12 bestemmingsplan Vossenhol ong. (naast nr. 10), Biest-Houtakker (4 toelichting incl bijlagen)
Tekst van het document
Daarbij dient te worden voldaan aan het parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018. Daarin is opgenomen dat bij functiewijzigingen dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Vanuit de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van kennisplatform CROW is voor vrijstaande woningen in de bebouwde kom een parkeernorm van minimaal 1,9 parkeerplaatsen opgenomen. Dit houdt in dat per woning afgerond minimaal 2 parkeerplaatsen nodig zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar burgerwoning. Dit betreft echter een bestaande woning, waarbij reeds voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. De parkeerbehoefte verandert niet ten aanzien van deze woning. Daarnaast wordt een twee-onder-één-kap woning opgericht. Daarbij dienen op basis van de parkeernormen minimaal 4 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Op de locatie is ruim voldoende gelegenheid om per woning 2 auto's en in totaal meer dan 4 auto's kwijt te kunnen. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein daarmee ruim voldoende gelegenheid zijn en zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf in ruil voor het oprichten van twee burgerwoningen, welke zullen worden opgericht in de vorm van één twee-onder-één-kap woning. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen, maar juist afnemen. Er is immers geen aan- en afvoer van voer, melk en dieren meer nodig. Daarnaast is geen sprake meer van bedrijfsmatig transport met vrachtverkeer en landbouwverkeer. Gezien het aantal verkeersbewegingen zal afnemen zal sprake zijn van een verbeterde situatie ten aanzien van verkeer.
4.5
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop 48
een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip "waterhuishouding" breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.
4.5.1 Beleid Rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provinciaal beleid Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant.
In de omgevingsvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: voldoende water voor mens, plan en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Beleid waterschap, Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen.
Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, 49
spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. Nog meer dan voorheen, is aanpassing aan de veranderende leefomgeving en het zoeken naar nieuwe oplossingen en antwoorden nodig. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan kunnen oplossingen worden gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit kan worden bereikt. Meer dan voorheen wordt daarbij ingezet op: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.
van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit 50
hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters.
Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor ¼ betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder "nieuw verhard oppervlak" wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken.
4.5.2 Waterhuishoudkundige gebieden Beekdalen en reserveringsgebied waterberging Binnen het werkgebied van het waterschap zijn, in de lagere delen van het landschap, beekdalen gelegen met aan de randen daarvan de hoger gelegen zandgronden. Omdat water van hoog naar laag stroomt is de beek daarom in het laagste deel van het beekdal gelegen. Echter kan in tijden van hevige neerslag water tijdelijk op het land naast de beek komen te staan. Het water in de beken heeft ruimte nodig om water tijdelijk te parkeren. Zo blijven steden en dorpen droog. Dit wordt waterberging genoemd. In de beekdalen gelden geen standaardnormen, omdat hier soms waterberging nodig is. Het waterschap hoeft hier niets te doen om wateroverlast te voorkomen. Ook niet voor gebouwen. Wel worden aanvullende gebieden aangewezen voor overstroming van de beekdalen. Binnen die aangewezen gebieden gelden dan aanvullende regels. In beginsel zijn hiervoor de volgende gebieden aangewezen: Regionale waterberging. Reservering waterberging. Over een deel van de locatie, aan de zuidzijde, is een gebied reservering waterberging gelegen. Binnen deze gebieden komt een overstroming gemiddeld eens per 100 jaar voor (vanuit het klimaatscenario in 2050), waarmee deze minder vaak overstromen.
Toch is het van belang hierbinnen voldoende ruimte te behouden voor waterberging, omdat het wenselijk is om in de toekomst ook voldoende ruimte te hebben voor waterberging in de beekdalen. Daarnaast is het van belang te voorkomen dat water schade kan veroorzaken aan gebouwen en/of bedrijven. Omdat er voor de reserveringsgebieden van het waterschap geen norm van toepassing is, wil dit zeggen dat er voor de waterbeheerder geen inspanningsverplichting geldt om maatregelen te nemen om een bepaald beschermingsniveau te (blijven) garanderen. Er vindt geen achteruitgang plaats, de status quo blijft van toepassing. Als er door projecten elders een verslechtering in het beschermingsniveau zou plaatsvinden moet dat gecompenseerd worden door de waterbeheerder. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.3) vindt met de voorgenomen ontwikkeling geen verslechtering plaats. Daarnaast is het reserveringsgebied voor waterberging alleen over het meest zuidelijke deel van de locatie gelegen, waarbinnen geen ontwikkelingen 51
plaatsvinden. Aanvullende compensatie is daarmee niet noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op het reserveringsgebied waterberging. Beschermingszone natte natuurparel Voor meer gevoelige gebieden in het kader van de waterhuishouding zijn de zogenaamde Attentiegebieden waterhuishouding aangewezen. Binnen deze gebieden strekt het beleid tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Binnen de attentiezone zijn onder andere de beschermingszones voor natte natuurparels opgenomen. Een deel van de locatie, met name het zuidelijke deel, is aangemerkt als een beschermingszone natte natuurparels. Het doel van deze gebieden is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. Bij het toelaten van functies die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding, geldt dat overleg met het waterschap nodig is.
Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen activiteiten plaats die van nadelige invloed zijn op de natte natuurparels. De werkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone. Daarnaast wordt de veehouderij beëindigd, waarmee er minder kans is op verontreinigingen van het oppervlakte- en/of grondwater. Ook zal het bebouwde oppervlak afnemen, wat de waterhuishouding ten goede komt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de natte natuurparels.
4.5.3 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf in ruil voor het oprichten van een nieuwe twee-onder-één-kap woning. Hierbij zal de bestaande bedrijfsbebouwing (een ligboxenstal en een mestopslag, worden gesloopt. In totaal zal de bebouwde en verharde oppervlakte afnemen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor ontwikkelingen tot 500 m² is geen aanvullende compensatie nodig. Voor ontwikkelingen tussen de 500 m² en 10.000 m² dient de rekenregel te worden toegepast om te bepalen hoeveel compensatie nodig is. Voor ontwikkelingen boven de 10.000 m² is maatwerk noodzakelijk.
De gemeente heeft echter een eigen (strenger) beleid ten aanzien van de verwerking van hemelwater. Het waterbeleid van de gemeente is opgenomen in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen uitbreidingen binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert voor compensatie bij ontwikkelingen buiten de bebouwde kom de volgende richtlijnen: Hemelwater dient bij nieuw verharde oppervlakken met meer dan 250 m² gematigd af te wateren op watergangen om zo wateroverlast te voorkomen. Bij een toename van verharde oppervlakken met meer dan 250 m² geldt de eis dat de hemelwaterafvoer moet voldoen aan de buffer die geldt bij een situatie T=10. Deze buffer bedraagt 35 mm per m² toename. Bij een toename van verharde oppervlakken met meer dan 250 m² moet bij het ontwerp van een bergingsvoorziening rekening te worden gehouden met een buffer van 60 mm en een tijd van maximaal 52
24 uur waarbinnen de voorziening weer is geledigd. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak afnemen. Echter stelt het beleid van de gemeente dat de aanleg van nieuwe verharde oppervlakken in zijn geheel in aanmerking moeten komen voor compensatie. Het slopen van bebouwing wordt daarbij niet meegerekend. Dit betekent dat de oppervlakte van de twee-onder-één-kap woning, de bijgebouwen en de erfverharding moet worden gezien als een toename van het verhard oppervlak op basis van het gemeentelijk beleid en dient derhalve te worden gecompenseerd volgens de hiervoor aangegeven uitgangspunten. De nieuwe woningen zullen een inhoud van maximaal 750 m³ krijgen. Dergelijke woningen hebben doorgaans een maximale oppervlakte van 150 m². Dit houdt in dat de twee woningen een totale oppervlakte van maximaal 300 m² zullen hebben. Daarnaast zal er maximaal 300 m² aan bijgebouwen worden opgericht (maximaal 150 m² per woning). Voor de ontsluiting van het perceel en de bereikbaarheid van en rondom de woningen zal nog maximaal 200 m² aan erfverharding worden aangelegd. Er is daarmee sprake van een maximale toename van het verhard oppervlak met 800 m². Op basis van de compensatieregels van het beleid van de gemeente dient per m² minimaal 60 millimeter te worden gecompenseerd. Bij een toename van 800 m² is daarmee een compensatie nodig van minimaal 48 m³ nodig.
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de woning op wordt geloosd. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
4.5.4 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.3) is voor de voorgenomen ontwikkeling minimaal 48 m³ aan compenserende waterberging nodig. Het is van belang dat de gewenste bergingsvoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt uitgevoerd, zodat het water ruimte heeft te infiltreren of vertraagd af te stromen naar het oppervlaktewater. Volgens gegevens uit de Bodematlas Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant bedraagt de GHG ter plaatse tussen de 80 en 100 centimeter onder het maaiveld (gemiddeld 90 centimeter onder het maaiveld). Infiltratie is doorgaans goed mogelijk wanneer de GHG op minimaal 50 centimeter onder het maaiveld is gelegen. Met een gemiddelde GHG ter plaatse van 90 centimeter onder maaiveld is infiltratie goed mogelijk. Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak ter plaatse zal door de initiatiefnemer ter plaatse van de huidige te slopen silo een bergingsvoorziening in de vorm van een poel/wadi worden gerealiseerd. Deze voorziening zal voldoende groot worden aangelegd om de gestelde capaciteit te kunnen bergen. Tevens zal deze worden voorzien van een overloop naar de gemengde riolering.
Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd. 53
54
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro.
In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Verder zal ook eventuele planschade in een deze overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Kern Biest-Houtakker" van gemeente Hilvarenbeek en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. 55
5.3
Handhaving
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Hilvarenbeek vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
5.4
Participatie
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een zorgvuldige dialoog met de omgeving gehouden. Daarbij zijn omwonenden en belanghebbenden op de hoogte gebracht van de plannen van de initiatiefnemer en daarbij in de gelegenheid gesteld om eventuele zorgen en/of aandachtspunten nader kenbaar te maken. Vanuit de gehouden dialoog met de omgeving zijn geen zorgen en/of aandachtspunten van omwonenden en/of belanghebbenden naar voren gebracht. De reacties tijdens de dialoog waren overwegend enthousiast. Daarmee heeft de voorgenomen ontwikkeling voldoende draagvlak vanuit de omgeving. Voor het verslag van de dialoog met de omgeving wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting. Vanwege privacy-overwegingen zijn de persoonsgegevens in het verslag onherkenbaar gemaakt.
5.5
Zienswijzen
In het kader van de ruimtelijke procedure volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het voorliggend plan van 24 november 2022 tot en met 4 januari 2023 als ontwerp ter inzage gelegen. Tijdens de termijn van ter inzage legging zijn twee zienswijzen ingebracht op het voorliggend plan. In deze paragraaf worden de ingekomen zienswijzen puntsgewijs samengevat en is opgenomen op welke wijze met de aangedragen punten is omgegaan.
5.5.1 Zienswijze waterschap De Dommel Op 19 december 2022 heeft het waterschap De Dommel op het voorliggende plan tijdens de ter inzage termijn van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze ingediend. Kort samengevat luidt de zienswijze als volgt: 1. Op de verbeelding is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Reserveringsgebied waterberging' opgenomen over het gehele plangebied. Vanuit de provinciale kaarten behorende bij de Interim Omgevingsverordening is dit gebied slechts over een deel van het plangebied gelegen. Het waterschap verzoekt de dubbelbestemming op de verbeelding in overeenstemming te brengen met het gebied zoals in de provinciale kaart is weergegeven. 2. Op de verbeelding is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone natte natuurparel' over het gehele plangebied gelegen. Vanuit de kaart behorende bij de Keur van het waterschap is dit gebied slechts over een deel van het plangebied gelegen. Het waterschap verzoekt ook deze dubbelbestemming op de verbeelding in overeenstemming te brengen met het gebied zoals in de kaart behorende bij de keur van het waterschap is weergegeven. 3. Het waterschap vindt de waterparagraaf wat aan de beknopte kant en verzoekt in de waterparagraaf nog meer informatie op te nemen over het meest recente water gerelateerde beleid van Rijk, provincie 56
en gemeente en over de hydrologische omstandigheden, waaronder de zones zoals zijn aangegeven met de dubbelbestemmingen en de redenen daarvoor. Voor het overige heeft het waterschap aangegeven te kunnen instemmen met het voorliggende plan. Met de zienswijze van het waterschap is als volgt omgegaan: 1. De verbeelding is hierop aangepast. De dubbelbestemming is overgenomen van de provinciale kaart behorende bij de Interim Omgevingsverordening. 2. De verbeelding is ook hierop aangepast. De dubbelbestemming is overgenomen vanuit de kaart behorende bij de keur van het waterschap. 3. De waterparagraaf (paragraaf 4.5) is hier mee aangevuld. Gezien het voorgaande is in voldoende mate tegemoet gekomen aan de zienswijze van het waterschap. De volledige beantwoording van de zienswijze en de daaruit volgende ambtshalve wijzigingen zijn nader omschreven in de "Nota van beantwoording zienswijzen" en de "Nota van ambtshalve wijzigingen", welke zijn opgenomen als bijlage 12 en 13 van deze toelichting.
5.5.2 Zienswijze bewoners Vossenhol 9a Op 10 december 2022 hebben de bewoners van de woning aan Vossenhol 9a, tevens eigenaars van een agrarisch bedrijf, op het voorliggende plan tijdens de ter inzage termijn van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze ingediend. Kort samengevat luidt deze zienswijze als volgt: Met betrekking tot de Nota woon- en leefklimaat die als bijlage 3 bij het voorliggende plan is opgenomen en de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) van het voorliggende plan: 1. Als de voorgrondbelasting meer is dan de helft van de achtergrondbelasting, dan is de voorgrondbelasting bepalend voor het percentage geurgehinderden in het kader van de afweging/beoordeling van het woon- en leefklimaat. Dat betekent ook dat het hinderpercentage moet worden afgeleid uit tabel B in plaats van tabel A. De voorgrondbelasting is namelijk bepalend. Dit volgt ook uit hetgeen is opgenomen in het rapport. 2. De doorvertaling van de resultaten van de geurberekeningen naar de conclusies in het kader van woonen leefklimaat kloppen niet. 3. Zowel in de provinciale verordening als het onderzoek dat de gemeente heeft uitgevoerd (geur en fijnstof in de gemeente Hilvarenbeek, onderzoek naar de belasting), waarin de gemeente aansluit op de landelijke en provinciale uitgangspunten, volgen waarden om de geurbelasting te beoordelen.
In het kader van de beoordeling van de milieukwaliteit voor woonkernen in het buitengebied geldt voor deze gebieden een percentage van maximaal 12% voor het aantal geurgehinderden binnen de bebouwde kom. De locatie maakt deel uit van de bebouwde kom van de kern Biest-Houtakker. Uit de geurberekeningen volgt dat de voorgrondbelasting tussen de 5,4 en 6,8 odeurunits per kubieke meter lucht bedraagt. Wanneer deze wordt vertaald naar de tabel met geurgehinderden dan is sprake van een percentage van meer dan 12%, waarmee geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zoals de gemeente dat voor ogen heeft in de bebouwde kom. 4. Op basis van de gemeentelijke geurverordening geldt een norm voor de voorgrondbelasting van maximaal 2 odeurunits per kubieke meter lucht met een bijbehorend percentage geurgehinderden van ongeveer 6%. Het bedrijf van de indiener van de zienswijze is zowel op voorgrond als achtergrond bepalend ten aanzien van de nieuwe woningen. Een maximaal percentage van 12% geurgehinderden is daarmee al hoger dan dat de gemeente voor de bebouwde kom heeft beoogd. De berekende geurbelasting op de woningen sluit daarmee niet aan bij de doelstellingen van de gemeente voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De nieuwe woningen zullen daarmee leiden tot extra burgers/personen die worden blootgesteld aan geurhinder als gevolg van het bedrijf van de indiener van de zienswijze. Dit leidt daarmee onherroepelijk tot verdere beperkingen van de agrarische bedrijfsvoering van de veehouderij van de indiener van de zienswijze. 5. De geurberekeningen zijn niet verifieerbaar, omdat de daarbij behorende bijlagen ontbreken. Met de zienswijze van de bewoners van de woning aan Vossenhol 9a en uitvoerders van het ter plaatse gevestigde bedrijf is als volgt omgegaan: 57
1. De constatering dat de voorgrondbelasting leidend is en tabel B gebruikt dient te worden klopt. In de notitie woon- en leefklimaat is ook gebruik gemaakt van tabel B, welke in het rapport is meegenomen. 2. In de notitie woon- en leefklimaat wordt vermeld dat de berekende waarde ten hoogste 6,8 OU/m³ bedraagt. Deze waarde correspondeert met een matig woon en leefklimaat. Het is inderdaad correct dat de doorvertaling van de berekende waarden niet geheel correct is. Naar aanleiding van de zienswijze zijn de geurberekeningen opnieuw uitgevoerd en is de notitie woon- en leefklimaat aangepast. Daarbij is dit punt gecorrigeerd. 3. Het bepalen van een acceptabel woon- en leefklimaat is een bevoegdheid van het college. De hier aangehaalde norm van 12% is een richtwaarde die volgt uit landelijke en provinciale wetgeving waarvan gemotiveerd door het College kan worden afgeweken. Het advies van de omgevingsdienst aan de gemeente is bij het bepalen van de hoogte van een acceptabel woon- en leefklimaat aan te sluiten bij eerdere vastgestelde woningbouwplannen in de gemeente en bij vergelijkbare woningbouwinitiatieven. Hiervoor dienen dan wel nieuwe geurberekeningen te worden gemaakt. Op basis van de zienswijze en het advies van de omgevingsdienst zijn nieuwe geurberekeningen gemaakt. Daarbij is tevens de notitie woon- en leefklimaat aangepast en aangevuld.
Daarbij is een nadere motivatie opgenomen voor het bepalen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarbij is aangesloten bij richtlijnen die zijn gebruikt bij andere, vergelijkbare woningbouwinitiatieven in de omgeving. 4. Door de reeds aanwezige en omliggende woningen op de adressen Vossenhol 9A, 9, 13 en 12 zijn de uitbreidingsmogelijkheden van de indiener van de zienswijze al ernstig beperkt. De nieuwe woningen die op de plaats van de rundveestal worden gebouwd liggen verder dan de reeds aanwezige woningen bij de veehouderij vandaan. De herbestemming van de bestaande bedrijfswoning levert geen grote of andere beperkingen op omdat er sprake is van een woning die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden onderdeel uit te maken van een veehouderij. De aangehaalde 12% volgt uit het ruimtelijke toetsingskader en speelt dus een rol bij dit bestemmingsplan. Het is geen toetsingsgrond voor de vergunningverlening in het kader van milieu. Daarom levert een overschrijding geen belemmering in de bedrijfsvoering van het bedrijf van de indiener van de zienswijze. 5. Het klopt inderdaad dat de bijlagen ontbraken. Deze zijn in de gecorrigeerde versie van de notitie woon- en leefklimaat toegevoegd.
Verder is op advies van de omgevingsdienst zowel de notitie woon- en leefklimaat (bijlage 3 van de voorliggende toelichting) als de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) van de voorliggende toelichting aangepast. Daarbij zijn nieuwe geurberekeningen gemaakt en is een vergelijking gemaakt met vergelijkbare woningbouwinitiatieven in de omgeving. Op basis van de aangepaste notitie woon- en leefklimaat met de daarbij behorende geurberekeningen is te concluderen dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd en dat het bedrijf van de indiener van de zienswijze niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt. Op basis van het voorgaande is daarmee in voldoende mate tegemoet gekomen aan de zienswijze van de bewoners van de woning aan Vossenhol 9a. De volledige beantwoording van de zienswijze en de daaruit volgende ambtshalve wijzigingen zijn nader omschreven in de "Nota van beantwoording zienswijzen" en de "Nota van ambtshalve wijzigingen", welke zijn opgenomen als bijlage 12 en 13 van deze toelichting.
58
Hoofdstuk 6 6.1
Wijze van bestemmen
Doel en reikwijdte
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.
het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
6.2
Onderdelen van een bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 59
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. 60
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
6.3
Voorliggend bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: 'Wonen', waarbij de functie wonen in een woning wordt neergelegd. 'Agrarisch', waarbij de functie voor het agrarisch gebruik van de gronden (zonder bedrijfsbebouwing) wordt neergelegd. Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden: Het bestemmingsvlak voor wonen zal met de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind tot een passende omvang bij een burgerwoningen en de daarbij behorende bijgebouwen. Dit is nader weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding.
De locatie zal worden voorzien van een aanduiding die ter plaatse twee wooneenheden in de vorm van een twee-onder-één-kap woning mogelijk maakt. De huidige om te schakelen bedrijfswoning zal worden voorzien van een aanduiding die een vrijstaande woning mogelijk maakt. Dit is nader weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
61
62
Bijlagen bij de toelichting
63
Bijlage 1
Situatietekening op schaal
64
Benaming:
Situatie
Schaal:
Formaat:
inrichtings tekening bestaand/nieuw
1:1000
A3
Opdrachtgever:
Situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal
Datum:
Mts Vingerhoets Vossehol 10 5084 HK Biest Houthakker Telefoon: 013-5051461
DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden
Mobiel:
E-mail:
Telefoon:
17-07-2018
+31 413 33 68 00 m.derooij@dlvadvies.nl
E-mail: Bouwlocatie:
Projectleider:
Vossehol 10 5084 HK Biest Houthakker
Telefoon: E-mail:
HvB
Wijzigingen:
Marcel de Rooij +31 6 20 43 91 07 m.derooij@dlvadvies.nl
A
E
B
F
C
G
D
H
Klantnummer:
224768
Werknummer:
M150117-91
Blad:
S10
Bijlage 2
Landschappelijk inrichtingsplan
66
Landschapsadvies
Vossenhol 10 te Biest Houtaker
In opdracht van: de heer Vingerhoets 11 februari 2020
Contact:
Laneco Mastbos 25 6718 HA Ede www.laneco.nl
Laneco is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Laneco noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Laneco is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Laneco. De opdrachtgever vrijwaart Laneco voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
Colofon © 2020 Laneco / de heer Vingerhoets Tekst en samenstelling: Ir. D. van Pijkeren Projectleiding:
Ir. D. van Pijkeren
Met medewerking van: Projectnummer:
18.84.03
In opdracht van:
de heer Vingerhoets
Wijze van citeren:
Pijkeren, D. van, 2020. Landschapsadvies Vossenhol 10 te Biest Houtakker. Laneco, Ede.
INHOUD 1
INLEIDING .......................................................................................................................................................................................... 4
1.1 1.2 1.3 2
AANLEIDING ............................................................................................................................................................................................................................................... 4
PLANLOCATIE EN VOORGENOMEN INGREPEN .................................................................................................................................................................................................... 5 OPBOUW RAPPORTAGE ................................................................................................................................................................................................................................ 5
LANDSCHAPPELIJKE ANALYSE ............................................................................................................................................................ 6
2.1 2.2
ONSTAAN .................................................................................................................................................................................................................................................. 6 HISTORISCHE ONTWIKKELING ......................................................................................................................................................................................................................... 7
3
KADERS UIT BELEID ............................................................................................................................................................................ 9
4
ANALYSE EN EFFECTEN ..................................................................................................................................................................... 11
4.1 4.2 4.3
GEBIEDSBESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE ........................................................................................................................................................................................................ 11
EFFECTEN OP HET LANDSCHAP ..................................................................................................................................................................................................................... 12 LANDSCHAPPELIJKE MAATREGELEN ................................................................................................................................................................................................................ 12
BIJLAGE 1
LITERATUURLIJST ............................................................................................................................................................ 15
1
INLEIDING 1.1 AANLEIDING Aan het Vossenhol 10 te Biest-Houtakker in de gemeente Hilvarenbeek, (provincie Noord Brabant) is men voornemens om de bestaande schuur en mestopslag te slopen om daar na ruimte te maken voor het plaatsen van een nieuwe vrijstaande woning.
Globale ligging plangebied met enkele indrukken van de huidige situatie (luchtfoto Google, foto’s Laneco) .
1.2 PLANLOCATIE EN VOORGENOMEN INGREPEN Het plangebied aan het Vossenhol 10 te Biest-Houtakker ligt in het agrarische buitengebied van Biest-Houtakker. De straat is beklinkerd, en loopt parallel aan de beek die het Spruitenstoompje wordt genoemd. Langs deze weg liggen de oude boerderijen tussen nieuwe panden, op hogere grond, aan wat ooit waarschijnlijk de rand van het beekdal was. Het plangebied hoort bij het woonhuis met schuur op het Vossenhol nummer 10 en bestaat uit een oude koeienstal met daarachter gelegen bassin. Aan de achterzijde ligt een zeer open agrarisch akkerbouwperceel tot aan de beek. De stal is een uit grotendeels uit hout opgetrokken stal met abc golfplaten dakbedekking. Alleen de westzijde is opgetrokken uit steen. De schuur is enkelwandig, en onder de golfplaten is geen dakbeschot aanwezig. De grond rondom de stal is aan drie zijden bestraat met aan de westkant een strook gras met enkele middelgrote bomen. Om de schuur heen ligt verder veel verharding. Achter de schuur ligt een mestbassin wat verhoogd ligt. De wal ervan is begroeid met klimop. De oevers van het bassin bestaan uit dik plastic, wat deels is overgroeid met klimop. In het plangebied is de sloop van de oude landbouwschuur en het mestbassin voorgenomen. In de plaats van deze bebouwing wordt een nieuwe woning opgericht.
1.3 OPBOUW RAPPORTAGE In hoofdstuk 2 wordt een landschapsanalyse uitgewerkt, waarbij eerst het historische perspectief, en als laatste het huidige perspectief/de huidige situatie wordt weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ingreep naast de landschapsanalyse gelegd om te bepalen of er effecten zijn, en op welke manier deze met maatregelen kunnen worden gecompenseerd.
LAN ECO Landschapsadvies Vossenhol 10 te Biest Houtakker
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
5
2
LANDSCHAPPELIJKE ANALYSE 2.1 ONSTAAN Biest Houtakker, of ook wel De Biest, is een kleine kern in de gemeente Hilvarenbeek, provincie Noord Brabant. Het waarschijnlijk uit de middeleeuwen stammende gehucht De Biest is tussen 600 en 1.000 na Christus gegroeid rond een driehoek - een zogeheten "biest". Deze was gelegen nabij de uitloper van een hogere zandrug, De Schijf. Over deze zandrug liep een belangrijke landweg die enkele steden verbond. Het dorp lag in de vroege middeleeuwen temidden van Woeste Grond, vaak bestaande uit heidegebieden, met plaatselijke bosjes en zandverstuivingen. In het noordwesten lagen in die tijd nog bossen. Ten zuidoosten lag het drassige beekdal langs het Spruitenstroompje. Langs het stroompje lag een lange strook kleine akkers, die deels werden bebouwd vanuit enkele boerderijen op de Vossenhol. In 1390 gaf Hertogin Johanna van Brabant aan de bewoners van de Biest het privilege om op de Gemeynt bomen te planten en te kappen waar de gemeenschap dat passend en nodig achtte. Er werd een bosje aangeplant tussen het Spruitenstroompje en de Vossenhol. Hierdoor kwam voor dit gebied de naam de Houtakker in gebruik, die later aan de naam Biest werd toegevoegd. (bron: Biest Houtakker.eu en www.heemkundigekringhilvarenbeek.nl). Uit deze twee bewoonde gebiedjes is het dorp Biest-Houtakker ontstaan.
Onderstaand volgt een beeld van de historische ontwikkelingen, waarbij de kaarten zijn gebruikte uit de bron Topotijdreis.nl.
LANECO
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
6
Landschapsadvies Vossenhol 10 te Biest Houtakker
2.2 HISTORISCHE ONTWIKKELING Rond 1850 zijn de eerste kaartbeelden beschikbaar waarop een gedetailleerd beeld van Biest verkregen kan worden. Er is dan sprake van een kleine vlek met wat gebouwen rond de Biest en een kleinschalige agrarisch ontginningslandschap om het dorp. Ter hoogte van het plangebied lijkt een wat groter dorp of een landschapsstructuur aanwezig te zijn, die niet te duiden is. Mogelijk betreft het het gehucht Houtakker.
Plangebied rond 1850 Een volgend beeld van het plangebied en haar omgeving stamt uit 1930. Ter hoogte van het plangebied is dan nog geen bebouwing aanwezig. Wel zijn verder oostelijk meerdere woningen aanwezig. Het agrarische gebied is al wel weer veel verder ontgonnen. Ook is het kanaal reeds aanwezig. De intensieve structuur die in 1850 te zien was, is niet meer op deze kaart aanwezig.
Plangebied rond 1930
LAN ECO Landschapsadvies Vossenhol 10 te Biest Houtakker
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
7
Vele jaren later, in de jaren 80 van de vorige eeuw, is de schuur in
het
plangebied
net
gebouwd.
Ook
is
dan
de
omgevingsstructuur met wegen en bebouwing al hoe die nu ook is. Alle agrarische percelen in de omgeving zijn duidelijk geheel ontgonnen en verkaveld
Plangebied in 1981
In 2009 is de voorgenoemde bebouwing in het plangebied zijn de huidige structuren nog verder uitgebreid met bebouwing, sportvelden e.d.. De oude wegenstructuren zijn echter nog steeds goed zichtbaar en vormen de hoofdstructuur. Wel is her en der sprake geweest van herverkavelingen.
Plangebied in 2009 LANECO
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
8
Landschapsadvies Vossenhol 10 te Biest Houtakker
3
KADERS UIT BELEID De provinciale regelgeving, zoals vastgelegd in de Verordening ruimte, wordt door de gemeente Hilvarenbeek onderschreven in haar beleid, het bestemmingsplan, en de praktische uitwerking ervan. Deze praktische uitwerking is nader verwoord in de Ontwerpwijzer; een methode voor landschappelijke inpassing van boerderijen. De gemeente stelt dat “Landschappelijk inpassen in essentie afhankelijk is van de plek waarover het gaat” Het bestemmingsplan buitengebied vraagt om een kwaliteitsverbetering voor landschap bij ruimtelijke planvorming (bestemmingsplan buitengebied gemeente Hilvarenbeek). Gedoeld wordt waarschijnlijk onder andere op de volgende artikelen uit de verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant: Artikel 3.1: Zorgplicht voor Ruimtelijke Kwaliteit: -
De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat: het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;
Artikel 3.1.3 -
Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat: in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden.
3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap: 1) Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving;
LAN ECO Landschapsadvies Vossenhol 10 te Biest Houtakker
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
9
2) De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording: A) van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd; B) dat de in het eerste lid bedoelde verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied. 3) De in het eerste lid bedoelde verbetering kan mede betreffen: A) de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van deze verordening; B) het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; C) activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; D) het wegnemen van verharding; E) het slopen van bebouwing; F) een fysieke bijdrage aan de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones. 4) Indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg.