11 bp Klein Westerwijksestraat 5 (3 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
De afstand tussen de rand van het voorgenomen bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ en het bouwvlak van Klein Westerwijksestraat 6A bedraagt circa 28 meter. Hierdoor wordt enkel niet voldaan aan de gestelde richtafstand van 50 meter voor het aspect geur. Voor de overige aspecten wordt voldaan aan de richtafstanden, waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De regels voor het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven worden gereguleerd in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer (zie bovendien paragraaf 4.4 van onderhavige toelichting). Daar er aan de Klein Westerwijksestraat 6A sprake is van een melkrundveehouderij gelden in deze wetgeving minimaal vereiste afstanden van 50 en 25 meter tot respectievelijk de emissiepunten en de stallen. Deze afstanden dienen te worden gerespecteerd tot geurgevoelige objecten, zoals woningen. Vanuit de aanwezige melkrundveehouderij betreft de bestaande bedrijfswoning Klein Westerwijksestraat 5A het dichtstbijzijnde geurgevoelige object op onderhavige bedrijfslocatie. Deze woning blijft met het planvoornemen ongewijzigd behouden. Het bedrijf dient derhalve reeds rekening te houden met de aanwezigheid van deze woning bij eventuele ontwikkelingen. Daar de ontwikkeling, nieuwbouw loods, plaatsvindt achter deze bedrijfswoning heeft
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
41
het voornemen met zekerheid geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van Klein Westerwijksestraat 6A. In onderhavige situatie is er sprake van bestaande geurgevoelige objecten, waaronder de bestaande bedrijfswoning. Deze objecten blijven ongewijzigd behouden. De nieuwbouw van de bedrijfsloods vindt, bezien vanuit de veehouderij, achter de bestaande bedrijfswoning plaats. De ontwikkeling heeft derhalve geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het aanwezige bedrijf. Bovendien wordt een ruimschoots afdoende afstand (> 50 m) gerespecteerd tussen de stallen van het bedrijf en de bestaande geurgevoelige objecten op onderhavige bedrijfslocatie. Ten gevolge van het bedrijf aan Klein Westerwijksestraat 6A is er dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tabel 3: Bedrijvigheid in directe omgeving, met toe te passen richtafstanden (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’)
Geluid
Gevaar
Grootste afstand
Categorie
Grootste richtafstand in gemengd gebied (m)
Afstand tot rand bestemmingsvlak Bedrijf (m)
Klein Westerwijksestraat 6 Veehandel Klein Westerwijksestraat 6A Melkrundveehouderij Groot Westerwijksestraat 1 Paardenhouderij (pensionstalling) en rundveehouderij Klein Westerwijksestraat 11 Restaurant
Stof
Adres en omschrijving
Geur
Richtafstanden in meters (bij rustige woonwijk / rustig buitengebied)
30
10
30
10
30
2
10
20
100
30
30
0
100
3.2
50
28
50 100
30 30
30 30
0 0
50 100
3.1 3.2
30 50
230
10
0
10
10
10
1
10
470
Ten aanzien van milieuzonering is verder dus met name relevant of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige functies (zoals woningen), ten gevolge van de voorgenomen bedrijfsvestiging. Op Afbeelding 8 en Afbeelding 9 is de beoogde situatie in het plangebied weergegeven. In de beoogde situatie zullen de bedrijfsmatige werkzaamheden hoofdzakelijk in de bedrijfsloodsen plaatsvinden. Op het buitenterrein vindt enkel parkeren en laden en lossen plaats. Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande loods gewijzigd uit te voeren (glazen roldeuren aan voorzijde vervangen door geïsoleerde sandwichpanelen). Dit ter voorkoming van eventuele geluidsuitstraling vanuit de bedrijfsgebouwen. Laden en lossen en de aanvoer van zwaarder verkeer vindt daarbij plaats aan de achterzijde (noordzijde). Parkeren van personenvoertuigen vindt daarbij met name plaats aan de voorzijde (zuiden westzijde), waarbij een scheiding wordt gemaakt tussen parkeren voor personeel en parkeren voor bezoekers. Bij de toetsing van het aspect bedrijven en milieuzonering dient uit een lijst van bedrijfsmatige activiteiten ‘gekozen’ te worden, welke van de categorieën het meest past bij de daadwerkelijke bedrijfsvoering. Elk bedrijf beschikt echter over specifieke bedrijfsactiviteiten en bijbehorende potentiële milieuhinder.
Onderhavig bedrijf vervaardigt op locatie in hoofdzaak stalinrichting en onderdelen ten behoeve van landbouwmechanisatie (en deze goederen worden vervolgens bij de (agrarische) klanten op locatie geleverd en gemonteerd en hierbij wordt de bijbehorende service verleend gedurende gebruik en
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
42
onderhoud). Naast de werkzaamheden ten behoeve van vervaarding is er ook sprake van een groot deel opslag en stalling van gereedschappen en benodigdheden. Een bedrijf concreet gericht op deze activiteiten is niet opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. Voor eventuele milieubelasting zijn de bedrijfsactiviteiten gericht op het vervaardigen van stalinrichting het meest bepalend. Qua bedrijfsmatige activiteiten op de locatie zelf kan daardoor het meest passend worden aangesloten bij vervaardiging van producten van metalen, constructiewerkplaats, gesloten gebouw (productieoppervlak > 200 m2). Dit betreft milieucategorie 3.2, maar is in gemengd gebied gelijk te stellen aan categorie 3.1. In navolgende tabel zijn de van toepassing zijnde richtafstanden opgenomen voor een dergelijk bedrijf, in gemengd gebied. In de huidige situatie is er sprake van een vrachtwagengarage, de reparatie en stalling van vrachtwagens. Ook dergelijke bedrijfsactiviteiten zijn aan te merken als milieucategorie 3.2. Er wordt dus geen hogere milieucategorie gevraagd dan ter plaatse reeds gevestigd. Bovendien is er sprake van een afname van de milieuhinder ten opzichte van de huidige situatie. Dit wordt navolgend verder toegelicht. Tabel 4: Bedrijvigheid in plangebied met toe te passen richtafstanden (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’)
Stof
Geluid
Gevaar
Grootste afstand
Categorie
Adres en omschrijving Constructiewerkplaats, gesloten gebouw, p.o. > 200 m2
Geur
Richtafstanden in meters (in gemengd gebied)
10
10
50
30
50
3.2
Geur, stof en gevaar Uit Tabel 4 volgt voor de aspecten geur en stof een richtafstand van 10 meter. De richtafstand voor het aspect gevaar kan in beginsel niet met één afstandsstap worden verlaagd, waardoor theoretisch een richtafstand van 30 meter (in plaats van 10 meter) geldt. Deze aspecten zijn enkel mogelijk van toepassing bij de werkzaamheden in de bedrijfsbebouwing (loodsen). Geur, stof en gevaar is bij een dergelijk type bedrijf echter nauwelijks relevant. Ten behoeve van de werkzaamheden worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen en is ook geen sprake van andersoortige gevaarlijke installaties. Bij bijvoorbeeld het (gering) opslaan van gasflessen wordt de van toepassing zijnde regelgeving (o.a. Activiteitenbesluit milieubeheer) in acht genomen. Er is dus geen sprake van externe veiligheidsrisico’s buiten de inrichting. De bedrijfsbebouwing wordt bovendien voorzien van een adequate luchtbehandelingsinstallatie, waarbij de afgezogen lucht wordt gefilterd. Dit is bij dergelijke bedrijven zeer regulier en wordt bovendien voorgeschreven vanuit milieuwetgeving. Met een dergelijke luchtbehandeling is de emissie van stoffen (zoals geur of stof) nihil. Er is geen sprake van activiteiten op het buitenterrein met potentiële effecten voor geur, stof of gevaar. Binnen 10 meter rondom de nieuwe bedrijvenbestemming is enkel de woning van derden, Klein Westerwijksestraat 3A, gelegen.
Voor deze woning geldt echter dat deze reeds wordt afgeschermd door de aangebouwde kantoorruimte, met bijbehorende buitenruimte, aan Klein Westerwijksestraat 3B. De woning Klein Westerwijksestraat 3 is gelegen op circa 27 meter tot de rand van het bestemmingsvlak. De woningen Klein Westerwijksestraat 6 en 6A zijn gelegen op respectievelijk 30 en 43 meter tot de rand van het bestemmingsvlak. De afstand tussen de bedrijfsloodsen en omliggende woningen is, behoudens Klein Westerwijksestraat 3A, wel groter dan 30 meter.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
43
Gelet op het bovenstaande wordt eventuele milieuhinder echter voorkomen en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Voor deze aspecten zal het bedrijf dus voldoen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Geluid Zoals ook volgt uit de richtafstanden van de VNG-handreiking is het aspect geluid het belangrijkste te toetsen aspect bij dit type bedrijvigheid. Voor geluid geldt in beginsel een richtafstand van 50 meter. Binnen deze afstand van 50 meter rondom de bedrijfslocatie zijn een aantal woningen van derden gelegen. Er kan dus niet reeds op basis van een onderlinge afstand afdoende worden uitgesloten dat er sprake is van geluidshinder. Een akoestisch onderzoek is derhalve noodzakelijk om te onderzoeken of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of voldaan kan worden aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Door Gbs Milieuadvies is een dergelijk akoestisch onderzoek uitgevoerd. In navolgende paragraaf wordt dit onderzoek nader toegelicht. Uit het akoestisch onderzoek volgt echter dat voldaan wordt aan de normstelling en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beoogde bedrijfsopzet wordt hierbij gereguleerd door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
4.3
Geluid - industrielawaai
Uit voorgaande paragraaf volgt dat met de beoogde bedrijfsactiviteiten niet volledig aan de richtafstanden voor het aspect geluid kan worden voldaan, als van toepassing volgens de VNGhandreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. Door Gbs Milieuadvies is derhalve een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd naar de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen, vanwege de voorgenomen bedrijfsactiviteiten van het bedrijf aan de Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek. Dit onderzoek is in volledigheid bijgevoegd in Bijlage 4. Navolgend worden de belangrijkste conclusies opgesomd weergegeven. Voor de uitleg omtrent de uitgangspunten, bedrijfsactiviteiten en de rekenresultaten wordt naar het onderzoek verwezen. In dit akoestisch onderzoek is zowel getoetst aan de kaders van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (aanvaardbaar woon- en leefklimaat op basis van de systematiek uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’), als aan de normstelling voor het bedrijf uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit de rekenresultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau maximaal 45 dB(A) etmaalwaarde bedraagt ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen.
Omdat de geluidbelasting lager is dan 50 dB(A) etmaalwaarde, conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan gesteld worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast wordt tevens voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit van 50 dB(A) etmaalwaarde. Maximaal geluiddrukniveau Het maximaal geluiddrukniveau (LA,max) bedraagt ten hoogste 67 dB(A) in de dagperiode vanwege het rijden van de vrachtwagens ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen. Het maximaal geluiddrukniveau (LA,max) bedraagt ten hoogste 60 dB(A) in de avondperiode vanwege het sluiten van portieren ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen. Het maximaal geluiddrukniveau (LA,max) bedraagt ten hoogste 60 dB(A) in de nachtperiode vanwege het sluiten van portieren ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen. Omdat de geluidbelasting kleiner of gelijk is dan 70 dB(A) in de dag- 65 dB(A) in de avond- en 60 dB(A) in de nachtperiode, conform stap 2 van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, kan gesteld worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast wordt tevens voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
44
Indirecte hinder De indirecte hinder vanwege wegverkeer van en naar de inrichting bedraagt maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt derhalve niet overschreden. Conclusie In het akoestisch onderzoek is voor de berekening van de geluidbelasting uitgegaan van een situatie, inclusief overwerk. Dit vindt zeker niet dagelijks plaats en kan dan ook als ‘worst case’ worden gezien. Er is dus met het onderzoek sprake van een representatieve invulling van de maximale planologische ruimte. Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de geluidsgevoelige bestemmingen, als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf. Daarnaast kan het bedrijf voldoen aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Concluderend, ten aanzien van het aspect geluid (industrielawaai) is het bedrijf dus milieuhygiënisch inpasbaar in deze omgeving.
4.4
Veehouderijen en geur
Om de beoogde situatie mogelijk te maken dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek. Bij elke ruimtelijke procedure dient ‘een goede ruimtelijke ordening’ in acht te worden genomen. Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkomen van hinder door milieubelastende activiteiten. Tevens dient voorkomen te worden dat de vestiging van een nieuwe functie negatieve gevolgen heeft voor bestaande functies en bedrijvigheid. Het wettelijk kader (Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en Activiteitenbesluit milieubeheer) schrijft voor op welke wijze het bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij uitbreidt of wijzigt. Indirect heeft deze geurwetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk, een geurnorm is bedoeld om personen te beschermen tegen geurhinder, dus omgekeerd moet het bevoegd gezag ook geen nieuwe situaties toestaan waarbij personen zichzelf blootstellen aan overmatige geurhinder. Voor de toetsing van het aspect veehouderijen en geur kan overigens ook gebruik worden gemaakt van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, zoals toegelicht in voorgaande paragraaf.
Onderhavige planlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek, dit betreft een concentratiegebied voor toepassing van de Wgv. Naast de wettelijke normstelling, kunnen gemeentes bovendien een eigen normstelling hanteren middels de toepassing van een geurverordening. De gemeente Hilvarenbeek beschikt over de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’, als laatst gewijzigd in werking getreden d.d. 16 februari 2016. Volgens de kaart als toebehorende aan deze geurverordening is de planlocatie gelegen in het buitengebied. Deze verordening hanteert in het buitengebied een andere normstelling voor de geurnormen voor dieren met geuremissiefactoren (zoals varkens of pluimvee). In de geurverordening is voor het buitengebied een maximale voorgrondbelasting opgenomen van 10,0 OUE/m3. De normstelling van 10,0 OUE/m3 in de voorgrondbelasting komt overeen met een percentage geurgehinderden van 20%. Op basis van het wettelijk kader en de gemeentelijke geurverordening, is de volgende normstelling van toepassing op het plangebied (buiten de bebouwde kom, binnen concentratiegebied, in de gemeente Hilvarenbeek): • Een maximale geurbelasting van 10,0 OUE/m3 voorgrondbelasting op een geurgevoelig object.
Het betreft daarbij de geurbelasting veroorzaakt door dieren met geuremissiefactor in de ministeriële regeling Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), zoals varkens, pluimvee of vleesrunderen. • Een minimaal vereiste afstand van 50 meter tussen het emissiepunt van een stal en een geurgevoelig object. Het betreft daarbij veehouderijen waar dieren worden gehouden van een
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
45
•
diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling (Rgv) een geuremissiefactor is vastgesteld (zoals paarden of melkrundvee). Daarnaast geldt voor alle stallen (ongeacht de diercategorie) een minimale afstand tussen de buitenzijde van de gevel van een dierenverblijf en het geurgevoelig object van 25 meter.
Voor de achtergrondbelasting (geur ten gevolge van de veelheid aan veehouderijen in een gebied) geldt geen formele normstelling. Hiervoor geldt een afweging in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’, dus of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De provincie Noord-Brabant hanteert in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (voor de toetsing vanuit veehouderijen) in het buitengebied een maximum van 20% geurgehinderden (dit komt in concentratiegebied overeen met een achtergrondbelasting van 20 OUE/m3). Dit percentage geurgehinderden en de bijbehorende achtergrondbelasting betreft blijkens de gemeentelijke geurgebiedsvisie uit 2008 en de evaluatie geurgebiedsvisie d.d. 13 november 2013 van de gemeente Hilvarenbeek, bovendien de gemeentelijke streefwaarde voor de achtergrondbelasting voor het buitengebied. Voor locaties met een hogere belasting dan 20% geurgehinderden moet blijkens de gemeentelijke gebiedsvisie voorkomen worden dat nieuwe geurgevoelige objecten hierin terecht komen. De veehouderijendichtheid rondom het plangebied is relatief laag. Op Afbeelding 16 is de ligging van het plangebied weergegeven, met de aanwezige veehouderijen. De VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ hanteert voor veehouderijbedrijven in beginsel een maximale richtafstand van 200 meter voor het aspect geur (100 meter in gemengd gebied, als hier van toepassing).
Binnen 200 m rondom het plangebied is enkel de melkrundveehouderij aan Klein Westerwijksestraat 6A aanwezig. De rand van het bouwvlak van dit bedrijf is gelegen op circa 28 meter tot de rand van het beoogd bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’, met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’. Daar er sprake is van een melkrundveehouderij gelden minimaal vereiste afstanden van 50 en 25 meter tot respectievelijk de emissiepunten en de stallen. In onderhavige situatie is er sprake van bestaande geurgevoelige objecten, waaronder de bestaande bedrijfswoning. Deze objecten blijven ongewijzigd behouden. De nieuwbouw van de bedrijfsloods vindt, bezien vanuit de veehouderij, achter de bestaande bedrijfswoning plaats. De ontwikkeling heeft derhalve geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het aanwezige bedrijf. Bovendien wordt een ruimschoots afdoende afstand (> 50 m) gerespecteerd tussen de stallen van het bedrijf en de bestaande geurgevoelige objecten op onderhavige bedrijfslocatie. Uit paragraaf 4.2 volgt dat er ter plaatse van het plangebied kan worden voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ voor de omliggende veehouderijen (voor o.a. het aspect geur), behoudens voor de melkrundveehouderij Klein Westerwijksestraat 6A.
Voor dit bedrijf is echter voorgaand geconcludeerd dat feitelijk afdoende afstanden worden gerespecteerd en dat het bedrijf niet wordt beperkt in de ontwikkelingsmogelijkheden. In beginsel kan derhalve reeds worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volledigheidshalve wordt ook nog een toetsing verricht aangaande het aspect achtergrondbelasting van geur. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting verstaan als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting is daarmee een goede graadmeter voor hinder ten gevolge van veehouderijbedrijven. De Omgevingsdienst ZuidoostBrabant (ODZOB) heeft kaarten opgesteld met betrekking tot de fysieke leefomgeving, op basis van de bij hen beschikbare data. Een van deze kaarten heeft betrekking op de achtergrondbelasting van geur ten gevolge van de aanwezige veehouderijbedrijven. Een uitsnede van deze kaart is bijgevoegd in Afbeelding 17. Hieruit volgt dat de kwaliteit van de leefomgeving, bezien vanuit het aspect geur van veehouderijen ‘goed’ is (3 - 7 OUE/m3). Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de provinciale en gemeentelijke streefwaarde van een achtergrondbelasting van maximaal 20 OU E/m3.
(De achtergrondbelasting van 3 – 7 OUE/m3 voldoet notabene aan de maximale voorgrondbelasting van geur als van toepassing in de gemeentelijke geurverordening.) Voor dit aspect is derhalve sprake van een aantoonbaar aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
46
Afbeelding 16: Kaart ligging veehouderijbedrijven, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven. (Bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant o.b.v. WebBVB Brabant.)
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
47
Afbeelding 17: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur veehouderijen in OUE/m3 ODZOB, peildatum februari 2021. Planlocatie globaal rood omkaderd weergegeven.
4.5
Veehouderijen en volksgezondheid
Veehouderijen zijn tegenwoordig regelmatig onderwerp van discussie omtrent het aspect volksgezondheid. De focus ligt hierbij met name op grootschalige varkens-, pluimvee- en geitenhouderijen. Op basis van de momenteel uitgevoerde onderzoeken kunnen nog geen eenduidige conclusies worden getrokken of er sprake is van een causaal verband tussen veehouderijen en volksgezondheid. Dit wordt ook door de Gezondheidsraad geconcludeerd in haar advies van 14 februari 2018 hieromtrent. In dit advies wordt bovendien gesteld dat hoewel niet kan worden vastgesteld wat eventuele gezondheidseffecten veroorzaakt, dat het wel zinvol is om emissiereducerende maatregelen bij veehouderijen te treffen. Vervolgonderzoek is nog noodzakelijk en gaande. Navolgend wordt een samenvatting gegeven van de belangrijkste gepubliceerde onderzoeken met betrekking tot veehouderijen en volksgezondheid.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
48
In augustus 2016 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ (VGO-1) gepubliceerd, RIVM-rapport 2016-0058. Voor dit onderzoek is uitgebreid onderzoek gedaan in het oosten van NoordBrabant en het noorden van Limburg, een dichtbevolkt gebied met een hoge veehouderijendichtheid. Deze conclusies zijn derhalve niet één-op-één door te trekken naar gebieden met een andere samenstelling. • Het VGO-onderzoek bevestigt eerdere bevindingen dat astma en neusallergieën minder voorkomen bij mensen die op korte afstand wonen van veehouderijen. Verder komt COPD in de landelijke delen van het onderzoeksgebied net zo vaak voor als in gebieden met een lage dichtheid aan veehouderijen. COPD-patiënten blijken wel een belangrijke risicogroep voor luchtweg-gerelateerde gezondheidseffecten in relatie tot veehouderijen. • Uit het VGO-onderzoek komen aanwijzingen naar voren dat het wonen in de buurt van veehouderijen een nadelig effect heeft op de longfunctie. Daarnaast blijkt dat de longfunctie lager is wanneer de concentratie ammoniak in de lucht hoog is. Dit lijkt niet te wijten te zijn aan ammoniak zelf, maar aan fijnstof-deeltjes die worden gevormd doordat ammoniak met andere stoffen in de lucht reageert. In de buurt van veehouderijen komen bovendien meer endotoxinen, fijnstof en mogelijke andere componenten afkomstig uit de veehouderij voor.
• Het VGO-onderzoek heeft nieuwe inzichten opgeleverd in de relatie tussen veehouderij en gezondheid. De inzichten zijn niet compleet en het is niet altijd duidelijk of er een oorzakelijk verband bestaat. Vervolgonderzoek is hiertoe noodzakelijk. In juni 2017 verscheen het onderzoeksrapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies); Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’, RIVM-rapport 2017-0062 (VGO-2). Dit onderzoek bevestigt de conclusies uit het VGO-onderzoek uit augustus 2016. Verder toont dit onderzoek aan dat rondom een individuele geitenhouderij en pluimveehouderijen sprake is van een verhoogde kans op longontsteking. In september 2018 is een deelrapport ‘Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016’ gepubliceerd. Dit rapport maakt deel uit van een reeks vervolgonderzoeken in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO 3). De resultaten van dit onderzoek wijzen, net als de voorgaande onderzoeken, op een associatie tussen het wonen in nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking.
De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij blijkt, in de jaren die binnen deze actualisering zijn onderzocht, niet meer statistisch significant te zijn. Uit het VGO 2 en VGO 3-onderzoek blijkt dat het verhoogde risico voor longontstekingen in nabijheid van geitenhouderijen zich voordoet, binnen een afstand van 2 km rondom dergelijke bedrijven. Hierbij kan wel de kanttekening worden geplaatst dat bijvoorbeeld in Noord-Brabant een groot deel van de gehele provincie is gelegen binnen deze afstand van 2 km rondom alle geitenhouderijen. Nader onderzoek is noodzakelijk om deze onderzoeksresultaten te onderschrijven. Blijkens het WebBVB zijn er binnen een afstand van 2 kilometer een 3-tal bedrijfsmatige geitenhouderijen aanwezig. De dichtstbijzijnde geitenhouderij betreft Oude Tilburgseweg 5 te Hilvarenbeek op een afstand van circa 1,1 kilometer. Verder is er sprake van Klein Voort 12, Hilvarenbeek op een afstand van circa 1,2 kilometer en Kanaaldijk 4, Biest-Houtakker op een afstand van circa 1,6 kilometer. Het voornemen heeft geen betrekking op een functie waar sprake is van aanwezigen met een verminderde gezondheid (het betreft geen bijzondere gevoelige functie). Bovendien is de planlocatie uit de overheersende windrichting (vanuit zuidwest, richting noordoost) gelegen ten opzichte van de aanwezige geitenhouderijen.
Gelet op de ruime afstand (> 1,1 kilometer), de aard van het voornemen en de overheersende windrichting, zorgt de aanwezigheid van deze geitenhouderijen niet voor onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Omdat er geen gezondheidsrisico’s mogen ontstaan door de exploitatie van een veehouderij is dit een van de aspecten die in een aanvraag omgevingsvergunning beschouwd dienen te worden. Inmiddels heeft dit onderwerp bovendien geleid tot diverse onderzoeksresultaten en jurisprudentie die betrokken
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
49
kan worden bij de toetsing van aanvragen omgevingsvergunningen voor veehouderijen. De hoofdlijnen van de jurisprudentie tot op heden zijn als volgt: • Volksgezondheid moet als aspect worden betrokken bij de omgevingsvergunning milieu; • Er is geen wettelijk of beleidsmatig toetsingskader voor zoönosen; • Afwijken van bestaande toetsingskaders vanwege volksgezondheid is alleen mogelijk met algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten; • Voor zover er geen toetsingskaders zijn (zoals endotoxinen), beoordeelt het bevoegd gezag de vergunningaanvraag met algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten; • Als algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten ontbreken, maar er is wel een indicatie, dan is weigeren van de vergunning of extra voorschriften mogelijk met het voorzorgbeginsel; • Een GGD-advies vragen kan, maar is niet verplicht; • Anticiperen op mogelijke resultaten van toekomstig wetenschappelijk onderzoek is niet toegestaan; • Het is onder voorwaarden mogelijk om voorschriften op te nemen in de vergunning m.b.t. het verkleinen van gezondheidsrisico’s. Samengevat is er nog geen concreet toetsingskader of rekenmodel, maar dient wel een afweging te worden gemaakt aan de hand van de specifieke situatie en reeds bekende informatie. Effecten op de volksgezondheid van omwonenden kunnen binnen het huidige wettelijke kader dus nog niet concreet worden getoetst.
Voordat een omgevingsvergunning, activiteit milieu, verleend wordt, moet het beoogde initiatief van de veehouderij echter getoetst worden aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. In de bedrijfsexploitatie worden gezondheidsrisico’s door het toepassen van strenge hygiëneregels bovendien zoveel mogelijk voorkomen. In de directe omgeving van het plangebied is de veehouderijendichtheid relatief laag (blijkens de provinciale kaarten met daarop een weergave van de vergunningen als geregistreerd in het Web-BVB, Bestand Veehouderij Bedrijven provincie Noord-Brabant), zie hiertoe Afbeelding 16. De meest nabijgelegen veehouderijen houden rundvee of paarden. De onderzoeken focussen nu met name op eventuele gezondheidseffecten in directe nabijheid van grootschalige intensieve veehouderijen en in veedicht gebied. Ook geitenhouderijen kunnen, zoals genoemd, mogelijk een gezondheidsrisico omvatten.
Vooruitlopend op wetenschappelijk aangetoonde causale verbanden tussen de veehouderijsector en potentiële risico’s voor de volksgezondheid en een wettelijk kader hieromtrent, is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Endotoxine is een celwandfragment van gram negatieve bacteriën. Op 7 juli 2016 verscheen het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodelering’ (Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 949). Uit het rapport blijkt dat rondom varkens- en pluimveehouderijen mogelijk een overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 (vastgesteld door de Gezondheidsraad) aan de orde is. De uitkomsten van het endotoxine onderzoek zijn uitgewerkt in een aanvullend onderzoek (‘Endotoxine concentraties rond stallen; indicatieve modelberekeningen’, ErbrinkStacks Consult, 5 september 2016). Endotoxines kunnen nog niet concreet gemeten, dan wel berekend worden. Wel heeft het aanvullend onderzoek als resultaat dat op basis van een fijnstofemissie (bronsterkte) de aan te houden afstand kan worden bepaald om een te hoge blootstelling aan endotoxinen te voorkomen. Dit heeft geleid tot een rekentabel met afstanden tot varkens- en pluimveehouderijen.
De rapporten richten zich met name op deze diercategorieën, omdat bij deze bedrijven de emissie van fijnstof en grovere stofdeeltjes het hoogste is. Bij veehouderijbedrijven met andere diersoorten wordt er vanuit gegaan dat de emissie van fijnstof en daarmee gepaard gaand, endotoxinen, verhoudingsgewijs laag is en daarom geen relevant risico veroorzaakt.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
50
Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM 10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Grootschalige varkens- en pluimveehouderijen zijn tot op ruime afstand (> 650 meter) van het plangebied afwezig. De dichtstbijzijnde grootschalige varkenshouderij betreft Klein Westerwijksestraat 17, op een afstand van circa 660 meter tot de rand van het plangebied. Er wordt vanuit endotoxines bezien dus een ruimschoots voldoende afstand gehanteerd. Het project heeft geen betrekking op de oprichting van een nieuwe gevoelige functie (zoals een woning). Het plan is gericht op de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf ter plaatse, dit betreft een bedrijf geheel of in overwegende mate gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven. Bovendien is er sprake van een bestaande bedrijfswoning, welke ongewijzigd blijft behouden. Het aspect veehouderijen en volksgezondheid is derhalve niet relevant voor het planvoornemen. Desondanks wordt navolgend volledigheidshalve wel een nadere beoordeling uitgevoerd voor het aspect volksgezondheid in het plangebied.
Op basis van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) kan tevens worden beoordeeld of er potentieel sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van veehouderijen. Navolgend wordt het stappenplan uit de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ doorlopen, ondanks dat het voornemen geen betrekking heeft op de realisatie van een gevoelige functie. Dit stappenplan is in hoofdzaak bedoeld voor veehouderij-ontwikkelingen. Deze kan echter desondanks ook, waar van toepassing, worden gebruikt voor de beoordeling van overige ruimtelijke ontwikkelingen. Indien alle 7 stappen positief kunnen worden doorlopen kan het aspect volksgezondheid door veehouderijen als ruimtelijk aanvaardbaar worden beoordeeld. • Stap 1: Beoordeeld dient te worden of voldaan wordt aan de endotoxine-afstanden voor varkens- en pluimveehouderijen op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0. In de directe omgeving (> 650 m) zijn geen varkens- en pluimveehouderijen aanwezig. Er wordt voldaan aan de endotoxine-richtafstanden. • Stap 2: De ontwikkeling is gericht op de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf en leidt dus zelf niet tot een toename in de emissies voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. De ontwikkeling betreft geen veehouderij.
• Stap 3a: Geur dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van het wettelijk kader. Voor dieren met geuremissiefactoren geldt in concentratiegebied in buitengebied maximaal 20% geurgehinderden (dit komt overeen met een voorgrondbelasting van 10 OUE/m3 en een achtergrondbelasting van 20 OUE/m3). Zoals volgt uit Afbeelding 17 is de (achtergrond)geurbelasting tussen de 3 - 7 OUE/m3. Hierdoor wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor dieren zonder emissiefactor wordt getoetst aan een afstand van 50 meter. Zoals voorgaand toegelicht wordt aan de gestelde afstand (Klein Westerwijksestraat 6A) voldaan. • Stap 3b: Geur dient vervolgens getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aan de hand van een gezondheidskundige advieswaarde. Dit is voor dieren met geuremissiefactor in buitengebied 20% geurgehinderden en komt dan overheen met een voorgrondbelasting van 5 OUE/m3 en een achtergrondbelasting van 10 OUE/m3. Zoals volgt uit Afbeelding 17 is de (achtergrond)geurbelasting 3 - 7 OUE/m3. Hierdoor wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de gezondheidskundige advieswaarde. Voor dieren zonder emissiefactor wordt getoetst aan een afstand van 100 meter. Deze afstand wordt enkel niet gehaald ten opzichte van Klein Westerwijksestraat 6A.
Zoals voorgaand toegelicht heeft het voornemen echter geen betrekking op de realisatie van een gevoelige functie. Bovendien zijn overige veehouderijen tot op ruime afstand afwezig. • Stap 4a: Niet van toepassing. Getoetst dient te worden of indien er sprake is van een veehouderij, of er meerdere diersoorten bedrijfsmatig worden gehouden. • Stap 4b: Niet van toepassing, getoetst dient te worden of de onderlinge afstand tussen varkens- en pluimveehouderijen niet minder dan 100 meter bedraagt. Varkens- en pluimveehouderijen zijn binnen 650 meter afwezig.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
51
•
• • •
Stap 5a, b en c: Niet van toepassing daar het geen ontwikkeling van een veehouderij betreft. Bovendien is er bij het voorgenomen project geen sprake van de oprichting van een gevoelige functie. Er zijn, zoals voorgaand toegelicht, wel een 3-tal geitenhouderijen aanwezig binnen 2 kilometer. Het betreft Oude Tilburgseweg 5 op 1,1 kilometer, Kleine Voort 12 op 1,2 kilometer en Kanaaldijk 4 op 1,6 kilometer. Gelet op de ruime afstand tot deze geitenhouderijen (> 1,1 kilometer), de aard van het voornemen en de overheersende windrichting, zorgt de aanwezigheid van deze geitenhouderijen niet voor onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Er zijn geen pluimveehouderijen aanwezig binnen 1 kilometer. En de planlocatie ligt buiten de bebouwde kom, op een afstand van meer dan 250 meter. Stap 6: Niet van toepassing, er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Stal 7: Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Conclusie: Advisering door GGD wordt niet geadviseerd.
Het project gaat niet gepaard met de oprichting van een nieuwe gevoelige functie. Mede hierdoor, maar ook wegens de ligging van de projectlocatie ten opzichte van omliggende veehouderijen, kan het plan als aanvaardbaar worden aangemerkt, bezien vanuit veehouderijen en volksgezondheid.
4.6
Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen
Doordat het plangebied is gelegen in het buitengebied is het in het kader van het aspect volksgezondheid wenselijk om te beschouwen of er sprake is van potentiële risico’s ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Indien gewasbeschermingsmiddelen op teeltgronden worden toegepast kan er sprake zijn van drift. Hierdoor kunnen deze gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld bij woningen en in tuinen terecht komen (verwaaien). Om een zonering te kunnen hanteren tussen bespuitingen en gevoelige functies wordt de term ‘spuitzones’ gehanteerd. Of er sprake is van een gevoelige functie kan mede afgeleid worden uit de vaste jurisprudentie. Hieruit volgt dat moet worden beoordeeld of in het betreffende object of ter plaatse van de betreffende functie mensen langdurig (kunnen) verblijven. Daarmee hebben zij een grotere kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Als dat het geval is, is doorgaans sprake van een gevoelig object. Dat is bijvoorbeeld het geval bij woningen, kantoren en tuinen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten. Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale driftreductie van 75% ten opzichte van de referentietechniek.
Bovendien bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van de drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). In geen enkele wettelijke regeling zijn afstanden vastgelegd die in acht moeten worden genomen voor spuitzones tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Ten aanzien van spuitzones wordt daarom normaliter in beginsel uitgegaan van een veiligheidsafstand van 50 meter (vuistregel) tussen de gronden waar gewassen op worden geteeld en gevoelige objecten (zoals woningen). Uit het rapport ‘Gewasbescherming en omwonenden’ van de Gezondheidsraad van 29 januari 2014 blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. De onderzoekscommissie vermoedt bovendien dat het risico voor omwonenden laag zal zijn ten opzichte van het risico voor beroepsmatig blootgestelden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter).
Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm).
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
52
Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek. Bovendien bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden. Blijkens het rapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’, Wageningen UR, rapport 609, maart 2015, kan door de wettelijk voorgeschreven driftreductie van 75%, de aan te houden afstand reeds verkleind worden tot 30 meter (in plaats van 50 meter). Afstanden en risico’s op drift kunnen bovendien verder worden verkleind door de toepassing van windhagen of houtwallen, een verdergaande driftreducerende techniek, een ander type teelt of een andere spuittechniek. Wanneer er sprake is van oppervlaktewater langs een boomgaard moet op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer een driftreducerende techniek met een driftreductie van minstens 90% (DRT 90) worden toegepast.
De bestemming van de landbouwpercelen kan de teelt van akkerbouwgewassen, grasland, boomteelt of fruitteelt zijn. Als de bestemming fruitteelt ingevuld wordt, is de drift van gewasbeschermingsmiddelen hoger dan wanneer boomteelt plaatsvindt. Drift in de fruitteelt is door de aard van de bespuitingen (opwaarts en zijwaarts gericht) en door de hoge spuitfrequentie, het meest intensief van alle teelten. Bij laanbomenteelt wordt ook op- en zijwaarts gespoten, maar minder intensief. In bijvoorbeeld de lage bomenteelt wordt voornamelijk neerwaarts gespoten. Deze spuittechniek (neerwaarts gericht spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht, dan op- of zijwaartse bespuitingen. In het voornoemde rapport is aangegeven dat het middel ‘Captan’ in de fruitteelt maatgevend is voor de beoordeling van drift. Bij de minimaal aan te houden afstanden ten aanzien van Captan, zullen zich ook geen overschrijdingen voordoen bij andere stoffen die worden toegepast. Dit middel mag bovendien jaarrond worden toegepast, dus ook in de ‘kale boom’-situatie. Uit het rapport, en met de voorgeschreven driftreductie van 75%, kunnen de benodigde afstanden herleid worden, als opgenomen in Tabel 5. Dit betreft dus een ‘worst case’ situatie, als van toepassing bij het zwaarste (meest toxische) middel in de fruitteelt. Hieruit volgt maximaal een te hanteren onderlinge afstand van 30 meter.
Tabel 5: Benodigde afstand vanaf de laatste bomenrij (m) om voor de stof Captan geen overschrijding van het dermale blootstellingseindpunt te krijgen.
Rondom de planlocatie zijn landbouwgronden aanwezig. Het betreft hier echter grasland en akkerbouw (maïs). Er is geen sprake van fruitteelt, of boomteelt. Dit betreft dus reeds geen gebruik waar relevante potentieel onaanvaardbare risico’s aanwezig zijn bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn bovendien geen voornemens om dit bestaande gebruik van landbouwgronden te wijzigen.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
53
Ten opzichte van de bestaande bedrijfswoning zijn enkel de landbouwgronden aan de overzijde van de Klein Westerwijksestraat relevant. Deze landbouwgronden zijn in gebruik als grasland. Tussen de weg en de landbouwgronden zijn bovendien bestaande watergangen aanwezig. Derhalve is op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, nabij de watergang, een driftreductie van minimaal 90% voorgeschreven. Zelfs bij het meest zware middel ‘Captan’ (wat hier niet van toepassing is, daar het grasland betreft) zou dit leiden tot een maximaal benodigde afstand van 25 meter. De afstand tussen de woning en het grasland bedraagt circa 26 meter. In de voortuin, tussen de weg en de bedrijfswoning, is geen sprake van een verblijfsruimte. Het betreft hier gecultiveerde siertuin. Daarnaast is op grond van het vigerende bestemmingsplan een omgevingsvergunning benodigd voor het beplanten van deze gronden (wegens de aanduiding ‘overige zone – akkercomplex’) met een houtgewas hoger dan 1,3 meter (dus voor hoge boomteelt of fruitteelt). Bij deze beoordeling worden de gevolgen voor bestaande waarden en functies, zoals bestaande (bedrijfs)woningen, beoordeeld. De omgevingsvergunning wordt verleend indien er geen sprake is van een onevenredige aantasting van deze functies, al dan niet na het eventueel stellen van voorschriften.
Daarnaast wordt met onderhavig plan op de oostelijke perceelsgrens voorzien in een robuuste landschappelijke inpassing, welke een buffer creëert tussen de landbouwgronden en het plangebied. Deze landschappelijke inpassing is nader uitgewerkt in Bijlage 1. Hieruit volgt dat er sprake is van een hoge, wintergroene, dichte afscherming (middels bestaande haag op aardewal, houtsingel en struweel). Onderhavig plan heeft betrekking op de herbestemming van een niet-agrarisch bedrijf naar een agrarisch technisch hulpbedrijf. De bestaande woning en bedrijfsbebouwing blijft hierbij ongewijzigd behouden. Er is hierbij geen sprake in een wijziging ten aanzien van de gevoeligheid voor het aspect gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast wordt aan de achterzijde een nieuwe loods gerealiseerd. Dit betreft geen gevoelige functie voor het aspect gewasbeschermingsmiddelen. Het planvoornemen wordt ten aanzien van dit aspect derhalve aanvaardbaar geacht. Door de aard van het voornemen en de ligging van de planlocatie en omliggende functies is er geen sprake van onaanvaardbare volksgezondheidsrisico’s ten aanzien van het aspect spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen. Het planvoornemen wordt ten aanzien van dit aspect aanvaardbaar geacht.
4.7
Geluid - wegverkeerslawaai
Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen de geluidsgrenswaarden in acht te worden genomen, bij de vaststelling van plannen binnen de zones rondom wegen en indien het plan mogelijkheden biedt voor: • De realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen; • De aanleg van een nieuwe weg en/of reconstructie van een bestaande weg; • Functiewijziging van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie. Als geluidsgevoelige gebouwen worden aangemerkt woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. Geluidsgevoelige terreinen zijn woonwagenstandplaatsen of ligplaatsen voor woonschepen. De onderzoekszone voor wegen is hierbij afhankelijk van de ligging en de hoeveelheid rijbanen. De onderzoekszones zijn inzichtelijk gemaakt in navolgende tabel. De Wgh regelt bovendien dat binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende normen niet in acht hoeven te worden genomen.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
54
Tabel 6: Onderzoekszones Wet geluidhinder Aantal meters aan weerszijden van de weg Aantal rijstroken Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied 5 of meer 350 meter 600 meter 3 of 4 350 meter 400 meter 1 of 2 200 meter 250 meter Onderhavige planontwikkeling heeft betrekking op de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf ter plaatse. De bestaande bedrijfswoning blijft hierbij ongewijzigd behouden. Wel wordt de bestaande bedrijfsbebouwing uitgebreid met een nieuw te bouwen loods. Dit betreft echter niet de toevoeging van een nieuwe geluidsgevoelige functie. Tevens heeft de ontwikkeling geen wijziging van een weg tot gevolg. Het aspect wegverkeerslawaai is dus niet relevant voor het voornemen. Zoals voorgaand toegelicht wordt de bestaande bedrijfswoning ongewijzigd behouden. Geconcludeerd kan worden dat het behoud van de bestaande bedrijfswoning ruimtelijk aanvaardbaar is, bezien vanuit het aspect wegverkeerslawaai. De voorgevel van de woning is gelegen op circa 20 meter afstand tot de as van de weg Klein Westerwijksestraat. Het betreft bovendien een moderne woning in een goede bouwkundige staat. Door de afstand van de woning tot de weg, en de bouwkundige opbouw van de bestaande woning (gevels / beglazing) kan in de woning worden voldaan aan het voorgeschreven binnenniveau uit het Bouwbesluit.
Er is hierdoor sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van wegverkeerslawaai. In het voorliggende plan worden geen nieuwe geluidgevoelige functies zoals benoemd in de Wet geluidhinder mogelijk gemaakt. Tevens heeft de ontwikkeling geen wijziging van een weg tot gevolg. Gelet op de wettelijke systematiek is een toetsing aan de Wet geluidhinder ten aanzien van wegverkeerslawaai derhalve niet van toepassing. Dit aspect is niet relevant voor het planvoornemen. Ondanks dat een formele toetsing aan wegverkeerslawaai niet aan de orde is, kan desondanks gesteld worden dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare situatie bezien vanuit het aspect wegverkeerslawaai.
4.8
Waterhuishouding
Waterhuishoudkundige aspecten zijn een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De watertoets is dan ook wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Hierin is bepaald dat een plan een waterparagraaf dient te bevatten, waarin de keuzes ten aanzien van water gemotiveerd worden. Daarnaast dient ook de waterbeheerder om een advies te worden gevraagd. Beleid Waterschap De Dommel De planlocatie is gelegen binnen het stroomgebied van Waterschap De Dommel. De visie van Waterschap De Dommel is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 ‘Waardevol Water’ en kent een geldigheid vanaf 1 januari 2016. Het waterbeheerplan beschrijft de doelstellingen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016 – 2021 en hoe zij deze doelstellingen wil realiseren. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de legger. De Keur Waterschap De Dommel 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.
De waterschapsdoelen zijn doorvertaald in beleidsregels, waaronder de Keur. De drie NoordBrabantse Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben gezamenlijk besloten om de Keuren te uniformeren en te dereguleren. De nieuwe uniforme keuren zijn in werking getreden op 1 maart 2015. In de Keuren zijn diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke waterhuishoudkundige functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en de invloedsgebieden
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
55
Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied en de voorgenomen activiteiten. Een ander zeer belangrijk en vaak ruimtevragend aspect betreft de verplichting om zorgvuldig om te gaan met neerslag afkomstig van een toename van verhard of bebouwd oppervlak of door het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak. Sinds 1 april 2021 is de laatst geactualiseerde partiële herziening van de Keur 2015 en de Algemene Regels van Waterschap de Dommel van kracht. Een watervergunning is noodzakelijk, tenzij: • De waterparagraaf van het bestemmingsplan na 1 januari 2019 de schriftelijke instemming heeft verkregen van Waterschap de Dommel en de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd, of voor zover: • Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of: • De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of: • De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, of • De toename van verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 is, en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan.
Er moet dan een voorziening worden getroffen met een minimale retentiecapaciteit, conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 De gevoeligheidsfactor kan 1, ½, of ¼ bedragen en is aangeduid op de kaart ‘Algemene regels versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak’, toebehorende aan de Keur. Daarnaast zijn een aantal voorschriften gesteld aan nieuwe retentievoorzieningen, zoals dat de bodem boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) dient te liggen, er een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater plaatsvindt (diameter 4 cm) en er sprake dient te zijn van een overloopconstructie. De gevoeligheidsfactor wordt niet toegepast bij toenames van verharde oppervlaktes groter dan 10.000 m2. Dan wordt immers gerekend met een benodigde bergingscapaciteit van 600 m 3/hectare toename verhard oppervlak. Uit de Keurkaart, zie Afbeelding 18, volgt dat het plangebied enkel is gelegen in een ‘beperkt invloedsgebied Natura 2000’. In deze gebieden worden met name regels gesteld voor agrarische grondwateronttrekkingen (ten behoeve van bijvoorbeeld beregening). Dergelijke activiteiten zijn bij het planvoornemen echter niet van toepassing. Derhalve is de ligging binnen dit beschermd gebied op grond van de Keur niet relevant voor het voornemen.
Uit de Keurkaart en de Leggerkaart, zie Afbeelding 19, volgen tevens de aanwezige watergangen en overige voorzieningen met een hydrologische functie. Aan de zuidrand van het plangebied, aan de wegzijde van de Klein Westerwijksestraat is gedeeltelijk een bestaande watergang aanwezig. Ter hoogte van het plangebied wordt deze watergang in de Legger aangemerkt als een B-watergang. Deze watergang blijft met het planvoornemen ongewijzigd behouden. Ter plaatse van het plangebied zijn voor het overige geen relevante watergangen, of overige voorzieningen met een waterhuishoudkundige functie aanwezig. Hieruit volgen dus geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan. Onderhavig plan heeft slechts een beperkte invloed op de waterhuishoudkundige situatie. Er zijn geen ingrepen in het watersysteem gepland. Er is geen sprake van handelingen in en rondom A- of B-watergangen. Het plangebied is nu reeds grotendeels verhard en bebouwd. De nieuw te bouwen bedrijfsloods wordt bovendien gerealiseerd op het nu reeds volledig verharde buitenterrein. Wel gaat het voornemen gepaard met de realisatie van landschappelijke inpassing. Hier zal derhalve een deel van de bestaande verharding worden verwijderd. De oppervlakte aan bebouwing en verharding in de huidige en beoogde situatie is inzichtelijk gemaakt in Tabel 7.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
56
Tabel 7: Inschatting oppervlaktes verhard en bebouwd oppervlak huidige en beoogde situatie in plangebied
Bebouwd / verhard oppervlak (m2)
Huidige situatie 8.250
Afname
Beoogde situatie 7.900 350 m2
Een toename van het bebouwd oppervlak kan leiden tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en wateroverlast stroomafwaarts. Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven. Deze versnelde afvoer kan wateroverlast benedenstrooms veroorzaken, omdat de piekafvoer toeneemt. Dit effect wordt versterkt wanneer er meerdere van deze ingrepen plaatsvinden die leiden tot een toename van het verhard oppervlak dat afwatert op het oppervlaktewater (cumulatief effect). Zoals voorgaand toegelicht bevat de Keur een verbodsbepaling, waardoor het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Hierbij is tevens een uitzondering opgenomen indien er sprake is van een toename van het verhard oppervlak tot maximaal 500 m2. Een toename van verhard oppervlak tot 500 m2 heeft een zeer beperkte invloed op het watersysteem, waardoor geen mitigerende maatregelen getroffen hoeven te worden. Zoals volgt uit bovenstaande tabel is er in onderhavige situatie echter sprake van een afname van het bebouwd en verhard oppervlak. Dit is dus positief voor het waterhuishoudkundig systeem. Gelet op het voorgaande wordt de waterhuishouding gerespecteerd.
In augustus 2021 heeft Waterschap De Dommel, in het kader van vooroverleg, dan ook ingestemd met het (concept)ontwerpbestemmingsplan.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
57
Afbeelding 18: Keurkaart beschermde gebieden, ligging plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
58
Afbeelding 19: Uitsnede Leggerkaart Waterschap De Dommel, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.
Gemeentelijk beleid – Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2017 - 2021 De gemeente Hilvarenbeek beschikt bovendien over een eigen (strenger) beleid ten aanzien van de verwerking van hemelwater. Dit waterbeleid is opgenomen als bijlage bij het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2017 – 2021. De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijk, doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater; waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van erven bij de bewoner / eigenaar, binnen grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Daarnaast is het beleid van de gemeente erop gericht de kansen voor ontvlechting van hemelwater en afvalwater zoveel als doelmatig wordt geacht aan te grijpen. Voor het buitengebied heeft de gemeente Hilvarenbeek als beleid dat het afvalwater en het hemelwater zo veel mogelijk ontkoppeld moet worden en bij voorkeur op eigen gronden kan infiltreren en/of bergen alvorens af te voeren naar het oppervlaktewater.
Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden in principe waterneutraal uitgevoerd, waarbij getracht wordt te voorkomen dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater optreden. Nieuw verhard oppervlak wordt daarbij bovendien in principe niet aangesloten op de riolering, maar bij voorkeur bovengronds geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. Dit dient inzichtelijk te worden gemaakt in een waterparagraaf. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen o.a. ontwikkelingen binnen en buiten de bebouwde kom. Onderhavige ontwikkeling is gelegen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert buiten de bebouwde kom een compensatie-vereiste wat van toepassing wordt bij nieuwe verharde oppervlakken
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
59
/ toenames verhard oppervlak met meer dan 250 m2. Hierbij worden voor de compensatie de volgende richtlijnen gehanteerd: • Hemelwater dient gematigd af te wateren op watergangen om zo wateroverlast te voorkomen. • De hemelwaterberging wordt gerealiseerd conform de rekenregel uit de Keur van het waterschap. Het perceel loost bovendien afvalwater (van huishoudelijke aard) op de drukriolering. Hiervoor geldt het volgende: • Op de drukriolering mag alleen huishoudelijk afvalwater geloosd worden. • Er mag maximaal 625 liter huishoudelijk afvalwater per etmaal geloosd worden op de rioolaansluiting. • Al het hemelwater van het perceel dient op het perceel verwerkt te worden of mag geloosd worden op een watergang. • Indien er meer dan 250 m2 nieuw verhard oppervlak wordt gerealiseerd zal er eerst 60 mm x compensatiefactor gebufferd moeten worden, voordat er op een watergang geloosd mag worden. Zoals voorgaand toegelicht zorgt de beoogde bedrijfsopzet niet voor de toevoeging van nieuw verhard / bebouwd oppervlak. Met het voornemen is sprake van een netto afname van het verhard en bebouwd oppervlak. In artikel 4.2 algemene regels van het gemeentelijk hemel- en grondwaterbeleid is echter opgenomen dat onder ‘nieuw verhard oppervlak’ wordt verstaan, dat oppervlak dat wordt ontwikkeld, herbouwd of nieuw wordt aangelegd.