CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

12 bp J.F. Kennedylaan 1 (3 Toelichting)

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "J.F. Kennedylaan 1".19.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|29

5.

RANDVOORWAARDEN

5.1

Inleiding

Op grond van het bepaalde in het ‘Besluit ruimtelijke ordening’ (Bro) is het bij de onderbouwing van een ruimtelijke ontwikkeling verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieu hygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.

5.2

Archeologie

Beleid Verdrag van Malta Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Gemeentelijk beleid De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 de gemeentelijke archeologische beleidskaart met bijbehorende beleidsuitgangspunten vastgesteld. Bij het (her)bestemmen van gronden kan op basis van de beleidskaart op relatief eenvoudige wijze rekening worden gehouden met het aspect archeologie. In gebieden waar archeologische resten aanwezig zijn of verwacht worden, kunnen bijvoorbeeld maatregelen worden genomen om deze zoveel mogelijk te ontzien. Voor gebieden waar wel bodemverstorende activiteiten gaan plaatsvinden, is op de beleidskaart aangegeven of archeologisch onderzoek noodzakelijk is en wanneer eventueel vrijstelling van onderzoek kan worden verleend. Hiertoe zijn ondergrenzen vastgesteld ten aanzien van de diepte van de bodemingreep en de oppervlakte van het plangebied.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|30

Het plangebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek in een zone met een middelhoge/onbekende archeologische verwachting (categorie 5). Binnen dit gebied dient onderzoek plaats te vinden wanneer de bodemingrepen een oppervlakte hebben van groter dan 2.500 m2 en de ingreep dieper gaat dan 50 cm.

Afbeelding 9: Uitsnede Archeologische Beleidskaart, plangebied rood omlijnd

Archeologisch bureauonderzoek Ten behoeve van de herontwikkeling heeft Aeres Milieu in april-mei 2021 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel. Aan de hand van deze gegevens kan vervolgens een advies over eventueel aanwezige archeologische resten en een mogelijk vervolgtraject worden opgesteld. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de Gemeente Hilvarenbeek in een zone van middelhoge/onbekende archeologische verwachting (Beleidscategorie 6). Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Zodoende is de locatie onderzoeksplichtig. Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied nabij de flank van een dekzandrug ligt. Deze is naar verwachting bedekt met een eerdlaag van minimaal 50 centimeter dik. Uit het gespecificeerd verwachtingsmodel blijkt dat er een middelhoge verwachting geldt voor archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum tot de nieuwe tijd. De bodem binnen de contouren van de voormalige Hispohal (circa 4.750 m²) is tot minimaal 1,5-2,0 meter beneden maaiveld verstoord (onderstaande afbeelding, oranje zone).

Binnen de contouren van het voormalige zwembad (circa 385 m²) reikt de verstoring zelfs tot minimaal 4,0-5,0 meter beneden maaiveld (onderstaande afbeelding, rode zone). Er wordt binnen de contouren van het zwembad geen intact archeologisch niveau verwacht. Afhankelijk van de dikte van de verwachte eerdlaag kunnen ter plaatse van de voormalige Hispohal (met uitzondering van het zwembad) nog dieper gelegen archeologische resten aanwezig zijn, al wordt dit niet aannemelijk geacht. Buiten de contouren van de Hispohal geldt een aannemelijke kans dat het archeologisch relevante niveau nog aanwezig is. Voor dit gedeelte (circa 3.660 m2) van het plangebied (onderstaande afbeelding, groene zone) wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|31

booronderzoek geadviseerd, indien ter plaatse bodemverstoringen plaatsvinden die de beleidsnormen van 2.500 m2 en 50 cm beneden maaiveld overschrijden.

De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (Gemeente Hilvarenbeek), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

Beleid De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|32

ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.

Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

t.o.v. rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

t.o.v. gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Met het planvoornemen wordt de locatie van de (voormalige) sporthal/zwembad heringericht, waarbij het terrein voornamelijk gaat voorzien in woningbouw. Verder is er de wens om (naast woningen) ook een gezondheidscentrum te realiseren. Het plangebied ligt in het noorden van de woonkern Hilvarenbeek. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich (naast woningbouw) onder andere een bassischool, supermarkt, begraafplaats en museum. Daarnaast zijn enkele doorgaande wegen (J.F. Kennedylaan en Elsakkersstraat) in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Hierdoor kan ter plaatse van het plangebied uit worden gegaan van het omgevingstype gemengd.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|33

In de nabijheid van het plangebied komen de volgende bedrijven voor: Adres

Type

Schoolstraat 38 Apollostraat 1 Apollostraat 7 Doelenstraat 35 Doelenstraat 51

Basisschool Bakkerij Supermarkt Begraafplaats Museum

Categorie

Richtafstand

2 1 1 1 1

10 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter

Werkelijke afstand tot grens plangebied 0 meter 40 meter 70 meter 150 meter 170 meter

Aan de richtafstanden wordt, met uitzondering van de basisschool, voldaan. De richtafstand op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering” tussen een basisschool en woningen dient minimaal 10 meter te bedragen. Met name de invloed van spelende kinderen buiten op het schoolplein kan van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen. Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelastingen van de school uitgevoerd, zie paragraaf 5.7. Door middel van een voorwaardelijke verplichting mogen geen geluidgevoelige functies als wonen, gezondheidszorg en logies worden gerealiseerd liggend binnen de richtafstand voor de basisschool, behalve als voorzien kan worden in een goed woon- en leefklimaat op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Verder is er de wens een gezondheidscentrum te realiseren. Voor een gezondheidscentrum geldt een richtafstand van 0 meter (milieucategorie 1) tot woningen, waardoor dit geen belemmering vormt binnen onderhavig planvoornemen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.4

Bodemkwaliteit

Beleid Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het ‘Besluit ruimtelijke ordening’ moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een (bestemmings)wijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of een herinrichting mogelijk is moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden verricht. Afhankelijk van de conclusie van dit verkennend bodemonderzoek vindt een aanvullend bodemonderzoek plaats. Verkennend bodemonderzoek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen heeft Lankelma Geotechniek Zuid B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie aan de J.F. Kennedylaan 1 te Hilvarenbeek. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een bodemonderzoek is de grondtransactie van de onderzoekslocatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|34

beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Conclusie Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 4,5 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. Plaatselijk wordt in de ondergrond een leemlaag aangetroffen. Ter plaatse van boring B7 zijn op een diepte van 0,2 – 0,4 m-mv bijmengingen met baksteen en beton waargenomen. Tevens is ter plaatse van boring B8 op een diepte van 0,31 m-mv een puinlaag aangetroffen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In de boven- en ondergrond zijn, zowel inpandig als uitpandig, analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis B1 zijn analytisch licht verhoogde gehalten met barium en zink aangetoond. In het grondwater uit peilbuis B2 zijn analytisch licht verhoogde gehalten met barium, cadmium, nikkel, zink en chloride aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden Asbest in grond ter plaatse van boring B7 en B8 In de grond zijn in de fijne fractie analytisch asbesthoudende materialen aangetoond.

Deze gehalten overschrijden de detectiegrens, doch liggen onder de helft van de interventiewaarde. Formeel wordt de grond als niet-asbestverdacht beschouwd. Op basis hiervan hoeft geen nader bodemonderzoek naar asbest in de bodem te worden uitgevoerd. Aanbevelingen Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de grondtransactie van deze locatie. Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: • wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de boven- en ondergrond indicatief als zijnde klasse AW2000 bestempeld; • het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|35

5.5

Cultuurhistorie

Beleid Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Cultuurhistoriekaart Hilvarenbeek Voor het gehele grondgebied in de gemeente Hilvarenbeek is een cultuurhistoriekaart opgesteld. Het primaire doel van de cultuurhistoriekaart is het inzichtelijk maken van het aanwezige

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|36

bovengrondse erfgoed in de gemeente. Om de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden te beoordelen is de Cultuurhistoriekaart Hilvarenbeek (2013) geraadpleegd.

Afbeelding 10: Uitsnede cultuurhistoriekaart, plangebied geel omlijnd

Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in of nabij gebieden met een cultuurhistorische waarden. Wel is er ter plaatse van plangebied een molenbiotoop gesitueerd. Een molenbiotioop is een cirkelvormige zone rond traditionele molens, met een straal van 400 meter vanaf de molen. Deze zone is van belang voor de vrije windtoetreding op, de windafvoer van en het zicht op de molen. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan zijn de regelingen met betrekking tot de molenbiotoop overgenomen van het vigerend bestemmingsplan. Cultuurhistorische Waardenkaart In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

Afbeelding 11: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart, plangebied rood omlijnd NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|37

Op de CHW is af te lezen dat het plangebied ligt binnen de regio ‘Kempen’ en het cultuurhistorisch landschap ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg’. Kempen De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2.

De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen; Het Groene Woud, Dommeldal, Oud zandlandschap bij Oerle-Knegsel, Oud zandlandschap Cartierheide, Oud zandlandschap bij Stiphout en de Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek, Kempenland, Keersop-Dommel, Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa en Helmondse Akkers. Met het planvoornemen wordt voornamelijk woningbouw mogelijk gemaakt. Het omringende landschap bestaat eveneens grotendeels uit woningbouw, waardoor het voornemen aansluit op de nabij omgeving. Daarbij is het plangebied geen onderdeel van de dragende structuur in de regio. Hierdoor heeft het geen (negatieve) invloed op de genoemde samenhang. Verder is de strategie om de cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder te ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief te ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor onder andere de Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg. De invloed van het planvoornemen op deze aspecten binnen de Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg dient nader in kaart te worden gebracht.

Landgoederen ten zuiden van Tilburg Het gebied bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de middeleeuwse hoeves en buurtschappen (met kleine akkercomplexen) die de kern vormden van de landgoederen of die daarin zijn opgenomen. De dorpen Goirle, Hilvarenbeek en Esbeek stammen vermoedelijk uit de vroege middeleeuwen. Vanuit deze vroeg bewoonde gebieden werd het landschap in gebruik genomen. Uitgestrekte akkercomplexen zijn te vinden rond Hilvarenbeek, met mooie overgangen naar de beekdalen van de Roodloop en het Spruitenstroompje. Langs de beken lagen de beemden, smalle graslandpercelen, omgeven door elzensingels of bomenrijen. Veel van de vroegere perceelrandbegroeiing is verdwenen, zodat de beslotenheid van de beekdalen grotendeels verdwenen is. Aan het eind van de 19e eeuw zijn ten zuiden van Tilburg en bij Esbeek enkele grote landgoederen aangelegd. Aanvankelijk was het doel van deze landgoederen vooral gericht op de houtproductie, maar in de loop van de twintigste eeuw is de inrichting mede bepaald door recreatieve en landschappelijke doelen. Tegenwoordig is ook natuurontwikkeling op dit enorme landgoed van belang.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|38

De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: • Het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van deels verdwenen hoeves, buurtschappen en akkercomplexen; • Het versterken van het contrast tussen oude ontginningen met akkers enerzijds en voormalige woeste gronden anderzijds; • Het versterken van het natte karakter van beekdalen en (voormalige) vennen; • De natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit; • Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door de vergroting van de beleving Het planvoornemen voorziet niet in ontwikkelingen welke invloed hebben op de ontwikkelingsstrategie voor dit gebied. Zodoende heeft het voornemen geen negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden binnen dit cultuurhistorische landschap. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6

Externe veiligheid

Beleid Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|39

verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de ‘Wet Basisnet’ en de ‘Wet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de ‘Wet ruimtelijke ordening’ en de ‘Wet milieubeheer’. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijke besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel.

Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, zie afbeelding 12.

Afbeelding 12: Uitsnede risicokaart, plangebied groen omlijnd

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|40

Inrichtingen Op basis van de risicokaart is op een afstand van ca. 250 meter van het plangebied een risicovolle inrichting gevestigd. Het betreft een tankstation met een LPG-vulpunt, -reservoir en afleverinstallatie. De risicoafstand met betrekking tot het LPG-vulpunt reikt het verst met een risicocontour (PR 10-6) van 35 meter. Ten behoeve van de inrichting geldt een maximale afstand tot grens invloedsgebied verantwoording groepsrisico van 150 meter. Het plangebied ligt op voldoende afstand. Daarbij is de vergunning voor het LPG-vulpunt,- reservoir en -afleverinstallatie inmiddels ingetrokken. Hierdoor vormt de inrichting geen belemmering voor het planvoornemen. Transport over wegen Binnen of in de directe omgeving van het plangebied vindt geen transport over wegen plaats die relevant is in het kader van externe veiligheid. Transport over water Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Transport over het spoor Uit de risicoatlas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving geen spoorwegen aanwezig zijn die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Transport per buisleiding Ten noorden van het plangebied bevindt zich een buisleiding op een afstand van ca. 120 meter. Het betreft een I&M transportleiding van defensie.

Voor de leiding geldt een risicocontour (PR 10-6) van 0 meter. De betreffende buisleiding vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Geluid

Beleid Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de ‘Wet geluidhinder’ (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. In onderhavig bestemmingsplan is alleen wegverkeerslawaai relevant. Onderzoek wegverkeerslawaai De omliggende wegen van het plangebied kennen een regime van maximaal 30 km/uur. Vanuit de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet verplicht bij wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Een akoestisch onderzoek met betrekking tot wegverkeer wordt niet noodzakelijk geacht.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|41

Onderzoek geluidbelasting basisschool Een deel van het plangebied ligt binnen de richtafstand voor een basisschool, waarbij met name de geluidsbelasting van spelende kinderen van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen. Er is een akoestisch onderzoek (bijlage, K+ adviesgroep, Rm210015aaA0.davh_01, 2 april 2021) uitgevoerd naar de effecten van de geluidbelasting van spelende kinderen op schoolplein op het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen. Uit het onderzoek blijkt dat in een strook van ca. 12 meter breed, direct grenzend aan het schoolplein, de waarden voor de langetijdgemiddelde geluidbelasting en de maximale geluidbelasting overschreden worden. Langtijdgemiddelde geluidbelastingen Uit de berekeningen blijkt dat de richtwaarde van 55 dB behorende bij stap 3 van de VNG op een gedeelte van het plangebied wordt overschreden ten gevolge van het stemgeluid op het schoolplein. Hetzelfde geldt voor de geluideisen van het Activiteitenbesluit. Indien gebouwd wordt in het gebied waar de richtwaarde van 55 dB niet wordt overschreden, is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor grondgebonden woningen dient enkel naar de geluidbelasting op 1,5 meter hoogte te worden gekeken. Indien ervoor gekozen wordt om appartementen te realiseren dient tevens naar de verdiepingen te worden gekeken.

Maximale geluidbelastingen Uit de berekeningen blijkt dat de piekgeluiden op een gedeelte van het plangebied niet voldoen aan 70 dB behorende bij stap 3 van de VNG en aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit. Indien gebouwd wordt in het gebied waar de richtwaarde van 70 dB niet wordt overschreden, is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Aanvullend onderzoek: scherm Er is gebleken dat de richtwaarde van stap 3 van de VNG op een gedeelte van het plangebied wordt overschreden. Er is onderzocht of dit voorkomen kan worden door het plaatsen van een scherm tussen het schoolplein en het plangebied met een hoogte van 2 meter. Met de toevoeging van het scherm wordt op een hoogte van 1,5 meter voldaan aan stap 3 van de VNG en aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit. Dit geldt voor zowel het langtijdgemiddelde als de maximale geluidbelastingen. In deze situatie is voor de begane grond op het gehele plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. Op 4,5, 7,5 en 10,5 meter hoogte is er op een gedeelte van het plangebied met de toevoeging van het scherm nog steeds sprake van een overschrijding van de richtwaarden. Voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan Vanwege de uitkomsten van het akoestisch onderzoek is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan.

Door middel van deze voorwaardelijke verplichting mogen geen geluidgevoelige functies als wonen, gezondheidszorg en logies worden gerealiseerd liggend binnen de berekende afstand voor de basisschool, behalve als voorzien kan worden in een goed woon- en leefklimaat op basis van het akoestisch onderzoek.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|42

Aanvullend onderzoek geluidbelastingen omliggende woningen Er is een aanvullend akoestisch onderzoek (bijlage, K+ adviesgroep, Nm210015aaA0.davh_01, 26 april 2022) uitgevoerd, waarin de weerkaatsing van geluid als gevolg van een nieuw gebouw is berekend. In dit aanvullende onderzoek is met een worstcase scenario gerekend: een modellering van een gebouw over de volledige breedte van het bouwvlak aan de zijde van het schoolplein met de maximale bouwhoogte van 12 meter. Uit het aanvullende onderzoek volgt de conclusie dat ter plaatse van de waarneempunten op de appartementen in het schoolgebouw de geluidbelasting ten gevolge van het nieuwe gebouw toe neemt met maximaal 0,5 dB(A). Voor de geringe toename zijn er geen aanvullende maatregelen nodig. Ter plaatse van de waarneempunten op de woningen aan de Doornboomstraat en Elsakkerstraat neemt de geluidbelasting ten gevolge van het nieuwe gebouw toe met respectievelijk maximaal 1,4 dB(A) en 1,1 dB(A). De toename van de geluidbelastingen op de woningen aan de Doornboomstraat en Elsakkerstraat is lager dan de drempelwaarde van 1,5 dB(A). Bovendien blijft de geluidbelasting lager dan de richtwaarde conform stap 3 van de VNG van 55 dB(A). Voor de geringe toename en de relatief lage geluidbelasting, zijn er geen aanvullende maatregelen nodig om een acceptabel woon- en leefklimaat te waarborgen.

Conclusie Het aspect geluid vormt, met in achtneming van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek, geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8

Luchtkwaliteit

Beleid De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|43

Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie NO2 in 2020 (gegevens 2020) ter plaatse gelegen tussen de 15 en 20 μg/m3. De concentratie PM10 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse van het plangebied tussen de 18 en 20 μg/m3. De concentratie PM2,5 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Luchtkwaliteit t.b.v. aantal verkeersbewegingen Het onderhavige planvoornemen betreft de herbestemming van het terrein behorende bij de voormalige Hispohal (in gebruik als sporthal/zwembad). Al eerder is geconcludeerd dat het voornemen zorgt voor een toename van maximaal 840,3 mvt/etmaal. Met de NIBM-tool is de bijdrage van dit plan aan de luchtkwaliteit vastgesteld. In de NIBM-tool wordt uitgegaan van een worst-case scenario.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

840,3

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

3

NO2 in μg/m

0,64

3

0,12

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 13: Uitsnede NIBM-tool

De realisatie van de woningen en een gezondheidscentrum draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen betekend dat in principe geen nader onderzoek noodzakelijk is Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Natuurwetgeving

Beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|44

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de nieuwe Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wnb niet is veranderd.

In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren Met de nieuwe wet wijzigt de lijst van beschermde soorten. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wnb niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3.

Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|45

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Ecologische quickscan Op 30 januari 2019 is door GRAS Advies een ecologische quickscan uitgevoerd ten behoeve van de sloopwerkzaamheden van de sporthal en het zwembad. Bij dergelijke ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met beschermde gebieden, houtopstanden en plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming omvat de regelgeving betreffende deze soorten en gebieden. Het doel van dit verkennend onderzoek is het inzichtelijk brengen van de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het projectgebied. Daarnaast wordt de ligging van het projectgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden onderzocht. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden uitspraken gedaan over mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling en eventuele noodzakelijke vervolgstappen (vervolgonderzoeken). Beschermde gebieden Het projectgebied is niet gelegen in Natura 2000-gebied.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kempenland-West op ca. 2 km afstand. Gelet op de ligging van het projectgebied en de beperkte impact van de ingreep, is een direct negatief effect op beschermde soorten in Natura 2000gebieden niet aannemelijk. Een negatief effect als gevolg van verandering in de stikstofemissie en daarmee depositie in Natura 2000-gebieden is niet aannemelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is verder in deze paragraaf een separate Aerius berekening opgenomen. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland ligt op ca. 600 m afstand van het projectgebied. Het projectgebied wordt van dit Natuurnetwerk Nederland gebied gescheiden door agrarische percelen en de bebouwde kom van Hilvarenbeek. Verstoring van op meer dan 500 meter afstand gelegen NNN-gebieden kan op voorhand worden uitgesloten, gelet op de ligging van het projectgebied en de beperkte impact van de ingreep. Beschermde dieren Vogels Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages in het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bomen en bosschages niet te beschadigen tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het voorkomen, beperken en ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.” Vleermuizen In de buitenmuren van het gebouw bevinden zich open stootvoegen die toegang geven tot de spouwmuur. Aanvullend vleermuisonderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of de bebouwing in

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|46

het projectgebied door vleermuizen wordt gebruikt als vaste rust- en/of verblijfplaats en of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. Aanvullend onderzoek vleermuizen Uit de resultaten van het verkennend onderzoek (quickscan) flora & fauna (L.J. de Haan, 2019) is geconcludeerd dat het projectgebied mogelijk een functie heeft voor vleermuizen. Op basis hiervan heeft GRAS Advies een nader onderzoek naar deze soortgroep uitgevoerd. Het doel van dit aanvullend onderzoek is om uitsluitsel te geven over de functie van het projectgebied voor vleermuizen en daarbij conclusies te kunnen trekken over welke soorten en met welke aantallen in het gebied voorkomen en welke specifieke functie(s) het projectgebied heeft voor vleermuizen. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele noodzakelijke vervolgstappen. Dit rapport presenteert de uitkomsten van het aanvullend onderzoek. Soorten, verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden In het projectgebied zijn lage aantallen vleermuizen waargenomen bestaande uit voornamelijk gewone dwergvleermuizen en enkele laatvliegers. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen binnen het projectgebied. Het projectgebied heeft geen functie als essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

De bomen aan de zuidzijde en oostzijde van het projectgebied hebben een functie als essentiële vliegroute voor de gewone dwergvleermuis. Wet natuurbescherming Er is geen sprake van verlies van verblijfplaatsen of essentieel foerageergebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De bomen aan de zuidzijde en oostzijde van het projectgebied, die een functie als essentiële vliegroute hebben, blijven behouden. Indien de werkzaamheden overdag, of in de winterperiode (1 november – 1 april), en/of zonder felle verlichting op de vliegroutes uitgevoerd worden, is van verlies van essentiële vliegroutes geen sprake. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor vleermuizen is dan niet nodig. Zorgplicht De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, als mede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a. voorkomen, b. beperken en c. ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.” Stikstofberekening Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Het plangebied ligt op circa 2 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Kempenland-West’.

Met behulp van een stikstofdepositieonderzoek met de AERIUS calculator 2020 is inzichtelijk gemaakt of het planvoornemen van invloed is op de Natura 2000gebieden. Het betreft hier een berekening voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De berekening voor de stikstofdepositie betreft de realisatie van de herontwikkeling op de voormalige locatie van de Hispohal (sporthal/zwembad) te Hilvarenbeek. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn - gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn berekend. Voor dit planvoornemen is geen vergunning Wet Natuurbescherming (Wnb) vereist. Wanneer de uitgangspunten in dit onderzoek, zoals werktuigen, stageklasse en ureninzet echter wijzigen, dient een nieuwe Aeriusberekening te worden uitgevoerd.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|47

Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan 2016-2021 Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is in 2015 vastgesteld door het kabinet in het ‘Nationaal Waterplan 2016-2021’. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijk ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte termijn. Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP biedt gemeenten en waterschappen een kader voor hun eigen beleid.

Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. De doelen van het PMWP zijn: • Voldoende water voor mens, plant en dier; • Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); • Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; • Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap De Dommel Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsuitgangsprincipes ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Daarnaast wordt er in het Waterbeheersplan 2022-2027 ingespeeld op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Een goede regulatie van het beschikbare water is hierin belangrijk; • Schoon water: dit behelst het voorkomen dat relatief schoon regenwater vermengd raakt met “vries” water waardoor het onbruikbaar is voor hergebruik.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|48

Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid; 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) X gevoeligheidsfactor X 0,06 (in m²); 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. Gemeentelijk beleid Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 (vGRP) beschrijft de invulling van de zorgplichten en de onderliggende visie op het stedelijk waterbeheer. Voorzieningen ten behoeve van rioleringen zijn doorgaans niet zichtbaar is, maar wel noodzakelijk.

Zonder afvoer van afvalwater uit de directe leefomgeving, bestaat in dichtbevolkte gebieden een reëel gevaar voor de volksgezondheid en het milieu. Verder zorgt de riolering op verschillende locaties voor de afvoer van overtollig hemelwater wat belangrijk is voor een veilige en bewoonbare leefomgeving. De gemeente heeft vanuit het Rijk drie zorgplichten meegekregen: • De zorgplicht voor afvalwater; • De zorgplicht voor hemelwater; • De zorgplicht voor grondwater. In overleg met het waterschap heeft de gemeente, met betrekking tot de hemelwaterafvoer en compensatieberging, voor inbreidingen van woongebied binnen de bebouwde kom, het volgende bepaald: • Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m 2 nieuw verhard oppervlak is het uitgangspunt dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan. • Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met minder dan 250 m 2 nieuw verhard oppervlak, geldt geen compensatieplicht. Voor de kern van Hilvarenbeek geldt een factor 1 = 60 mm. Watertoets De ´Watertoets´ is een instrument dat ervoor zorgt dat water genoeg aandacht krijgt in ruimtelijke plannen.

Met dit instrument komt de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan in een vroegtijdig stadium in contact met Waterschap de Dommel. De watertoets is verplicht voor nieuwe plannen in ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen, projectbesluiten en partiële herzieningen.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|49

Huidige situatie Oppervlaktewater Toetsing aan de Watertoets laat zien dat in of nabij het plangebied geen watergangen zijn gesitueerd. De dichtstbijzijnde watergang ligt op ruim 300 meter van het plangebied. Zodoende zijn eventuele beleidsregels niet van toepassing op het planvoornemen.

Afbeelding 14: Aanwezige watergangen, plangebied rood omlijnd

Hemelwater Het plangebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit verharding. De afvoer van neerslag verloopt op traditionele wijze door lozing op het rioolstelsel. Afvalwater In de huidige situatie is het afvalwater aangesloten op de riolering langs de Doornboomstraat/John F. Kennedylaan/Elsakkerssraat. Grondwater en bodem Op basis van het verkennend bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de grondwaterstand ter plaatse van het plangebied op 2,6 m-mv ligt. De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 4,5 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Toekomstige situatie Hemelwater Bij alle bouwplannen dient het scheiden van vuil water en (schoon) hemelwater het uitgangspunt te zijn. Afvoer van schoon hemelwater naar het gemengd rioolstelsel wordt in principe niet meer toegestaan. Hemelwater dient binnen het perceel te worden gebufferd of geïnfiltreerd. In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt, waarbij uit wordt gegaan van een volledige verharding.

NL.IMRO.0798.BPJFKennedylaan1-VG01

Bestemmingsplan J.F. Kennedylaan 1

|50

Bruto (verharde) oppervlakten Totaal oppervlakte plangebied Totaal verhard oppervlak Totaal onverhard oppervlak

Huidige situatie (m²) Ca. 8.400 Ca. 8.100 Ca. 300

Toename verhard oppervlak

Toekomstige situatie (m²) Ca. 8.400 Ca. 8.400 Ca. 0 Ca. 300

Het totaal verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie maximaal toe met circa 300 m2. In de toekomstige situatie zal naar alle waarschijnlijkheid een volledige verharding van het plangebied echter niet aan de orde zijn. Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Het verhard oppervlak neemt maximaal toe met 300 m2, een compenserende maatregel op basis van het beleid van het waterschap is daarmee niet noodzakelijk. Op basis van het gemeentelijke beleid is het uitgangspunt dat de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m2 nieuw verhard oppervlak op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan. Het plangebied valt volgens de themakaart keur binnen het vlak waar 1 geldt en dus 60 mm gecompenseerd dient te worden. Het plangebied heeft totale oppervlakte van 8.400 m2, waardoor bij een volledige verharding maximaal 8.400 m2 aan nieuw verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Dit komt uit op een waterberging van (8.400 m2 * 60 mm =) 504 m3.

Dit kan ondergronds door middel van het aanbrengen van een LAVA pakket of kratten met een inhoud van 360 m3 of door een bovengrondse laagte aan te brengen in de groene zone (van 0.25m- maaiveld) met een oppervlakte van minimaal 2.016 m2. De exacte oppervlaktes aan verhardingen zijn nog onbekend, maar hiermee is de bandbreedte van de wateropgave in beeld gebracht. De exacte opgave wordt uiteindelijk berekend op basis van het concrete bouwplan. De opgave kan kleiner worden door onder andere minder bebouwing en het toepassen van groene daken. Het voorzien in voldoende watercompensatie wordt vastgelegd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Afvalwater De toekomstige bebouwing zal eveneens aangesloten worden op het bestaande rioleringsstelsel. Wateradvies De uitwerking van voorliggend plan in deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan Waterschap De Dommel toegezonden. Het Waterschap stemt in het kader van de watertoetsprocedure in met het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11853502/1