12 bestemmingsplan Vossenhol ong. (naast nr. 10), Biest-Houtakker (4 toelichting incl bijlagen)
Tekst van het document
Voor dergelijke inrichtingen geldt een maximale richtafstand (voor geluid) van 50 meter. Het betreffende complex is, gemeten van de plaats van de gewenste woningen tot de bestemmingsgrens van het veldsportcomplex, gelegen op een afstand van ongeveer 60 meter. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee de betreffende sportvoorziening niet in de mogelijkheden zal worden beperkt. Voor zowel de nieuwe woningen als de om te schakelen bedrijfswoning dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te worden geborgd. Hiertoe zijn de verschillende aspecten getoetst op zowel de nieuwe woningen als de om te schakelen bedrijfswoning. Uit de notitie woon- en leefklimaat, welke is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting, blijkt dat op alle woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen omliggende functies en bedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden zullen worden beperkt. 29
4.1.2 Geur Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf in ruil voor de ontwikkeling van twee woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning (burgerwoningen) en de omschakeling van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Een burgerwoning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf zal de voorgenomen ontwikkeling juist eerder leiden tot een verbetering van de situatie ten aanzien van geur in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten, aangetoond te worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor moet worden voldaan aan de vaste afstanden van de Wet geurhinder en veehouderij. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 ophoudt deel uit te maken van een andere veehouderij, in deze de bedrijfswoning aan Vossenhol 10, tenminste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen en 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen.
Op grond van artikel 14 van de Wet geurhinder en Veehouderij bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd, a) op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, b) in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en c) in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, in deze de nieuw op te richten woning tussen Vossenhol 6a en Vossenhol 10, ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen en 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen. Deze minimum afstand van het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de ruimte voor ruimte woning, geldt voor alle diercategorieën (met en zonder geuremissiefactor). De directe omgeving van het plangebied is te typeren als een kern en een gebied dat gelegen is binnen de bebouwde kom. De dichtstbijzijnde veehouderij van derden, betreft de varkens-rundveehouderij aan de Vossenhol 11. Allereerst is gekeken naar de maximaal planologische mogelijkheden. Daarbij dient de vraag gesteld te worden of het voor het bedrijf aan de Vossenhol 11 mogelijk is om op kortere afstand van het plangebied aan de Vossenhol 10 uit te breiden met dierverblijven. Aan weerszijden van Vossenhol 11 zijn beide burgerwoningen, Vossenhol 9a en Vossenhol 13, gelegen.
Ten aanzien van deze beide woningen dient ook een vaste afstand van 100 meter in acht te worden genomen. Door de kortere afstand van deze woningen, respectievelijk 58 meter en 13 meter tot het meest dichtbij gelegen emissiepunt van de veehouderij aan Vossenhol 11 is de woning aan Vossenhol 13 beperkend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf en heeft het bedrijf reeds haar maximaal planologische mogelijkheden bereikt. Voor de beoordeling van de vaste afstand mag derhalve getoetst worden aan de feitelijke situatie. De afstand van het meest dichtbijgelegen emissiepunt van een dierenverblijf tot aan de gevellijn van de nieuw te bouwen woningen bedraagt 80 meter en tot aan het bouwvlak van de voormalige bedrijfswoning aan Vossenhol 10 54 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de vaste afstand. Echter heeft de gemeente Hilvarenbeek een geurverordening vastgesteld waarin is vastgelegd dat de minimale afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een gevoelig object binnen de bebouwde kom, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, minimaal 50 meter moet bedragen. Zoals in het voorgaande aangegeven wordt aan deze afstand voldaan. Echter omdat het bedrijf aan de Vossenhol 11 ook dieren met een geuremissiefactor houdt, moet de geurbelasting in beeld worden gebracht met een berekening van de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een notitie opgesteld voor het woon- en leefklimaat. Daarin is eveneens de geurbelasting meegenomen en berekend. Uit de opgestelde notitie woon- en leefklimaat, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting, blijkt voor het 30
aspect geur het volgende: Aan het afstandscriterium wordt voldaan. Wat betreft de voorgrondbelasting op het plangebied is de veehouderij aan de Vossenhol 11 in Biest Houtakker maatgevend. De rechten van geen van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied worden aangetast omdat het voornemen voor geen van de bedrijven tot extra belemmeringen leidt. De locatie was vanuit het huidige ook al aan te merken als geurgevoelig object. De voorgrondbelasting (6,8 ouE/m³) voldoet aan een redelijk goede milieukwaliteit en laat zich kwantificeren als passend voor de omgeving. De achtergrondbelasting (8,3 ouE/m³) voldoet aan een redelijk goede milieukwaliteit en laat zich kwantificeren als passend voor de omgeving. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in één nieuwe twee-onder-één-kap woning, in totaal daarmee dus in twee nieuwe woningen. Voor woningen geldt dat deze worden gezien als een NIBM-project wanneer sprake is van niet meer dan 1.500 nieuwe woningen als sprake is van één ontsluitingsweg en niet meer dan 3.000 woningen als sprake is van minimaal twee ontsluitingswegen. Gezien sprake is van één woning wordt de NIBM-grens niet overschreden, waarmee sprake is van een NIBM-project.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen zal door de beëindiging van de veehouderij ter plaatse eerder afnemen. Hiermee zal de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen niet toenemen, maar eerder afnemen, en valt onder de noemer NIBM. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden. De uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden zal, gezien de beëindiging van het agrarisch bedrijf ter plaatse, juist eerder afnemen. 31
Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient, wanneer sprake is van een nieuw gevoelig object, te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De landelijke norm voor een goed woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit bedraagt 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor wat betreft de achtergrondconcentratie van fijnstof. Vanuit de provincie Noord-Brabant geldt een norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 31,2 µg/m³. Volgens gegevens uit de Atlas voor de Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de resultaten uit de NSL-monitoringstool zijn opgenomen, bedraagt de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse ongeveer 18,2 µg/m³ en die van stikstofoxiden ongeveer 18,5 µg/m³. Dit is ruim onder de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee gesteld kan worden dat ter plaatse op het gebied van luchtkwaliteit sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De achtergrondconcentratie fijnstof en stikstofoxiden zal daarnaast met de voorgenomen ontwikkeling, gezien sprake is van beëindiging van een veehouderij, alleen maar afnemen waarmee juist sprake zal zijn van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof, Atlas voor de Leefomgeving. Bron: RIVM.
32
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden, Atlas voor de Leefomgeving. Bron: RIVM. Tevens is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een notitie woon- en leefklimaat opgesteld. Hierin zijn eveneens de concentraties aan fijnstof en stikstofoxiden meegenomen en berekend. Uit de notitie woon- en leefklimaat, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting, blijkt voor het aspect luchtkwaliteit dat de hoogste achtergrondconcentratie op de woningen 15,6 µg/m³ bedraagt, waarmee ruimschoots aan de norm van 31,2 µg/m³ kan worden voldaan.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende 33
voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen, maar juist afnemen. Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk.
Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. De betreffende woning is reeds in gebruik als woning en blijft in gebruik als woning. Feitelijk is er daarmee geen sprake van een nieuw gevoelig object. Tevens is de locatie gelegen aan een 30 km/u weg, wat in het kader van de Wet geluidshinder is aan te merken als een zogenaamde "groene zone". Gezien sprake is van een bestaande woning in een zogenaamde "groene zone" is voor de om te schakelen woning geen nader onderzoek nodig naar verkeerslawaai op de gevel(s) van de om te schakelen woning. Ten aanzien van het bedrijf aan de overzijde van het Vossenhol, het bedrijf op nummer 11, wordt in de huidige situatie reeds aan de normen voor geluid voldaan. Het betreffende bedrijf op nummer 11 moet immers voldoen aan de normen zoals gelden vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer en/of de Wet milieubeheer. Daarbij moet het bedrijf op de bestaande woningen (zowel de om te schakelen woning van de initiatiefnemer als op de dichterbij gelegen woningen direct naast het bedrijf) voldoen aan de geluidsnormen. Kan het bedrijf op nummer 11 daar niet aan voldoen dan moet het bedrijf geluidreducerende maatregelen treffen om hier alsnog aan te voldoen.
Daarmee wordt in de huidige situatie reeds voldaan aan de geluidsnormen. Met de omschakeling van de bedrijfswoning zal aan de positie van de woning en de woning zelf niets wijzigen, waarmee ook in de gewenste situatie aan de normen zal worden voldaan. Daarnaast worden twee burgerwoning opgericht in een twee-onder-één-kap woning. Dit is vanuit de Wgh aan te merken als een geluidsgevoelig object. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden is een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen kan voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder zoals die geldt voor gezoneerde wegen. Voorwaarde is, dat de nieuwe woningen ver genoeg van de Vossenhol gerealiseerd worden. Daarbij is berekend dat wanneer de twee-onder-één-kap woning op minimaal een gelijke afstand van de weg als de woningen aan de Vossenhol 10 en 6 wordt gerealiseerd dat de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. De geluidsbelasting bedraagt dan minder dan 48 decibel en wordt dan aanvaardbaar geacht. Er hoeft dan niet gevreesd te worden voor aantasting van een goed woon- en leefklimaat. Een besluit tot Hogere Grenswaarde is daarbij niet noodzakelijk.
De nieuwe twee-onder-één-kap woning zal niet op kortere afstand van de weg worden gebouwd dan de woningen aan de Vossenhol 10 en 6. Het is wenselijk de nieuwe woningen binnen de bestaande contouren van de te slopen stal op te richten. Deze is op grotere afstand van de weg gelegen dan de naastgelegen woningen. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige geluidshinder ter plaatse van de woning. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 34
4.1.5 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.5.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de locatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Er is daarmee geen sprake van ligging van de locatie binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. 4.1.5.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen en/of over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevb en het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. 35
Op ongeveer 175 meter van de locatie is een leiding (Z-522-10) voor het transport van aardgas gelegen. De leiding heeft een invloedsgebied van minder dan 175 meter. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van de betreffende gasleiding gelegen. Wel is de locatie binnen het toxische invloedsgebied van de autosnelweg A58 gelegen. Hiervoor is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.5.3). 4.1.5.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van de autosnelweg A58 (toxisch scenario) dient een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico: De locatie is gelegen op redelijk grote afstand van de risicobron. Er is geen grote toename van het aantal personen door de voorgenomen ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de risicobron. Dit zorgt ervoor, dat de toename van het groepsrisico niet zichtbaar zal doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico.
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico: De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit: De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Gezien de grote afstand van de locatie tot de autosnelweg A58 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxisch gas is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een gat in de tankwagen ontstaat. Het giftige gas verdampt direct en er ontstaat een gaswolk die zich snel met de wind mee verspreidt. Bij een percentage aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de toxische stof zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel.
De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Effectbestrijding is mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond de locatie zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Er is in de directe omgeving van de locatie onvoldoende bluswatercapaciteit aanwezig voor het blussen van secundaire branden. Zelfredzaamheid: Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid zijn redelijk.
Er zijn geen aanwijzingen dat een grotere groep niet -of verminderd zelfredzame mensen op de locatie woonachtig zijn. De aanwezigen zijn naar 36
verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen op de locatie is beperkt, en verandert niet in onevenredige mate. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat de locatie: 1. goed te alarmeren is: In geval van een calamiteit kan NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. 2. goed te ontvluchten is: Bij de locatie zijn voldoende vluchtwegen gelegen, zodat bij een calamiteit van de risicobron afgevlucht kan worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording van het groepsrisico van de gemeente Hilvarenbeek dat is opgesteld door de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB) en de brandweer. Deze is opgenomen als bijlage 5 van deze toelichting. Het groepsrisico is daarmee (beperkt) verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. Er zijn derhalve geen (wettelijke) belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het voorgenomen initiatief.
4.1.6 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Dit betreft een reeds bestaande woning, welke in gebruik blijft als woning. De functie van de woning verandert niet. De bodem ter plaatse is reeds geschikt voor het gebruik van de huidige woning en zal derhalve eveneens geschikt zijn voor het gebruik als woning na omschakeling. Daarnaast worden in ruil voor de sloop van de huidige ligboxenstal en de mestopslag twee nieuwe woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning opgericht. Om aan te tonen of ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese "niet verdachte locatie", formeel gezien niet juist is. Er zijn immers op de locatie enkele licht verhoogde gehalten aangetroffen. De geconstateerde verhoogde gehalten liggen echter onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting. Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.
4.1.7 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is een spuitzone opgenomen, waarbinnen geen nieuwe gevoelige objecten worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke 37
effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend. Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten).
Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Nabij de locatie vindt mogelijk de teelt van coniferen plaats (bomenteelt). De locatie is ten noorden van het betreffende perceel gelegen waarop de bomenteelt plaatsvindt. Het betreffende perceel waarop de bomenteelt plaatsvindt zal voor een deel in gebruik worden genomen voor een groene inrichting. Daarbij is een afstand van minimaal 50 meter van de gewenste woning tot aan de mogelijkheid voor bomenteelt aangehouden. Dit is ruim voldoende afstand om eventuele gezondheidsrisico's als gevolg van gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen.
Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.
4.1.8 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in 38
het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Vanuit de C-lijst en D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt dat een initiatief voor woningbouw m.e.r.-beoordelingsplichtig is als het een stedelijke ontwikkeling betreft. In het geval van een stedelijke ontwikkeling geldt vanuit de D-lijst een drempelwaarde voor een toename met 2.000 of meer woningen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast wordt de drempelwaarde niet overschreden. Er is daarmee geen sprake van een project dat m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) is gelegen op een afstand van ongeveer 4,6 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
39
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch bedrijf beëindigd in ruil voor het oprichten van een burgerwoning. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf, waardoor geen dieren meer gehouden zullen worden, zal de uitstoot van ammoniak in de betreffende gebieden alleen maar afnemen. Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen afnemen, waarmee de uitstoot van stikstofoxiden als gevolg van verkeer eveneens zal afnemen. De stikstofdepositie op de betreffende gebieden zal daarmee alleen maar afnemen, wat een verbetering voor de betreffende gebieden betekent. De gemeente Hilvarenbeek heeft een gemeentebreed stikstofonderzoek uit laten voeren om te bepalen welke ontwikkelingen voor woningbouw eventueel kunnen leiden tot mogelijke effecten op de nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Daarbij is uitgegaan van worst-case uitgangspunten tijdens de bouwfase van woningen. In het onderzoek zijn op basis van de worst-case uitgangspunten per deelgebied berekeningen gemaakt met het rekenprogramma Aerius Calculator om te bepalen vanaf hoeveel nieuw te bouwen woningen er effecten optreden op Natura 2000 gebieden.
Uit het onderzoek, waarvan het rapport is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting, blijkt dat voor initiatieven voor woningbouw in de kern Biest-Houtakker pas effecten optreden op Natura 2000 gebieden bij de bouw van meer dan 8 woningen. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van de ontwikkeling van meer dan 8 woningen zal het voorgenomen initiatief niet leiden tot nadelige effecten op de Natura 2000 gebieden. Om zeker te stellen dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot nadelige effecten op Natura 2000 gebieden is alsnog een berekening gemaakt (zowel aanleg- als gebruiksfase) met het rekenprogramma Aerius Calculator. Uit deze berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot nadelige effecten op de Natura 2000 gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar). Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.
40
4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te 41
beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning met nummer 10 omgeschakeld naar een burgerwoning. Op deze locatie zullen de bestaande jongveestal en werktuigenberging in gebruik worden genomen als bijgebouw bij de woning. Er zal op deze locatie niet worden gesloopt en niet worden gebouwd.
Er is daarmee geen sprake van een wijziging bij de om te schakelen woning en de daarbij behorende bijgebouwen. De omschakeling van de huidige bedrijfswoning zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten. Daarnaast worden twee nieuwe woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning opgericht in ruil voor de sloop van de ligboxenstal en de mestopslag. De te slopen bebouwing is gevestigd aan de westzijde van de om te schakelen woning. Om te onderzoeken of ten aanzien van de sloop van de ligboxenstal en mestopslag en de bouw van de nieuwe woningen mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse een nest van een steenuil is aangetroffen. De werkzaamheden dienen buiten de voor de steenuil kwetsbare periode (deze is van januari tot half juli) worden uitgevoerd. Daarnaast dienen tijdens de werkzaamheden voldoende maatregelen getroffen te worden om verstoring van de vaste rust- en verblijfplaats van steenuil te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van een uilenkast voor de winterperiode. De werkzaamheden zullen buiten de gestelde kwetsbare periode plaatsvinden. De aanbeveling van een uilenkast zal in acht worden genomen.
Verder zijn er ten aanzien van flora en fauna geen belemmeringen te verwachten. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) voorkomende beschermde soorten flora en fauna.
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Uitvoering en beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN en de bescherming daarvan, opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd 42
NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 130 meter van de locatie.
Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg. Het kan echter voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen, met name door geluid, trillingen en/of uitstoot van fijnstof, alsnog negatieve gevolgen kunnen op de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een agrarisch bedrijf worden beëindigd in ruil voor het oprichten van een nieuwe twee-onder-één-kap woningen. De trillingen, het geluid en de uitstoot van fijnstof zullen als gevolg van de gewenste ontwikkeling daarmee alleen maar afnemen, wat een positief effect zal hebben op de betreffende gebieden. Met de voorgenomen ontwikkeling zullen daarmee geen van de NNN-gebieden worden geschaad.
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers sprake van beëindiging van een veehouderij, waarmee de uitstoot van ammoniak alleen maar zal afnemen. Omdat de uitstoot van ammoniak zal afnemen zal geen sprake zijn van een verhoogde, maar van een afname van de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving, maar eerder van een verbetering van de situatie voor wat betreft deze gebieden.
43
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Hilvarenbeek voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'gebied met een hoge archeologische verwachting voor uitsluitend vindplaatsen van jager-verzamelaars (categorie 5)'.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart. Bron: Gemeente Hilvarenbeek . Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 500 m² en dieper dan 10 centimeter onder maaiveld indien de locatie in een bestaand natuurgebied is gelegen en bij ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld indien de locatie buiten een bestaand natuurgebied is gelegen. De locatie is gelegen buiten een bestaand natuurgebied, waarmee onderzoek nodig is voor ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling van meer dan 500 m² en dieper dan 10 centimeter onder maaiveld, waarmee nader onderzoek naar archeologische resten noodzakelijk is. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de grond ter plaatse reeds is verstoord door in het verleden uitgevoerde coniferenteelt. Deze verstoringen hebben ervoor gezorgd dat de archeologische resten die nog kunnen worden aangetroffen niet meer intact kunnen zijn. Zodoende kan de archeologische verwachting voor het aantreffen van resten uit 44
deze periode worden bijgesteld naar laag. De onderzoeker adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Voor het volledig onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 10 van deze onderbouwing. Indien tijdens de werkzaamheden alsnog vondsten worden gedaan (toevalsvondsten) dan zullen deze direct aan het bevoegd gezag worden gemeld. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord-Brabant. De locatie is gelegen in een cultuurhistorisch landschap en voor een klein deel in een cultuurhistorisch vlak. Het betreft het gebied De Kempen. Ten aanzien van dit gebied stelt de provincie het volgende: "Beschrijving De Kempen is een zwak golvend dek zandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar 45
boven komt. Plaatsen met leem in de ondergrond hadden een gebrekkige afwatering, zodat daar vennen en kleine veenmoerassen ontstonden. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Langs de beken lagen de graslanden, vaak verdeeld in lange smalle percelen die omzoomd waren door elzensingels. Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding en het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk zandverstuivingen. Goed bewaard gebleven voorbeelden van oude zandontginningen met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen zijn de buurtschappen in de omgeving van Cartierheide en Oerle-Knegsel. Gave beekland-schappen vinden we in (delen van) de dalen van de Dommel en de Beerze. Het Belvedèregebied beeklandschap van de Dommel ligt ten zuiden van Eindhoven. Kenmerkend zijn vloeiweiden en viskwek erijen, watermolens, omvangrijke bossen met heidevelden en vennen en aangrenzend cultuurlandschap. Het cultuurhistorisch gave beeklandschap van de Beerze ligt in het noordelijke deel van de Kempen en maakt deel uit van het Nationale Landschap Het Groene Woud.
De identiteit wordt bepaald door bossen met heide en vennen en nieuwe natuur in het beekdal.In de Kempen liggen tal van - vaak uitgestrekte landgoederen. Oude landgoederen zijn bijvoorbeeld Baest, Heeze en Annanina's Rust. De landhuizen met bijgebouwen, de parken en lanen en de afwisseling van bossen en landbouwgronden verlenen de landgoederen grote cultuurhistorische betekenis. In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn veel heidevelden omgezet in landbouwgrond of bos. De jonge landbouwontginningen zijn tamelijk grootschalig en rationeel ingericht. De jonge bosgebieden maken vaak deel uit van ontginnings-landgoederen, zoals De Utrecht en Gorp en Rovert, of zijn aangeplant door het Staatsbosbeheer. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karak ter en zijn beperkter in omvang gebleven. Cultuurhistorisch belang De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid.
De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige klein-schaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland. Essentiële acpecten In de regio liggen de volgende cultuurhistorisch landschappen van provinciaal belang: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Het Groene Woud (grotendeels in regio Meierij); Dommeldal; Oud zandlandschap bij Oerle-Knegsel; Oud zandlandschap Cartierheide; Oud zandlandschap bij Stiphout (ook deels in regio Peelrand); Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg.
Dragende structuren in de regio zijn: 1. De oude agrarische cultuurlandschappen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden, en hakhoutbosjes en -wallen; 2. De dorpen en buurtschappen met langgevelboerderijen; 46
3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
De woeste gronden met heidevelden, vennen en zandverstuivingen; Plantages met naaldhout; De (grote) landgoederen; De vloeiweiden en visvijvers; De watermolens; De oude kerklocaties buiten de dorpen; De grafheuvels.
Ontwikkelingsstrategie 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen: a. “Het Groene Woud” (grotendeels in gebiedspaspoort Meierij); b. “Dommeldal”; c. “Oud zandlandschap bij Oerle-Knegsel”; d. “Oud zandlandschap Cartierheide” (met omliggende akkercomplexen); e. “Oud zandlandschap bij Stiphout” (ook deels in gebiedspaspoort Peelrand); f. “Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg” (Gorp en Rovert, De Utrecht, De Hoevens, Het Ooijvaarsnest, Wellenseind; ook deels in gebiedspaspoort Baronie); 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek”, “Kempenland”, “Keersop-Dommel”, “Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa” en “Helmondse Akkers”." De locatie is gelegen in een van de dorpen in De Kempen. Van belang hierbij is dat het landelijk karakter ervan zoveel mogelijk behouden blijft. Daarnaast dient de herkenbaarheid en de structuur van het landschap zoveel mogelijk behouden blijven.
Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf in ruil voor de ontwikkeling van een nieuwe twee-onder-één-kap woning. Deze nieuwe twee-onder-één-kap woning zal een landelijk karakter krijgen en draagt daarmee bij aan de landelijke uitstraling van de kern. Door de sloop van bebouwing zal de bebouwde oppervlakte afnemen, wat bijdraagt aan de openheid en ontstening van de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben op het cultuurlandschap De Kempen, maar zal hier eerder aan bijdragen. Het Vossenhol is aangemerkt als een historisch geografische zichtlijn met een redelijk hoge waarde. De voorgenomen ontwikkeling zal geen aanpassingen aan de structuur van deze zichtlijn tot gevolgen hebben. De ontwikkeling is relatief kleinschalig van aard en vindt niet plaats op het Vossenhol, maar op een bestaand erf aan deze weg. Daarnaast zal de bebouwde oppervlakte afnemen door de voorgenomen ontwikkeling, wat de zichtlijnen en openheid ten goede komt. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de betreffende zichtlijn. De dubbele boerderijwoning aan het Vossenhol 10 is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol pand. Met de voorgenomen ontwikkeling zullen geen wijzigingen aan het betreffende pand plaatsvinden. De werkzaamheden vinden in geheel op het naastgelegen perceel plaats.
Hiermee is geen sprake van aantasting van het betreffende cultuurhistorisch waardevolle pand. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. 47
Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op het Vossenhol. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor voertuigen om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Op de locatie is momenteel een zeer brede inrit aanwezig die ruim voldoende mogelijkheden biedt voor de ontsluiting van zowel de huidge woning als de gewenste woningen. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. Daarnaast zal door de beëindiging van het bedrijf het vrachtverkeer van en naar de locatie in zijn geheel komen te vervallen. Er is alleen nog sprake van personenvervoer. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt.