12 bp Emmerseweg 16 (7 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
werkgelegenheid in de gemeente. Bovendien heeft deze sector van oudsher het ruimtelijk karakter van de gemeente en vooral van het buitengebied bepaald. De gemeente Hilvarenbeek beseft het belang van deze sector voor de werkgelegenheid en het ruimtelijk karakter van de gemeente. Beoordeling De planlocatie is gelegen in het ‘verwevingsgebied’ in het buitengebied. Een mengeling van functies is hier wenselijk. Door het plan worden woningen toegevoegd in een overwegend agrarische bebouwingscluster. Hierdoor ontstaat de gewenste mengeling. Door het behoud van het boerderijgebouw wordt tevens het ruimtelijke agrarische karakter van het gebied behouden en versterkt. 3.4.2 Structuurvisie Buitengebied, 2014 Op 25 februari 2010 heeft de gemeente Hilvarenbeek de ‘Structuurvisie Hilvarenbeek’ vastgesteld. Dit betreft de Structuurvisie met de hoofdlijnen van de gemeentelijke ambities voor het gehele grondgebied. Ter concretisering van de visie voor het buitengebied is in januari 2014 de ‘Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek, januari 2014’ vastgesteld. Naast de 6 kernen die de gemeente Hilvarenbeek rijk is, is er ook sprake van een groot landelijk gebied waarin veel ontwikkelingen gaande zijn. De structuurvisie bevat een samenhangende visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.
Tevens is het de basis geweest voor de actualisatie van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Daar waar kansen en voorwaarden voor ontwikkelingen voldoende objectiveerbaar zijn, worden deze vastgelegd in bestemmingsplanregels, met binnenplanse afwijkings- of wijzigingsregels. Voor de meer grootschalige, weinig voorkomende of anderszins specifieke ontwikkelingen is maatwerk nodig. Dit is niet in algemene planregels te vatten en zal daarom blijvend buitenplans mogelijk worden gemaakt. De structuurvisie bevat bovendien de spelregels voor de diverse landschapstypes binnen de gemeente en de landschappelijke kwaliteitsverbetering. De visie buitengebied Hilvarenbeek richt zich op het behoud en waar mogelijk de versterking van de ruimtelijke en functionele kwaliteit van het plangebied. Het gaat hierbij met name om kwaliteit voor aan het buitengebied gebonden functies (water, landbouw, recreatie, natuur, landschap) en voor de eveneens veelvuldig voorkomende niet-agrarische functies en wonen. Beoordeling De gemeente hanteert in het buitengebied ‘overal gelijke ontwikkelingsmogelijkheden’ aan.
Waarbij wordt uitgegaan van de volgende standpunten: • Overal gelijke ontwikkelingsmogelijkheden, met uitzondering van LOG; • Overal kwantitatief gelijke tegenprestaties bij een ontwikkeling; • Per locatie kwalitatief verschillende randvoorwaarden, afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief en de ruimtelijke kenmerken van de omgeving. • RvR-ontwikkeling is als uitzondering niet overal mogelijk, maar alleen in de bebouwingsconcentraties zoals uitgewerkt in de structuurvisie. De planlocatie is gelegen in het ‘jong ontginningslandschap’, het behoud van het boerderijgebouw (afkomstig uit de wederopbouwperiode) reflecteert de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Door geclusterd te bouwen blijft het weids gelegen ontginningslandschap herkenbaar. Het ontwikkelen van de ruimte-voor-ruimte woningen vindt plaats zoals uitgewerkt in de structuurvisie binnen de bebouwingsconcentratie.
Pagina 29 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 12 Uitsnede Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek - Gemeente Hilvarenbeek - januari 2014
3.4.3 Visie Ruimte voor Ruimte, 2011 De gemeente Hilvarenbeek heeft gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied d.d. 13 maart 2014, een Visie Ruimte voor Ruimte vastgesteld. In deze visie zijn de voorwaarden opgenomen waaronder Ruimte voor Ruimte woningen binnen bebouwingsconcentraties kunnen worden gerealiseerd. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie 'Lage Haghorst’.
Pagina 30 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 13 Bebouwingsconcentratie ‘Lage Haghorst’
De randvoorwaarden die hierin benoemd zijn voor Ruimte voor Ruimte mogelijkheden zijn: behoud karakter solitaire erven; bouwen uitsluitend binnen bestaande erven, uitbreiding van erven of het creëren van nieuwe erven waar mogelijk; behoud van groene en onbebouwde invulling Markische driehoeken; bij verdichting van de concentratie zal de bebouwing zich binnen het erf moeten bevinden of op de Markische driehoeken moeten richten. Door de realisatie van de nieuwe woningen op het bestaande erf wordt het karakter van het solitaire erf behouden. Het plan heeft verder geen invloed op het behoud van de Markische driehoeken. Met onderhavig planvoornemen wordt dan ook voldaan aan alle randvoorwaarden. 3.4.4 Bestemmingsplan Buitengebied, 2014 Het vigerend bestemmingsplan voor de planlocatie betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’ in combinatie met een aantal beperkte algemene wijzigingen in de regels in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan’, zoals respectievelijk vastgesteld door de raad d.d. 13 maart 2014 en 7 maart 2017 en Reparatieplan Buitengebied 2019 (vastgesteld 15-10-2020). In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de verbeelding en legenda.
Pagina 31 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 14 Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Buitengebied”
In de huidige situatie is er in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ sprake van een agrarische bestemming met een bouwvlak van 14.000 m². Daarbij heeft de locatie de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en een gebiedsaanduiding ‘bebouwingsconcentratie’. Voor het wijzigen van de bestemming naar wonen is in artikel 3.6.9 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. 3.4.5 Wijziging naar Wonen (art. 3.6.9) Voor onderhavig initiatief is de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied niet bruikbaar. Vandaar dat een bestemmingsplanprocedure wordt doorlopen. Echter om een beeld te geven van het ruimtelijke beleid zijn navolgend de wijzigingsvoorwaarden opgesomd en is tevens getoetst of het planvoornemen aan deze voorwaarden voldoet (gearceerd). Burgemeester en wethouders kunnen de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' wijzigen teneinde deze aanduiding te laten vervallen en de bestemming deels te wijzigen in de bestemming Artikel 16 Wonen, waarbij na bedrijfsbeëindiging de herbouw van een voormalige bedrijfswoning of voormalig (woon)boerderijpand voor woondoeleinden kan worden toegestaan; tevens kan daarbij, mits het betreft (woon)boerderijpanden met de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie', woningsplitsing worden toegestaan. Een en ander mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Algemene voorwaarden: a.
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; Hier wordt aan voldaan, zoals in deze toelichting wordt aangetoond in hoofdstuk 4. b. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; Hier wordt aan voldaan, zoals in deze toelichting wordt aangetoond in hoofdstuk 4. c. de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' worden verwijderd, alsmede er is zekerstelling omtrent het verwijderen van de ter plaatse aanwezige voorzieningen. Tenzij aangetoond wordt dat deze voorzieningen tevens noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; Niet van toepassing.
Pagina 32 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
d. de omvang van het bestemmingsvlak is passend bij de beoogde functie, met dien verstande dat de omvang niet meer bedraagt dan het voormalige agrarisch bouwvlak tot een maximum van 1500 m2; Gezien de stedenbouwkundige opzet van het plan is een bestemmingsvlakomvang van 1.500 m2 niet haalbaar. Door de situering van de woningen op circa 30 meter afstand van het hard van de weg is een groter bouwvlak noodzakelijk. De bruikbare oppervlakte van het bouwvlak zal zich door de diepe voortuin echter wel beperken tot minder dan 1.500 m2. e. ten aanzien van kwaliteitsverbetering geldt het volgende: 1. indien het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' maximaal 30% bedraagt van het voormalig agrarisch bouwvlak, dan is geen specifieke kwaliteitsverbetering vereist; 2. indien het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' maximaal 40% bedraagt van het voormalig agrarisch bouwvlak dient de herinrichting van het erf landschappelijk wordt ingepast in welk kader een landschappelijk inpassingsplan dient te worden opgesteld; 3. in de overige gevallen vindt er kwaliteitsverbetering plaats; Voor het plan vindt kwaliteitsverbetering plaats overeenkomstig het meest recente beleid van de gemeente Hilvarenbeek, zie de berekening hiervan in de bijlage. f.
de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 29, beogen te beschermen; Hier wordt aan voldaan. Eventueel omliggende gebiedsaanduiding worden niet nadelig beïnvloed. g. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; Hier wordt aan voldaan, zoals in deze toelichting wordt aangetoond in hoofdstuk 4. h. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; Hier wordt aan voldaan, zoals in deze toelichting wordt aangetoond in hoofdstuk 4. i. de regels van Artikel 16 Wonen worden van overeenkomstige toepassing verklaard; Voor het plan worden planspecifieke regels opgesteld welke zijn gebaseerd op het bestemmingsplan Buitengebied. Specifieke voorwaarden voor wijziging in woondoeleinden: j. de bebouwde oppervlakte en inhoud van de voormalige bedrijfswoning (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot, met dien verstande dat: 1. vergroting is toegestaan indien er per 50 m3 vergroting van de woning telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing wordt gesloopt; 2. de uiteindelijke inhoud niet meer bedraagt dan 1000 m3; 3.
de bebouwde oppervlakte van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 100 m2 per woning; de overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) dient te worden gesloopt; 4. in afwijking van het bepaalde onder 3. mag de bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 200 m2 bedragen, indien het surplus (alle aanwezige voormalige bedrijfsgebouwen en bijgebouwen boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 100 m2) in één keer wordt gesloopt, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en deze sloop is als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden; 5. uitsluitend de sloop van legaal gebouwde gebouwen komen in aanmerking voor deze sloopbonusregeling; Pagina 33 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Hier wordt aan voldaan. Het plan maakt echter geen gebruik van de sloopbonusregeling maar maakt gebruik van de berekening voor kwaliteitsverbetering zoals toegevoegd in de bijlage. k. de sloopbonusregeling als bedoeld onder j is niet van toepassing indien: 1. op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden, 2. sloop heeft plaatsgevonden of kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voorruimteregeling, 3. sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, 4. of de sloop al op andere wijze is verzekerd; Van de sloopbonusregeling wordt geen gebruik gemaakt. l.
de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen; Hier wordt aan voldaan. Specifieke voorwaarden voor wijziging t.b.v. woningsplitsing: Sub m t/m s van artikel 3.6.9. zijn niet van toepassing op het plan omdat niet wordt voorzien in woningsplitsing.
Pagina 34 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •
bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen structureel 2 uur of langer gaan verblijven. Beoordeling Op locatie zijn asbest daken aanwezig, waardoor de bodem per definitie als verdacht is aan te merken. De beoogde planontwikkeling wordt gefaseerd gerealiseerd omdat de beoogde nieuwe woningen komen waar nu nog sprake is van agrarische bebouwing. De agrarische bebouwing, met onder andere asbestdaken, dient eerst te worden gesloopt voordat nieuwbouw kan plaatsvinden.
Het uitvoeren van bodemonderzoek, welke moet aantonen dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie wonen, kan dan ook pas plaatsvinden als de bebouwing gesloopt is. Het onderhavige bestemmingsplan dient echter éérst te worden vastgesteld voordat sloop kan plaatsvinden. Pagina 35 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Om de bestemmingsplanwijziging door te kunnen laten gaan worden in deze herziening van het bestemmingsplan specifieke voorwaarden opgenomen. Door het opnemen van de voorwaarden staat de bodemkwaliteit de ruimtelijke uitvoering van het plan niet in de weg. De voorwaarden kunnen daarbij pas worden uitgevoerd als er reeds is gesloopt én dus wanneer het plan al in werking is getreden. Voor de volledigheid worden de gestelde voorwaarden hieronder opgesomd: 1. Uitvoeren asbestinventarisatie van bestaande gebouwen; 2. Op basis van de resultaten van de asbestinventarisatie nagaan of er potentiële bronnen zijn waardoor de bodem mogelijk verontreinigd is met asbest, indien dit het geval is moet aanvullend onderzoek worden uitgevoerd; 3. Asbest uit de gebouwen verwijderen door een daarvoor erkend bedrijf. Uit het op te stellen evaluatierapport moet blijken dat alle asbest op een juiste wijze is verwijderd; 4. Sloop van de gebouwen; 5. Vaststellen eindsituatie van de bodem, zie onderstaande alinea. Nadat de oude bebouwing gesloopt is moet worden aangetoond dat geen vermenging van sloopmateriaal heeft plaatsgevonden met de ondergrond. Geadviseerd wordt om een voorwaarde voor aanvullende werkzaamheden op te nemen in de omgevingsvergunning om voor start van de (bouw)werkzaamheden, maar na de sloop, aan te tonen dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond.
Dat kan middels: - het uitvoeren van bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5707 naar de bovengrond (tot 1,0 mmv); - of door het aantonen dat de sloop plaatsvindt door een gecertificeerd bedrijf en het nemen van foto’s van het maaiveld tijdens en na de sloop. De aanvullende gegevens conform bovenstaande opsomming moeten ter goedkeuring voorgelegd worden aan de gemeente Hilvarenbeek. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij het bouwrijp maken en/of bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Conclusie Het aspect ‘bodem’ staat het planvoornemen niet in de weg. Door het in acht nemen van de gestelde voorwaarden wordt uiteindelijk voldaan aan de Wet bodembescherming. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding.
In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; Pagina 36 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
- Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014.
In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen.
Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Pagina 37 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen.
In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor 1/4. Pagina 38 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Per nieuwe ruimte-voor-ruimte woning wordt 400 m² verhard oppervlak verwacht (100 m² woning, 200 m² erfverharding en 100 m² bijgebouw). Ten aanzien van het omzetten van het boerderijgebouw en de bedrijfswoning naar burgerwoningen blijft het verhard oppervlak gelijk. In totaal ziet het plan dan op 1.200 m² “herontwikkelde” verharding. De vereiste compensatie wordt berekend door het te verharden oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met de gevoeligheidsfactor en een waterschijf van 60 mm (0,060 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m) De benodigde compensatie binnen de planlocatie betreft dus: 1.200 x 0,25 x 0,06 = 18 m³.
Afbeelding 15 compensatiefactor verhard oppervlak
Pagina 39 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 16 GHG
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt ter plaatse van de planlocatie is 60-80 cm beneden maaiveld. De benutbare diepte voor retentie van hemelwater is vanaf maaiveld ca. 40 cm (20 cm boven GHG). Per woning in het plangebied wordt een zaksloot gerealiseerd met een minimale inhoud van 6 m3 (totaal berging 20 m3). Voor de woning Emmerseweg 16 is reeds een poel aanwezig voor waterberging. Het boerderijpand blijft afgewaterd op de aanwezige achtergelegen zaksloot. Conclusie Omdat er in de beoogde situatie sprake is van nieuwbouw van het verhard oppervlak zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet in voldoende compenserende maatregelen. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie.
Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Pagina 40 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 17 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant
Pagina 41 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 18 Gemeentelijke cultuurhistorische kaart
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Ten behoeve van het planvoornemen is door het Monumentenhuis Brabant een redengevende omschrijving met waardestelling uitgevoerd ten aanzien van het boerderijpand. De redengevende omschrijving is toegevoegd als bijlage. Hierin is bepaald dat de boerderij van cultuurhistorisch belang is als voorbeeld van een sobere ontginningsboerderij uit de wederopbouwperiode en uit de laatste periode van de jonge heideontginning van de Beersche heide. Door het boerderijpand te behouden wordt tevens bijgedragen aan de uitstraling van de Emmerseweg als zijnde een van de eerste ontginningswegen in het gebied. Daarbij is specifiek voor het boerderijpand een separaat landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat de cultuurhistorische ensemblewaarden van de boerderij moet versterken.
Afbeelding 19 Beoogde ensemble
Pagina 42 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Aan de overige waarden in het gebied zoals de ‘lijn van hoge waarde’ (weg voor 1840) en het ‘historisch groen’ ter plaatse van de Emmerseweg wil de planontwikkeling bijdragen. Door de beoogde ruimte-voor-ruimte woningen op grotere afstand van de Emmerseweg te plaatsen dan in een conventionele situatie ontstaat ruimte voor landschappelijk inpassing en wordt de nadruk gelegd op de Emmerseweg met het historisch groen in de vorm van de dubbele Beukenlaan. Per woning wordt voorzien in een groep van twee tot drie landschapsbomen die het zicht op de woningen wegnemen en bijdragen aan de versterking van het groen rondom de Emmerseweg. Conclusie Het planvoornemen versterkt de omliggende cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft.
In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.
Pagina 43 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 20 Archeologische verwachtingskaart Hilvarenbeek
Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het plangebied geen dubbelbestemming voor de bescherming van archeologische waarden toegekend. Hierdoor gelden ten aanzien van bodemingrepen geen restricties. Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente is de planlocatie dan ook gelegen in een gebied met een archeologische verwachting waarvoor een ondergrens van 25.000 m² wordt gehanteerd voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Voor de ontwikkeling zijn bodemingrepen noodzakelijk met een omvang van circa 900 m²(ca. 300 m² per ruimte-voor-ruimte woning). Gezien de lage verwachtingswaarde zijn gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden uitgesloten. Conclusie Het plan beoogt bodemingrepen. De omvang hiervan overschrijdt echter niet de ondergrens van het gemeentelijk archeologisch beleid. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Pagina 44 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten.
Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen stikstofgevoelige deel van een Natura2000-gebied betreft Kempenland-West op circa 4 kilometer.
Afbeelding 21 Afstand tot N2000-gebied
Gebruiksfase Daarbij is in de bestaande situatie sprake van een veehouderij waarvoor een Wnb-vergunning is verleend. Deze vergunning dient in het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling te worden ingetrokken. De emissie van stikstof daalt hierbij aanzienlijk door het planvoornemen. Het is aannemelijk dat de emissie als gevolg van 3 nieuwe gasloos te bouwen woningen en de herbestemming van 2 bestaande woningen aanzienlijk lager zal zijn dat de vergunde emissie die samenhangt met het houden van bijna 65.000 leghennen, 35 stuks vrouwelijk jongvee en 40 fokstieren en overig rundvee. Voor de locatie is momenteel een NH3 emissie vergund van 3.661,6 kg. De vergunde emissie is in een AERIUS-berekening in de bijlage afgezet tegen de beoogde situatie waarbij sprake is van: Pagina 45 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
-
bestaande bedrijfswoning 1 cv installatie (3.300 m³ gasverbruik (2,2 kg NOx) totaal 40 ritten noord (8 per woning) totaal 40 ritten zuid (8 per woning)
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat sprake is van een afname in emissie én dat in de beoogde situatie geen sprake is van stikstof depositie op omliggende stikstofgevoelige gebieden. Bouwfase De gemeente Hilvarenbeek conformeert zich aan het “Standaard advies met betrekking tot stikstofdepositie: voor de gebruiksfase en bouwfase van woningbouwplannen of -projecten op Natura 2000-gebieden”. Op basis van het standaard advies zijn significante effecten vanwege stikstofdepositie redelijkerwijs uit te sluiten. Voor de kern van Haghorst geld het advies immers tot 10 nieuwbouw-woningen. Daarbij is in onderhavig project, zoals reeds toegelicht sprake van een vergunde emissie voor het houden van pluimvee.
Afbeelding 22 Uitsnede standaardadvies
Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Pagina 46 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.
Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Voor de te slopen bebouwing is op 20 september 2021 een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (rapportdatum 2 november 2021). De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlage. Uit de quickscan blijkt dat er geen aanleiding is voor aanvullend flora- of faunaonderzoek en zonder voorziene problemen begonnen kan worden met de geplande werkzaamheden. Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ en de Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art.
1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De geluidsbelasting op de woningen is onderzocht, een onderzoeksrapport is hiervan toegevoegd in de bijlage. De gemeente Hilvarenbeek heeft bevestigd dat de gehanteerde verkeersgegevens juist zijn. De geluidbelasting ten gevolge van de Emmerseweg, met een maximale rijsnelheid van 60 kilometer Pagina 47 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
per uur, voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Uitgezonderd hierop is de westgevel van de woonboerderij. De gecorrigeerde geluidbelasting, bedraagt hier ten hoogste 52 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt hierbij niet overschreden. Tegelijkertijd met het ter inzage leggen van het bestemmingsplan dient een hogere waarde besluit te worden genomen voor de woonboerderij. Voor een kwalificatie van de aanvaardbaarheid van het geluidklimaat binnen het plangebied wordt verwezen naar de inhoud van het akoestisch onderzoek in de bijlage. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie.
Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). 4.9.1 Beoordeling gebied De planlocatie is niet gelegen in een ‘rustige woonwijk’ of rustig buitengebied, maar in het buitengebied met diverse bedrijven op korte afstand (binnen 50 tot 100 meter) en op korte afstand van een 60 kilometer per uur weg. Het gebied is hierdoor te typeren als gemengd gebied. De ‘adviesafstand’ kan hierdoor met een afstandstrap worden verlaagd. 4.9.2 Algemeen Het plan ziet toe op de realisatie van woningen. Bij de noordelijke woning wordt een kleinschalige agrarische neventak (zonder vee) toegestaan waarbij het bijgebouw van de woning geschikt moet zijn voor de stalling van tractor met werktuigen voor het onderhoud van de te behouden agrarische gronden (huiskavel). De ‘adviesafstand’ kan hierdoor met een afstandstrap worden verlaagd naar 10 meter. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het een nevenfunctie bij een woonbestemming betreft met een beperkte grootte. Een adviesafstand van 10 meter in hoofdzakelijk agrarisch georiënteerd buitengebied is daarmee ruim voldoende om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen.
De adviesafstand van 10 meter wordt geborgd door het opnemen van een functieaanduiding op het woonvlak waar de “agrarische nevenactiviteit” is toegestaan, en door het opnemen van de bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ tussen de voormalige bedrijfswoning en de naastgelegen woning. Deze bestemming (waar niet mag worden gebouwd en waar geen activiteiten mogen plaatsvinden) zorgt voor een buffer van circa van circa 22 meter van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak. Overige gronden binnen het woonvlak worden niet gebruikt voor de agrarische nevenfunctie gezien dit direct achter de voormalige bedrijfswoning is, waar sprake is van een achtertuin (siertuin). De agrarische nevenactiviteit is hierdoor enkel toegestaan op minimaal 10 meter van de erfgrens aan de zijde van de andere ruimte-voor-ruimte woning.
Pagina 48 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
34 m 22 m
Afbeelding 23 Afstand 'agrarische nevenfunctie' tot naastgelegen woning
De overige beoogde bestemming is niet milieubelastend, maar enkel milieugevoelig. 4.9.3 Ontwikkelingsmogelijkheden en hinder van omliggende bedrijven In de omgeving van het plangebied, binnen een straal van 300 meter, zijn diverse veehouderijbedrijven gelegen. Ten aanzien van het aspect ‘geur’ is voor deze bedrijven is de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.10. Tevens is binnen 300 meter één niet-agrarisch bedrijf gelegen in de vorm van een agrarisch verwant loonbedrijf. Overige niet-agrarische bedrijven zijn niet in de omgeving gelegen. De VNG-adviesafstand, behoudens geur welke wordt behandeld in paragraaf 4.10, en de werkelijke afstanden van de omliggende bedrijven tot de planlocatie zijn in onderstaande tabel en afbeelding weergeven. Locatie Lage Haghorst 4 (locatie wordt middels bestemmingsplan “De Wederloop” gesaneerd en omgezet naar natuur) Emmerseweg 13 (locatie wordt middels bestemmingsplan “De Wederloop” omgezet naar een burgerwoning.) Emmerseweg 11
Omschrijving VNG Fokken en houden van varkens
Adviesafstand Werkelijke afstand 50 meter (voor afstand 57 meter geur geldt 200 m. zie par. 4.10)
Agrarisch zonder functieaanduiding (Akkerbouw)
10 meter
29 meter
Fokken en houden van rundvee / Paardenhouderij / Akkerbouwbedrijf
10 meter voor de aspecten geluid, stof en gevaar. (afstand geur: 50 m. zie par. 4.10)
34 meter van de kuilplaten op Emmerseweg 11 tot de beeldbepalende boerderij; 47 meter van rand bouwvlak tot voorgevel nieuwe woningen. Zie tevens par. 4.9.4
Pagina 49 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Emmerseweg 9A
Fokken en houden van varkens Emmerseweg 12-14 Loonbedrijven b.o. > 500 m2 Emmerseweg 10 Paardenhouderij Lage Haghorst 8 Lage Haghorst 9 Lage Haghorst 2
30 meter (afstand geur 47 meter 100 m. zie par. 4.10) 50 meter 84 meter
30 meter (afstand geur 100 m. zie par. 4.10) Paardenhouderij 30 meter (afstand geur 100 m. zie par. 4.10) Fokken en houden van 50 meter (afstand geur varkens 200 m. zie par. 4.10) Fokken en houden van 50 meter (afstand geur varkens 200 m. zie par. 4.10)
260 meter 173 meter 182 meter 163 meter
57 m
34 m
182 m 47 m
163 m 84 m
Afbeelding 24 Afstanden planlocatie tot omliggende bedrijven
4.9.4 Afstand tot Emmerseweg 11 in relatie tot geluid Op de locatie Emmerseweg 11 is sprake van een gemengd bedrijf met rundvee, paarden en akkerbouw. Op basis van de VNG-publicatie is, in een gemengd gebied, sprake van een richtafstand van 10 m. Dagelijks komen op het bedrijf grote en zware machines zoals tractoren, aardappelrooiers en vrachtwagens. Recht tegenover het plangebied ligt de inrit en het erf van het bedrijf aan de Emmerseweg 11. Alhoewel er wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid is door de OMWB geadviseerd om daarom nader te motiveren waarom een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen is gewaarborgd. De inrit wordt daarbij akoestisch gezien als een zwaartepunt van een bedrijf. Op onderstaande afbeelding is de inrit van het bedrijf aan de zijde van de Emmerseweg weergeven. Het bedrijf heeft aan de achterzijde (Lage Haghorst) eveneens een inrit. Verkeersbewegingen van het bedrijf worden zo verspreid over de Emmerseweg en Lage Haghorst.
Pagina 50 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Ten opzicht van de inrit zijn de nieuwe woningen gelegen op 47 m afstand, gewaarborgd door de voorgevelrooilijn. Het boerderijpand is gelegen op 59 m afstand van de inrit. Gezien met de genoemde afstand ruimschoots de adviesafstand wordt behaald mag worden aangenomen worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Geluid afkomstig van de inrit binnen de inrichting wordt veroorzaakt door mobiele bronnen. Het Activiteitenbesluit sluit deze bronnen uit van toetsing, waardoor de inrichtinghouder niet beperkt wordt en kan worden in zijn bedrijfsactiviteiten. In onderstaand kader is een akoestische beoordeling gemaakt ten aanzien van een reële bedrijfssituatie op de rand van de inrichting Emmerseweg 11. Door het in de planregels opnemen van een voorwaardelijke verplichting die een geluidwering van minimaal 25 dB(A) op de voorgevel waarborgt kan voldaan worden aan onderstaand kader en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zekergesteld. De kortste afstand tussen de grens van de inrit en de meest nabijgelegen nieuwe woning is 47 meter. Middels de formule 10 LOG (4*Pi*r2) kan de afstandsreductie van het geluid worden bepaald.
In dit geval zullen piekgeluidniveaus maatgevend omdat transportbewegingen een korte verblijfsduur hebben en een grotere bedrijfsduurcorrectie, waardoor het rijden minder zal bijdragen in de totale geluidproductie van de inrichting. Voor piekgeluiden geldt een binnenniveau van 55, 50 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De afstandsreductie bedraagt met 47 meter 44,4 dB(A). Met een maximaal binnenniveau van 45 dB(A), een isolatie niveau van 25 dB(A) en een afstandsreductie van 44,4 dB(A) kan er ter hoogte van de inrit een piek ontstaan van (45+25+44,4) 114,4 dB(A) zonder dat het binnenniveau wordt overschreden. Normaal gesproken wordt er voor een piek van een tractor uitgegaan van 110 dB(A). Met een gevelisolatieniveau van 25 dB zal er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Kader: aanvullende akoestische beoordeling Envirospace
Afbeelding 25 Afstand tot gemengd bedrijf Emmerseweg 11: rundvee-, paarden- en akkerbouwbedrijf
Pagina 51 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
4.9.5 Afstand tot Emmerseweg 9A Op basis van de afstanden kan worden geconcludeerd dat de beoogde woningen enkel binnen de invloedssfeer van de varkenshouderij op Emmerseweg 9A zijn gelegen. Aan de adviesafstand van 30 meter ten aanzien van het aspect ‘geluid’ wordt voldaan. De afstand tussen het bouwvlak van de varkenshouderij en de beoogde woonbestemming bedraagt 47 meter. Op onderstaande afbeelding is de bestaande situatie inzichtelijk gemaakt ter plaatse van het bouwvlak van Emmerseweg 9A. Op de afbeelding is zichtbaar dat de (geluid producerende) bedrijfsactiviteiten zich op verdere afstand van het plangebied bevinden. De in- en uitrit van het bedrijf is op circa 77 meter gelegen en de stallen (geluid afkomstig van voerwagens, laden- en lossen mest) zijn gelegen op circa 114 meter. Op basis van de afstanden ten opzichte van de bestaande situatie kan derhalve geconcludeerd worden dat geen hinder is te verwachten bij de beoogde woningen op de planlocatie en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is daarbij tevens niet voorstelbaar dat het uiterste puntje van het bouwvlak gebruikt gaat worden voor milieubelastende activiteiten. Onder het Activiteitenbesluit is voor activiteiten zoals het opslaan van mest of voerplaten een minimale afstand van 50 meter vereist.
De woning Emmerseweg 11 is gelegen op circa 36 meter van het puntje van het bouwvlak van Emmerseweg 9A. Daarnaast dienen bouwwerken vanuit het bestemmingsplan op minimaal 15 meter van de as van de weg te komen staan. Een beperking in de ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijf Emmerseweg 9a op basis van de VNG-handreiking is tevens niet aan de orde gezien de woning Emmerseweg 11 korter is gelegen tot het bestemmingsvlak.
36 m
47 m
plangebied
114 m
77 m
Afbeelding 26 Afstand tot Emmerseweg 9a
Pagina 52 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
4.9.6 Conclusie Op basis van de adviesafstanden mag worden aangenomen dat omliggende bedrijven niet beperkt worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Tevens wordt voldaan aan de adviesafstand, of kan dit aanvullend gemotiveerd worden. Hierdoor is aangetoond bij realisatie van de beoogde nieuwe functie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening.
De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt in een gebied waarvoor de gemeente Hilvarenbeek op 17 december 2015 een Verordening geurhinder en veehouderij heeft vastgesteld. 4.10.1 Geurgevoelige objecten Binnen de het plangebied is sprake van vijf geurgevoelige objecten. Voor de bedrijfswoning en het boerderijgebouw geldt dat zij door de planontwikkeling na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een (andere) veehouderij (artikel 3 lid 2 Wgv). Voor de drie ruimte-voor-ruimtewoningen geldt dat het woningen betreft die na 19 maart 2000 worden gebouwd op een kavel die tot die tijd in gebruik was als veehouderij en waarvan de bouw in samenhang met de sloop en de buitenwerking stelling van de veehouderij plaatsvindt (artikel 14 Wgv).
4.10.2 Beoordeling ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Overeenkomstig de Wgv is met het beoogde plan sprake van geurgevoelige objecten onder artikel 3 lid 2 en onder artikel 14. Een eventuele uitbreiding van een veehouderij met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld hoeft hierdoor niet te toetsen aan de geurnorm van 10 odourunits, maar kan volstaan met een vaste afstand van 50 meter. In de omgeving van het plangebied zijn de veehouderijbedrijf op Emmerseweg 9A en Emmerseweg 11 gelegen binnen 50 meter afstand. Op onderstaande afbeelding is de afstand tot de omliggende agrarische bouwvlakken en de afstand van 50 meter inzichtelijk gemaakt.
Pagina 53 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
15m
Afbeelding 27 Afstand en hindercontour tot Emmerseweg 11
De contour rijkt over een zeer klein deel van het bouwvlak van het veehouderijbedrijf op Emmerseweg 9A. Dit veehouderijbedrijf wordt echter niet in ontwikkeling beperkt gezien dit bedrijf een afstand van 50 meter tot de woning Emmerseweg 11 moet aanhouden, welke is gelegen op 36 meter. De contour rijkt tevens over het deel van het bouwvlak aan de wegzijde van het veehouderijbedrijf op Emmerseweg 11. Theoretisch gezien kan dit bedrijf, ten aanzien van het aspect geurhinder veehouderijen, zeer beperkt worden gehinderd door het planvoornemen. Voor het bouwen van gebouwen (veestallen) dient een minimale afstand van 15 meter tot de as van de weg aangehouden te worden. Rekeninghoudende met deze minimale afstand doet de 50-meter contour geen afbreuk aan de bouwmogelijkheden op Emmerseweg 11. Ter plaatse van de halfopen loods (opslagbunker voer, grondstoffen en spuitplaats) op Emmerseweg 11 rijkt de contour voor circa 2 meter over de halfopen loods (halfopen loods staat op circa 48 meter afstand van de gevel van het dichtst gelegen geurgevoelige object zijnde het boerderijgebouw). Gezien er al sprake is van een bestaand gebouw, welke eveneens al staat op een minimale afstand van 15 meter tot de as van de weg (fietspad), zijn er geen bouwmogelijkheden meer binnen de 50-meter contour.
Tevens zal op basis van het bestemmingsplan 3 meter tot de bouwperceelsgrens aangehouden moeten worden bij een nieuw gebouw. Daarnaast is het niet voorstelbaar dat binnen de 50-meter contour wordt voorzien in een dierenverblijf. Op het deel aangeduid met “bestaande voorzieningen” op Emmerseweg 11 mogen enkel de ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied in 2014 aanwezige voorzieningen aanwezig zijn (kuilvoerplaten). Onderhavige planontwikkeling hindert daarmee dat deel van het bouwvlak niet omdat het realiseren van dierverblijven of mestopslagen hier dus niet mogelijk is, reeds op basis van het huidige bestemmingsplan ter plaatse.
Pagina 54 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Ten aanzien van het voorgaande mag worden aangenomen dat omliggende veehouderijbedrijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld niet onevenredig worden gehinderd door het planvoornemen. 4.10.3 Beoordeling ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met vee waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Overeenkomstig de Wgv is met het beoogde plan sprake van geurgevoelige objecten onder artikel 3 lid 2 en onder artikel 14. Een eventuele uitbreiding van een veehouderij met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld dient in het buitengebied te toetsen aan een afstand van 50 meter. In de omgeving van het plangebied zijn de veehouderijbedrijf op Emmerseweg 9A en Emmerseweg 11 gelegen binnen 50 meter afstand. Op de locatie Emmerseweg 9A worden geen dieren gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Op de locatie Emmerseweg 11 worden 4 paarden gehouden in het gebouw achter de bedrijfswoning. Zoals reeds in de vorige paragraaf is beoordeeld, is het gezien de minimale overschrijding van 2 meter, niet voorstelbaar dat binnen de 50-meter contour wordt voorzien in een dierenverblijf. Hierdoor mag worden aangenomen dat omliggende veehouderijbedrijven met dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld niet onevenredig worden gehinderd door het planvoornemen.
4.10.4 Uitgangspunten woon- en leefklimaat planlocatie In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 2: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. Pagina 55 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
In de omgeving van de planlocatie zijn met name de veehouderijen Lage Haghorst 4 en Emmerseweg 11 dominant, zie onderstaande afbeelding.
Dieren zonder geuremmissiefactor
Lage Haghorst 4 37.490 Ou/s
Fout web-bvb
Emmerseweg 11 34.888 Ou/s
planlocatie
Emmerseweg 9A 12.436 Ou/s
Dieren zonder geuremmissiefactor