12 bp Emmerseweg 16 (7 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
Veestand geheel ingetrokken Veestand geheel ingetrokken
Dieren zonder geuremmissiefactor Dieren zonder geuremmissiefactor
Afbeelding 28 Uitsnede veehouderijbedrijvenkaart Provincie Noord-Brabant met omliggende veehouderijen
Voor de veehouderij op Lage Haghorst 4 is op 1 april 2014 een omgevingsvergunning verleend met een geuremissie van 10.332 Ou/s gebruikmakende van een gecombineerd luchtwassysteem. Gezien de emissiefactoren voor dergelijke systemen zijn bijgesteld is heden ten dage sprake van een emissie van 37.490. Echter gezien de veehouderij wordt gesaneerd is de veehouderij niet verder meegenomen in deze beoordeling. Voor de veehouderij op Emmerseweg 11 is op 26 februari 2014 een milieuvergunning verleend voor het houden van 980 vleeskalveren en 4 paarden, zie onderstaande afbeelding. Het bedrijf heeft daarmee een vergunde geuremissie van 34.888 Ou/s.
Pagina 56 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 29 Vergunde situatie Emmerseweg 11
Om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is een geurberekening uitgevoerd ten aanzien van de voorgrondbelasting voor het bedrijf Emmerseweg 11 en is een geurberekening voor de achtergrondbelasting (bedrijven binnen 2 km) uitgevoerd. Voor beide berekeningen zijn onderstaande receptorpunten op het plangebied aangehouden. Wanneer de voorgrondbelasting meer dan 50% is van de achtergrondbelasting is de voorgrondbelasting bepalend voor het woon- en leefklimaat.
receptorpunt 1
receptorpunt 2 receptorpunt 3
receptorpunt 4
receptorpunt 5 receptorpunt 6
receptorpunt 7 receptorpunt 8
receptorpunt 9
receptorpunt 10
Afbeelding 30: Overzicht rekenpunten
Pagina 57 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Doordat de geurbelasting naar de omgeving kan worden berekend, is voor iedere locatie te beoordelen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor zijn de geurnormen uit de gemeentelijke geurverordening en/of de bijbehorende contouren niet van belang (vaste jurisprudentie na uitspraak Laarbeek 200900801/1/R3). Geurnorm buitengebied De geurnorm van 10 ou/E die geldt in het buitengebied van Hilvarenbeek is, gezien de jurisprudentie, niet van toepassing op de nieuwe woningen. Deze norm is uitsluitend van toepassing bij de beoordelingen van nieuwe milieuvergunningen van veehouderijbedrijven om noujuist de achtergrondbelasting van geur in een gebied omlaag te krijgen. De gemeente Hilvarenbeek heeft geen geurgebiedsvisie opgesteld voor geurgevoelige objecten bij ‘ruimtelijke ontwikkelingen’. In beginsel is het daarbij voorstelbaar om aan te sluiten bij de landelijke norm voor het buitengebied in een concentratiegebied van 14 ou/E (25% geurgehinderden). 4.10.5 Voorgrondbelasting Emmerseweg 11 De voorgrondbelasting is voor de veehouderij Emmerseweg 11 middels onderstaande gegevens berekend op basis van de vergunde situatie gezien het bedrijf niet kan worden beperkt in zijn ontwikkeling door het planvoornemen op basis van de depositie van odourunits, maar enkel de vaste afstand van 50 meter relevant is.
Pagina 58 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Uit de voorgaande berekening blijkt dat sprake is van een voorgrondbelasting van maximaal 13,2 ou/E op de nieuwe woningen. 4.10.6 Voorgrondbelasting Emmerseweg 9A De voorgrondbelasting is middels onderstaande gegevens berekend op basis van de vergunde situatie gezien het bedrijf niet kan worden beperkt in zijn ontwikkeling door het planvoornemen op basis van de depositie van odourunits, maar enkel de vaste afstand van 50 meter relevant is.
Pagina 59 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Uit de voorgaande berekening blijkt dat sprake is van een voorgrondbelasting van maximaal 4,8 ou/E. Dit is een ‘redelijk goede’ leefkwaliteit op basis van de Handreiking en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.10.7 Achtergrondbelasting Enkel indien de voorgrondbelasting minder dan 50% van de achtergrondbelasting betreft, is de achtergrondbelasting bepalend voor het bepalen van het woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting is berekend middels het rekenprogramma V-Stacks Gebied. De invoergegevens zijn opgenomen in de bijlage. Uit de berekening van de achtergrondbelasting op de receptorpunten blijkt dat conform de Wgv sprake is van minder geurgehinderden (%) dan in bij de voorgrondbelasting. Op basis van de achtergrondbelasting zou sprake zijn van een ‘redelijk goed’ tot ‘matig’ woon- en leefklimaat. Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1 141963.0 388692.0 28.000 11.990 2 141958.0 388683.0 28.000 11.970 3 141936.0 388676.0 28.000 13.935 4 141930.0 388664.0 28.000 14.590 5 141935.0 388636.0 28.000 13.816 6 141925.0 388624.0 28.000 14.515 7 141924.0 388608.0 28.000 14.842 8 141913.0 388598.0 28.000 14.151 9 141908.0 388584.0 28.000 14.121 10 141901.0 388574.0 28.000 13.941 Uit de voorgaande berekening blijkt dat sprake is van een achtergrondbelasting van maximaal 14,8 ou/E.
De eerder berekende voorgrondbelasting bedraagt meer dan 50% van de achtergrondbelasting en is daarmee bepalend voor het woon- en leefklimaat.
Pagina 60 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
4.10.8 Discussie en afweging woon- en leefklimaat planlocatie Op de nieuwe woningen is de voorgrondbelasting van Emmerseweg 11 het meest relevant. De voorgrondbelasting gemeten op de voorgevels van alle gevoelige objecten varieert van 9,3 tot 13,2 ou/E. Het aantal geurgehinderen varieert hiermee van 19% tot 24%. Het aantal geurgehinderden blijft hiermee onder de 25% (landelijke norm voor buitengebied). De Handreiking bij de Wgv stelt dat behalve het percentage geurgehinderden, ook het absolute aantal geurgehinderden van belang is. Bescherming van de bebouwde kom heeft meer effect op het absolute aantal gehinderden dan bescherming van het buitengebied. Bijvoorbeeld: 25% hinder in een gebied met 10 inwoners betekent dat 2 à 3 mensen hinder ondervinden, terwijl 25% hinder in een gebied met 1.000 inwoners betekent dat 250 mensen hinder ondervinden. Voor onderhavig plan betekent dit dat potentieel theoretisch de bewoners van afgerond 1 woning op het gehele plan geurhinder kunnen ondervinden. Tevens wordt door het plan niet de 30% geurgehinderen-grens overschreden en wordt ruimschoots onder de grens van 19,4 odour units gebleven in gevolge de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 september 2022.
De rechtbank neemt hierbij als uitgangspunt de milieukwaliteitscriteria die het RIVM in zijn rapportages voor geurhinder hanteert (bijlage 6 en 7 bij de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij). Op basis van deze criteria kwalificeert een geurbelasting vanaf 19,4 ou/m³ tot 25,3 ou/m³ als ‘zeer slecht’ en hoger dan 25,3 ou/m³ als ‘extreem slecht’. Een geurnorm van 19,4 ou/m³– die maar liefst ongeveer vier maal de (maximale) geurnorm in industriegebieden bedraagt – is volgens de rechtbank de grenswaarde om te bepalen of er sprake is van een acceptabel hinderniveau. Om de gewenste transitie in het gebied mogelijk te maken, een veehouderij te saneren en daarmee een afname van geur in het gebied te bewerkstelligen is de tegenprestatie in de vorm van de realisatie van woningen door het bevoegd gezag af te wegen. Het uitgangspunt is dat men streeft om het leefklimaat zo goed als mogelijk te laten zijn. Verschillende afwegingen zoals eventueel andere locaties, andere indeling van het plan, economische haalbaarheid en noodzakelijkheid zijn in onderhavig plan hierbij afgewogen waarbij is gekomen tot voorliggend plan. Een andere locatie voor de beoogde woningen is niet haalbaar gezien initiatiefnemer geen eigen gronden heeft in de aangewezen bebouwingsconcentraties in gemeente Hilvarenbeek.
Een andere indeling van het plan, zal gezien de korte afstand tot de naastgelegen veehouderij, niet tot een wezenlijk andere geurbeleving leiden. Onderhavig plan is in opzet economisch haalbaar en noodzakelijk voor de gewenste gebiedsontwikkeling met afname geur, fijn stof en endotoxine tot gevolg. Aanvullend dient vermeld te worden dat door het college een positief principebesluit genomen is op voorgestelde planopzet. 4.10.9 Conclusie Op de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op basis van de berekende voor- en achtergrondbelasting en gehanteerde landelijke uitgangspunten. Tevens worden omliggende veehouderijbedrijven niet onenvenredig in hun ontwikkeling aangetast. Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg. 4.11 Volksgezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening.
Pagina 61 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten.
De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Binnen 500 meter van de planlocatie zijn drie varkenshouderijen gelegen, te weten Emmerseweg 9A (jaarlijkse fijnstofemissie: 102,69 kg.), Lage Haghorst 4 (91,51 kg/jaar) en Lage Haghorst 15 (109,9 kg). Binnen 1 kilometer is geen pluimveehouderij gelegen. In onderstaand overzicht is de minimale afstand tot de varkenshouderijen berekend.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. Veehouderij adres Soort veehouderij Werkelijke afstand PM10(kg/jaar) Berekende minimale afstand Veehouderij Soort veehouderij Werkelijke Berekende minimale afstand Emmersewegadres 9a Varkenshouderij 77 afstand PM10(kg/jaar) 102,69 47 Emmerseweg Varkenshouderij 77 102,69 47 Lage Haghorst 9a 4 57 91,51 40 Lage Haghorst 15 4 Varkenshouderij 57 91,51 40 330 109,9 51
4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van Pagina 62 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een nieuwe wooneenheid. Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig: • • • • • • • • •
Groot Loo 13 Hilvarenbeek (3,2 km) Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (2,7 km) Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (2,9 km) Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (4 km) Tuldensedijk 7 Esbeek (3,7 km) Hoekje 9 Haghorst (1,4 km) Esbeeksedijk 4 Haghorst (2,8 km) Frankenstraat 2 Haghorst (2,7 km) Ontginningsweg 15 Haghorst (1,5 km)
De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij tot het plangebied bedraagt circa 730 meter (Frankenstraat 2). Dit is buiten een straal van 250 meter. De geitenhouderij op Ontginningsweg 15 is gelegen op circa 1,4 kilometer. De geitenhouderijen op Hoekje 9 en Ontginningsweg 15 zijn gelegen binnen 2 km, maar buiten de 1 km zone. Overige geitenhouderijen zijn ruim verder dan 2 kilometer van de planlocatie gelegen. Tussen de wooneenheden en de geitenhouderij zijn meerdere woningen gelegen met een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Tevens is op locatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zowel op basis van geur als op endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Het plan ziet er op toe dat een veehouderij-locatie met veel fijnstof wordt weggenomen, waardoor eveneens toekomstige nadelige gezondheidseffecten worden weggenomen. Tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderij meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. En voor overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Uit toetsing aan het stappenplan blijkt dat enkel niet voldaan kan worden aan stap 5a, daar geitenhouderijen binnen 2 km tot het plangebied zijn gelegen. Aan de overige stappen kan worden voldaan. Indien niet voldaan kan worden aan stap 5, besluit het bevoegd gezag of de gezondheidssituatie aanvaardbaar is, waarbij het de mogelijkheid heeft om een advies bij de GGD op te vragen en de resultaten van deze beoordeling kan betrekken. Omdat wel aan stap 5b (geen pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten) en 5c (geen overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom) en gelet op de ruime afstand tot de geitenhouderijen, wordt het opvragen van advies bij de GGD niet noodzakelijk geacht. De gezondheidssituatie binnen het plangebied wordt in relatie tot veehouderijen aanvaardbaar geacht. De geitenhouderijen liggen op ruime afstand van het plangebied. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe Pagina 63 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute, de A58 gelegen op circa 4,3 kilometer (in verband met het vervoer van toxische stoffen geldt een invloedsgebied op de A58 van 4 kilometer). De overige risicobronnen in de omgeving zijn: - DPO-leiding (op ca. 1,3 km.) - PRB-leiding (op ca. 2,2 km.) De planlocatie is gelegen buiten de veiligheidsafstanden. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.
Pagina 64 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 31 Uitsnede Risicokaart.nl
Beoordeling De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron, buisleiding en/of transportroute. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden. 4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.
Pagina 65 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.
Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Voor woningbouwlocaties wordt in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen beschouwd als NIBM. Indien het planinitiatief wordt vergeleken met een uitbreiding van 1500 nieuwe woningen kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg.
Pagina 66 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Deze beredenering wordt tevens ondersteund door onderstaande berekening met de NIBM-tool, waarbij de verkeersgeneratie van 8 voertuigbewegingen per woonkavel is aangehouden. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
40
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,03
PM10 in μg/m3
0,01
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Conform onderstaande actuele pm10 en pm2,5 kaart is ter plaatse van de planlocatie sprake van een range die de normen van pm10 respectievelijk pm2,5 niet overschrijdt. Gezien het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt wordt geen verslechtering van het woon- en leefklimaat aangaande luchtkwaliteit verwacht.
Afbeelding 32 Pm2,5 kaart: concentratie van 11 microgram
Pagina 67 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Afbeelding 33 Pm10 kaart: concentratie van 18-19 microgram
4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Pagina 68 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld.
Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage wordt onder categorie D11.2 gesproken over de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het onderhavig plan voorziet in de realisatie van 3 ruimte-voor-ruimte woningen binnen een relatief kleine omvang binnen een bebouwingsconcentratie. Tevens vindt een functiewijziging plaats binnen bestaande bouwvormen en wordt circa 3.000 m² aan bedrijfsbebouwing gesloopt. Mede gelet op de uitspraak: uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1879 kan hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en omvang, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Derhalve wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie niet noodzakelijk.
Pagina 69 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r.
Pagina 70 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. Daarbij dienen de volgende bestemmingsplannen als basis voor het onderhavige plan: - ‘Buitengebied’ (vastgesteld 13-3-2014) - ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan’ (vastgesteld 7-3-2018) - ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018 (vastgesteld 8-11-2018)
Pagina 71 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en Gemeente Hilvarenbeek draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van eventuele planschade. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Pagina 72 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het ontwerp bestemmingsplan dient te worden voorgelegd aan het waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant. De vooroverlegreactie van beide organisaties is verwerkt in onderhavige toelichting. 7.2 Omgevingsdialoog Alle naastgelegen buren en bedrijven zijn uitgenodigd voor een omgevingsdialoog op locatie. Een verslag hiervan is overgelegd aan de gemeente Hilvarenbeek. 7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord.
De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavig hoofdstuk.
Pagina 73 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst
BIJLAGEN Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan woonboerderij Bijlage 2 Landschappelijk inpassingsplan ruimte-voor-ruimte- en voormalige bedrijfswoning Bijlage 3 Beeldkwaliteitsplan Bijlage 4 LIR-berekening gemeente Hilvarenbeek Bijlage 5 Redegevende omschrijving met waardestelling woonboerderij Bijlage 6 Rapportage Quickscan Flora en Fauna Bijlage 7 Geluidsonderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 8 Broninput geurberekening achtergrondbelasting Bijlage 9 AERIUS verschilberekening Bijlage 10 Advies monumentencommissie Bijlage 11 Ontwikkelingsrichting landelijk gebied Bijlage 12 Toetsingsformulier bouwtitels Bijlage 13 bouwtitel regulier voor 0,26 deel vanuit de ORR Bijlage 14 maatwerktitel beeldbepalende boerderij ORR Bijlage 15 Beoogde beeldkwaliteit boerderij Bijlage 16 Verzoek tot intrekken omgevingsvergunning milieu voor houden van vee Bijlage 17 Gemeentebreed stikstofonderzoek Bijlage 18 Nota beantwoording zienswijze Bijlage 19 Nota ambtshalve wijzigingen
Pagina 74 van 74 Bestemmingsplan Emmerseweg 16 Haghorst