11 bp Klein Westerwijksestraat 5 (3 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Wegens de voorgenomen ontwikkeling zal dan ook op grond van het gemeentelijk beleid compensatie dienen plaats te vinden voor de nieuwe bedrijfsloods (1.700 m2). De compensatiefactor (opgenomen op de Keurkaarten Waterschap De Dommel) bedraagt ter plaatse van de projectlocatie ½. Er dient derhalve een compenserende waterberging plaats te vinden van: 1.700 x ½ x 0,06 = 51 m3. Op de oostelijke erfgrens wordt een waterelement gerealiseerd (zie hiertoe het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1). Deze bestaat uit een perceelssloot met naastgelegen natuurvriendelijke oever. Het regenwater van de bebouwing en het erf wordt (gedeeltelijk) afgekoppeld en naar het waterelement geleid. De inhoud van dit waterelement, boven de GHG van 100 cm-mv, bedraagt 268 m3. De nieuwe perceelssloot zal hierbij niet direct worden aangesloten op de ten zuiden gelegen bestaande B-watergang. Wel zal een vertraagde afvoer en een noodoverloop worden gerealiseerd op deze watergang. Zo wordt versnelde leegloop van de nieuw aan te leggen perceelssloot voorkomen en kan deze worden gebruikt om hemelwater vanaf het bebouwd en verhard oppervlak te bergen en te laten infiltreren.
Met de voorgenomen inhoud van 268 m3 wordt ruimschoots voldaan aan de minimaal vereiste hoeveelheid waterberging op grond van het gemeentelijk beleid, namelijk 51 m3. De te realiseren waterberging heeft bovendien zelfs voldoende inhoud indien al het verhard en bebouwd oppervlak in de nieuwe beoogde situatie zou worden afgekoppeld, namelijk 7.900 m2 x ½ x 0,06 = 237 m3. De nieuwe bedrijfsloods zal tenminste worden afgekoppeld en aangesloten op de te realiseren hemelwaterberging. Voor het overige zal door initiatiefnemer worden onderzocht wat praktisch realiseerbaar is, ten aanzien van het afkoppelen van de bestaande bebouwing en verharding. Hierdoor draagt het voornemen bij aan klimaatadaptatie. De aanleg en instandhouding van de voorgenomen waterberging (perceelssloot en natuurvriendelijke oever) is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels, in combinatie met het landschappelijk inpassingsplan.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
60
4.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen opgenomen. Het doel van deze wet is om mensen te beschermen tegen het gevaar van luchtvervuiling. In Bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn vertaald naar grenswaarden van de concentratie van stikstofdioxide, fijnstof, lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Een ontwikkeling kan op basis van artikel 5.16, eerste lid, onder c uit de Wet milieubeheer worden toegestaan indien aannemelijk kan worden gemaakt dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten, de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) verslechtert. Een project draagt in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als het een toename veroorzaakt van meer dan 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Overschrijding van de grenswaarden voor de overige genoemde stoffen is in het buitengebied, of in kleine kernen, nagenoeg nooit aan de orde. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (NIBM) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin de uitoefening van bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften in ieder geval ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt.
Blijkens voorschrift 3A.2 van deze regeling worden woningbouwlocaties, in geval van één ontsluitingsweg, die netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, aangemerkt als een toepassing die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Ditzelfde geldt bovendien voor woningbouwlocaties met netto niet meer dan 3.000 woningen in geval van twee ontsluitingswegen met gelijkmatige verkeersverdeling. Onderhavig plan heeft geen betrekking op woningbouw, maar op de vestiging en ontwikkeling van een agrarisch technisch hulpbedrijf. Dit waar in de huidige situatie ter plaatse een (vrachtwagen)garagebedrijf is gevestigd. In de huidige situatie is dus sprake van een hoger aantal zware verkeersbewegingen. De voorgenomen ontwikkeling heeft nagenoeg geen invloed op eventuele emissies met een verslechterend effect op de luchtkwaliteit. Eventuele emissies kunnen hoofdzakelijk afkomstig zijn van de verkeersbewegingen van het bedrijf. Gelet op de grenswaarden voor woningbouw om NIBM bij te dragen, 1.500 respectievelijk 3.000 woningen, kan tevens worden gesteld dat onderhavige ontwikkeling door aard en omvang met zekerheid niet in betekenende mate bijdraagt aan het potentieel verslechteren van de luchtkwaliteit. De functies in het plangebied gaan niet gepaard met relevante emissies van luchtverontreinigende stoffen.
Dit is bovendien nader aangetoond door het invullen van de NIBM-tool, Afbeelding 20. De verkeersbewegingen die met de exploitatie van het bedrijf gepaard gaan, dragen NIBM bij aan de luchtkwaliteit. In de uitgevoerde NIBM-tool is een overschatting gehanteerd. De NIBM-tool dient ingevuld te worden met het aantal extra voertuigbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. In onderhavige situatie is echter het totaal aantal voertuigbewegingen in de beoogde situatie ingevuld, zonder daar de aantallen uit de huidige situatie van af te trekken. Dit betreft dus een overschatting. In het akoestisch onderzoek (Bijlage 4 van onderhavige toelichting) zijn het aantal voertuigbewegingen per weekdag inzichtelijk gemaakt. Hieruit volgt een totaal aan 84 voertuigbewegingen, waarvan 8 vrachtwagenbewegingen per dag (circa 10% zwaar verkeer). Indien deze aantallen worden ingevuld als toevoeging is er nog sprake van een NIBM toevoeging aan de luchtkwaliteit.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
61
Afbeelding 20: NIBM-tool, ingevuld voor beoogde bedrijfsopzet.
Separaat dient beoordeeld te worden of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is voor menselijk verblijf. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN-kaarten) van het RIVM. Op deze kaarten wordt de achtergrondconcentratie inzichtelijk gemaakt welke het gevolg is van de infrastructurele en bedrijvige omstandigheden ter plaatse. Uit de GCN-kaarten (voor 2020, gegevens 2020) volgt dat de achtergrondconcentraties in de plangebied als volgt bedragen: • PM10: 15,45 µg/m3 (< 18 µg/m3) • NO2: 10,98 µg/m3 (10 - 15 µg/m3) Voor PM10 en NO2 geldt voor de jaargemiddelde concentratie een grenswaarde van 40 µg/m3. Wat betreft zowel fijnstof als stikstofdioxide wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde grenswaarden. In het plangebied is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.10
Natuurgebieden
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017 en heeft daarbij het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten (‘gebiedsbescherming’ en ‘soortenbescherming’). Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming.
Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op afstand van een Natura
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
62
2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Hierbij wordt de stikstofdepositie inzichtelijk gemaakt met het rekenprogramma AERIUS Calculator en betreft de toetsingswaarde dus 0,00 mol N/ha/jaar (per saldo toename) op de hexagonen van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden. In Bijlage 5 is een beoordeling uitgevoerd van onderhavig plan in relatie tot de vereisten met betrekking tot gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming. Navolgend worden de resultaten uit dit onderzoek samengevat weergegeven.
Op Afbeelding 21 is de globale ligging van het plangebied aangeduid, in relatie tot de aangewezen Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied vanaf de planlocatie aan Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek betreft ‘Kempenland – West’. De watergang De Reusel is gelegen op circa 3,4 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. De overige delen van ‘Kempenland – West’, niet zijnde een watergang, zijn gelegen vanaf circa 3,8 kilometer in zuidelijke richting. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat in dit gebied bevindt zich op circa 4 kilometer. Het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ is op circa 4,2 kilometer aanwezig, in noordelijke richting. ‘Regte Heide & Riels Laag’ is gelegen in westelijke richting op circa 6 km afstand. De Natura 2000-gebieden zijn dus op zeer ruime afstand gelegen, waardoor potentiële overige effecten (niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie) wegens de aard en omvang van het plan, en de zeer ruime afstand reeds kunnen worden uitgesloten. Om dit ook voor stikstofdepositie met zekerheid te kunnen bevestigen is hiervoor volledigheidshalve een berekening met AERIUS Calculator uitgevoerd. Gebruiksfase Uit de berekening met AERIUS Calculator van de beoogde situatie (gebruiksfase) volgt dat er geen sprake is van depositieresultaten boven de 0,00 mol N/ha/jaar.
Bovendien door de aard en omvang van het voornemen, de ligging van de locatie en de zeer ruime afstand (> 3,4 kilometer) kunnen ook overige potentiële effecten op de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Het plan heeft dus geen negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden en er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Bouw- en aanlegfase Voor de bouw- en aanlegfase is er sprake van een uitzondering op de Wnb-vergunningplicht op basis van artikel 2.9a Wnb, juncto artikel 2.5 Bnb. Deze activiteiten hebben geen negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden en er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
63
Afbeelding 21: Ligging plangebied (globaal rood omkaderd) i.r.t. ligging Natura 2000-gebieden. (Bron: AERIUS Calculator)
4.11
Flora en fauna
Ook de voormalige Flora- en faunawet is per 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat de soortenbescherming ook via deze overkoepelende natuurwet is geregeld. Het beschermingsregime van soorten is o.a. afkomstig uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Bovendien is voor de soortenbescherming wettelijk rechtstreeks verwezen naar de hiervoor relevante Europese verdragen, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.
Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld, of een project doorgang vinden, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het planvoornemen betreft enerzijds de functiewijziging van de bestaande bedrijfslocatie van een (vrachtwagen)garagebedrijf, naar een agrarisch technisch hulpbedrijf. Daarnaast heeft het voornemen betrekking op de nieuwbouw van een bedrijfsloods en de realisatie van landschappelijke inpassing.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
64
De functiewijziging van de bestaande bebouwing en het buitenterrein heeft geen invloed op de eventuele aanwezigheid van soorten. De nieuwbouw van de bedrijfsloods vindt plaats aan de achterzijde van de bestaande loods. Hier is nu een volledig verhard buitenterrein aanwezig, in gebruik ten behoeve van o.a. parkeren, en laden en lossen. Zie hiertoe o.a. navolgende afbeeldingen. Wegens de uitvoering van dit terrein (volledige klinkerverharding) is de kans op aanwezig van beschermde soorten nihil. De landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd aan de voorzijde van het terrein (momenteel ook nagenoeg volledig verhard, dan wel gecultiveerd) en op een strook naastgelegen landbouwgrond. De landbouwgrond is in gebruik als grasland, zie hiertoe Afbeelding 24. Door het huidige intensieve landbouwkundige gebruik is de kans op aanwezigheid van beschermde soorten eveneens nihil te achten. Dit maakt dat gelet op de omstandigheden het aspect flora en fauna met zekerheid de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Het planvoornemen is juist positief voor het aspect flora en fauna, wegens de realisatie van een robuuste landschappelijke inpassing in het plangebied.
Afbeelding 22: Foto huidige situatie achterterrein ter plaatse van de beoogde nieuwbouw van de bedrijfsloods.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
65
Afbeelding 23: Foto huidige situatie achterterrein ter plaatse van de beoogde nieuwbouw van de bedrijfsloods.
Afbeelding 24: Luchtfoto huidige situatie achterterrein ter plaatse van de beoogde nieuwbouw van de bedrijfsloods.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
66
4.12
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico’s – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico’s zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als ‘de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit’. In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10−6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht, zie Afbeelding 25. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
67
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitsgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Afbeelding 25: Groepsrisicoverantwoording ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’.
Overige toetsing Tevens wordt in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ (artikel 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Barro, de effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoorts. Inventarisatie Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing op de inrichting. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicofactoren aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd, zie hiertoe Afbeelding 26. Uit deze kaart volgt dat er in het plangebied of in de directe omgeving geen direct relevante risicofactoren aanwezig zijn. Ten zuiden van het plangebied zijn een 3-tal aardgasleidingen (van de Gasunie) aanwezig. Deze aardgasleidingen komen samen bij het gasmengstation aan de Tilburgseweg 39a. Rondom deze leidingen en het gasmengstation is ook de PR 10-6 risicocontour aangeduid. De planlocatie is buiten deze plaatsgebonden risicocontour gelegen. Deze risicocontour is bovendien doorvertaald in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’ middels de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’.
In deze veiligheidszone zijn nieuwe kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten in beginsel niet toegestaan. Het plangebied is ruimschoots buiten (circa 135 m) deze veiligheidszone gelegen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van deze buisleidingen. Bovendien is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting (Beekse Bergen, NV Nederlandse Gasunie) en de provinciale weg N269. Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgevonden risicocontour van deze inrichtingen en transportroute. Verder is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied, vanwege toxische scenario’s, van de snelweg A58. De A58 is gelegen vanaf 3,3 kilometer in noordelijke richting. Derhalve dient getoetst te worden aan artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Hiervoor wordt verwezen naar het standaardadvies van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
68
Gezien er met de ontwikkeling geen bijzonder kwetsbaar object wordt opgericht, er sprake is van een ruime afstand tot de buisleidingen (vanaf 215 meter) en de risicobronnen van de genoemde inrichtingen en wegen, en er sprake is van zelfredzame personen, mag voor de ontwikkeling het standaardadvies inclusief de standaard groepsrisicoverantwoording van de Veiligheidsregio Middenen West-Brabant worden gehanteerd, zie Bijlage 8. Geconcludeerd kan worden dat een voldoende afstand wordt gerespecteerd tot risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen. Omdat de onderhavige planlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn er geen onaanvaardbare risico’s met betrekking tot het aspect externe veiligheid. De alarmeringsmogelijkheden, mogelijkheden tot bestrijdbaarheid en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid worden, in relatie tot de aard van het planvoornemen, aanvaardbaar geacht. Externe veiligheid vormt geen knelpunt voor onderhavig bestemmingsplan. In het kader van vooroverleg heeft de Veiligheidsregio (Brandweer Midden- en West-Brabant) in augustus 2021 ingestemd met onderhavige ontwikkeling.
Afbeelding 26: Uitsnede risicokaart, planlocatie globaal groen omkaderd weergegeven.
4.13
Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen
Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: • Hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; • Buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; • Buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; • Buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
69
•
Buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.
Ten zuiden van het plangebied, op een afstand vanaf 215 meter zijn een 3-tal aardgasleidingen aanwezig, zie hiertoe o.a. Afbeelding 26. Doordat deze leidingen ruimschoots buiten het plangebied zijn gelegen heeft het voornemen hier geen invloed op. Voor het overige zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen ruimtelijk aanvaardbaar is ten aanzien van dit aspect.
4.14
Cultuurhistorie
Het cultuurhistorisch belang wordt in de ruimtelijke ordening o.a. behartigd door opname van een motiveringsvereiste in artikel 3.1.6, lid 5 Besluit ruimtelijke ordening. Dit artikel bepaalt dat in een toelichting tenminste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart 2010, herziening 2016). Een uitsnede van deze kaart voor de planlocatie is bijgevoegd in Afbeelding 27. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, van rijksbelang (kaartlaag II) en provinciaal belang (kaartlaag I). Tevens geeft deze kaart een weergave van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 (kaartlaag III). Deze laatste kaartlaag heeft geen juridisch bindende werking. Volgens de toelichting op de Cultuurhistorische Waardenkaart is deze kaartlaag te beschouwen als informatie- en inspiratiebron. De provincie hecht aan deze aspecten geen nader provinciaal belang meer en deze kaartlaag wordt dan ook niet meer op provinciaal niveau geactualiseerd. Dit wordt overgelaten aan de gemeentes.
Op locatie is geen sprake van de aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Uit de cultuurhistorische waardenkaart (kaartlaag I) volgt dat het plangebied is gelegen binnen de regio Kempen, het cultuurhistorisch vlak ‘Akkercomplex Biest/Westerwijk’, het archeologisch landschap ‘Dekzandeiland Moergestel – Hilvarenbeek’ en het cultuurhistorisch landschap ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Plaatsen met leem in de ondergrond hadden een gebrekkige afwatering, zodat daar vennen en kleine veenmoerassen ontstonden. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven.
In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. De ontwikkelingsstrategie betreft behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Tevens is de planlocatie gelegen in het cultuurhistorisch vlak ‘Akkercomplex Biest/Westerwijk’. Dit gebied is een groot akkercomplex ten noorden van Hilvarenbeek, van de buurtschappen Biest, Driehuizen, Voort en Westerwijk. Het akkercomplex wordt doorsneden door het Wilhelminakanaal en de N269. Het bodemgebruik is grasland, bouwland en verschillende percelen boomteelt. Het is een akkercomplex met esdek, bolle ligging, openheid, steilranden en zandpaden. Over het akkercomplex loopt de Bosscheweg. Deze onverharde weg maakte onderdeel uit van de oude handelsroute van Hilvarenbeek naar ’s-Hertogenbosch. De waarden en kenmerken betreffen het open akkercomplex
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
70
met de bolle ligging en het esdek, de Bosscheweg, de zandwegen en de Kapel van Westrik. De strategie voor dit gebied is planologische bescherming van de aanwezige waarden en kenmerken. Bovendien is de locatie gelegen in het archeologisch landschap ‘Dekzandeiland Moergestel – Hilvarenbeek’. Dit gebied bestaat uit een zandlandschap (terrassenlandschap met dekzandreliëf, beekdal en stuifduinen) in de gemeenten Goirle, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Reusel-De Mierden en Tilburg. Strategie voor dit gebied betreft het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid). Het aspect archeologie komt in navolgende paragraaf aan bod. Tot slot is het plangebied gelegen in het cultuurhistorisch landschap ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg’. Dit gebied bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Het gebied ten zuiden van Tilburg bestaat uit een zwak golvend landschap, doorsneden door de beken Reusel, Spruitenstroompje, Rovertsche Leij, Poppelsche Leij en Leij. De bodem is opgebouwd uit oude zanden leemlagen, waarover dekzand is afgezet. Tussen deze beekdalen liggen uitgestrekte plateaus. De beekdalen bestonden uit broekbos, een nat bos van elzen, essen en wilgen op een venige bodem.
De hogere, droge delen van het terrein waren ingenomen door eiken-berkenbos en daar waar het natter was kon men grote open veengebieden en natte heidevelden verwachten, met hier en daar vennen. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van deels verdwenen hoeves, buurtschappen en akkercomplexen. Het versterken van het contrast tussen oude ontginningen met akkers enerzijds en voormalige woeste gronden anderzijds. Doelstelling is het vergroten van de cultuurhistorische waardering door de vergroting van de beleving. Bovengenoemde aanduidingen kennen een zeer uitgestrekte ligging, die de cultuurhistorische waarden van een relatief grootschalige regio vertegenwoordigen. De provinciale strategie is opgesteld voor de volledige regio en kent derhalve een ander schaalniveau dan onderhavig planvoornemen. In onderhavige situatie is sprake van een bestaande bedrijfslocatie van een niet-agrarisch bedrijf. De ontwikkeling vindt daarbij plaats binnen het huidige ruimtebeslag van dit bedrijf (huidig ruimtebeslag circa 1,01 hectare, bestaande uit huidig bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ en aanduiding ‘parkeerterrein’). Het ruimtebeslag wordt hierbij ingeperkt en tevens wordt er voorzien in een robuuste landschappelijke inpassing. Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een strook grasland van circa 15 meter breed.
Er is hier geen sprake van een akker met een bolle maaiveldligging. Door hier een landschappelijke inpassing te realiseren (bestaande uit een robuuste houtsingel met waterelementen en natuurvriendelijke oever) wordt er wel een bijdrage geleverd aan de landschappelijke uitstraling en daarmee de beleving van het plangebied op perceelsniveau. Aan de noordwestelijke perceelsgrens is reeds sprake van een bestaande groene inkleding, direct buiten het plangebied. Het voornemen draagt daarmee op haar schaalniveau bij aan de beleving en uitstraling van het omliggende (cultuurhistorische) landschap. Op de kaartlaag van het rijk (kaartlaag II) zijn behoudens indicatieve archeologische waarden (zie hiervoor navolgende paragraaf) geen cultuurhistorische indicatoren van toepassing voor het plangebied. Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 (kaartlaag III) volgt enkel de redelijk hoge historische geografie van de weg Klein Westerwijksestraat. Deze weg blijft ten behoeve van het planvoornemen ongewijzigd behouden. De ontwikkeling is passend te achten, bezien vanuit een toetsing van de ontwikkeling aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
71
Afbeelding 27: Uitsnede CHW-kaart 2010, herziening 2016, plangebied globaal groen omkaderd weergegeven.
4.15
Archeologie
In 1992 heeft Nederland het ‘Verdrag van Malta’ inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in Europees verband mede ondertekend. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
72
Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, betreft een wijziging van de Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daar hoort ook bij dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. Vanaf 1 juli 2016 wordt de bescherming voor archeologie gereguleerd in de Erfgoedwet. De voorgeschreven archeologische bescherming uit de Monumentenwet 1988 (inclusief de Wamz) wordt hiermee voortgezet. In de Erfgoedwet is o.a. geregeld hoe gebouwde en archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument. Een stelsel aan diverse vergunningen en subsidieregelingen draagt vervolgens bij aan de bescherming van deze monumenten. Verder stelt deze wet o.a. uitvoeringsregels aan de archeologische monumentenzorg, met bijvoorbeeld regels inzake certificering en de omgang met vondsten in het kader van archeologisch onderzoek.
De Erfgoedwet bevat daarnaast (middels het overgangsrecht en de verwijzing hierin naar de Monumentenwet 1988) regels voor omgang met archeologie in het algemeen. Hierbij is o.a. bepaald dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Tevens kan in het belang van de archeologische monumentenzorg hiertoe een omgevingsvergunningstelsel (bijvoorbeeld voor bouwen of voor aanlegactiviteiten) met de bijbehorende onderzoeksvereisten verplicht worden gesteld. Doorvertaling van de (bescherming van de) archeologische waarden vindt normaliter plaats in bestemmingsplannen, door middel van een archeologische dubbelbestemming. Het aspect archeologie komt daarbij mogelijk in het geding bij bodemingrepen. Archeologisch onderzoek is vereist als deze bodemingrepen een bepaalde omvang en diepte overschrijden. Deze omvang en diepte is vastgelegd in de archeologische dubbelbestemmingen. De gemeente Hilvarenbeek beschikt over een archeologische verwachtingen- en beleidskaart, als vastgesteld d.d. 27 september 2012. Een uitsnede van deze kaart voor het plangebied is weergegeven in Afbeelding 28. Uit deze kaart volgt dat het plangebied grotendeels wordt aangemerkt met een lage archeologische verwachting.
Enkel een beperkt deel (de noordoostelijke hoek van het plangebied) is aangeduid met een hoge archeologische verwachting (categorie 4). De archeologische verwachtingswaarden zijn in het geldende bestemmingsplan doorvertaald, middels de toekenning van dubbelbestemmingen. Op het gedeelte met een hoge archeologische verwachting is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ toegekend. Bij deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en dieper dan 0,5 m onder maaiveld. In onderhavige situatie is er geen sprake van dergelijke bodemingrepen. De archeologische dubbelbestemming is gelegen ter plaatse van het bestaande verharde buitenterrein en gedeeltelijk ter plaatse van de beoogde landschappelijke inpassing (strook grond nu agrarisch in gebruik). Hierbij vinden echter geen bodemingrepen plaats met een oppervlakte van meer dan 500 m 2 en dieper dan 0,5 m. De gestelde omvang en diepte van bodemingrepen wordt derhalve niet geschonden. Door de archeologische verwachtingswaarden in het plangebied, de aard van het voornemen en de geringe mate van bodemingrepen (omvang en diepte), heeft het plan geen gevolgen voor het aspect archeologie. De geldende archeologische dubbelbestemming wordt in het plan ongewijzigd overgenomen. Hierdoor blijft de archeologische bescherming ongewijzigd behouden.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
73
Afbeelding 28: Uitsnede archeologische beleidskaart Hilvarenbeek als vastgesteld d.d. 27 september 2012, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
74
4.16
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het voornemen dient te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten, waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor plannen gelden de onderstaande criteria als uitgangspunt om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Aanleiding hiertoe is de modernisering van de m.e.r.wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft tot gevolg dat de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. indicatief zijn geworden.
Ook een project net onder de drempelwaarden, kan immers (afhankelijk van de omstandigheden van de activiteit en de ligging) belangrijke nadelige (milieu)gevolgen hebben. Ook onder de genoemde drempelwaarden moet derhalve worden beoordeeld of het doorlopen van een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is. Dit betreft de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Deze beoordeling houdt in dat onderzocht dient te worden of er bij het initiatief sprake is van bijzondere omstandigheden of milieueffecten, waardoor toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij worden de selectiecriteria uit Bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU) gehanteerd. Deze criteria betreffen o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Uit het eerstgenoemde criterium volgt dat het plan moet worden beschouwd in relatie tot de drempelwaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de herbestemming van een niet-agrarische bedrijfslocatie ten behoeve van een agrarisch technisch hulpbedrijf. Het ruimtebeslag wordt hierbij ingeperkt (bestemmingsvlak en aanduiding parkeerterrein), maar de omvang in bedrijfsbebouwing wordt verruimd. De ontwikkeling is an sich niet concreet opgenomen op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.
Een vestiging en uitbreiding van een bedrijfslocatie kan, al naar gelang de omstandigheden van het geval, mogelijk wel worden beschouwd als zijnde een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D11.2 ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’). Het voornemen valt hierbij ruimschoots beneden de genoemde gevallen, namelijk 100 hectare of meer, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 20 hectare of meer. Indien het voornemen is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is derhalve een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. Of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r., hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij spelen onder meer mee of het bebouwde oppervlak toeneemt en in hoeverre het voorgenomen gebruik verschilt van wat momenteel in het bestemmingsplan is toegestaan. Dit is derhalve casuïstisch van aard en niet gelijk te stellen met de jurisprudentie omtrent stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 3.1.3). Het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
is niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ laat ruimte voor interpretatie en hangt onder andere af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
75
omvang (van de voorziene wijziging) van de stedelijke ontwikkeling een rol. In de Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. wordt deze activiteit als volgt omschreven: ‘Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.’ Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van een agrarisch technisch hulpbedrijf. Dit lijkt blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. qua aard al niet het type project te zijn waar ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ voor is bedoeld. De aard van de ontwikkeling is buitengebied-gerelateerd en de locatie is ook gelegen in het buitengebied (en niet in het bestaand stedelijk gebied). Bovendien gaat de ontwikkeling gepaard met een afname van het ruimtebeslag (van 1,01 hectare, naar 0,85 hectare), maar vindt bij die ontwikkeling wel een toename van de bedrijfsbebouwing plaats (uitbreiding met 1.700 m2, tot in totaal 3.720 m2 bedrijfsgebouwen). Zoals in paragraaf 3.1.3 nader toegelicht zijn er in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking jurisprudentielijnen uitgezet om te kunnen beoordelen of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening).
Ondanks dat de jurisprudentielijnen wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking niet één-op-één toepasbaar zijn voor de beoordeling van stedelijke ontwikkelingsprojecten in de m.e.r.-wetgeving, kan deze wel worden gebruikt ter indicatie. Uit deze jurisprudentie volgt o.a. dat indien er sprake is van een uitbreiding van een gebouw, met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, dat deze ontwikkeling in beginsel als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. In de jurisprudentie aangaande de m.e.r.-wetgeving is hierbij nog geen vergelijkbare casus bekend. Gelet op het voorgaande is het echter ‘worst case’ om te concluderen dat de ontwikkeling wel is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. Bij categorie D11.2 is het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro, als hier van toepassing, opgenomen in kolom 4, besluiten. Na de vaststelling van het plan is immers geen m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit meer benodigd. De procedurele vereisten zijn derhalve bepaald in het Besluit milieueffectrapportage, Hoofdstuk 2, artikel 2, lid 5 sub b. Samenvattend betreffen deze procedurele vereisten dat het voornemen schriftelijk wordt medegedeeld aan het bevoegd gezag. Deze mededeling betreft daarbij de ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
In Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer zijn de inhoudelijke vereisten van een dergelijke mededeling en aanmeldnotitie opgenomen. Het bevoegd gezag dient vervolgens tijdig te beslissen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de mogelijk belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is bijgevoegd in Bijlage 6 van onderhavige toelichting. Op basis van het eerste criterium wordt derhalve een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd en wordt het bevoegd gezag verzocht om hieromtrent een besluit te nemen. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft, wegens aard, omvang, dan wel afstand, geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden (zie hiertoe tevens paragraaf 4.10 en Bijlage 5). Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MERplichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.
Wel heeft er in deze plantoelichting met bijbehorende bijlagen een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Het bevoegd gezag dient hieromtrent een besluit te nemen. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
76
5.
JURIDISCHE PLANTOELICHTING
Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de wijze van doorvertaling van de voorgenomen ontwikkeling in een juridisch-planologische regeling.
5.1
Opbouw bestemmingsplan
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevatten een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat tenminste uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. De verbeelding en regels vormen daarbij tezamen het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium inzake het toegestane gebruik van gronden en bouwwerken, en bepalen de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom met het planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regeling, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. Een bestemmingsplan dient bovendien eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er van overheidswege standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw van de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd.
5.2
Toelichting verbeelding
Als basis voor de verbeelding van onderhavig plan is het vigerende planologische regime, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’, gehanteerd. Hierbij is een beschouwing gemaakt van de geldende plansystematiek. Daarnaast zijn de van toepassing zijnde dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen als basis overgenomen. Vervolgens zijn de aanpassingen doorgevoerd die noodzakelijk zijn om de voorgenomen inrichting te realiseren. Als basis voor de verbeelding van onderhavig plan is daarbij de voorgenomen inrichtingsschets, zoals is opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan gehanteerd (Bijlage 1). Het plangebied is de afbakening van de gronden die toebehoren aan de planlocatie, namelijk de kadastrale percelen 1241, 1242, 2408 en 2409. Het plangebied heeft een totale omvang van 12.010 m2. In de huidige situatie heeft de locatie overwegend de enkelbestemming ‘Bedrijf’ toegekend gekregen. Deze bestemming wordt conform de systematiek van het moederplan toegepast voor niet-agrarische bedrijven, zoals een garagebedrijf. In de beoogde situatie is echter sprake van een agrarisch technisch hulpbedrijf. In het moederplan, ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’, worden agrarisch verwante bedrijven en agrarisch technische hulpbedrijven bestemd met de enkelbestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’. Derhalve wordt de bestemming gewijzigd van ‘Bedrijf’ naar ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’.
Beide bestemmingen werken bovendien met een functieaanduiding, waarbij vervolgens in een tabel het type bedrijf, het adres, de oppervlakte van bedrijfsgebouwen en de toegestane goot- en bouwhoogte worden vastgelegd. In de huidige situatie was sprake van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 14’, waardoor op locatie een garage met 2.020 m2 oppervlakte
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
77
bedrijfsgebouwen, met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 5 en 8 m is toegestaan. In de beoogde situatie wordt dit de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’, ten behoeve van een bedrijf gericht op totaalaanbod stalinrichting (productie (metaalbewerking), leverancier, montage en service) en aanverwante producten (stalsystemen, onderdelen t.b.v. landbouwmechanisatie), waarbij kozijnenhandel als nevenactiviteit is toegestaan. De toegestane oppervlakte bedrijfsgebouwen betreft daarbij 2.020 m2 (huidig bestemd), vermeerderd met de beoogde uitbreiding van 1.700 m2 (totaal 3.720 m2). Daarbij is een goothoogte opgenomen van 6 m (daar de bestaande bedrijfsbebouwing reeds beschikt over een goothoogte van 6 m) en een bouwhoogte van 9 m (om het voorgenomen bouwplan te kunnen realiseren, zie hiertoe de toelichting in paragraaf 2.3). In de huidige situatie is de inrit (aan de achterzijde van het terrein) met bijbehorend parkeerterrein bestemd met de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en de functieaanduiding ‘parkeerterrein’. Deze gronden behoren in de huidige situatie reeds tot de bedrijfsvoering en het bouwperceel. Een agrarische bestemming doet echter geen recht aan het feitelijke gebruik. Deze functie blijft behouden ten behoeve van de beoogde situatie, maar wordt gedeeltelijk verkleind (wegens de voorgenomen uitbreiding aan die zijde met de nieuw te bouwen loods).
Dit deel zal in de beoogde situatie passend worden bestemd met de enkelbestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ en de functieaanduiding ‘parkeerterrein’. De gronden welke worden gebruikt voor landschappelijke inpassing en de aanleg van nieuwe landschapselementen worden voorzien van de enkelbestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’. Dit betreft een bestemming die nog niet standaard in de systematiek van het moederplan voorkomt, echter betreft dit een meer passende bestemming dan bijvoorbeeld de enkelbestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ (daar dit vooral wordt toegepast voor de meer grootschalige bos- en natuurpercelen). Voor het overige worden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – kampenlandschap’ ongewijzigd overgenomen uit het moederplan.
5.3
Toelichting regels
Conform de SVBP dienen de regels te bestaan uit ‘Inleidende regels’ (Hoofdstuk 1), ‘Bestemmingsregels’ (Hoofdstuk 2), ‘Algemene regels’ (Hoofdstuk 3) en ‘Overgangs- en slotregels’ (Hoofdstuk 4). Tevens is de opbouw en volgorde van de diverse artikelen grotendeels voorgeschreven in de SVBP. Aanvullend schrijft het Besluit ruimtelijke ordening een aantal standaardregels voor, zoals het overgangsrecht. Deze zaken zijn in acht genomen bij het opstellen van de planregels. Als basis voor onderhavige planregels, zijn de vigerende regels afkomstig van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’ (met bijbehorende latere reparatieplannen) gehanteerd. Aanvullend is ook het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018’ in onderhavig plan verwerkt. Vervolgens zijn deze regels waar nodig aangepast of aangevuld, om het planvoornemen mogelijk te maken. Navolgend worden de belangrijkste planregels nader toegelicht. Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die bij de uitleg van de regels worden gehanteerd. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel bevat de spelregels over de wijze waarop hoogtes, afstanden, oppervlaktes e.d. worden gemeten. Artikel 3 Bedrijf – Agrarisch verwant De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor agrarisch verwante bedrijven en agrarisch technische hulpbedrijven, zoals geconcretiseerd middels de toegekende functieaanduiding.
Door toekenning van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ is uitsluitend de in de tabel in de regels genoemde bedrijvigheid toegestaan, met vastgelegd het type bedrijf, de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en de goot- en bouwhoogte.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
78
Ter plaatse van de functieaanduiding ‘parkeerterrein’ is een parkeerterrein (parkeren, laden en lossen) toegestaan, ten behoeve van het aanwezige bedrijf. Dit artikel bevat bovendien de verdere bouw- en gebruiksregels en binnenplanse afwijkingsbevoegdheden, waarbij is aangesloten bij de regels uit het moederplan. In de bouwregels is bovendien een onderscheid gemaakt tussen het bouwen ter plaatse van de twee functieaanduidingen (‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ en ‘parkeerterrein’). Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ is het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bedrijfsvoering toegestaan. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘parkeerterrein’ zijn geen gebouwen toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn enkel toegestaan ten behoeve van de functionaliteit van het parkeerterrein (zoals een terreinafscheiding, of terreinverlichting). In de regels van dit artikel is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is geborgd. Artikel 4 Groen – Landschappelijke inpassing De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor o.a. groen en landschapselementen ten behoeve van landschappelijke inpassing. Deze bestemming is toegekend aan de gronden waar de landschappelijke inpassing is voorzien.
Artikel 5 Waarde – Archeologie 1 Door deze dubbelbestemming zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is daarbij vereist indien er sprake is van relevante bodemingrepen (groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 m). Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 7 Algemene gebruiksregels Dit artikel is overgenomen uit het moederplan en omvat een algemene verbodsbepaling om gronden en opstallen te gebruiken ten behoeve van het boren naar gas. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat de van toepassing zijnde regels voor de opgenomen gebiedsaanduidingen. In onderhavige situatie betreft het de gebiedsaanduiding ‘overige zone – kampenlandschap’. De van toepassing zijnde regels zijn hierbij overgenomen uit het moederplan. Artikel 9 Overige regels Dit artikel is gebruikt om de regels van het ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018’ in onderhavig plan vast te leggen.
Artikel 10 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot (legale) bouwwerken en gebruik, welke afwijken van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Deze bouwwerken mogen in beginsel worden behouden (gedeeltelijk vervangen en vernieuwen) en het gebruik mag worden voortgezet (totdat het gebruik voor een periode langer dan één jaar wordt onderbroken). Wijziging van het afwijkend gebruik of bouwen is hierbij beperkt toegestaan, conform de hiervoor opgenomen regels. Artikel 11 Slotregel Dit artikel bevat de wettelijk vastgelegde aanhaaltitel voor toepassing van de regels. Door de keuze van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding, in combinatie met de bijbehorende regels, wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
79
6.
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
De voorgestane ontwikkeling aan de Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek betreft een bedrijfsmatig initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende initiatiefnemer. Hierbij is de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Er zijn geen financiële consequenties van het plan voor de gemeente Hilvarenbeek. Dit zal worden vastgelegd in een overeenkomst over de grondexploitatie, waarin o.a. wordt opgenomen dat gemeentelijke exploitatiekosten en eventuele planschade voor rekening komen van de initiatiefnemer. Bovendien worden de gemeentelijke kosten verhaald via het in rekening brengen van leges. Doordat het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins is verzekerd, is geen exploitatieplan benodigd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee afdoende aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en procedure
Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom dat er maatschappelijk draagvlak is voor een planvoornemen. In dat kader wordt de gelegenheid tot inspraak geboden conform de wettelijk voorgeschreven procedure. Bovendien heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en een omgevingsdialoog met de directe betrokkenen. 6.2.1 Procedure algemeen In Hoofdstuk 3 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de inhoudelijke vereisten opgenomen voor bestemmingsplannen. In artikel 3.1.1 van het Bro is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken provincie en waterschap. Indien nodig dient bovendien overleg plaats te vinden met de besturen van andere gemeenten of met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De formele vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hierbij wordt o.a. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard, met een aantal aanvullende procedurevereisten. Het (ontwerp)plan wordt ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken omtrent het plan.