12 bestemmingsplan Vossenhol ong. (naast nr. 10), Biest-Houtakker (4 toelichting incl bijlagen)
Tekst van het document
PARTIËLE HERZIENING BESTEMMINGSPLAN KERN BIESTHOUTAKKER, VOSSENHOL ONGENUMMERD bestemmingsplan
Partiële herziening bestemmingsplan Kern Biest-Houtakker, Vossenhol ongenummerd bestemmingsplan
Vast te stellen
Manager Makelaardij Dhr. M. de Rooij Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp
Datum: 19 september 2023
2
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving 5.4 Participatie 5.5 Zienswijzen Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Situatietekening op schaal Bijlage 2 Landschappelijk inrichtingsplan Bijlage 3 Notitie woon- en leefklimaat Bijlage 4 Akoestisch onderzoek (spoor)wegverkeerslawaai Bijlage 5 Standaard verantwoording groepsrisico Bijlage 6 Bodemonderzoek Bijlage 7 Gemeentebreed stikstofonderzoek Bijlage 8 Resultaten berekeningen Aerius Calculator Bijlage 9 Onderzoek flora en fauna Bijlage 10 Archeologisch onderzoek Bijlage 11 Verslag dialoog met de omgeving Bijlage 12 Nota van beantwoording zienswijzen Bijlage 13 Nota van ambtshalve wijzigingen
5 6 6 6 7 8 10 10 11 18 18 19 25 28 28 39 44 48 48 55 55 55 56 56 56 59 59 59 61 63 64 66 85 121 137 169 232 243 262 285 330 334 336
3
4
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Kern Biest-Houtakker" van gemeente Hilvarenbeek ten behoeve van de beëindiging van het agrarisch melkveehouderijbedrijf aan het Vossenhol te Biest-Houtakker, waarbij de huidige agrarische bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning, en het realiseren van twee extra woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning ter plaatse. De locatie is gelegen direct naast de dubbele boerderijwoning aan het Vossenhol 10 te Biest-Houtakker. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De ontwikkelingen in de melkveehouderij volgen elkaar in hoog tempo op. Met de steeds strenger wordende regelgeving en het vervallen van het melkquotum is het voor een ondernemer in de melkveehouderij lastig om een duurzame en rendabele bedrijfsvoering te blijven voeren. Voor de initiatiefnemer is een rendabele bedrijfsvoering alleen mogelijk door middel van schaalvergroting. Dit is ter plaatse, gezien de ligging in de kern van Biest-Houtakker en de strenge regelgeving, niet wenselijk en niet goed mogelijk. Om deze reden wenst de initiatiefnemer de bedrijfsvoering ter plaatse te staken en de huidige ligboxenstal te slopen.
In ruil daarvoor wenst de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning, waarbij de overige aanwezige bedrijfsbebouwing bij de woning behouden blijft als bijgebouwen bij de om te schakelen woning. Deze bijgebouwen bij de woning zullen grotendeels worden gebruikt voor het uitvoeren van hobbymatige agrarische en agrarisch verwante activiteiten (zoals bijvoorbeeld het bewerken van het omliggende land). Daarnaast worden, ter plaatse van de te slopen ligboxenstal, twee extra woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning opgericht. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan het Vossenhol, direct naast nummer 10, te Biest-Houtakker en ligt in de kern Biest-Houtakker in het stedelijk gebied van gemeente Hilvarenbeek. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Hilvarenbeek, sectie N nummer 1182. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
6
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Kern Biest-Houtakker" van de gemeente Hilvarenbeek, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 22 september 2011, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog' en 'waterstaat - Reservering waterberging' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'maatvoering - maximale bouwhoogte 7 meter', 'maatvoering maximale goothoogte 4 meter', 'maatvoering - maximum bebouwingspercentage 50%' en 'bouwvlak' van toepassing. Daarnaast is de bedrijfswoning aangeduid met de aanduiding 'bedrijfswoning'.
7
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Binnen de agrarische bestemming is uitsluitend agrarisch gebruik van de gronden mogelijk. Het gebruik als burgerwoning(en) past niet binnen de agrarische bestemming. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden wordt voor de locatie een apart bestemmingsplan opgesteld. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect 8
handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
9
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen in het stedelijk gebied van gemeente Hilvarenbeek. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een gemengde omgeving met daarin voornamelijk woonfuncties. In de nabije omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Daarnaast zijn in de omgeving van de locatie een sportvoorziening, enkele agrarische bedrijven en maatschappelijke functies gelegen.
2.1.2 Ruimtelijke structuur Op de locatie is momenteel een agrarische melkveehouderij aanwezig. Ter plaatse worden, volgens de vigerende milieuvergunning, 18 stuks melkvee en 52 stuks vrouwelijk jongvee tot een leeftijd van 2 jaar gehouden. Deze dieren worden gehouden in een ter plaatse aanwezige ligboxenstal. Daarnaast is ter plaatse een jongveestal, een werktuigenberging en een mestopslag aanwezig. Ten slotte is een bedrijfswoning aanwezig met bijgebouw. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,93 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
10
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
2.2
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het agrarisch bedrijf te beëindigen. Hiervoor zal de aanwezige ligboxenstal (ongeveer 600 m²) en de mestopslag (ongeveer 550 m²) worden gesloopt. In ruil daarvoor wenst de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning, waarbij de huidige jongveestal en werktuigenberging behouden blijven als bijgebouwen bij de woning. Deze worden behouden omdat er voldoende ruimte nodig is voor het stallen van machines en materialen voor het hobbymatig onderhoud van de omliggende agrarische gronden. Tevens zullen kleinschalige hobbymatige agrarisch verwante activiteiten worden uitgevoerd. Het gaar daarbij puur om ondergeschikte hobbymatige activiteiten, waarbij geen sprake zal zijn van bedrijfsmatige activiteiten. Daarnaast wenst de initiatiefnemer ter plaatse van de te slopen ligboxenstal twee extra woningen in de vorm van een nieuwe twee-onder-één-kap woning op te richten met daarbij de bijbehorende bijgebouwen. In de volgende figuur is in een luchtfoto aangegeven welke bebouwing zal worden gesloopt.
11
Luchtfoto met te slopen bebouwing aangegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
12
Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies. Om het gewenste gebruik als burgerwoning(en) mogelijk te maken dient de bestemming ter plaatse te worden gewijzigd in een woonbestemming. Het bouwvlak zal daarbij in oppervlakte worden teruggebracht tot een passende omvang bij de gewenste woningen met bijgebouwen.
2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
13
Tekening landschappelijke inpassing. Bron: Laneco Landschaps & Ecologisch Advies. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
14
2.2.3 Stedenbouwkundige aspecten De voorgenomen ontwikkeling betreft de beëindiging van een agrarisch melkrundveehouderijbedrijf aan de Vossenhol in Biest-Houtakker, waarbij de bestaande ligboxenstal en mestopslag zullen worden gesloopt. In ruil daarvoor wenst de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning, waarbij de huidige jongveestal en werktuigenberging behouden blijven als bijgebouwen bij de om te schakelen woning. Daarnaast zullen in ruil voor de sloop van de ligboxenstal en mestopslag twee extra woningen in de vorm van een nieuwe twee-onder-één-kap woning worden gerealiseerd. De locatie is gelegen in een bebouwingslint in de kern Biest-Houtakker en is gelegen tussen voornamelijk burgerwoningen. Een aantal van deze burgerwoningen betreffen voormalige agrarische bedrijven welke zijn beëindigd en zijn omgeschakeld naar burgerwoningen. De hoofdfunctie in de omgeving is wonen. De voorgenomen wijziging sluit goed aan op de aanwezige functies in de omgeving. Bij de gewenste ontwikkeling zal een bestaande ligboxenstal en een mestopslag worden gesloopt. Het betreft reeds verouderde bebouwing welke aan vervanging toe is. De nieuwe woningen zullen een in het gebied passende uitstraling en stijl krijgen, waarmee deze beter aansluiten bij het bebouwingsbeeld in de omgeving dan de huidige bebouwing.
Hiermee zal het straatbeeld en de beeldkwaliteit ter plaatse en in de omgeving verbeteren. Er ontstaat ook een grotere samenhang tussen de locatie en de omliggende woningen. Het stedenbouwkundige beeld in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee verbeteren ten aanzien van de huidige situatie.
2.2.4 Beeldkwaliteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is het van belang dat de beeldkwaliteit ter plaatse wordt verbeterd. In de huidige situatie is er op de locatie een agrarische melkrundveehouderij gevestigd met de bijbehorende bedrijfsgebouwen. Deze bedrijfsgebouwen zijn sterk verouderd en aan vervanging toe. De verouderde bebouwing, de ligboxenstal en mestopslag, leiden momenteel tot een verrommeld en verpauperd beeld op de locatie en dragen daarmee niet bij aan de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit van het gebied waarin de locatie is gelegen. De verouderde ligboxenstal en mestopslag zullen in zijn geheel worden gesloopt. Hiermee wordt de situatie op het erf en daarmee in de omgeving verbeterd. De nieuwe twee-onder-één-kap woning zal worden gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid, energie en beeldkwaliteit. Er is daarmee sprake van nieuwe bebouwing die beter in het lint en in de omgeving past dan de huidige bebouwing. Voor de nieuwe twee-onder-één-kap woning wordt gekozen voor een bij het gebied passende uitstraling. Daarbij wordt het kleurgebruik en materiaalgebruik goed afgestemd op de bebouwing in de omgeving. Om goed aan te kunnen sluiten bij de omgeving denkt de initiatiefnemer aan een vergelijkbare stijl, kleurstelling en toepassing van materialen als waarvoor is gekozen bij een recente ontwikkeling aan Vossenhol 6.
Voor die locatie is door Van Asten Doomen Architecten BNA een ontwerp gemaakt van een twee-onder-één-kap woning. De initiatiefnemer wenst hier bij aan te sluiten en de nieuwe twee-onder-één-kap woning in een vergelijkbare stijl op te richten. Voor wat betreft architectuur wordt gekozen om niet terug te vallen in de traditionele agrarisch gebruikte bouwstijlen en historie, maar om de nieuwe bebouwing op te richten met gebiedseigen materialen in een eigentijds ontwerp. Dus niet volgens de historische bouwstijlen, maar wel met respect daarvoor. Door het gebruik van gebiedseigen materialen en kleuren past de gewenste bouwstijl wel in het gebied, maar geeft deze toch een moderne en eigentijdse uitstraling aan het lint en het gebied waarin de locatie is gelegen. Dit bevordert de ontwikkeling van het gebied. Voor wat betreft materialen wordt, zoals aangegeven in het voorgaande, gekozen voor gebiedseigen materialen. Het gaat daarbij voornamelijk om steen, hout, riet en dakpannen. Deze materialen komen in het gebied veelvuldig terug, waardoor de materialen goed passen in de omgeving. Daarmee sluit de voorgenomen ontwikkeling goed aan bij de beeldkwaliteit van het gebied. Ook voor wat betreft kleuren wordt zoveel mogelijk aangesloten bij gebiedseigen kleurstijlen, maar wel met een eigentijds karakter.
Gedacht wordt aan gevels met glas in combinatie met hout en steen in een lichte kleur met grijstinten. Voor het dak wordt gekozen voor dakpannen van een donkerdere kleur, eventueel in 15
combinatie met riet. Met de gewenste kleurstelling wordt goed aangesloten bij de ontwikkeling die gaande is aan Vossenhol 6 en bij de overige bebouwing in het gebied. Voor wat betreft de massa wordt gekozen voor één aaneengesloten bouwmassa. Daarmee vormt de bouwmassa van buitenaf één geheel. Dit sluit goed aan bij de vele in het gebied aanwezige (voormalige) langgevelboerderijen en bouwmassa's in de omgeving. De bijgebouwen zullen los van de hoofdgebouwen in het achtererfgebied worden opgericht volgens de richtlijnen van het geldende bestemmingsplan. Deze maken geen onderdeel uit van de hoofdmassa. Dit is vergelijkbaar met de overige bebouwing in het gebied, waarbij in vrijwel alle gevallen sprake is van één hoofdmassa met vrijstaande bijgebouwen. De bijgebouwen zullen in eenzelfde stijl als de hoofdmassa worden opgericht. Daarmee vormen zij, ondanks dat het vrijstaande bijgebouwen betreft, alsnog één geheel op de locatie. In de volgende figuren zijn enkele sfeerbeelden opgenomen. De daadwerkelijke uitvoering van de gewenste twee-onder-één-kap woning kan afwijken van de sfeerbeelden. Over het uiteindelijke ontwerp en uitvoering van de gewenste twee-onder-één-kap woning vindt in een volgend stadium nog nader overleg met de gemeente plaats.
Sfeerbeelden gewenste stijl, kleur en materialen gewenste twee-onder-één-kap woning. Bron: Van Asten Doomen Architecten BNA.
Sfeerbeelden gewenste stijl, kleur en materialen gewenste twee-onder-één-kap woning. Bron: Van Asten Doomen Architecten BNA.
Sfeerbeelden gewenste stijl, kleur en materialen gewenste twee-onder-één-kap woning. Bron: Van Asten Doomen Architecten BNA.
16
Sfeerbeelden gewenste stijl, kleur en materialen gewenste twee-onder-één-kap woning. Bron: Van Asten Doomen Architecten BNA.
17
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen.
Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 18
belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Aan de hand van deze definitie kan mogelijk gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. 19
De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden.
Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.
Voor beëindiging van een veehouderij en omschakeling naar wonen zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendige wijze wordt gebouwd. Bij de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Tevens worden de woningen gasloos en volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid opgericht, waarmee deze zullen bijdragen aan een verduurzaming van de locatie. Daarnaast kunnen bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijkheden worden onderzocht voor een verdere verduurzaming van de woningen en/of naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
20
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. De omgevingsverordening is meerdere malen geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 maart 2020 geconsolideerd en in werking getreden. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'stedelijk gebied', 'landelijke kern' en 'stalderingsgebied'. Tevens is het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als 'attentiezone waterhuishouding'. Binnen het gebied dat is aangemerkt als stalderingsgebied gelden aanvullende voorwaarden voor (de ontwikkeling van) veehouderijbedrijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen spake van een (ontwikkeling van een) veehouderijbedrijf. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Voor wat betreft wonen in het stedelijk gebied zijn in de omgevingsverordening specifieke regels opgenomen.
Deze luiden als volgt: "Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werk en of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. b. c. d.
bevordert een goede omgevingsk waliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het bestemmingsplan regels over: a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; b. het beperken van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder: c. bedrijfswoningen; d. bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; e. voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden." Het bepaalde in het derde lid van artikel 3.42 heeft betrekking op bedrijventerreinen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bedrijventerrein, waarmee het bepaalde in het derde lid niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 3.42, lid 1, sub a: De voorgenomen ontwikkeling past, zoals omschreven in de paragraaf "Woonvisie gemeente Hilvarenbeek" (paragraaf 3.3.4), binnen het beleid ten aanzien van woningbouw van de gemeente Hilvarenbeek. Dit beleid 21
is tot stand gekomen in overleg met de provincie en voldoet aan de regionale afspraken zoals bedoeld in afdeling 5.4 van de omgevingsverordening. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.42, lid 1, sub b: Bij de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van fijnstof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Daarnaast kunnen bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijkheden worden onderzocht voor een verdere verduurzaming van de woningen en/of naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie. Daarmee is sprake van een duurzame ontwikkeling. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.42, lid 2, sub a: Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot milieuhinder aan de omgeving. Door de beëindiging van de veehouderij zal de milieuhinder aan de omgeving juist alleen maar afnemen. Daarbij zal door de beëindiging van de veehouderij de uitstoot van geur, fijnstof, geluid, ammoniak, stikstofoxiden en mogelijke zoönosen afnemen, waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar zal verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van de leefomgeving en de omgevingskwaliteit. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad.
3.42, lid 2, sub b: De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een functiewijziging binnen het huidige ruimtebeslag. Met de sloop van voormalige agrarische bebouwing zal het bebouwd oppervlak afnemen. Er is daarmee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.42, lid 2, sub c: De voorgenomen ontwikkeling staat de productie van duurzame energie niet in de weg. Daarnaast zal, in goed overleg met de gemeente, worden onderzocht wat de eventuele mogelijkheden zijn voor het opwekken van duurzame energie. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.42, lid 2, sub d: Bij de voorgenomen ontwikkeling neemt het bebouwd oppervlak af. Daarmee ontstaat meer ruimte tussen de bestaande bebouwing. Hiermee is meer ruimte voor een goede doorstroom van lucht en is geen sprake van projectie van hitte tussen bebouwing in. Daarmee bevordert de voorgenomen ontwikkeling het voorkomen van hitte tussen de bebouwing. In de huidige situatie is reeds ruim voldoende wateropvang aanwezig voor een afkoppeling van het hemelwater naar bergingsvoorzieningen. Omdat het bebouwd oppervlak afneemt is ook in de gewenste situatie voldoende bergingscapaciteit aanwezig en zal geen sprake zijn van wateroverlast.
Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden onderzocht of er mogelijkheden zijn voor een verbeterde isolatie van de bebouwing. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.42, lid 2, sub e: De voorgenomen ontwikkeling zal geen invloed hebben op de infrastructuur en/of de mobiliteit. Daarnaast zal een veehouderij met de daarbij behorende transportbewegingen met landbouw- en vrachtverkeer worden beëindigd. Hiermee zal de verkeersdruk vanuit de locatie aan de omgeving afnemen, wat de mobiliteit en verkeersveiligheid ten goede komt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.42, lid 2, sub f: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijf beëindigd en worden twee woningen in de vorm van een 22
twee-onder-één-kap woning opgericht. Een woning concurreert niet met andere (bedrijfsmatige) functies. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen invloed hebben op de economie in de omgeving en zal niet leiden tot een verslechterde concurrentiepositie van andere bedrijven in de omgeving. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Gezien het voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan aan de voorwaarden voor het oprichten van een woning in het stedelijk gebied. Naast de specifieke voorwaarden voor het wonen in het stedelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1: Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2: Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen.
Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1: Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2: Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Ad. 3.6, lid 1, sub a: De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een functiewijziging binnen het huidige ruimtebeslag. Met de sloop van voormalige agrarische bebouwing zal het bebouwd oppervlak afnemen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder 23
duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub c: Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.6, lid 2: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een bestaand bouwperceel. Dit bouwperceel zal niet worden uitgebreid ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Het bouwvlak wordt juist verkleind. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1: De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2: De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.
de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3: Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1: Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn.
Lid 2: De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering 24
landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een veehouderij worden beëindigd. Een veehouderij heeft een grote uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen beëindiging zal de uitstoot van het bedrijf in zijn geheel worden beëindigd. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee worden verbeterd. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt. De huidige aanwezige bebouwing is reeds verouderd en niet langer noodzakelijk bij de woonbestemming en is daarmee aan te merken als overtollige bebouwing.
De te slopen bebouwing is ongeveer 1.150 m² groot. Sloop van bebouwing is in artikel 3.9 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft op 25 februari 2010 de "Structuurvisie Hilvarenbeek" vastgesteld. De gemeente heeft met deze visie niet zozeer een toekomstvisie als wel een toetsingskader voor initiatieven voor de komende jaren. Hier en daar maakt de visie een doorkijk op langere termijn. De gemeente wil dat haar ruimtelijk beleid aansluit bij maatschappelijke ontwikkelingen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Vanuit de structuurvisie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Landschapsverbinder' bij de kern Biest-Houtakker. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in de structuurvisie dat deze linten een relatie hebben met het omliggende landschap. Voor ontwikkelingen in het gebied gelden specifieke criteria. Voor woningbouw geldt dat de nieuwbouw (als eveneens wordt gesloopt, zoals bij de voorgenomen ontwikkeling het geval is) geen grote verschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm met de directe omgeving zullen worden veroorzaakt. Daarnaast moet een toename van bebouwing voorkomen worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling neemt het bebouwde oppervlak juist af.
Bij de bouw van de woningen zal, in overleg met de gemeente, worden gekeken naar een passende invulling en maatvoering zodat de woningen passen in de omgeving en er geen grote verschillen ontstaan. Bij nieuwe woningen dient te worden voldaan aan hetgeen is gesteld in de woonvisie van de gemeente. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Woonvisie gemeente Hilvarenbeek" (paragraaf 3.3.4).
25
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de "Structuurvisie Hilvarenbeek" van gemeente Hilvarenbeek.
3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek Op 27 juni 2014 heeft de gemeente Hilvarenbeek het Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek vastgesteld, waarin het beleid ten aanzien van de bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen is opgenomen. Het landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek heeft betrekking op het buitengebied. Gezien de locatie in het stedelijk gebied, binnen de kern Biest-Houtakker van de gemeente is gelegen zijn in het Landschapsontwikkelingsplan geen beleidsuitgangspunten voor de betreffende locatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling zal het gestelde in het Landschapsontwikkelingsplan Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek daarmee niet in de weg staan.
3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in 2016 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek vastgesteld. De nota bevat richtlijnen voor de uitstraling van nieuwe bebouwing binnen de gemeente. In de nota zijn algemene criteria opgenomen welke gelden voor elke nieuwe ontwikkeling. Daarnaast zijn specifieke criteria opgenomen welke alleen van toepassing zijn voor ontwikkelingen in specifieke gebieden. De locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als Historisch bebouwingslint. Binnen deze gebieden geldt dat wanneer de locatie in een gebied met een kritisch toetsingsniveau is gelegen zowel de gebiedscriteria als de algemene criteria van toepassing zijn. De locatie is gelegen in een gebied met een kritisch toetsingsniveau, waarmee de in de nota opgenomen criteria van toepassing zijn bij de bouw van de gewenste woningen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen de van toepassing zijnde criteria in acht worden genomen. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek.
3.3.4 Woonvisie gemeente Hilvarenbeek Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie gemeente Hilvarenbeek vastgesteld. In de woonvisie is zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve woningbouwopgave van de gemeente opgenomen. In de woonvisie heeft de gemeente opgenomen dat nieuwe initiatieven voor woningbouw mogelijk gemaakt kunnen worden als aan de daarvoor opgenomen beoordelingscriteria wordt voldaan. Deze beoordelingscriteria zijn als volgt: "Beoordelingscriteria: 1. Locatiecriteria a. Bijdrage aan oplossen van leegstand of ander ruimtelijk knelpunt? b. Bijdrage aan versterken ruimtelijke kwaliteit? c. Voorziet het initiatief in zorgvuldig ruimtegebruik? 2. Stedenbouwkundige criteria a. Passen massa en dichtheid in de omgeving? b. Voorziet het initiatief in voldoende parkeermogelijkheden? c. Voorziet het initiatief in een duurzame invulling van de ruimte? d. Voldoet het initiatief aan de nota Dorps Bouwen? 3. Invulling kwalitatieve behoefte a. Voldoet het initiatief aan de geïnventariseerde behoefte uit de woonvisie? b. Worden woningen levensloopgeschikt gerealiseerd? c. Is er sprake van een vernieuwend / actueel woonconcept? d. Is de behoefte van het concrete initiatief aantoonbaar middels een recent uitgevoerd onderzoek?"
26
Toetsing aan locatiecriteria: Op de locatie is sprake van een veehouderijbedrijf in het stedelijk gebied. De veehouderij veroorzaakt overlast op de nabijgelegen woningen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van de betreffende veehouderij. Hiermee wordt het ruimtelijk knelpunt waarbij een veehouderij overlast veroorzaakt op woningen in de kern opgelost. Daarbij zal met de beëindiging van de veehouderij sprake zijn van het beëindigen van de uitstoot van geur, fijnstof, geluid, ammoniak, stikstofoxiden en mogelijke zoönosen, waarmee het woon- en leefklimaat in de omgeving zal verbeteren. Daarnaast wordt ter plaatse verouderde agrarische bebouwing gesloopt en wordt een kwalitatief hoogwaardige nieuwe twee-onder-één-kap woning teruggebouwd. Daarmee zal de beeldkwaliteit ter plaatse verbeteren. Tevens wordt ter plaatse voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijk inpassing, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een bevordering van de beeldkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel. Daarnaast zal het bebouwd oppervlak afnemen, waarmee sprake is van een zorgvuldig ruimtegebruik. Aan de locatiecriteria wordt daarmee voldaan.
Toetsing aan stedenbouwkundige criteria: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de bestaande bedrijfswoning om worden geschakeld naar een burgerwoning. Er verandert niets aan de stedenbouwkundige uitstraling van dit pand en de daarbij behorende bijgebouwen. Daarnaast zal bestaande, reeds verouderde voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt. Daarbij zullen twee woningen in de vorm van een nieuwe twee-onder-één-kap woning worden opgericht. Hiervoor zal in goed overleg met de gemeente worden voorzien in een twee-onder-één-kap woning die qua uitstraling en massa bij het gebied past. Bij de woningen zal worden voorzien in ruim voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente. Er is op het terrein ruim voldoende gelegenheid aanwezig voor parkeren. Met de sloop van de verouderde bedrijfsbebouwing en het oprichten van een nieuwe twee-onder-één-kap woning zal het bouwvolume op de locatie afnemen. De nieuwe twee-onder-één-kap woning zal beter aansluiten op het woningbouwlint in de omgeving. De ruimte zal duurzaam en zorgvuldig worden benut. In goed overleg met de gemeente is gekeken naar een goede en passende invulling van het perceel met een bij het gebied passende woningen en bijgebouwen. Daarbij zullen de uitgangspunten uit de nota Dorps Bouwen in acht worden genomen.
Daarnaast zal de stedenbouwkundige kwaliteit van de locatie alleen maar verbeteren. Een en ander is nader omschreven en uitgewerkt in de paragraaf "Stedenbouwkundige aspecten" (paragraaf 2.2.3). Aan de stedenbouwkundige criteria wordt daarmee voldaan. Toetsing aan de invulling van de kwalitatieve behoefte: De voorgenomen ontwikkeling is in goed overleg met de gemeente tot stand gekomen. De gemeente is daarbij van mening dat de voorgenomen ontwikkeling acceptabel is omdat er een substantiële verbetering van het woon- en leefklimaat zal optreden met het saneren van het agrarisch bedrijf. In overleg met de gemeente zal worden gekeken naar een goede levensloopbestendige manier van bouwen. Aan de kwalitatieve behoefte wordt daarmee voldoende voldaan. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Woonvisie gemeente Hilvarenbeek van de gemeente Hilvarenbeek.
27
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf en het omschakelen naar wonen ten behoeve van de omschakeling van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning en de bouw van twee extra woningen in de vorm van een nieuwe twee-onder-één-kap woning. Ten aanzien van burgerwoningen zijn in de handreiking geen richtafstanden opgenomen. Een woning veroorzaakt immers geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Er zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee geen sprake zijn van een onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf ter plaatse zal juist eerder sprake zijn van een afname van de milieuhinder aan de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar burgerwoning. Deze woning betreft echter al een woning en zal een woning blijven. De functie van deze woning zal niet wijzigen, waarmee in feite geen sprake is van een nieuw gevoelig object. Echter komt er wel een nieuwe woonbestemming op de woning te liggen, waarmee deze planologisch alsnog als een nieuwe woning dient te worden beschouwd. Daarnaast zullen echter twee woningen in de vorm van een twee-onder-één-kap woning worden opgericht. Dit betreft wel een nieuw gevoelig object. De locatie is gelegen in een gebied met voornamelijk burgerwoningen. De omschakeling van de bedrijfswonig naar burgerwoning en de realisatie van de gewenste twee-onder-één-kap woning zal de mogelijkheden van de andere burgerwoningen niet in de weg staan. Verder is nabij de locatie (aan de overzijde van het Vossenhol) een agrarisch bedrijf met de nadere aanduiding loonwerkbedrijf en intensieve veehouderij gelegen. De ontwikkeling van een nieuwe woning nabij dit bedrijf kan leiden tot een beperking van de mogelijkheden ervan. De afstand van het betreffende bedrijf tot aan de om te schakelen bedrijfswoning bedraagt, gemeten van het bestemmingsvlak van de initiatiefnemer tot het bouwvlak van het betreffende bedrijf, ongeveer 15 meter.
De afstand van het betreffende bedrijf tot aan de nieuw op te richten twee-onder-één-kap woning bedraagt, eveneens gemeten van bestemmingsvlak tot bouwvlak, ongeveer 30 meter. Het betreffende bedrijf wordt 28
echter al eerder beperkt door een dichterbij gelegen burgerwoning (deze is direct tegen het bouwvlak van het betreffende bedrijf gelegen). De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een verdere beperking van (de ontwikkelingsmogelijkheden van) het betreffende bedrijf. Wel dient nog wel te worden voldaan aan de minimaal vereiste afstand van gevoelige objecten tot dierenverblijven en aan de vaste afstand van dieren verblijven tot gevoelige objecten voor het houden van dieren zonder geuremissiefactoren. Gezien de locatie binnen de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand, gemeten van gevel dierenverblijf tot gevel van de woningen, minimaal 50 meter te bedragen. De afstand van de gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf tot aan de rand van het bestemmingsvlak van de locatie bedraagt al ongeveer 69 meter, waarmee aan deze afstand kan worden voldaan. Daarnaast moet de afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en de nieuwe woning minimaal 100 meter bedragen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij. Aan deze afstand kan niet worden voldaan. Echter heeft de gemeente Hilvarenbeek een geurverordening vastgesteld waarin is vastgelegd dat de minimale afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een gevoelig object binnen de bebouwde kom, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, minimaal 50 meter moet bedragen.
Zoals in het voorgaande aangegeven wordt aan deze afstand voldaan. De uitvoerder van het bedrijf aan de Vossenhol 11 mag geen nieuwe dierenverblijven op een kleinere afstand bouwen, omdat deze al reeds eerder wordt beperkt door reeds aanwezige burgerwoningen. Daarmee kan geen sprake zijn van dierenverblijven op een kortere afstand dan de huidige situatie. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling het betreffende bedrijf niet verder beperken. Voor wat betreft geluid geldt voor het bedrijf aan de Vossenhol 11 een richtafstand van 30 meter. De inrit van de locatie met nummer 11, waarover het zwaar verkeer van het loonbedrijf het bedrijf betreedt en verlaat, ligt op ongeveer 30 meter van de huidige stal. Omdat de nieuwe woningen binnen de contouren van de huidige stal gebouwd zullen worden zal de afstand van de nieuwe woningen tot aan de inrit van het betreffende bedrijf eveneens minimaal 30 meter bedragen. Hiermee wordt aan de richtafstand ten aanzien van de nieuwe woningen voldaan. Daarnaast is middels een akoestisch onderzoek in beeld gebracht wat de geluidsbelasting op de nieuwe woningen is als gevolg van verkeerslawaai. Hierin zijn de verkeersbewegingen van het loonbedrijf meegenomen omdat deze deel uitmaken van het dagelijks verkeer op de Vossenhol.
Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat wanneer de woningen op minimaal een gelijke afstand van de weg wordt opgericht als de naastgelegen woningen aan de Vossenhol 6 en 10, de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. De nieuwe woningen zullen niet op kleinere afstand van de weg worden gerealiseerd dan de naastgelegen woningen (dit is geborgd middels gevellijnen op de verbeelding). Daarmee is geen sprake van een verhoogde geluidsbelasting op de nieuwe woningen als gevolg van het bedrijf aan Vossenhol 11. De om te schakelen bedrijfswoning voldoet reeds aan de geluidsnormen in de huidige situatie. Het bedrijf aan Vossenhol 11 moet immers voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer en/of de Wet milieubeheer, zowel op de naastgelegen woningen als op de om te schakelen woning. Daarbij mag de geluidbelasting op de bestaande woningen in de omgeving de normen niet overschrijden. Worden deze normen wel overschreden dan moet het bedrijf aan nummer 11 geluidreducerende maatregelen treffen. Op de bestaande bedrijfswoning van de initiatiefnemer wordt daarmee aan de normen voldaan. Omdat de situatie niet wijzigt zal ook in de gewenste situatie aan de normen worden voldaan. Daarnaast is nabij de locatie, achter de Gemeintsedijk 1, een sportvoorziening gelegen. Dit betreft een veldsportcomplex zonder verlichting.