11 bp Klein Westerwijksestraat 5 (3 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
Toetsend aan deze ladder dient eerst te worden bepaald of onderhavig plan voorziet in een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De toetsing en jurisprudentie hiervan is casuïstisch van aard. Op 28 juni 2017, kenmerk ECLI:NL:RVS:2017:1724 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State de ‘overzichtsuitspraak’ inzake de ladder voor duurzame verstedelijking uitgesproken. Hieruit volgt dat een ontwikkeling welke ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
23
planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Van dit uitgangspunt wordt enkel afgeweken indien die planologische functiewijziging van zodanige aard en omvang is dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (o.a. ABRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075). In de overzichtsuitspraak is bovendien opgenomen dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m 2 of in een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m2, dat deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. In onderhavige situatie is er sprake van een bestaande niet-agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied. Het huidige planologische ruimtebeslag betreft 1,01 hectare (bestaande uit het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ en de aanduiding ‘parkeerterrein’), met een toegestane omvang aan bedrijfsgebouwen van 2.020 m2. In de beoogde situatie vindt deels een planologische functiewijziging plaats (van het bestaande terrein en de bestaande bedrijfsbebouwing) en wordt het ruimtebeslag ingeperkt tot circa 0,85 hectare. De toegestane omvang van bedrijfsgebouwen wordt daarbij echter wel uitgebreid met 1.700 m2, tot een totaal van 3.720 m2.
Ondanks dat er in de beoogde situatie sprake is van een agrarisch technisch hulpbedrijf is het, gelet op het bovenstaande, ‘worst case’ om de ontwikkeling wel aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit onderhavige toelichting blijkt echter reeds de behoefte aan de ontwikkeling. Initiatiefnemer exploiteert een bedrijf gericht op het totaalaanbod van stalinrichting en aanverwant (stalsystemen, onderdelen landbouwmechanisatie), met een nevenactiviteit kozijnenhandel. Er is sprake van een goedlopende klantenkring en orderportefeuille. De afgelopen jaren is het bedrijf hard gegroeid, waardoor de huidige bedrijfslocatie in omvang te gering is geworden. Doordat het bedrijf zich ontwikkeld heeft in Hilvarenbeek, is het grootste gedeelte van het personeel afkomstig uit Hilvarenbeek en de omliggende dorpen. Indien het bedrijf daarbij verhuisd uit Hilvarenbeek is het risico groot dat personeel, wegens reisafstand, een baan elders zal zoeken. Dit is derhalve voor initiatiefnemer een belangrijk afwegingscriteria geweest bij het zoeken naar een nieuwe vestigingslocatie. Er werd dus gezocht naar een bedrijfslocatie van voldoende omvang (in terrein en bijbehorende bebouwing) in Hilvarenbeek. Hilvarenbeek is daarbij door de ligging, het personeel en de klantenkring de meest gewenste uitvalsbasis voor het bedrijf.
De bestaande bedrijventerreinen van Hilvarenbeek, dus gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, bieden hierbij echter geen passende mogelijkheden voor bedrijfsvestiging in de benodigde omvang. Er was dus geen mogelijkheid om binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte te voorzien. Derhalve is gezocht naar een bestaande bedrijfslocatie in het buitengebied van Hilvarenbeek. Dit betreft de Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek, waarbij in de huidige situatie ook niet-agrarische bedrijvigheid is gevestigd ((vrachtwagen)garagebedrijf). Deze locatie werd verkocht en is geschikt voor vestiging en doorontwikkeling van het bedrijf van initiatiefnemer. Leegstand van deze bebouwing wordt daarmee voorkomen en er is sprake van een bestemmingswijziging van een niet-agrarisch bedrijf (niet-buitengebonden), naar een agrarisch technisch hulpbedrijf (aan het buitengebied verwant). Het totale ruimtebeslag is hierbij ingeperkt tot de benodigde omvang. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, waarmee het voornemen passend is binnen de beleidsdoelstellingen voor de ladder van duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (SVRO 2014) is vastgesteld op 7 februari 2014 en betreft een herziening van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bovendien bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie is geconcretiseerd tot een kaderstellende set regels in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
24
De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit het inzetten op een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor hoogwaterbescherming, droogte en biodiversiteit. Daarnaast een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen. Met daarbij aandacht voor cultuurhistorische waarden en de leefbaarheid van kleine kernen. Tevens wordt ingezet op een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied, met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Daarbij is aandacht voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). Bovenstaande is vertaald in 14 provinciale ruimtelijke belangen die worden nagestreefd. Het plangebied is op de Structurenkaart uit de SVRO 2014 gelegen binnen de structuur ‘gemengd landelijk gebied’, zie hiervoor Afbeelding 13. Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur (natuurgebieden en wateren) en de stedelijke structuur (steden, dorpen en bedrijventerreinen). Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. De land- en tuinbouw zijn daarbij de grootste ruimtegebruikers.
In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals recreatie of kleinschalige bedrijvigheid. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten, maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. De verschillende functies dienen hierbij in evenwicht met elkaar te worden ontwikkeld. In het gemengd landelijk gebied is doelstelling om verschillende functies in evenwicht met elkaar te ontwikkelen. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan, tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Ontwikkelingen passen qua aard, schaal en functie in de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. In onderhavige situatie is er sprake van een vrijkomende bestaande niet-agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied. Deze bedrijfslocatie wordt hergebruikt voor de beoogde bedrijfsopzet. Hierbij wordt het totale ruimtebeslag ingeperkt, tot de benodigde omvang. Dit betreft een afname in het bestemmingsvlak, maar daarbinnen een toename van de bedrijfsbebouwing. Bovendien gaat het voornemen gepaard met een afname in milieubelasting ten opzichte van de huidige situatie (minder zware verkeersbewegingen). Er is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
Tevens gaat het voornemen daarbij gepaard met een investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap (landschappelijke inpassing en afname verhard oppervlak). Het voornemen is dus passend binnen de uitgangspunten van de SVRO 2014, voor het gemengd landelijk gebied. Een nadere concretisering van de provinciale voorwaarden is opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waarin in paragraaf 3.2.3 zal worden getoetst. Uit bovenstaande blijkt echter dat het initiatief passend is binnen de beleidsdoelstellingen uit de SVRO 2014.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
25
Afbeelding 13: Uitsnede Structurenkaart SVRO 2014, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
3.2.2 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie beschrijft daarvoor de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. De omgevingsvisie heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht (komende Omgevingswet) en vervangt uiteindelijk de strategische elementen van huidige provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie. De omgevingsvisie ziet op een strategische gebiedsopgave voor de provincie als geheel en formuleert daarbij de ambities voor de toekomst, richting 2050 en met een tussenstap in 2030. Niet wordt vastgelegd hoe deze doelen precies bereikt gaan worden. Met een open blik is centraal uitgangspunt om vanuit alle partijen en disciplines de visie voor Brabant verder te gaan uitwerken. Deze verdere uitwerking van de ambities betreft de navolgende opgave voor de komende bestuursperiodes en zal terecht komen in nog op te stellen programma’s.
Om de ambities (het Panorama) te realiseren en Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatproof te laten zijn, worden er vier hoofdopgaven onderscheiden: • Werken aan de Brabantse energietransitie;
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
26
• • •
Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie.
De basisopgave is daarbij een balans tussen beschermen (een veilige leefomgeving, een gezonde leefomgeving, met waarborg voor een goede omgevingskwaliteit inclusief natuur) en benutten (optimaal gebruik en ontwikkelen van de leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen). Tevens wordt de opvatting van de wetgever en de doelstelling van de Omgevingswet gedeeld om bevoegdheden en verantwoordelijkheden zo laag mogelijk weg te leggen. De gemeente is de eerstverantwoordelijke waar het gaat om ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. Anderzijds zijn er zaken die het schaalniveau van een gemeente te boven gaan en hebben provincies vanuit de wet specifieke taken en bevoegdheden. Vanuit deze basisgedachte wordt naar de beste rolverdeling gezocht ter verwezenlijking van de strategische ambities. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen hoe de provincie Noord-Brabant wil gaan denken en handelen onder de nieuwe Omgevingswet. Centraal staat daarbij ‘Verbinden in vertrouwen’, met de volgende uitgangspunten vanuit de provincie: • ‘We gaan voor meerwaarde-creatie’; • ‘We gaan voor technische én sociale innovatie’; • ‘We gaan voor kwaliteit boven kwantiteit’; • ‘We gaan voor steeds beter’; • ‘We gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel’.
Onderhavige ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de strategische gebiedsambities voor de provincie Noord-Brabant richting 2050. De ontwikkeling betreft de bedrijfsvestiging en ontwikkeling van een agrarisch technisch hulpbedrijf, op een bestaande nietagrarische bedrijfslocatie. Het ruimtebeslag (bestemmingsvlak) wordt hierbij ingeperkt, zodat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast wordt een kwalitatieve landschappelijke inpassing gerealiseerd. De planontwikkeling levert dus o.a. een bijdrage aan de klimaatbestendigheid (realisatie waterstructuur) en biodiversiteit (landschappelijke inpassing). Waar mogelijk wordt door initiatiefnemer in de bedrijfsvoering duurzame energie toegepast, zoals de toepassing van zonnepanelen (energietransitie). Dit betreft meerwaarde-creatie, aanvullend op de bedrijfsmatige en economische ontwikkeling. Het voornemen zorgt bovendien voor lokale werkgelegenheid. Vanuit die zingeving wordt de planontwikkeling dus wel geacht op haar niveau bij te dragen aan de ambities als nagestreefd in de Brabantse omgevingsvisie. Het schaalniveau dat deze ontwikkeling met zich meebrengt raakt de ontwikkeling niet in de basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan het creëren van meerwaarde en kwaliteit in Noord-Brabant.
3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Naast één omgevingsvisie wordt voor de provincie vanuit de Omgevingswet ook voorgeschreven dat één omgevingsverordening vastgesteld dient te worden voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Dat kan vragen om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen, een (beleids)programma, of regels om de ambities te realiseren en belangrijke waarden te beschermen. Op het moment dat regels nodig zijn, dan dienen deze opgenomen te worden in een omgevingsverordening. De omgevingsverordening bevat enerzijds algemene regels voor burgers en bedrijven voor activiteiten. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen voor bestuursorganen van de overheid, zoals gemeenten en waterschappen. Deze instructieregels dienen in acht te worden genomen bij de uitvoering van taken, zoals de vaststelling van een omgevingsplan.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
27
De Omgevingswet is nog niet in werking getreden (voorziene planning omstreeks 2022). Om echter naar deze wettelijke transitie toe te werken, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is in hoofdzaak beleidsneutraal. De omgevingsverordening vervangt onder andere de: • Provinciale milieuverordening; • Verordening natuurbescherming; • Verordening ontgrondingen; • Verordening ruimte; • Verordening water; • Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is op 25 oktober 2019 vastgesteld door Provinciale Staten. Op 4 november 2019 is dit beleidsdocument gepubliceerd, waarmee deze per 5 november 2019 in werking is getreden. De Interim omgevingsverordening is hoofdzakelijk beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd en met het huidige beschermingsniveau zijn samengevoegd in de gebundelde omgevingsverordening. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt nog een definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Daarin worden zowel benodigde aanpassingen wegens de Omgevingswet meegenomen, als ook beleidswijzigingen gebaseerd op programma’s. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening eind 2021 vastgesteld.
Voor ruimtelijke plannen is met name relevant dat de Verordening ruimte Noord-Brabant is opgenomen in de IOV. In de Verordening ruimte Noord-Brabant waren de provinciale ambities uit de SVRO 2014 doorvertaald naar een kaderstellende set regels die door gemeentes moesten worden toegepast bij ruimtelijke besluiten. Tevens bevatte deze verordening ook rechtstreeks werkende regels, hoofdzakelijk ten aanzien van veehouderijen en mestbewerkingsinitiatieven, die ook in de reguliere vergunningverlening moesten worden toegepast. De IOV bevat zowel rechtstreeks werkende regels, als instructieregels aan andere bevoegde gezagen. De rechtstreeks werkende regels hebben betrekking op zaken als grondwaterwinning, ontgronden, veehouderijen en mestbewerking. Dergelijke activiteiten zijn met onderhavig plan niet aan de orde. Het vaststellen van een omgevingsplan, nu nog bestemmingsplan of wijzigingsplan, valt onder de reikwijdte van ‘Instructieregels aan gemeenten’ (Hoofdstuk 3 van de IOV). De ontwikkelingsmogelijkheden en toegestane functies worden bepaald door de ligging van een locatie binnen de structuren en aanduidingen. Daarnaast bevat de verordening algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Op het kaartmateriaal van de Interim omgevingsverordening, bestaande uit een 8-tal kaarten, volgt dat de planlocatie o.a.
is gelegen ter plaatse van: • Landelijk gebied; • Gemengd landelijk gebied; • Diep grondwaterlichaam; • Bescherming Natura 2000; • Stalderingsgebied; • Cultuurhistorisch waardevol gebied; • Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten eerste moet voldaan worden aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast moet worden getoetst aan de geldende regels voor de van toepassing zijnde structuren en aanduidingen.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
28
De aanduidingen ‘Stalderingsgebied’ en ‘Bescherming Natura 2000’ zijn relevant indien het ontwikkelingen betreft met betrekking tot de veehouderijsector. Aangezien een veehouderij niet van toepassing is bij onderhavige planontwikkeling, worden deze aanduidingen voor het overige onbesproken gelaten. De aanduiding ‘Diep grondwaterlichaam’ heeft rechtstreekse toepassing op bepaalde activiteiten die bij onderhavig plan niet van toepassing zijn (onconventionele koolwaterstofwinning). Deze aanduiding wordt voor het overige dus onbesproken gelaten. De aanduiding ‘Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’ is opgenomen wegens de provinciale instructieregels aan waterschappen. Deze aanduiding is dus van toepassing bij de uitvoering van beleid en activiteiten door het waterschap. Ook deze aanduiding wordt voor het overige dus onbesproken gelaten.
Afbeelding 14: Uitsnede ‘Kaart 6: Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied’, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Basisprincipes evenwichtige toedeling van functies In paragraaf 3.1.2 van de IOV zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies opgenomen. De basisprincipes hebben betrekking op een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en een kwaliteitsverbetering van het landschap. Navolgend worden beide basisprincipes toegelicht. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies invulling aan een goede omgevingskwaliteit, met een veilige, gezonde leefomgeving. Hierbij wordt rekening gehouden met: Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
29
•
Zorgvuldig ruimtegebruik.
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve als er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding op grond van de IOV mogelijk is. •
De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering.
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: o De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; o De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; o De bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Met het actief benutten van de factor tijd wordt bedoeld het rekening houden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. •
Meerwaardecreatie.
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: o De mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; o De bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Bij de ontwikkeling aan de Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek is er sprake van een bestaand bouwperceel voor een niet-agrarisch bedrijf. Dit bouwperceel wordt herbestemd voor de voorgenomen vestiging van onderhavig agrarisch technisch hulpbedrijf. Zoals in paragraaf 2.3 nader toegelicht vindt daarbij een afname van het ruimtebeslag plaats. Het bouwperceel wordt verkleind, maar daarbij wordt de toegestane bedrijfsbebouwing binnen dat bouwperceel wel verruimd met een bedrijfsloods van 1.700 m2. In de huidige situatie is een (vrachtwagen)garagebedrijf bestemd. Een dergelijke bedrijfsvoering wordt gekenmerkt door een (grootschalig) benodigd buitenterrein ten behoeve van parkeren van vrachtwagens. In de beoogde situatie is er sprake van een bedrijf gericht op het hoofdproduct stalinrichting en aanverwant. Hierbij is meer inpandige bedrijfsruimte benodigd (werkplaats en opslag).
Het bestaande ruimtebeslag wordt derhalve anders ingezet ten behoeve van de beoogde situatie. Hierdoor wordt dus niet meer ruimte geclaimd dan noodzakelijk voor het voornemen. Er is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De lagenbenadering benodigd een verantwoording waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de diverse lagen. De toetsing van de effecten van het voornemen op de lagen is per onderwerp uitgebreid uiteengezet in voorliggende toelichting. Hieruit volgt dat het voornemen ruimtelijk en milieuhygiënisch aanvaardbaar is. De meerwaardecreatie volgt o.a. uit de netto afname van het ruimtebeslag en de landschappelijke kwaliteitsverbetering (afname verharding, bijdrage biodiversiteit, klimaatadaptatie, landschappelijke kwaliteit). Tevens wordt een in Hilvarenbeek gevestigd bedrijf hiermee de mogelijkheid geboden om
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
30
op een verantwoorde manier door te ontwikkelen. Dit is bovendien positief voor de lokale werkgelegenheid. Gelet op het bovenstaande wordt voldaan aan de provinciale zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Kwaliteitsverbetering landschap In artikel 3.9 van de IOV zijn de regels omtrent kwaliteitsverbetering van het landschap opgenomen. Dit houdt in dat ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied gepaard dienen te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied en op welke wijze de uitvoering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede omvatten: • Landschappelijke inpassing; • Het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen; • Het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; • Het wegnemen van verharding; • Het slopen van bebouwing; • De realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; • Het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Indien de kwaliteitsverbetering niet op locatie kan worden bewerkstelligd is het ook mogelijk een passende financiële bijdrage te doen in een (gemeentelijk) landschapsfonds.
De gemeente Hilvarenbeek heeft dit provinciale beleid doorvertaald in een (regionale) set beleidsregels, welke vervolgens in de uitvoeringsstrategie ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Nietagrarische functies.’ is geconcretiseerd. In paragraaf 2.6 is deze toetsing uitgevoerd voor onderhavig plan. Dit tezamen met de berekening kwaliteitsverbetering als opgenomen in Bijlage 2 en het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1. Uit deze toetsing volgt dat de ontwikkeling ruimschoots voldoet aan de benodigde investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Met de voorgenomen landschappelijke inrichting wordt het plangebied adequaat landschappelijk ingepast en wordt voldaan aan het (provinciaal en gemeentelijk) vereiste van kwaliteitsverbetering van het landschap. De aanleg van de landschappelijke inpassing wordt bovendien geborgd door een voorwaardelijke verplichting op de verbeelding en in de planregels. Gelet op het bovenstaande wordt financieel, juridisch en feitelijk verzekerd dat de ontwikkeling gepaard gaat met een evenredige kwaliteitsverbetering van het landschap. De beoogde ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met artikel 3.9 van de IOV. Structuren en aanduidingen ‘Landelijk gebied’ en ‘Gemengd landelijk gebied’ In de beoogde situatie wordt een agrarisch technisch hulpbedrijf geëxploiteerd.
Dit betreft een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandeld. Initiatiefnemer exploiteert een bedrijf met als hoofdproduct stalinrichting. Het betreft daarbij zowel het vervaardigen en/of leveren, als monteren ervan. Producten betreffen bijvoorbeeld ligboxen, voederhekken, (metalen en kunststof) roostersystemen, hokafscheiding en hekwerken, luchtkanalen, luchtinlaat- en ventilatiesystemen, stalverwarming, staldeuren, voer- en watervoorzieningen e.d. Op de bedrijfslocatie vindt enerzijds met name de metaalbewerking en assemblage plaats t.b.v. de stalinrichting en agrarische onderdelen ten behoeve van landbouwmechanisatie. Naast het in eigen werkplaats vervaardigen van deze stalinrichting, worden de producten bovendien bij de afnemers op locatie geleverd en volledig gemonteerd. Het andere deel van de bedrijfsbebouwing, niet zijnde de werkplaats, is dus voor deze werkzaamheden ingericht. Na levering en montage blijft het bedrijf betrokken als serviceverlener / servicemonteurs gedurende het gebruik, onderhoud en reparatie van
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
31
de geleverde producten (stalinrichting en installaties). Het bedrijf verzorgt vrijwel alle activiteiten rondom de nieuwbouw, renovatie, onderhoud en vernieuwingen van stalinrichting en stalsystemen. Naast de werkplaats voor het vervaardigen van de goederen is er dus anderzijds ook sprake van opslag en stalling van bedrijfsvoertuigen, gereedschappen en materieel, gereed product, stalinrichtingonderdelen die niet zelf vervaardigd worden, voor het montage- en servicegedeelte van het bedrijf. Als nevenactiviteit is er tevens sprake van het verhandelen (en monteren) van kozijnen (lichtstraten stallen, kozijnen stallen, kozijnen bedrijfswoningen e.d.), ook in overwegende mate ten behoeve van de agrarische sector. In paragraaf 3.6.5 zijn de instructieregels opgenomen van agrarisch gerelateerde bedrijven. Artikel 3.61 bevat de regels voor de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf / agrarisch verwant bedrijf in gemengd landelijk gebied (als hier van toepassing).
In artikel 3.61, lid 1 is bepaald dat een bestemmingsplan, gelegen in gemengd landelijk gebied, kan voorzien in de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf als aan de volgende voorwaarden is voldaan: • De ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; • De ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel; • Is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; • Mestbewerking is uitgesloten. In artikel 3.62, lid 2 is daarbij bepaald dat als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch technisch hulpbedrijf, een bouwperceel geldt van ten hoogste 1,5 hectare. Het planvoornemen voldoet aan de gestelde voorwaarden, zoals per omgevingsaspect nader uiteengezet is in onderhavige toelichting. De ontwikkeling is passend in de omgeving. Er is geen sprake van een splitsing van het bouwperceel. Op locatie is geen sprake van overtollige bebouwing. Mestbewerking is in de planregels uitgesloten. Het voorgenomen bouwperceel is bovendien ruimschoots minder dan 1,5 hectare, namelijk 0,85 hectare (bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ 6.350 m2 en aanduiding ‘parkeerterrein’ 2.160 m2).
De ontwikkeling voldoet dus aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 3.61 van de IOV. ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ In artikel 3.29 IOV zijn regels opgenomen omtrent de cultuurhistorische waarden. Dit artikel is mede gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart. Daarbij worden er ook regels gesteld ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ is aan onderhavig plangebied toegekend wegens de ligging in cultuurhistorisch vlak ‘Akkercomplex Biest/Westerwijk’. Het aspect cultuurhistorie wordt meer uitgebreid behandeld in paragraaf 4.14 van onderhavige toelichting. Het cultuurhistorisch vlak ‘Akkercomplex Biest/Westerwijk’ is een groot akkercomplex ten noorden van Hilvarenbeek, van de buurtschappen Biest, Driehuizen, Voort en Westerwijk. Het akkercomplex wordt doorsneden door het Wilhelminakanaal en de N269. Het bodemgebruik is grasland, bouwland en verschillende percelen boomteelt. Het is een akkercomplex met esdek, bolle ligging, openheid, steilranden en zandpaden. Over het akkercomplex loopt de Bosscheweg. Deze onverharde weg maakte onderdeel uit van de oude handelsroute van Hilvarenbeek naar ’s-Hertogenbosch.
De waarden en kenmerken betreffen het open akkercomplex met de bolle ligging en het esdek, de
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
32
Bosscheweg, de zandwegen en de Kapel van Westrik. De strategie voor dit gebied is planologische bescherming van de aanwezige waarden en kenmerken. Het cultuurhistorisch vlak ‘Akkercomplex Biest/Westerwijk’ heeft een ander schaalniveau (gebiedsniveau) dan onderhavig plangebied (perceelsniveau). In onderhavige situatie is sprake van een bestaande bedrijfslocatie van een niet-agrarisch bedrijf. De ontwikkeling vindt daarbij plaats binnen het huidige ruimtebeslag van dit bedrijf (huidig ruimtebeslag circa 1,01 hectare, bestaande uit huidig bestemmingsvlak en aanduiding ‘parkeerterrein’). Het ruimtebeslag wordt hierbij ingeperkt en tevens wordt er voorzien in een robuuste landschappelijke inpassing. Hierbij is onderzocht hoe de landschappelijke inpassing een meerwaarde kan geven, ten opzichte van de huidige situatie. Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een strook grasland van circa 15 meter breed. Er is hier geen sprake van een akker met een bolle maaiveldligging. Door hier een landschappelijke inpassing te realiseren (bestaande uit een robuuste houtsingel met waterelementen en natuurvriendelijke oever) wordt er wel een bijdrage geleverd aan de landschappelijke uitstraling en daarmee de beleving van het plangebied op perceelsniveau. Op de noordwestelijke perceelsgrens is reeds sprake van een bestaande robuuste groenblijvende haag, direct buiten het plangebied.
Dit groenelement blijft ongewijzigd behouden. Bezien vanuit de landschapswaarden is het perceel gedeeltelijk groen afgeschermd en voor het overige landschappelijk ingepast. Het voornemen draagt daarmee op haar schaalniveau bij aan de (verbetering van de) beleving en uitstraling van het omliggende (cultuurhistorische) kampen- en hoevenlandschap. Het voornemen heeft geen gevolgen voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en overige cultuurhistorisch waardevolle elementen (zoals wegen- en groenstructuren). Er is hierdoor geen sprake van een onevenredige aantasting van het cultuurhistorisch waardevolle gebied. Uit voorgaande toetsing volgt dat het planvoornemen in overeenstemming is met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.3
Gemeentelijk beleid
In onderhavige situatie is sprake van een herziening van het geldende bestemmingsplan. Naast het geldende bestemmingsplan, zie paragraaf 2.4, wordt het gemeentelijke ruimtelijke beleid vastgelegd in een (of meerdere) structuurvisies. Een gemeentelijke structuurvisie is een strategisch beleidsdocument over de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen in de gemeente. In deze visie gaat het met name om de keuze op hoofdlijnen van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen en het te voeren ruimtelijk beleid. Een structuurvisie is daarbij enkel juridisch bindend voor de gemeente zelf. Het ruimtelijk beleid uit de structuurvisie dient doorvertaald te worden, bijvoorbeeld in bestemmingsplannen, alvorens zij juridische binding geven voor derden. De geldende structuurvisies worden in navolgende paragrafen besproken. 3.3.1 Structuurvisie Hilvarenbeek en Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek Op 25 februari 2010 heeft de gemeente Hilvarenbeek de ‘Structuurvisie Hilvarenbeek’ vastgesteld. Dit betreft de Structuurvisie met de hoofdlijnen van de gemeentelijke ambities voor het gehele grondgebied. Ter concretisering van de visie voor het buitengebied is in januari 2014 de ‘Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek’ vastgesteld. Naast de 6 kernen die de gemeente Hilvarenbeek rijk is, is er ook sprake van een groot landelijk gebied waarin veel ontwikkelingen gaande zijn.
De structuurvisie bevat een samenhangende visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Tevens is het de basis geweest voor de actualisatie van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Daar waar kansen en voorwaarden voor ontwikkelingen voldoende objectiveerbaar zijn, worden deze vastgelegd in bestemmingsplanregels, met binnenplanse afwijkings- of wijzigingsregels. Voor de meer grootschalige, weinig voorkomende of anderszins specifieke ontwikkelingen is maatwerk nodig. Dit is niet in algemene planregels te vatten en zal daarom blijvend buitenplans mogelijk worden gemaakt. De structuurvisie bevat bovendien de spelregels voor de diverse landschapstypes binnen de gemeente en de landschappelijke kwaliteitsverbetering.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
33
In de Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek is de planlocatie aan de Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek gelegen in het kampen- en hoevenlandschap. Dit gebieds- en landschapstype is toegepast bij de uitwerking van de voorgenomen landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering (zie hiertoe o.a. paragraaf 2.6 en Bijlage 1). De gemeentelijke structuurvisie is geëffectueerd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’ (zie hiertoe paragraaf 2.4) en voor de niet-agrarische functies in het buitengebied geconcretiseerd in de uitvoeringsstrategie voor het buitengebied, de ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet agrarische functies.’. De toetsing van het voornemen aan de uitvoeringsstrategie vindt plaats in navolgende paragraaf. 3.3.2 Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet-agrarische functies. Op 11 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de visie ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Nietagrarische functies.’ vastgesteld. Deze strategie is gericht op de vitalisering van het buitengebied en bevat de beleidskaders voor het buitengebied, behoudens voor de ontwikkeling van de agrarische sector. De afgelopen jaren is er veel veranderd in het buitengebied en deze trend zet zich door. Het aantal agrarische bedrijven daalt en de overblijvende agrarische sector ontwikkelt (bijvoorbeeld middels intensiveren, specialiseren of het ontplooien van nevenactiviteiten).
Daarnaast ontwikkelen ook andere functies zich meer en meer in het buitengebied: wonen, recreëren, energietransitie en andere dan agrarische functies. Om hierin de juiste afwegingen te kunnen maken heeft de gemeente Hilvarenbeek deze uitvoeringsstrategie voor het buitengebied opgesteld. De Uitvoeringsstrategie Buitengebied is een breed pallet aan activiteiten, zoals beoogd in het raadsbrede programma 2018 2022 van de gemeente Hilvarenbeek. De Strategie Vitalisering bevat de ontwikkelingsmogelijkheden voor o.a. vrijkomende (agrarische) gebouwen (VAB’s), ruimte-voor-ruimte-woningen, maar ook doorontwikkeling van andere bestaande functies. De strategie dient te leiden tot vitalisering van het buitengebied; het behouden en versterken van de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Beekse buitengebied. Het doel ‘versterken van de kwaliteiten van het buitengebied’ staat in deze strategie centraal. De aard van de nieuwe ontwikkeling is daaraan ondergeschikt. De gemeente wil met deze strategie belemmeringen voor innovatie opheffen en ruimte maken voor een toekomstige ontwikkeling gericht op het versterken van de kernkwaliteiten van het buitengebied van Hilvarenbeek (zoals o.a. beschreven in de Structuurvisie Buitengebied 2014). De gemeente wil de balans tussen ondernemen en een gezonde en veilige fysieke leefomgeving verbeteren.
De gemeente wil toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. Dat vergt een forse kwaliteitsslag in de komende jaren. Op basis van het provinciale ruimtelijke beleid moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied altijd sprake zijn van een fysieke kwaliteitsverbetering. De gemeente Hilvarenbeek hanteert hierbij de regionale Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015. Daarin wordt gewerkt met categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen, afhankelijk van het effect daarvan op het landschap. Bij categorie 3 (ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap), dient tenminste 20% van de grondwaarde te worden geïnvesteerd in het landschap. Onderdeel van deze visie wordt bovendien gevormd door het werkdocument en rekenbestand ‘Bestemmingswinst en kwaliteitsverbetering landschap’, waarmee de rekenbedragen voor het berekenen van de benodigde kwaliteitsverbetering in het landschap zijn geüniformeerd. In de uitvoeringsstrategie zijn per type functie (zoals VAB’s, ruimte-voor-ruimte en niet-agrarische functies) de beleidskaders uitgewerkt. In onderhavige situatie is er sprake van een bestaand nietagrarisch bedrijf, huidig bestemd als (vrachtwagen)garagebedrijf. Er is dus geen sprake van een vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie (VAB).
Initiatiefnemer heeft deze bedrijfslocatie aangekocht met als doelstelling om daar zijn agrarisch technisch hulpbedrijf gericht op het totaalaanbod van stalinrichting (productie, leveren, montage en service) te vestigen.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
34
In de strategie is aangegeven dat de gemeente openstaat voor uitbreidingen van bestaande nietagrarische functies in het buitengebied, zolang dit maar bijdraagt aan de versterking van de omgevingskwaliteit. De maximale omvang van een dergelijk bedrijf legt de gemeente niet op voorhand vast. In de huidige situatie is er plaatse sprake van een bestemmingsvlak voor een niet-agrarisch bedrijf (6.488 m2) en een aanduiding parkeerterrein (3.630 m2), met derhalve een totaal ruimtebeslag van 1,01 hectare. Dit ruimtebeslag wordt ingezet voor een (vrachtwagen)garagebedrijf. Daarnaast is er nog sprake van een bijbehorende strook landbouwgrond (1.892 m 2). In de beoogde situatie wordt het bedrijfsmatig ruimtebeslag ingeperkt tot in totaal circa 0,85 hectare (bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ 6.350 m2 en een aanduiding ‘parkeerterrein’ (2.160 m2)). Dit betreft dus een afname in het ruimtebeslag van 1.608 m2. Tevens wordt de beoogde situatie voorzien van een robuuste landschappelijke inpassing (3.500 m2). De huidige bedrijfsexploitatie, zijnde een vrachtwagengarage, is reeds aan te merken als milieucategorie 3.2. In beginsel blijft deze milieucategorie met de beoogde situatie behouden (zie hiertoe bovendien paragraaf 4.2). Er wordt dus geen hogere milieucategorie gevraagd dan ter plaatse reeds gevestigd.
Echter, daarentegen neemt het ruimtebeslag (‘footprint’) als voorgaand toegelicht af. Ook de hoeveelheid zwaar verkeer (vrachtwagens) zal door de ontwikkeling afnemen. Bovendien wordt de locatie herbestemd van een niet-agrarisch bedrijf (niet-buitengebied gebonden, logistiek), naar een agrarisch technisch hulpbedrijf (verwant aan het buitengebied). Dit kan derhalve als een bij het buitengebied passende ontwikkeling worden geacht. In de huidige situatie is de bedrijfslocatie bovendien nagenoeg volledig verhard en bebouwd. Door de realisatie van robuuste landschappelijke inpassing neemt de omvang van verhard en bebouwd oppervlak af. Door te voorzien in de voorgenomen landschappelijke inpassing met groen- en waterelementen, wordt een bijdrage geleverd aan onder meer de klimaatadaptatie, biodiversiteit en de versterking van de landschappelijke kwaliteit. Met de ontwikkeling wordt dus een bestaande niet-agrarische bedrijfslocatie herontwikkeld ten behoeve van de beoogde bedrijfsvestiging met daarbij aandacht voor een fysieke kwaliteitsverbetering voor het buitengebied. De ontwikkeling is derhalve passend binnen deze gemeentelijke uitvoeringsstrategie.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
35
4.
OMGEVINGSASPECTEN
Een bestuursorgaan dient bij de voorbereiding van een besluit, zoals bij het vaststellen van een bestemmings- of wijzigingsplan, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, zo wordt beschreven in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Ten behoeve van onderhavig plan zijn de relevante omgevingsaspecten uitgewerkt. Deze aspecten komen in navolgende paragrafen aan bod.
4.1
Bodem
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt dus ook de gewenste bodemkwaliteit. Op alle locaties waar een ingrijpende functiewijziging of wijziging van het bodemgebruik wordt voorzien, dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een bodemsanering. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. Dit onderzoek is in volledigheid bijgevoegd in Bijlage 3. Navolgend zijn de onderzoeksresultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt verwezen naar de bijlage. Verkennend bodemonderzoek Door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie aan de Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek.
De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw (van een bedrijfsloods) op deze locatie en de herziening van het bestemmingsplan. Als gevolg hiervan is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Daarnaast is door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,5 m-mv overwegend uit matig fijn siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn met name in de bovengrond lokaal bijmengingen (baksteen en bitumen) aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Onder de klinkerverharding aan de oostzijde van de locatie is een laag menggranulaat aangetoond. Het certificaat van het menggranulaat is opgenomen als bijlage in de rapportage. In diverse boringen is zintuiglijk olie waargenomen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen informatie naar voren gekomen welke heeft geleid tot een aanpassing van de boorstrategie. Vermeld dient te worden dat in eerste instantie alleen de geplande uitbreiding van de bedrijfshal is onderzocht. Op een later moment is de onderzoekslocatie uitgebreid naar het gehele plangebied.
Geplande uitbreiding bedrijfspand Grond In het grondmengmonster MM1 (bovengrond) is analytisch een licht verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. In het grondmengmonster MM2 (bovengrond) is analytisch een licht verhoogd gehalte met PAK en een sterk verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. Bij uitsplitsing van het grondmengmonster MM2 is in het grondmonster B06-2 een sterk verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. In het grondmonster B11-2 overschrijdt het gehalte minerale olie ½ (S+I). In de grondmonsters B07-2 en B10-2 zijn geen verhoogde gehalten met minerale olie aangetoond.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
36
In de grondmengmonsters MM3 en MM4 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis B01 zijn licht verhoogde concentraties met barium, nikkel, benzeen, naftaleen en som dichloorethenen aangetoond. Deze overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Overig terreindeel Grond In de grondmengmonsters MM5 en MM6 (beide bovengrond) zijn analytisch geen verhoogde gehalten van de onderzochte stoffen aangetoond. In het grondmengmonster MM9 (bovengrond) is een licht verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. In het grondmengmonster MM10 (bovengrond) zijn analytisch licht verhoogde gehalten met som PCB en minerale olie aangetoond. In de grondmengmonsters MM7, MM8 en MM11 (ondergrond) de onderzochte stoffen analytisch niet in verhoogde gehalten aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Grondwater In het grondwater uit de peilbuizen PB13 en PB14 zijn licht verhoogde concentraties met barium aangetoond. Deze overschrijden de streefwaarde, doch niet de interventiewaarde. Inkadering B06 In het grondmonster B06a (50-100 cm-mv) is geen verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond.
De verontreiniging ter plaatse van boring B06 is hiermee in verticale richting ingekaderd. In de grondmonsters B06b (20-50 cm-mv), B06c (50-70 cm-mv) en B06e (40-50 cm-mv) zijn slechts licht verhoogde gehalten met minerale olie aangetoond. In het grondmonster B06d (15-50 cm-mv) is geen verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. De verontreiniging is hiermee in horizontale richting afgeperkt. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van boring B06 indicatief als niet toepasbaar beschouwd worden. De verontreiniging ter plaatse van de boringen B06 heeft een oppervlakte van circa 5 m 2 en een diepte van 40 à 50 centimeter. Dit komt neer op een volume van circa 2 à 3 m 3. Het volume licht tot matig verontreinigde grond bedraagt beduidend meer. Omdat de locatie al voor 1987 in gebruik was als garagebedrijf is het aannemelijk dat de verontreinigingen voor 1987 zijn ontstaan. Er is derhalve geen sprake van zorgplicht. Inkader B11b In het grondmonster B11a (60-110 cm-mv) is geen verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. Er zijn licht verhoogde gehalten met minerale olie aangetoond in de grondmonsters B11c (10-50 cmmv), B11d (20-50 cm-mv), B11e (15-30 cm-mv) en B11h (7-30 cm-mv). In het grondmonster B11b (15-40) is een sterk verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond.
Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van boring B11b indicatief als niet toepasbaar beschouwd worden. Door het verrichten van de aanvullende boringen is getracht de verontreiniging ter plaatse van boring B11 verder in te kaderen. Uit het geheel aan resultaten kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van boring B11b geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De aangetoonde gehalten in de monsters B106 (15-30 cm-mv), B107 (15-30 cm-mv) en B111 (15-50 cm-mv) overschrijden de ½ (AW+I) waarde, maar overschrijden de interventiewaarde niet. De verontreiniging ter plaatse van boring B11b heeft een oppervlakte van circa 5 m 2 en een diepte van 40 à 50 centimeter. Dit komt neer op een volume van circa 2 à 3 m 3. Het volume licht tot matig
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
37
verontreinigde grond bedraagt beduidend meer. Omdat de locatie al voor 1987 in gebruik was als garagebedrijf is het aannemelijk dat de verontreinigingen voor 1987 zijn ontstaan. Er is derhalve geen sprake van zorgplicht. Verdachte deellocaties Aftappunt olie/koelvloeistof In de grond(meng)monsters PB101 (10-30), B102 (7-50) en MM101 (ondergrond) zijn analytisch geen verhoogde gehalten met minerale olie aangetoond. In het grondwater uit peilbuis PB101 zijn geen verhoogde concentraties met minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond. De concentratie aan glycolen overschrijdt de detectiegrens niet. Bovengrondse dieseltank In de grondmengmonsters MM201 en MM202 zijn analytisch geen verhoogde gehalten met minerale olie aangetoond. In het grondwater uit de peilbuis PB201 zijn geen verhoogde concentraties met minerale olie of vluchtige aromaten aangetoond. Put bij wasplaats In de grondmengmonsters MM301 en MM303 zijn geen verhoogde gehalten met minerale olie aangetoond. In het grondmengmonster MM302 is slechts een licht verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. In het grondwater uit peilbuis PB301 zijn minerale olie en vluchtige aromaten niet in verhoogde concentraties aangetoond. In het grondmengmonster MM1001 bedraagt het gehalte NAD (niet-ionogene detergenten) 16 mg/kg ds, het gehalte KAD (kationogene detergenten) bedraagt 270 mg/kg ds.
Het gehalte AAD (anionactieve detergenten) is lager dan de detectielimiet van 0,50 mg/kg ds aangetoond. Uit de herbemonstering van het grondwater uit peilbuis PB301 blijkt dat licht verhoogde gehalten met cis + trans-1,2-dichlooretheen en tetrachlooretheen worden aangetoond. Het gehalte KAD is lager dan de detectielimiet aangetoond. Het gehalte AAD bedraagt 0,060 mg/L. Olie afscheider In het grondmengmonster MM401 is een licht verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. In het grondmengmonster MM402 is geen verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. In het grondwater uit peilbuis PB402 zijn geen verhoogde gehalte met minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Toetsing hypothese De hypothese ‘heterogeen diffuus verdacht’ kan op basis van de resultaten worden aanvaard. Resumé en aanbeveling Middels het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd.
In het kader van de Wet bodembescherming zijn mogelijk aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het uitgevoerde bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt mogelijk belemmeringen, aanvullende voorwaarden, voor de voorgenomen nieuwbouw op deze locatie. Op de locatie zijn twee spotverontreinigingen met zeer geringe omvang aangetoond. Beide verontreinigingen zijn met het uitgevoerde onderzoek ingekaderd. De verontreinigingen bevinden zich globaal in de bodemlaag 15-50 cm-mv. Het volume sterk verontreinigde grond wordt geschat op in Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
38
totaal 5 m3. Buiten deze twee verontreinigingscontouren vormt de bodemkwaliteit geen belemmeringen voor de geplande nieuwbouw. De saneringskosten van twee voornoemde spotverontreinigingen worden door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. ingeschat op maximaal €5.000,-. Door de beperkte saneringskosten is de voorgenomen nieuwbouw financieel uitvoerbaar. De bodemsanering zal worden uitgevoerd alvorens aan, of gelijktijdig maken met het bouwrijp maken van de grond. Hierbij zullen de procedures en vereisten uit de Wet bodembescherming in acht worden genomen. Uit het onderzoek blijkt dat er, na sanering van de twee spotverontreinigingen, sprake is van een aanvaardbare bodemkwaliteit voor de voorgenomen ontwikkeling. In het nader onderzoek is hierbij reeds een inschatting gemaakt van de saneringskosten. Deze saneringskosten passen binnen het door initiatiefnemer gereserveerde budget voor de uitvoeringskosten van het plan. De bodemkwaliteit staat daarmee de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. De bodemkwaliteit zal geschikt worden gemaakt voor de beoogde functie middels sanering. Initiatiefnemer zal, voorafgaand aan de bouw, zorg dragen voor deze bodemsanering.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied wordt bepaald door de milieubelastende activiteiten in de directe omgeving. Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of veehouderijen) en gevoelige functies (zoals woningen of verblijfsrecreatieve eenheden) wordt hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze systematiek wordt ‘milieuzonering’ genoemd. De VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, editie 2009 bevat een richtafstandenlijst, waarmee milieuzonering kan worden toegepast. Deze richtafstandenlijst bevat richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Deze richtafstanden geven een indicatieve afstand, waarmee hinder ter plaatse van gevoelige functies wordt voorkomen bij een gemiddeld nieuw bedrijf binnen het betreffende type bedrijvigheid. De richtafstanden bieden bovendien in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. Deze toepassing geeft derhalve een zeer goede indicatie inzake het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies en de eventuele gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijvigheid.
Als de richtafstanden niet worden behaald is nader onderzoek vereist om de aanvaardbaarheid van een ontwikkeling aan te tonen. De richtafstandenlijsten vermelden de richtafstanden die bij voorkeur worden aangehouden tussen bedrijven en de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden, daar deze gebieden gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kennen. Navolgend zijn de definities van beide omgevingstypen uit de VNGhandreiking opgenomen.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
39
Tabel 1: Omgevingstypen (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Tabel 2: Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’)
Milieucategorie
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Bij het aspect bedrijven en milieuzonering dient ten eerste beoordeeld te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van milieugevoelige functies, bezien vanuit de milieugevolgen door milieubelastende functies (bedrijvigheid). Ten tweede dient beoordeeld te worden of, indien een milieugevoelige functie wordt gerealiseerd (zoals woningen), of omliggende bedrijven hierdoor niet worden beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Om het voorgaande te kunnen beoordelen is ten eerste relevant in welk omgevingstype de locatie is gelegen. Op Afbeelding 15 is de ligging van de locatie weergegeven ten opzichte van de omliggende functies (en geldende bestemmingen). Ten eerste is de locatie op korte afstand (circa 140 meter) gelegen van de provinciale weg N269 (snelheidsregime 100 km/uur). Verder is de locatie gelegen aan het bebouwingslint van de Klein Westerwijksestraat. Aan dit lint zijn o.a. verspreidliggende burgerwoningen, (voormalige) agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven gelegen. Aan de Klein Westerwijksestraat bevinden zich diverse gemengde functies op korte afstand van elkaar. Er is dus sprake van een sterke functiemenging. Gelet op de ligging van de locatie is er dus sprake van gemengd gebied. Het betreft lintbebouwing in het buitengebied met een sterke functiemenging.
Tevens betreft het een gebied direct gelegen langs hoofdinfrastructuur.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Klein Westerwijksestraat 5, Hilvarenbeek’
40
VAB Klein Westerwijksestraat 11 VAB Groot Westerwijksestraat 1 Klein Klein
Westerwijksestraat 6a Westerwijksestraat 6
Afbeelding 15: Ligging locatie Klein Westerwijksestraat 5 (rood omkaderd) ten opzichte van functies (bestemmingen) in omgeving. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
Het voornemen heeft betrekking op de vestiging van het onderhavige agrarisch technisch hulpbedrijf (productie, leverancier, montage- en servicebedrijf voor stalinrichting en aanverwant) aan de Klein Westerwijksestraat 5 te Hilvarenbeek. In de huidige situatie is hier een vrachtwagengarage gevestigd. Hiervoor beschikt de locatie, in het geldende bestemmingsplan, over een bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ en de functieaanduiding ‘parkeerterrein’. Het totale ruimtebeslag bedraagt in de huidige situatie daarbij circa 1,01 hectare. De ontwikkeling vindt plaats binnen deze huidige belijning van 1,01 hectare. Tevens vindt er geen wijziging plaats in gevoelige functies. De bestaande bedrijfswoning blijft ongewijzigd behouden. De ontwikkeling heeft dus geen gevolgen voor de bedrijfsmatige ontwikkelingsmogelijkheden van derden. In Tabel 3 is volledigheidshalve een beschouwing gemaakt van de omliggende aanwezige bedrijvigheid en de van toepassing zijnde richtafstanden. Hieruit volgt bovendien dat voor alle bedrijven aan de benodigde richtafstanden kan worden voldaan, behoudens voor de melkrundveehouderij aan Klein Westerwijksestraat 6A. In gemengd gebied, als hier van toepassing, gelden voor dit bedrijf richtafstanden van 50 m (geur), 10 m (stof), 10 m (geluid) en 0 m (gevaar).