimtelijke ordening bezien, wordt hier in het onderstaande beknopt op ingegaan. De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute, de A58 is gelegen op meer dan 2,2 kilometer afstand. Derhalve dient getoetst te worden aan artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Hiervoor wordt verwezen naar het standaardadvies van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Een en ander is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. De overige risicobronnen in de omgeving is een aantal gasleidingen, waarvan de meest dichtstbijzijnde een gasleiding op circa 250 meter afstand betreft. De planlocatie is gelegen buiten de veiligheidsafstand van deze leidingen.

Gezien er met de ontwikkeling geen bijzonder kwetsbaar object wordt opgericht, er sprake is van een ruime afstand tot de buisleidingen en de risicobronnen van de genoemde inrichtingen en wegen, en er sprake is van zelfredzame personen, mag voor de ontwikkeling het standaardadvies inclusief de standaard groepsrisicoverantwoording van de Veiligheidsregio Midden en West-Brabant worden gehanteerd. Een en ander is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. Geconcludeerd kan worden dat een voldoende afstand wordt gerespecteerd tot risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen. Omdat de onderhavige planlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn er geen onaanvaardbare risico’s met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

Pagina 59 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Figuur 21 Uitsnede risicokaart.nl (planlocatie is indicatief aangegeven met een zwarte cirkel)

4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³.

Pagina 60 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

- de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³; - grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 μg/m³. Conform onderstaande actuele pm10 en pm2,5 kaart is ter plaatse van de planlocatie sprake van een range die de normen van pm10 respectievelijk pm2,5 niet overschrijdt. Immers, de concentratie van pm 10 bedraagt 15,78 microgram, waar de grenswaarde 40 microgram bedraagt. Verder bedraagt de concentratie van pm 2,5 8,7 microgram, waar de grenswaarde 25 bedraagt. Gelet hierop is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties PM10 en PM2,5 die ver onder de grenswaarden blijven.

Figuur 22 PM10 kaart: concentratie van 15,78 microgram (planlocatie is indicatief aangegeven met een blauwe cursor)

Pagina 61 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

Figuur 23 PM2,5 kaart: concentratie van 8,7 microgram (planlocatie is indicatief aangegeven met een blauwe cursor)

Verder is in het onderstaande eveneens een afbeelding opgenomen van de jaargemiddelde concentratie van NO2. Een en ander laat zien dat de jaargemiddelde concentratie van NO2 circa 12,3 microgram bedraagt. Nu de grenswaarde 40 microgram bedraagt, wordt ook hier ruimschoots aan voldaan.

Figuur 24: NO2 kaart: concentratie van 12,30 microgram (planlocatie is indicatief aangegeven met een blauwe cursor)

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Pagina 62 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

• • •

een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Voor woningbouwlocaties wordt in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen beschouwd als NIBM. Indien het planinitiatief wordt vergeleken met een uitbreiding van 1500 nieuwe woningen kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. 4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d.

buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;

Pagina 63 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2.

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld.

Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het planinitiatief betreft de herbestemming van twee voormalige agrarische bedrijfswoningen in twee burgerwoningen en de exploitatie van een bedrijf-aan-huis in de hoedanigheid van reparatie en handel in fietsen. De realisatie van woningen valt onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Echter, de beoogde ontwikkeling gaat niet gepaard met woningtoevoeging, maar enkel in een planologische functiewijziging van twee voormalige agrarische bedrijfswoningen in Pagina 64 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

burgerwoningen. Gelet hierop komt de beoogde ontwikkeling niet voor op de C- of D-lijst van het besluit m.e.r. en worden de grenswaarden vanzelfsprekend niet overschreden. Van een stedelijk ontwikkelingsproject is bovendien eveneens geen sprake. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Wet natuurbescherming.

Pagina 65 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. Daarbij dienen de volgende bestemmingsplannen als basis voor het onderhavige plan en worden deze eveneens van toepassing verklaard in de regels: - ‘Buitengebied’ (vastgesteld 13-3-2014) - ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan’ (vastgesteld 7-3-2018) - ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018 (vastgesteld 8-11-2018)

Pagina 66 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en de gemeente Hilvarenbeek draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van eventuele planschade. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

Pagina 67 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg aangeboden bij het waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant. Het waterschap heeft aangegeven in te stemmen met het bestemmingsplan aangezien het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding heeft. Wel zijn enkele kleine opmerkingen geplaatst ten aanzien van de planregels die allen zijn verwerkt en is een aanbeveling gedaan voor een verdere uitwerking van de poel. De provincie Noord-Brabant heeft in haar vooroverlegreactie enkele zaken benoemd. Zo is onder meer aangegeven dat vanuit het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bebouwing zoveel als mogelijk geconcentreerd moet worden geconcentreerd en dat sloop van overtollige bebouwing het uitgangspunt moet zijn bij de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming.

Er wordt benoemd dat in het plan hierover niets te lezen is. Naar aanleiding hiervan is een en ander verder uitgewerkt bij de toetsing aan provinciaal beleid. Verder wordt verzocht om een nadere onderbouwing vanwege de aanduiding ‘sanering- en verplaatsingslocatie’ en wordt aangegeven dat de ontwikkeling een geringe impact heeft, waardoor ook sprake kan zijn van een categorie 2 ontwikkeling. Tot slot zijn nog enkele opmerkingen ten aanzien van de berekening van de kwaliteitsverbetering en het landschappelijk inpassingsplan geplaatst en is een opmerking geplaatst ten aanzien van de bewoording van een karakteristieke woonboerderij. De vooroverlegreactie van de provincie is naar behoren verwerkt. Waar nodig zijn aanpassingen doorgevoerd in de stukken. Zo is onder meer een nadere onderbouwing gegeven van de aanduiding ‘sanering- en verplaatsingslocatie’ en is het landschappelijk inpassingsplan in enigermate aangevuld. 7.2 Omgevingsdialoog De initiatiefnemers hebben een omgevingsdialoog gevoerd. Hierbij zijn directe omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen en in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Uit de gevoerde omgevingsdialoog komt naar voren dat geen enkele omwonende bezwaren heeft geuit ten aanzien van het planvoornemen. Het plan is derhalve dan ook niet gewijzigd.

7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord.

Pagina 68 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

BIJLAGEN 1 Landschappelijk inpassingsplan 2 Berekening Bestemmingswinst en Kwaliteitsverbetering van het Landschap 3 Verkennend bodemonderzoek 4 AERIUS-berekening gebruiksfase 5 AERIUS-berekening aanlegfase 6 Quickscan flora en fauna 7 Standaard advies veiligheidsregio

Pagina 69 van 69 Biestsestraat 120-122, Biest-Houtakker

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14328183/1