12 Bestemmingsplan Heikant 25, Baarschot (4 toelichting)
Tekst van het document
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
63
-
De woning inclusief aanbouw, onder keldering, hellingbaan (241 m²) en tuinverharding (terras 50 m²) is een gesloten verharding van 291 m² (zie schetsplan).
Infiltratievoorziening(en): Onder het terras achter de woning worden infiltratiekratten voorzien. De gesloten verharding met een oppervlakte van 291 m² * 60 mm hemelwater resulteert in neen minimale infiltratie capaciteit van 17,5 m³. Op 60 cm-mv worden 30 water-infiltratiekratten voorzien (afmeting lxbxh) 2400 x 600 x 420 mm) met elk een netto berging van 582 liter. In totaal wordt op deze manier een infiltratiecapaciteit van 17,5 m³ gerealiseerd. Boven op de kratten resteert nog 180 mm voor de verharding van het terras. Nieuw Tuinterras Bestaand bedrijfsgebouw
Nieuwe open verharding - split
Nieuw Hellingbaan
Nieuw Contour kelder onder woning en aanbouw
Het hemelwater afkomstig van de bestaande bedrijfsgebouwen, veldschuur en bestaande erfverharding zal infiltreren in het omringende terrein. Aangezien de planlocatie in een infiltratiegebied ligt, met voldoende diepe grondwaterstanden is infiltratie van hemelwater in de ondergrond zeer goed mogelijk. Het hemelwater zal hierdoor volledig geïnfiltreerd worden op eigen terrein.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
64
Vuilwaterafvoer Gezien de plannen heeft de ontwikkeling enkel betrekking op huishoudelijk afval water. Omdat er zowel in de huidige als beoogde situatie sprake zal zijn van een bedrijfswoning, bedoeld voor een huishouden, is er met het realiseren van de ontwikkeling geen toename van de huishoudelijk afvalwater gemoeid. Waterkwaliteit Zoals in buitengebieden gebruikelijk, zal afvloeiend hemelwater niet worden afgevoerd via de riolering. Hemelwater van daken zal ter plaatse in het milieu worden gebracht. Voor het waarborgen van een goede grond- en/of oppervlaktewaterkwaliteit is het van groot belang dat oppervlakken waarvan water afstroomt niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen (zoals koper, lood en zink), zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een coating. Conclusie De huidige waterhuiskundige situatie is van voldoende omvang, de afname van verhard oppervlak zal hierdoor geen problemen opleveren voor het realiseren van beoogde ontwikkelingen. Daarnaast zal de nieuwe bedrijfswoning gebouwd worden vervaardigd van niet uitlogende bouwmaterialen. In zekere zin zal de ontwikkeling positief voor de plaatselijke waterhuishouding worden ervaren.
5.2
Natuur
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt 3 wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.
5.2.1 Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming Natura2000 De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het Natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
65
Kempenland-West
Figuur 30: Omliggend Natura2000 gebied, Kempenland-West
De bedrijfsbestemming ter plaatse van Heikant 25 is niet gelegen in een Natura-2000 gebied. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op minimaal 460 meter afstand van gronden die tot het Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ behoren. Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten, anders dan stikstofdepositie, op voorhand uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 270 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN) behoren. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
De beschermingsstatus van de Natuur gebieden staat deze bestemmingswijziging niet in de weg.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
66
5.2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dit kan om de bescherming van vogels in de tuin als op in een Natura2000 gaan. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Om voor beide planlocaties te onderzoeken wat voor ecologische waarden er van toepassing zijn, is er in de vorm van een quickscan, een flora en fauna onderzoek verricht. Een QuickScan flora en fauna onderzoek brengt de planten en dieren in een gebied in kaart. Vaak met het oog op de ontwikkeling van een project of gebied en de omgevingsvergunning die daarvoor nodig is. Voor het plangebied blijkt dat er binnen een afstand van 0-1 kilometer veel soortwaarneming zijn gedaan.
Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven om een ecologische quickscan uit te voeren op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit onderzoek is als bijlage 10 aan het plan toegevoegd (rapportnummer: 2021-BE-0930). Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in het plangebied. Eventueel aanwezige kleine zoogdiersoorten zullen niet worden verstoord door de werkzaamheden. Er zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De onderzoeksresultaten geven aan dat de planlocatie aan de Heikant 25 verouderde bebouwing en verwilderde vegetatie bevat. Door de herontwikkeling, waarbij de voormalige rundveestal geschikt gemaakt wordt als nestlocatie voor de boerenzwaluw en waarbij de omgeving van het plangebied landschappelijk wordt ingepast, zal de biodiversiteit in het gebied toenemen. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. De Quickscan – soortenbescherming is niet aangevuld daar voor de sloop van de voormalige vleesvarkensstal en voormalige woning een Sloopmelding is ingediend en geaccepteerd en in het 1e kwartaal 2022 reeds is gesloopt.
De sloopwerkzaamheden hebben reeds in 2021 met ambtelijke instemming vooruitlopend op het afronden van deze bestemmingswijziging plaatsgevonden. Conclusie: Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. (bijlage 10).
5.3
Omgekeerde werking / geurhinder
De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wet
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
67
geurhinder en veehouderij geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De voorgrondbelasting is de individuele belasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Voor de geurbelasting voor geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht binnen de bebouwde kom en 14 odour units per kubieke meter lucht buiten de bebouwde kom. De gemeente Hilvarenbeek heeft in aanvulling op de Wet geurhinder en veehouderij de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ opgesteld. Deze stelt een norm van 2 ou/m³ voor de maximale geurbelasting op de woonkernen en 7 ou/m³ binnen een afstand van 250 meter t.o.v. de bebouwde kom binnen de gemeente waaronder Baarschot. Voor het buitengebied van de gemeente geldt de norm 10 ou/m³. Voor onderhavig plan is deze norm dan ook van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan medewerking verleend worden indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. Door de bestemmingswijziging worden andere veehouderijen niet benadeeld in hun ontwikkelingsmogelijkheden. 2. Ter plaatse van de geurgevoelige objecten dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en verblijfklimaat.
Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- en voorgrondbelasting.
In de omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijen gelegen, zie onderstaand figuur.
Heikant 25
Figuur 31: Omliggende veehouderijen
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
68
De omliggende veehouderijen mogen geen belemmerende werking hebben op de beoogde ontwikkeling van de bedrijfsbestemming. Bij de bestemmingswijziging moet een goed leefklimaat gewaarborgd kunnen worden. Daarentegen mag de nieuwe bestemming geen belemmerende werking hebben op de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven.
5.3.1 Beoordeling woon- en leefklimaat Indien de voor veehouderijen de toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Inzichtelijk moet worden gemaakt in hoeverre ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook indien in een verordening bepaalde geurnormen zijn vastgelegd, moet inzichtelijk zijn dat de toegestane milieubelasting in overeenstemming is met de uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting van het gebied. Hiervoor dient de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied is onderzocht of berekend te worden. Nu in de omgeving van het plangebied ook andere veehouderijen zijn gevestigd, moet de cumulatie van stankhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling dienen te worden betrokken. De mate waarin sprake is van een goed woon en leefklimaat kan worden getoetst met behulp van de door het RIVM onderzochte relatie tussen hinder en geurbelasting (zie onderstaande tabel). Tabel 2: Relatie tussen hinder en geurbelasting VROM 2007b
Voorgrondbelasting. Onderscheid is gemaakt tussen bedrijven waarvoor vaste afstanden gelden en bedrijven met dieren waarvoor geen vaste afstand gelden. Aan de hand van het aantal Odour Units wordt middels het rekenmodel V-stacks-Vergunning de voorgrond belasting bepaald. In een vee concentratiegebied waarin de gemeente Hilvarenbeek is gelegen, is sprake van een acceptabel woon en leefklimaat als de voorgrondbelasting kleiner is dan 10 OUe/m3. Binnen een straal van c.a. 600 meter liggen er vier veehouderijen waarvan de belangen geschaad zouden kunnen worden met het realiseren van de beoogde ontwikkelingen. Voor de meeste bedrijven geldt echter dat er geen geurnormen voor zijn opgenomen óf dat de geuremissie dusdanig laag is (< 500 Ou/m3) dat V-stacks de voorgrondbelasting niet kan berekenen. Voor deze locatie(s) is rekening gehouden met een minimale vereiste afstand van 50 meter. -
De Hertgang 6 De Hertgang 8 Heistraat 7 Heikant 19a
Melding activiteitenbesluit 30-06-2017: Melding activiteitenbesluit 15-09-2021: Melding activiteitenbesluit 06-09-2001: Melding activiteitenbesluit 09-02-2021:
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
345 Ou/s 2.349,6 Ou/s 0 Ou/s 18.727,2 Ou/s
69
Voor twee van deze bedrijven is de geuremissie der mate laag (< 500 Ou/s) ) dat V-stacks de voorgrondbelasting niet kan berekenen. Voor deze locaties is er rekening gehouden met een minimale vereiste afstand van 50 meter, waar ruimschoots aan voldaan wordt. De veehouderijen op Hertgang 8 en Heikant 19a zijn meegenomen in de berekening door het dichtstbijzijnde hoekpunt(t.o.v. het bouwblok Heikant 25) van het bouwvlak te nemen. Hierop wordt alle geuremissie van het bedrijf gelegd. Tijdens het berekenen wordt er uitgegaan van een worst case scenario door alle geuremissie op één punt van het bouwvlak te leggen. Voor de berekening zijn de hoekpunten uit figuur 30 ingevoerd als coördinaten. Zie hieronder de rekenresultaten van de omliggende veehouderijen, voor de twee veehouderijen is de voorgrondbelasting uitgerekend door middel van de verspreidingsberekening V-Stacks vergunning (bijlage 20 en 21). Tabel 3: Brongegevens De Hertgang 8 BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
De Hertgang 8
140 771
384 307
6,0
6,0
0,50
4,00
2 349
Tabel 4: Voorgrondbelasting projectgebied
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
N-W
140 977
384 402
10,0
0,5
N1
141 035
384 399
10,0
0,4
N2
141 035
384 411
10,0
0,4
N-O
141 076
384 410
10,0
0,3
Z-O
141 074
384 352
10,0
0,3
Z-W
140 976
384 355
10,0
0,6
W
140 970
384 398
10,0
0,5
N-W
140 977
384 397
10,0
0,5
Tabel 5: Brongegevens Heikant 19a BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
Heikant 19a
140 928
384 901
6,0
6,0
0,50
4,00
18 727
Tabel 6: Voorgrondbelasting projectgebied
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
Geurbelasting
70
N-W
140 977
384 402
10,0
0,9
N1
141 035
384 399
10,0
0,8
N2
141 035
384 411
10,0
0,9
N-O
141 076
384 410
10,0
0,8
Z-O
141 074
384 352
10,0
0,7
Z-W
140 976
384 355
10,0
0,8
W
140 970
384 398
10,0
0,9
N-W
140 977
384 397
10,0
0,9
Conclusie: Uit de rekenresultaten volgt dat de voorgrondbelasting der mate laag is (<1,0 OUe/m3), zie hiervoor bijlage 5. Door deze lage voorgrondbelasting worden de belangen van omliggende agrarische bedrijven niet geschaad en is op basis van de voorgrondbelasting een zeer goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Tevens is binnen de vaste afstand van 50 meter geen veehouderij gelegen ten opzichte van de geurgevoelige functies / rand bouwvlak Heikant 25.
Figuur 32: Geen veehouderijen gelegen binnen vaste afstand van 50 meter
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
71
Achtergrondbelasting. Nu in de omgeving van het plangebied ook andere veehouderijen zijn gevestigd, moet de cumulatie van geurhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling dienen te worden betrokken. In een vee concentratiegebied waarin de gemeente Hilvarenbeek is gelegen, is sprake van een acceptabel woon en leefklimaat als de achtergrondbelasting kleiner is dan 20 OUe/m3. De geurbelasting is door V-stacks gebied berekend op basis van de 8 hoeken volgens het beoogd bouwblok, toelichting van deze acht hoeken zijn weergeven in figuur 30. RecepID X-coor
Y-coor
1 2 3 4 5 6 7 8
384402 384399 384411 384410 384352 384355 384398 384397
140977 141035 141035 141076 141074 140976 140970 140977
Geurnorm Geurbelasting Percentage (OU/m3) concentratie gebied 20.0 3.838 6% 20.0 3.757 6% 20.0 3.776 6% 20.0 3.743 6% 20.0 3.558 6% 20.0 3.676 6% 20.0 3.820 6% 20.0 3.846 6%
Beoordeling leefklimaat Goed Goed Goed Goed Goed Goed Goed Goed
Tabel 7: achtergrondbelasting Heikant 25
Uit tabel 7 blijkt dat ter plaatse van de Heikant 25 sprake is van een goed woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting <8 Ou/m3) en het wijzigen naar de bestemming Bedrijf niet in de weg staat. Zie bijlage 6 voor de complete berekening.
3.776 3.838 3.846
3.743
3.757
3.820
3.676
3.558
Figuur 33: Verdeling achtergrondbelasting beoogd bouwblok
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
72
Uit de rekenresultaten volgt dat de achtergrondbelasting voor het projectgebied redelijk laag is (<3,9 OUe/m3), zie bijlage 6 ter bevestiging. Door deze lage belasting worden de belangen van omliggende agrarische bedrijven niet geschaad en is op basis van de achtergrondbelasting een aanvaardbaar woonen leefklimaat gegarandeerd.
Conclusie Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie is (zeer)goed. Dit geldt voor zowel de voorgrond- als achtergrondbelasting. De belangen van omwonenden en omliggende veehouderijen worden niet geschaad en vormt het aspect geurhinder geen belemmeringen voor het realiseren van beoogde ontwikkeling.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
73
5.4
Geluid
5.4.1 Akoestisch onderzoek – wegverkeerslawaai Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke functies is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur en woonerven daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. De maximumsnelheid ter plaatse op de Heikant is 60 km/uur buiten de bebouwde kom. Om deze reden is er door M&A een akoestisch rapport voor het wegverkeerslawaai uitgevoerd(bijlage 15). Wet Geluidhinder Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de geluidgevoelige bestemming. De voorkeursgrenswaarde bedraagt bij nieuwe bestemmingen met een woonfunctie 48 dB. Verder is bij aanwezige wegen en nog niet geprojecteerde geluidgevoelige woonfunctie onder bepaalde voorwaarden een ontheffing tot maximaal 53 (wegen buiten bebouwde kom) mogelijk. De geluidsbelastingen zijn inclusief de wettelijke aftrek conform artikel 3.4 van het Rekenen meetvoorschrift geluidhinder 2012. Geconcludeerd kan worden dat ten gevolge van de wegen met zone de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 1 dB overschreden wordt.
De geluidbelastingen blijven overal onder de wettelijke maximale ontheffingswaarde van 53 dB. De geluidsbelastingen zijn inclusief de wettelijke aftrek conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Er dient een hogere waarde aangevraagd te worden voor de nieuwe woonbestemming : 49 dB. Ruimtelijke ordening Aangezien er in de omgeving van het plangebied alleen wegen liggen, zijn de cumulatieve geluidsbelasting berekend voor het wegverkeerspectrum. De hoogste cumulatieve geluid belasting op de gevels van de woning bedraagt 54 dB. De binnenwaarde in de verblijfsruimten wordt getoetst / gewaarborgd door de vereisten uit het Bouwbesluit, te weten 33 dB. Om deze binnenwaarde te halen, moet bij onderhavig project met deze geluidsbelasting op de gevel een minimale geluidsisolatie van (54-33=) 21 dB worden bereikt. Dit zal, aangetoond worden middels een karakteristieke geluidwering berekening (GA;k) conform Bouwbesluit. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat ook in de woning gegarandeerd (zie bijlage 15).
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
74
5.4.2 Akoestisch onderzoek industrielawaai Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kan er geluidhinder optreden. Om dit nader te onderzoeken is door M&A Omgeving BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek treft u als bijlage 16 aan. Hierna zullen we kort op de bevindingen van het onderzoek ingaan: Het bedrijf is gevestigd in het buitengebied van Baarschot (gemeente Hilvarenbeek) en houdt zich bezig met: a. Advieswerkzaamheden (adviesbureau bouw, aan huis gebonden beroep); b. Aannemersbedrijf; De opslag/stalling van de handgereedschap, materieel, hoogwerker, verreiker etc. (geen opslag bouwmaterialen zoals stenen, dakplaten, kozijnen etc.); c. Hobbymatig houden van enkele paarden. A. Adviesbureau bouw Er komen per dag maximaal 6 personenauto’s (bezoekers). B. Aannemersbedrijf Dagelijks worden er handgereedschap en een hoogwerker, verreiker etc. geladen / opgehaald vanuit de opslagloods. De volgende voertuigbewegingen kunnen dagelijks voorkomen: - 2 transportbusjes; - 3 personenauto’s; - 1 vrachtwagen. C. Hobbymatig houden van paarden - personenauto met trailer - bewegingen met kleine tractor i.v.m. stal en grasland - vrachtwagen ophalen stalmest 1 x per 2 weken - vrachtwagen lossen hooi en stro 1 x per 3 maanden - werkzaamheden met verreiker i.v.m.
mest laden en lossen hooi en stro Het laden en lossen van de paarden uit een trailer vindt plaats aan de achterzijde van het terrein nabij de paardenbak (tussen 7.00 uur en 23.00 uur). Het lossen van zakken paardenvoer geschiedt handmatig en vindt maandelijks plaats. Dit is akoestisch naar de omgeving niet relevant. Het lossen van hooi en stro vindt één keer per 3 maanden plaats met een verreiker of kooiaap en wordt geleverd middels een vrachtwagen. De afvoer van paardenmest uit de stallen naar de mestvaalt gebeurt met een kruiwagen. Deze mest wordt met een verreiker op de kar van de tractor geladen en met een van de tractorbewegingen afgevoerd. D. Algemeen De transportbewegingen die in de representatieve bedrijfssituatie in de modellering zijn meegenomen, zijn conform de geldende methodiek (Handreiking industrielawaai), zoals ze op één dag kunnen plaatsvinden. Het betreft dus een worst-case scenario. Het wekelijks afvoeren van bedrijfsafval valt hierbinnen. Alle overige, niet specifiek genoemde, geluidbronnen zijn akoestisch niet relevant. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat, ter plaatse van de gevels en bouwblokken van de betreffende woningen in de omgeving wordt voldaan aan de gestelde streefwaarden van de gemiddelde geluidniveaus (LArLT) in het kader van ruimtelijke ordening (R.O.). De streefwaarde ten aanzien van het
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
75
maximale geluidniveau, LAmax, wordt ter plaatse van het bouwblok van de woning aan de Hertgang 4 met 4 dB(A) overschreden in de dagperiode. Een nieuwe woning (welke aan het Bouwbesluit dient te voldoen) heeft een minimale gevelwering van 20 dB(A). Het binnenniveau in de woning bedraagt dan: 69 - 20 = 49 dB(A). Door het feit dat buitengevel overschrijding een piekgeluid betreft, wordt het uiteindelijke geluidsniveau op binnen niveau als leidend gezien. Hieruit blijkt dat het onder de vastgestelde norm blijft en er voldaan wordt aan de maximale geluidsniveaus. In het kader van de ruimtelijke ordening zijn de streefwaarden een richtlijn, maar geen harde eis. Belangrijk is de beoordeling van het woon- en leefklimaat, na realisatie van de plannen. Er is daarom aangetoond, dat voldaan wordt aan de maximaal toelaatbare binnenwaarde binnen de betreffende (fictief mogelijke) woningen. Er dient voldaan te worden aan een maximale binnenwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. Ten opzichte van de huidige situatie, waarbij de inrichting aan de Heikant 25 te Diessen een agrarische bestemming heeft, wordt de situatie wat betreft de piekgeluiden van vrachtwagens niet slechter. In de agrarische bestemming (vergunde situatie) komen reeds zware vrachtwagens over de toegangsweg gereden in de dagperiode (vee-, voer- of mestwagens).
Deze wagens veroorzaken dezelfde piekgeluidniveaus, als de nu aangevraagde bedrijfsbestemming. Als uitgangspunt in het akoestisch rapport is gebleken dat de verkeersbewegingen van zwaarverkeer ten dienste van het bedrijf enkel is toegestaan tussen 7:00 en 19:00. Dit is opgenomen in de planregels. Geconcludeerd kan worden dat er, na omzetting van de agrarische naar een bedrijfsbestemming, nog steeds sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat vanuit akoestisch oogpunt.
5.4.3 Wegverkeerslawaai Als gevolg van de voorgenomen herbouw van de bedrijfswoning op ten minste 15 meter uit de as van de weg, is het geluidniveau als gevolg van het wegverkeerd is beeld gebracht. Om dit nader te onderzoeken is door M&A Omgeving BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd (rapport 221-BHe25srm2-v2 d.d. 15 maart 2021) in relatie tot het wegverkeerslawaai en de bouw van een nieuwe bedrijfswoning. Dit onderzoek treft u als bijlage 15 aan. Hiervoor is een hogere waarde noodzakelijk.
5.4.4 Stiltegebieden In verband met de Interim Provinciale milieuverordening van de provincie Noord-Brabant, is voor de inrichting aan de Heikant 25 te Baarschot een aanvullende geluidberekening gemaakt. Het is een aanvulling op rapport 220-BHe25-il-v1, d.d. 29-04-2020. Ten behoeve van de toetsing aan de normering die gesteld wordt aan het stiltegebied zijn berekeningen opgesteld. Het betreft een 24 uursgemiddelde waarde, berekend op 1,5 meter + maaiveld op referentiepunten op 50 meter van de grens van de inrichting. Er wordt aan het onderdeel ‘stiltegebieden’ van de Interim omgevingsverordening Provinciale Milieu verordening Noord-brabant (geconsolideerd 8-12-2020) voldaan.
5.5
Bedrijven en milieuzonering
In de directe omgeving van de locatie Heikant 25 vinden enkele bedrijfsmatige activiteiten plaats. Op basis van de VNG-brochure, versie maart 2009, worden de toekomstige bedrijfsactiviteiten (bijbehorend b.o. van 550 m2 incl. buitenterrein, zie onderstaande figuur) geschaard onder SBI-code 43 (SBI-2008) aannemersbedrijf met werkplaats, bebouwd oppervlak van maximaal 1000 m2 (milieucategorie 2). Hierbij geldt een richtafstand van 10 meter voor stof en gevaar, 0 meter voor geur en 30 meter voor geluid. De grootste richtafstand is hierin 30 meter, in paragraven 5.5.1, 5.5.2 en 5.5.3
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
76
zal worden bekeken of er bedrijven/woningen in een straal van 300 meter binnen deze richtafstand liggen. Er wordt daarnaast bekeken of de contouren van de overige omliggende bedrijven over het bedrijf komen te liggen.
Figuur 34: Deel van het terrein behorende tot de totale bedrijfsoppervlakte*
*Toelichting Bedrijfsoppervlakte: Het bebouwd oppervlak (b.o.) bestaande uit het kantoor (100 m2) en aannemersbedrijf 450 m2. Buitenterrein: Een deel van buitenterrein behoort tot het bedrijf ten dienste van de erfontsluiting en parkeervoorzieningen. Het overige deel van het bouwperceel wordt gebruikt ten behoeve van privé-doeleinden.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
77
5.5.1 Omliggende agrarische bedrijven Binnen een straal van 300 meter vinden er verschillende agrarisch bedrijfsmatige activiteiten plaats. De omliggende bedrijven zijn bepaald ter aanleiding van bestaande vergunningen. Adres
Buitengebied/ Kern
Functieaanduiding
SBI-code 2008
Milieucategorie
Grootste richtafstand
Deelconclusie
200 meter
Werkelijke afstand tot plangebied 90 meter
a.
De Hertgang 6
Buitengebied
Intensieve veehouderij
0146
4.1
b.
De Hertgang 8
Buitengebied
c.
Heistraat 7
Buitengebied
d.
Heikant 27
Buitengebied
0141, 0142 0141, 0142 4622
e.
Heikant 16
Buitengebied
Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van rundvee Grth in bloemen en planten Overige veehouderijen
3.2
100 meter
220 meter
Voldoet
3.2
100 meter
40 meter
Voldoet niet
2
30 meter
280 meter
Voldoet
0145
3.1
50 meter
90 meter
Voldoet
Voldoet niet
Tabel 8: SBI-codering omliggende agrarische bedrijven
e. Toekomstig bouwvlak
a. c. b.
300 m d.
Figuur 35: Omliggende agrarische bedrijven plangebied(straal 300 meter)
Het aspect geur is in de Wgv specifiek geregeld voor veehouderijbedrijven; melkrundvee Heistraat 7 vaste afstandseis 50 / de varkenshouderij Hertgang 6 minimale afstandseis 50 meter. Uit onderstaande figuur blijkt dat enkel de werkelijke afstand van Heistraat 7 binnen de minimale vaste afstandscontouren ligt ten opzichte van de rand van het bouwblok. Wat betekent dat in beginsel omliggend bedrijf in haar belangen wordt geschaad op het moment van planrealisatie Echter het melkrundveebedrijf Heistraat 7 heeft haar bedrijfsactviteiten in 2020 geheel gestaakt en de stallen gesloopt. Tevens zijn alle bouwwerken en nieuwe woning Heikant 25 waarin mensen verblijven,
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
78
gelegen buiten de 50 meter afstand van het bouwblok Heistraat 7. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) rekent met vaste afstanden (bedrijf beëindigd op of na 19 maart 2000), waaruit beoordeeld kan worden dat de belangen van de omliggende veehouderijen niet worden geschaad.
50 meter Figuur 36: Omliggende agrarische bedrijven plangebied(straal vaste afstand 50 meter)
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
79
5.5.2 Overige omliggende bedrijven In de omgeving van het plangebied liggen geen andere bestemming dan Agrarisch en Wonen. De Goorweg 1 heeft een deel van het bouwvlak de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – minicamping’. Om eventuele toekomstige problemen te vermijden zal het plangebied aan de richtafstanden van de SBI richtafstanden voor minicamping getoetst worden.
a.
Adres
Buitengebied/ Kern
Functieaanduiding
SBI-code 2008
Grootste richtafstand
Werkelijke afstand tot plangebied
Deelconclusie
Goorweg 1
Buitengebied
Specifieke vorm van wonen - minicamping
9609
10 meter
140 meter
voldoet
Tabel 9: SBI codering omliggende bedrijven
De locatie aan de Goorweg 1 ligt op ca. 140 meter van het plangebied, waardoor de minicamping niet zal worden benadeeld als gevolg van de gevraagde ontwikkelingen.
5.5.3 Woningen van derden Op basis van het voorgenomen plan om de voormalige agrarische locatie Heikant 25 passend her te bestemmming tot een aanmemersbedrijf in een beperkte omvang (< 500 m2), volstaat een minimale afstandseis van 30 meter (milieucategorie 2). Binnen deze afstand worden woningen en bedrijfsactiviteiten van derden niet belemmerd. De onderlinge afstand van Heikant 25 tot De Hertgang 4 is echter wel omstreden te noemen. Van bouwvlak - bouwvlak is de afstand ca. 12 meter. Waardoor er niet aan de minimale afstand van 30 meter (aannemersbedrijf < 500 m2 b.o.) voor het aspect geluid wordt voldaan. De streefwaarde ten aanzien van het maximale geluidniveau, LAmax, wordt ter plaatse van het bouwblok van de woning aan de Hertgang 4 met 4 dB(A) overschreden in de dagperiode. Er dient daarom aangetoond te worden, dat voldaan wordt aan de maximaal toelaatbare binnenwaarde binnen de betreffende (fictief mogelijke) woningen. Er dient voldaan te worden aan een maximale binnenwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. De geluidbelasting op de fictieve gevel ter plaatse van het bouwblok van de woning aan de Hertgang 4 is maximaal 69 dB(A) etmaalwaarde. Een nieuwe woning (welke aan het Bouwbesluit dient te voldoen) heeft een minimale gevelwering van 20 dB(A). Het binnenniveau in de woning bedraagt dan: 69 - 20 = 49 dB(A). Er wordt voldaan aan de binnengeluid norm van 55 dB(A).
Op basis van het akoestisch rapport is er hierdoor sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie Uit voorgaande paragraven kan worden opgemaakt dat belangen van bedrijven en/of woningen van derden niet geschaad worden met het realiseren van voorgenomen plannen. Er kan hierdoor een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
80
5.6
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Tabel 10: Grenswaarde PM10
Stof PM10
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie 24-uur gemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m³
Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in de Verordening Ruimte van de provincie Noord‐ Brabant is vastgelegd dat bij nieuwe veehouderijinitiatieven is aangetoond dat “de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³”. Rekenmodel ISL3A Het rekenmodel ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3) is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model (NNM). Het model rekent volgens Standaard rekenmethode 3 (SRM3). Dit ligt vast in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007). U kunt het programma gebruiken om de gevolgen van (agrarische en industriële) punt- en oppervlaktebronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te berekenen. Het model is in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door KEMA ontwikkeld. Het rekenmodel ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3) is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model (NNM). Het model rekent volgens Standaard rekenmethode 3 (SRM3). Dit ligt vast in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007). Men kan het programma gebruiken om de gevolgen van (agrarische en industriële) punt- en oppervlaktebronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te berekenen. Het model is in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door KEMA ontwikkeld.
Voor de beoogde gronden zijn de dichtstbij, zijnde fijnstof uitstotende agrarische, bedrijven in het rekenmodel ingevoerd voor een locatie specifieker resultaat. Ten opzichte van de geur uitstotende veehouderijen, treedt er toename van fijnstof uitstotende bedrijven op. -
Heikant 19a Heistraat 7 De Hertgang 6 Heikant 22
Melding activiteitenbesluit 09-02-2021: Melding activiteitenbesluit 06-09-2001: Melding activiteitenbesluit 30-06-2017: Melding activiteitenbesluit 14-07-2015:
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
3.097 kg/jaar 13 kg/jaar 3 kg/jaar 59 kg/jaar
81
In onderstaande overzicht zijn de resultaten weergegeven per coördinaat van de hoeken van het betreffende grondgebied(zie figuur 30). Tabel 11: Luchtkwaliteit Heikant 25
Rectorpunt Noord west Noorden 1 Noorden 2 Noord oost Zuid oost Zuid west West Noord west
PM10 19.39 18.39 18.40 18.40 18.36 19.37 19.39 19.39
Dagen 7.3 6.6 6.6 6.5 6.4 7.2 7.2 7.2
Norm PM10 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³
Norm dagen 35 35 35 35 35 35 35 35
PM 2.5 Uit RIVM-onderzoek (RIVM-onderzoek en onderzoek van ASG ,Rapport 195) blijkt dat de relatie tussen PM10 en PM2.5 dat: de kans op een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 kleiner is dan 1% bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5 is 25 μg/m3. Bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3 en hoger vindt overschrijding van de dagnorm plaats. Wordt er voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10 dan wordt tevens voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5. Uit bovenstaande beschrijving en de PM10 concentratie van (max.) 19.39 μg/m³ kan geconcludeerd worden dat er tevens aan de grenswaarde PM2.5 wordt voldaan. Conclusie: Uit tabel 11 kan worden opgemaakt dat ter plaatse van de beoogde grond er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het thema luchtkwaliteit (bijlage 7)
NIBM-tool: De NIBM-tool is een spreadsheet waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kunt vaststellen. De NIBM-tool is alleen bedoeld om op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt (NIBM). Voor het gebruik van de NIBM-tool zijn maar enkele gegevens nodig. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige gegevens gaat de NIBM-tool uit van 'worst case'-omstandigheden. Met deze beperkte invoergegevens wordt er snel vast gesteld of het plan NIBM is.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
82
Uit figuur 32 blijkt dat er in de beoogde situatie rekening wordt gehouden met 112 verkeersbewegingen per week (16*7, zie verkeersbewegingen stikstof onderbouwing). Om met een worst-case scenario te rekenen zijn de huidige verkeersbewegingen niet meegenomen. Procentueel heeft het vrachtverkeer hier een aandeel van 25% in (28/112), uit onderstaand figuur blijkt dat de bijdrage aan extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt, waardoor er geen nader onderzoek vereist is.
Figuur 37 : NIBM-tool Heikant 25
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
83
5.7
Volksgezondheid
Gezondheidsrisico's zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
5.7.1 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.
De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
84
Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico's onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III' gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen.
De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.
5.7.2 Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie 'Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
85
Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan met deze formules voor de ontwikkeling van een gevoelig object worden berekend of ter plaatse voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3. Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. In de praktijk blijkt dit dat dit aantal echter niet hanteerbaar is. In de notitie wordt derhalve een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De cumulatie van endotoxinen is echter (nog niet) kwantitatief te bepalen, daarom is in het kader van een omgevingsbewuste benadering een zogenaamde 'Cumulatieve toets' opgesteld. Dit betreft een stappenplan t.b.v. de uitbreiding van een veehouderij, maar kan in het kader van de omgekeerde werking ook voor het realiseren van nieuwe gevoelige objecten worden doorlopen.
De eerste vraag van dit stappenplan is of er in de omgeving van het plangebied meerdere veehouderijen zijn gelegen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie. Voor het afbakenen van de Omgeving' wordt aangesloten bij de clusters van 250 meter die voortvloeien uit de locatiegerichte specifieke benadering. Op grond van de regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl), aldus vastgesteld d.d. 12-122018, is sprake van een hoge fijnstofemissie, indien de fijnstofemissie van een bedrijf meer dan 500 kg PM10 per jaar bedraagt. Deze norm wordt derhalve aangehouden voor het begrip 'hoge fijnstofendotoxine emissie'. Dit betreft uitsluitende de fijnstofemissie van varkens en kippen, omdat andere diersoorten niet meegewogen hoeven te worden in de door de gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde. Voor overige diersoorten zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving namelijk zeer beperkt vanwege de beperkte emissie van met name fijnstof. Binnen 250 meter van de projectlocatie is geen enkele veehouderijen gelegen met een hogere fijnstofemissie als 500 kg PM10, waardoor de gezondheid niet in het geding kan komen. Er kan dus worden geconcludeerd dat er in de omgeving geen veehouderijen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie zijn gelegen. De beoogde gronden blijven derhalve buiten de endotoxine-risicocontouren van de omliggende agrarische bedrijven.
Vraag twee betreft een eventuele toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Wat voor onderhavig plan niet van toepassing is. Vraag drie, vier en vijf gaan over het aspect geur(bijlage 7): -
Is op grond van een geurevaluatie of geurgebiedsvisie bekend dat er sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie? Is op grond van toetsing aan de Verordening ruimte 2014 bekend dat er sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie? Spelen in het betreffende gebied regelmatig klachten over geur of stof uit veehouderijen?
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
86
Uit paragraaf 5.3.1 blijkt dat er ter plaatse van de projectlocatie geen sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie. Ten slotte, de laatste twee vragen van het stappenplan hebben betrekking op agrarische gerelateerde activiteiten. Dit betreft vragen over mestbe- of verwerking en ongerustheid over de volksgezondheid, het geen niet van toepassing. Conclusie Uit de omgevingsbewuste benadering ten aanzien van de cumulatie van endotoxinen kan worden geconcludeerd dat het plangebied buiten de cumulatieve risico contour van omliggende veehouderijen is gelegen. In de directe omgeving van de beoogde gronden zijn geen bedrijven gelegen met een fijnstofemissie van meer dan 500 kg PM10 per jaar. Het aspect volksgezondheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
5.7.3 Geitenhouderijen In RIVM Rapport 2017-0062 (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) (aanvullende studies), is gesteld dat er gezondheidsrisico’s zijn vastgesteld voor omwonenden van intensieve veehouderijbedrijven. Uit het rapport komt naar voren dat omwonenden van, met name, pluimveehouderijen een grotere kans hebben op het krijgen van een longontsteking. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderijen. De Brabantse GGD vindt tevens dat gemeenten bij het verstrekken van vergunningen aan veehouders de aangetoonde effecten op de gezondheid van omwonenden in aanmerking moeten nemen. Gemeente Hilvarenbeek mag een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. Binnen de afstand van 2 kilometer tot de planlocaties zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Derhalve worden belangen van omliggende bedrijven en/of woning niet geschaad en levert het geen risico’s betreft de volksgezondheid.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
87
5.8
Bodemkwaliteit
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wro van belang indien er sprake is van functieveranderingen en / of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient inzichtelijk gemaakt te worden dat na vaststelling van het plan de beoogde oplossing om dit probleem aan te pakken (milieu)technisch haalbaar is en dat er voldoende budget beschikbaar is. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen heeft ‘M&A Onderzoek’ bodemonderzoeken uitgevoerd (bijlage 8). Uit dit onderzoek blijkt het navolgende:
meerdere
In verband met de realisatie van een nieuwe woning en kantoorgedeelte aan de Heikant 25 in Diessen is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een vooronderzoek volgens de NEN 5725 uitgevoerd. Na uitvoering van het vooronderzoek kon de hypothese "onverdachte locatie" volgens NEN 5740 worden gesteld. Voor het onderzoek asbest in de bodem (voor de drupzone bij de zuidzijde van de stal) wordt de hypothese ‘diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van monsterneming’ gesteld. Met de onderzoeksstrategie voor “onverdachte locaties” werden 5 boringen tot 0,5 m-mv geplaatst. Twee boringen zijn doorgezet tot 2 m-mv. Van de grond zijn monsters van de boven- en ondergrond genomen. Zintuiglijk werden in de grondmonsters geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Er werden ook geen afwijkingen in geur en / of kleur geconstateerd. In totaal zijn twee mengmonsters van het perceel samengesteld, welke geanalyseerd zijn volgens het NEN 5740 pakket grond. Op de locatie is eerder een peilbuis geplaatst, waaruit grondwatermonsters zijn genomen. De grondwaterstand werd op ongeveer 2,54 m-mv aangetroffen. Na analyse van de grond(meng)monsters en grondwatermonsters bleek dat : ▪ ▪ ▪
in de bovengrond de achtergrondwaarden (AW) voor de onderzoeksparameters niet worden overschreden; in de ondergrond de AW voor de onderzoeksparameters niet worden overschreden; in het grondwater een lichte verontreiniging met barium is aangetroffen.
De verontreiniging met barium in het grondwater is te relateren aan de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem. Gezien het gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk. Indicatief kan worden gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de grond van de onderzoekslocatie multifunctioneel toepasbaar is. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het bodembeleid van de gemeente Hilvarenbeek. Aan de zuidzijde van de stal, waar de asbestsanering van de golfplaten dakbedekking reeds is afgerond, is een asbestverdachte drupzone aanwezig. In verband met het onderzoek asbest in de bodem zijn bij de drupzone een drietal gaten van 30x30 cm gemaakt tot 0,15 m-mv. Van de gaten is één mengmonster samengesteld en deze is geanalyseerd op asbest. Uit de resultaten van de analyse blijkt dat de concentratie asbest bij de stal 83 mg/kg ds bedraagt. Het monster is vervolgens geanalyseerd met SEM voor asbestvezels in de fijne fractie. Hieruit blijkt dat er geen losse asbestvezels aanwezig zijn in deze fijne fractie.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
88
Vanwege de overschrijding van de toetsingswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) voor asbest in de bodem, zijn ter afperkingen van de verontreiniging, op een afstand van 1,5 meter vanaf de gevel vier nieuwe monsters tot 0,15 mmv genomen. Ook zijn twee monsters genomen van de laag 0,15 tot 0,5 m-mv in de druplijn van het dak. In totaal zijn 3 mengmonsters samengesteld. De maximale concentratie asbest in de bodem bedraagt maximaal 4,7 mg/kg ds.
*Wijziging plaats nieuwbouw woning De plaats van de nieuwbouwwoning en het bodemonderzoek komen niet met elkaar overeen. De geplande woning wordt 180 graden gedraaid. Het zuidelijk deel van de woning is enkel als gras- / maïsland in gebruik geweest, daar waar nooit bodem bedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Het bodemonderzoek volstaat.
**Opslagen hoeveelheid grond Ten tijde van het bodemonderzoek lag er deze grond niet. Middels een ‘schone grond verklaring’ is tussentijds grond aangevoerd voor het dichten van de ontgraving van de te slopen mestkelders in de varkensstal. Deze werkzaamheden hebben inmiddels plaatsgevonden 1e kwartaal 2022.
Conclusie: Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn geconstateerd in verband met de nieuwe woning en kantoorgedeelte op het perceel. Ook voor asbest in de bodem zijn verder geen maatregelen noodzakelijk.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
89
5.9
Externe veiligheid
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. 5.9.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 5.9.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.
5.9.3 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
90
5.9.4 Beoordeling plangebied De beoogde ontwikkeling voorziet in een bestemmingswijziging, als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zullen er geen kwetsbare objecten worden toegevoegd. Daarnaast bevindt het plangebied zich in een groen gebied (buiten 30 meter van het spoor en de Rijkswegen), zie figuur 33. Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied vindt u hieronder. Het plangebied is blauw omcirkeld.
Figuur 38: Uitsnede risicokaart
Risicovolle infrastructuur Onder ‘risicovolle infrastructuur’ worden de invloedsgebieden van snelwegen, ondergrondse buisleidingen of spoorwegen verstaan. In de gemeente Hilvarenbeek zijn dit bijvoorbeeld diverse buisleidingen, enkele rijks- en provinciale wegen. Op ca. 4,30 km bevindt zich een hoge druk aardgasbuisleiding. Door het feit dat deze leiding een PR 10-6 contour van 0 meter heeft, vormt het geen belemmering voor het realiseren van de herontwikkelingen. Daarnaast wordt er aan de Westelbeersedijk 6 LPG opgeslagen, gezien het feit dat de bijbehorende terreingrens op ruime afstand van de planlocatie ligt vormt dit geen gevaar.
R&S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN HEIKANT 25
91
Bedrijven Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of het plangebied gelegen is binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Spoorwegen Op circa 13,70 km ten noordwesten van het plan ligt de spoorweg ‘Tilburg – Roosendaal. Deze spoorweg maakt onderdeel uit van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de Regeling basisnet volgt dat deze spoorweg geen PR 10-6 contour of plasbrandaandachtsgebied heeft. Wel heeft het spoor een invloedsgebied die over het plangebied reikt. Echter gezien de grote afstand van het plangebied tot aan het spoor (ca. 13 km), heeft deze ontwikkeling geen significante invloed op het GR (zie figuur 33 ter verduidelijking). Met de Veiligheidsregio is afgesproken geen advies te vragen en aanvullende eisen te stellen bij plannen buiten 325 meter van een transportroute. Een eventuele nadere verantwoording van het GR is daarom niet nodig.
Wegen Op circa 3,10 km ten westen van het plangebied bevindt zich de provinciale N269 weg met daarover transport van gevaarlijke stoffen. Deze weg is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de Regeling basisnet blijkt dat dit traject geen PR 10-6-contour en/of plasbrandaandachtsgebied heeft. Aangezien de ontwikkeling geen publiekstrekkende werking heeft zal het Groepsrisico als gevolg van deze ontwikkeling onveranderd blijven. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid, vanwege transport van gevaarlijke stoffen geen belemmeringen bestaan. Een veilig woon- en leefmilieu kan in deze gegarandeerd worden.