11 Bestemmingsplan Groenstraat 27A-36, Esbeek (3 toelichting en regels met bijlagen)
Tekst van het document
Tevens kan gesteld worden doordat de dieren van de agrarische bestemming in de beoogde situatie niet meer zullen worden gehouden en de zware transportbewegingen ten behoeve van de veehouderij niet meer plaats zullen vinden kan met zekerheid worden gesteld dat er in de gebruiksfase geen sprake zal zijn van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied KempenlandWest leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
Pagina 43 van 67
2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Groenstraat 27A en 36 te Esbeek dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de beoogde ontwikkeling, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Op 23 mei 2022 is door Brabant Eco B.V. een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage van deze toelichting, waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora & fauna aanwezig zijn binnen het plangebied. Op basis van het veldonderzoek en de analyse kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten.
Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie van extra veldonderzoek uit te voeren. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen het plangebied is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren.
Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.
Pagina 44 van 67
Een vooronderzoek conform de NEN 5725 is uitgevoerd door M&A, zie bijlage bij deze toelichting. Hieruit blijkt dat de voormalige stal voorzien is van asbestverdachte golfplaten, waarbij aan één zijde (oostzijde) geen verharding aanwezig is onder de ‘druppellijn’. Ter plaatse is een aanvullend verkennend asbestonderzoek verricht door Moerdijk Bodemsanering B.V. Op de locatie, ter plaatse van de ‘druppellijn’, is slechts een licht verhoogd gehalte aan pcb aangetroffen. Voor het overige zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.5. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid.
Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het plangebied ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het plangebied komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk.
Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Bovendien wordt het plangebied aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de woningen reikt. Ook kan gesteld worden dat op de omliggende agrarische percelen binnen 50 meter van het plangebied geen boomteelt plaats zal vinden in de beoogde situatie, dit is vastgelegd in het vigerende bestemmignsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’ in artikel 3.4 strijdig gebruik lid q ‘boomgaarden binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfs)woningen, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van bestaande boomgaarden en vervanging van bestaande boomgaarden’. Het plangebied heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.6.
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
Pagina 45 van 67
4.6.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 15. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Afbeelding 15: Uitsnede kaart aardkundige en cultuurhistorische waarden Iov, plangebied omcirkeld
De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Uit afbeelding 16 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen ‘Indicatieve Archeologische waarden’ met een hoge trefkans. In de volgende paragraaf wordt het aspect archeologie nader toegelicht. Daarnaast is de locatie gelegen langs een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Vanwege de ligging aan de Groenstraat is het plangebied een zichtlocatie vanuit deze weg. De beoogde positionering van de nieuwe woning en loods sluiten aan bij de bebouwing aan de Groenstraat. De toe te voegen woning doet geen afbreuk aan de bebouwing in de omgeving. De waarde van de historisch geografische lijn wordt derhalve niet aangetast.
Pagina 46 van 67
Afbeelding 16: Uitsnede CHW-viewer Noord-Brabant, plangebied zwart omlijnd
4.6.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen voor de locatie aan de Groenstraat 27A. Conform de regels van ‘Waarde – Archeologie 2’ dient voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 meter een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld. In de beoogde situatie wordt de bestaande stal van 450 m2 gesloopt en wordt er een ruimte-voor-ruimte woning met een bijgebouw van 200 m2 gerealiseerd deze oppervlakte blijft onder de 2.500 m 2. Een archeologisch onderzoek is derhalve voor de beoogde ontwikkeling aan de Groenstraat 27A te Esbeek niet noodzakelijk. De aanwezigheid van archeologische waarden wordt zeer gering geacht. Bovendien is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan, zodat mogelijke archeologische waarden niet onevenredig kunnen worden aangetast.
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen voor de locatie aan de Groenstraat 36. Conform de regels van ‘Waarde – Archeologie 1’ dient voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 0,5 meter een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld. In de beoogde situatie wordt de overtollige bebouwing gesloopt en wordt er een nieuwe loods van maximaal 500 m2 gerealiseerd deze oppervlakte blijft onder de 500 m2. Een archeologisch onderzoek is derhalve voor de beoogde ontwikkeling aan de Groenstraat 36 te Esbeek niet noodzakelijk. De aanwezigheid van archeologische waarden wordt zeer gering geacht. Bovendien is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan, zodat mogelijke archeologische waarden niet onevenredig kunnen worden aangetast. 4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.
Pagina 47 van 67
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische en bedrijfsfuncties en is er sprake van lintbebouwing. Aan de Groenstraat 34 is een voormalige agrarische bedrijfsbestemming gelegen hiervoor geld een maximale richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. De afstand van de Groenstraat 36 tot de Groenstraat 34 is circa 60 meter en vanaf de Groenstraat 27a tot de Groenstraat 34 circa 88 meter. Aan de Groenstraat 25 en Groenstraat 30 zijn paardenhouderijen gelegen. Deze veehouderijen vallen conform de VNG-handreiking onder milieucategorie 3.1, waarvoor voor de aspecten stof en geluid in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt. Deze veehouderijen zijn op een afstand van meer dan 10 meter van de Groenstraat 27A en 36 gelegen.
Voor externe veiligheid is geen richtafstand opgenomen. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. Op grond van de Bedrijven en milieuzonering blijkt dat het beoogde niet-agrarische bedrijf aan de Groenstraat 36 behoort tot een milieucategorie 2 bedrijf. Het plangebied is gelegen in een gemengd gebied, de minimale afstand van 10 meter dient hiervoor aangehouden te worden. De beoogde woonbestemming aan de Groenstraat 27A te Esbeek bevindt zich in de beoogde situatie op een afstand van circa 11 meter van de beoogde bedrijfsbestemming aan de Groenstraat 36 te Esbeek. De beoogde bedrijfsbestemming komt dichter dan 10 meter bij de woonbestemming van de Groenstraat 38 te liggen. De minimale afstand voor geur, stof en gevaar bedraagt 0 meter. De afstand voor geluid dient minimaal 10 meter te bedragen. In de beoogde situatie komt de beoogde loods op meer dan 10 meter afstand te liggen van de woonbestemming. De inrit van de beoogde bedrijfsbestemming aan de Groenstraat 36 ligt op 30 meter vanaf de gevel van de woning aan de Groenstraat 38. Voor de Groenstraat 36 te Esbeek is door M&A Omgeving BV op 29 juli 2021 een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage bij toelichting).
Er kan worden gesteld dat uit het oogpunt van de ruimtelijke ordening het akoestisch klimaat ten gevolge van de beoogde bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de locatie aan de Groenstraat 36 te Esbeek, bij de nabij gesitueerde woningen rondom de inrichting als goed betiteld kan worden. De locatie waar zich mensen buiten verblijven (terras) bevinden zich aan de achterzijde van de woningen aan de Groenstraat. Bij de maatgevende tuin, van de woning Groenstraat 38, is het geluidniveau 40 dB(A) in de dagperiode en 27 dB(A) in de avondperiode. Verder zijn de gemiddelde binnenniveaus in de woningen ten gevolge van de activiteiten bij de Groenstraat 36, uitgaande van een minimale gevelwering van 17 dB(A) maximaal (43 dB(A)- 17 dB(A)) 26 dB(A). Dit kan als een goed woon- en leefklimaat betiteld worden. In de regels van het
Pagina 48 van 67
bestemmingsplan wordt opgenomen dat er in het kader van industrielawaai in de avond periode geen verkeersbewegingen mogen plaatsvinden aan de Groenstraat 36 te Esbeek. Aan de Lage Mierdseweg 3 te Esbeek is een horecabestemming gelegen op een afstand van circa 60 meter van het plangebied. Conform de VNG-handreiking valt een restaurant/café/cafetaria/bar onder milieucategorie 1. Voor een bedrijf in deze milieucategorie geldt geen richtafstand in gemengd gebied. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden en dat sprake is van een verantwoorde afstand tussen de beoogde reguliere burgerwoningen en omliggende bedrijven. 4.8. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1.
Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.8.1. Omgekeerde werking
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij is en blijft de vrijkomende agrarische bedrijfswoning een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een veehouderij, of die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv moet de afstand tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en de gevel van zo’n object, wanneer gelegen binnen de bebouwde komt, ten minste 100 meter bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Hetzelfde geldt voor de beoogde nieuwe ruimte-voor-ruimte woning. Op grond van artikel 14, tweede lid, gelden de vaste afstanden namelijk ook voor objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd: op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij.
Pagina 49 van 67
Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom. Binnen een afstand van 50 meter van de nieuwe ruimtevoor-ruimte woning liggen geen veehouderijen, zie afbeelding 17. De beoogde ruimte-voor-ruimte woonbestemming is op een afstand van meer dan 50 meter van de bedrijfsbebouwing aan de Groenstraat 25 gelegen, zie afbeelding 18. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving. Groenstraat 30A Groenstraat 32 Groenstraat 23
Groenstraat 36
Groenstraat 36 Groenstraat 25
Groenstraat Lage 27a Mierdseweg 12
Groenstraat 23
Groenstraat 25
Groenstraat 27A
Afbeelding 17: Omliggende veehouderijen, bron: kaartbank.brabant.nl
Pagina 50 van 67
Groenstraat 36
Groenstraat 25
Afbeelding 18: 50-meter lijn om bouwvlak nieuw ruimte-voor-ruimte woonkavel
4.8.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied ligt aan de Groenstraat 25. Dit betreft een paardenhouderij. Uit vorige paragraaf blijkt al dat de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning op voldoende afstand van deze paardenhouderij is gelegen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen aan de Groenstraat 22 te Esbeek, dit betreft een varkenshouderij en is op 750 meter van het plangebied gelegen. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de Achtergrond geurbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Als bronnenbestand is een export van het Bestand Veehouderijen Brabant opgenomen met als peildatum maart 2022 en kan daartoe als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd. Uit afbeelding 19 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de kwaliteit van de leefomgeving goed is, waardoor in de beoogde situatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd zal zijn.
Pagina 51 van 67
Afbeelding 19: Uitsnede kaart Achtergrond geurbelasting ODZOB, plangebied rood omcirkeld
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.9.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen.
Pagina 52 van 67
Groenstraat 27A Het initiatief aan de Groenstraat 27A te Esbeek betreft het creëren van één nieuwe ruimte-voorruimtewoning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts één reguliere burgerwoning mogelijk wordt gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling aan de Groenstraat 27A heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. De verkeersgeneratie voor de beoogde woning is bepaald aan de hand van de kentallen van de CROWpublicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Conform de CROW-publicatie toekomstbestendig parkeren is de verkeersgeneratie van een woning in de bebouwde kom 8,6 voertuigen per dag. Groenstraat 36 Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO₂ en PM10. Voor het beoogde initiatief dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsbestemming aan de Groenstraat 36 te Esbeek te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW. Voor een bedrijf in de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’, dat ligt in het buitengebied in weinig stedelijk gebied, wordt een verkeersgeneratie van 3,9-5,7 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voorgeschreven. De loods heeft in de beoogde situatie een omvang van maximaal 500 m2. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 28,5 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is.
Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats. De verkeersgeneratie voor de bestaande bedrijfswoning is bepaald aan de hand van de kentallen van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Conform de CROW-publicatie toekomstbestendig parkeren is de verkeersgeneratie van een woning in de bebouwde kom 8,6 voertuigen per dag. In totaal zijn de maximale extra verkeersbewegingen 8,6 + 8,6 + 28,5 = 45,7 zie tabel 2.
Pagina 53 van 67
Tabel 2: Uitsnede NIBM tool
De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.9.1. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt tevens 40 μg/m3. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,55 μg/m3, voor PM2,5 7,862 μg/m3 en voor NO2 10,55 μg/m3, zie afbeelding 20 tot en met afbeelding 22. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 54 van 67
Afbeelding 20: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, plangebied omcirkeld
Afbeelding 21: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5, plangebied omcirkeld
Pagina 55 van 67
Afbeelding 22: Uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2, plangebied omcirkeld
4.10. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. Het plangebied ligt wel binnen het geluidszone van de Groenstraat en de Lage Mierdseweg. Binnen de geluidszone van deze weg(en) is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. De vrijkomende bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Groenstraat 27A Met het initiatief wordt ook een nieuw geluidsgevoelig object opgericht aan de Groenstraat 27A te Esbeek in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden.
Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door M&A Omgeving BV op 28 juli 2021, zie bijlage bij deze toelichting. Geconcludeerd kan worden dat ten gevolge van de Groenstraat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden op één rekenpunt (voorgevel). De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt nergens overschreden. Bij de indeling van de woning dienen de geluidgevoelige vertrekken, zoals slaapkamers, zoveel mogelijk aan de minst geluidbelaste zijde gesitueerd te worden. Er wordt verzocht om voor in onderhavige onderzoek
Pagina 56 van 67
beschouwde woning een hogere grenswaarde te verlenen. Bij de indeling van de woning worden de verblijfsruimten zoveel mogelijk aan de geluidluwe zijden gepositioneerd. Groenstraat 36 Voor de Groenstraat 36 te Esbeek is door M&A Omgeving BV op 29 juli 2021 een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage bij toelichting). Er kan worden gesteld dat uit het oogpunt van de ruimtelijke ordening het akoestisch klimaat ten gevolge van de beoogde bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de locatie aan de Groenstraat 36 te Esbeek, bij de nabij gesitueerde woningen rondom de inrichting als goed betiteld kan worden. De locatie waar zich mensen buiten verblijven (terras) bevinden zich aan de achterzijde van de woningen aan de Groenstraat. Bij de maatgevende tuin, van de woning Groenstraat 38, is het geluidniveau 40 dB(A) in de dagperiode en 27 dB(A) in de avondperiode. Verder zijn de gemiddelde binnenniveaus in de woningen ten gevolge van de activiteiten bij de Groenstraat 36, uitgaande van een minimale gevelwering van 17 dB(A) maximaal (43 dB(A)- 17 dB(A)) 26 dB(A). Dit kan als een goed woon- en leefklimaat betiteld worden. In de regels van het bestemmingsplan wordt opgenomen dat er in het kader van industrielawaai in de avond periode geen verkeersbewegingen mogen plaatsvinden aan de Groenstraat 36 te Esbeek.
De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft het aspect geluid. 4.11. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Bovendien dienen voldoende parkeerplaats te worden geborgd. Het plangebied ligt aan de Groenstraat. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door de N269. Deze ontsluitingsroute beschikt over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de woningen bewegen. Bovendien zullen de zware verkeersbewegingen van en naar de beoogde bedrijfsbestemming en beoogde ruimte-voor-ruimte woning burgerwoningen lager liggen dan het geval zou zijn bij een agrarisch bedrijf. De Groenstraat beschikt over voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen af te wikkelen. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Als uitgangspunt geldt dat op eigen erf moet worden voorzien in de parkeerbehoefte. Voor de beoogde ontwikkeling is in het CROW en in het parkeerbeleid van de gemeente Hilvarenbeek een norm opgenomen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen.
Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een norm van 2,0-2,8 parkeerplaatsen per woning. Bij de beoogde ruimte-voor-ruimte woning is voldoende ruimte binnen het bouwvlak voor het parkeren van 3 auto’s. Voor de beoogde bedrijfsbestemming aan de Groenstraat 36 te Esbeek dienen 0,8-1,3 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte te worden gerealiseerd. Dit komt niet op maximaal 6 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om te voorzien in totaal 6 parkeerplaatsen. Er wordt derhalve voldaan aan voldoende parkeerplaatsen binnen het bouwvlak. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.12. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.12.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn:
Pagina 57 van 67
▪ ▪ ▪
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties.
Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.13.2 Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 23.
Pagina 58 van 67
Afbeelding 23: Uitsnede risicokaart, plangebied rood omcirkeld
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (wonen) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB) heeft het document ‘Standaard Verantwoording Groepsrisico 2020’ opgesteld. Dit betreft een hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf ‘externe veiligheid’ in een ruimtelijk plan. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’ opgenomen. Uit afbeelding 24 blijkt dat het plangebied is gelegen in de ‘blauwe zone’ van de N269 en dient er een verantwoording groepsrisico en standaard advies veiligheidsrisico plaats te vinden.
In onderstaande tabel is aangeven waar aan getoetst moet worden wanneer het plangebied in ‘blauw’ gebied ligt.
Pagina 59 van 67
Afbeelding 24: Uitsnede 'zone indeling standaard verantwoording groepsrisico', plangebied rood omcirkeld
De belangrijkste transportroute voor gevaarlijke stoffen is de A58 en de N269 en N395. Op grond van het Basisnet zijn berekeningen uitgevoerd. Voor de N269 en N395 geldt dat de jaarintensiteiten van gevaarlijke stoffen dusdanig zijn, dat geen sprake is van een groepsrisico dat de oriëntatiewaarde overschrijdt. De binnen de gemeente Hilvarenbeek gelegen buisleidingen, die relevant zijn voor externe veiligheid, betreffen voornamelijk aardgasleidingen. Met uitzondering van een DPO-leiding zijn alle leidingen gelegen in het buitengebied. Voor alle leidingen geldt dat sprake zal zijn van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen op dusdanige afstand dat de ruimtelijke ontwikkeling, ook indien sprake is van toename van het aantal aanwezigen, niet leidt tot een relevante toename van het groepsrisico. Ook zal er worden voldaan aan de het standaard advies veiligheidsrisico zoals opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan is in de nabijheid geen dubbelbestemming voor leidingen opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels voor de dubbelbestemming ‘Leiding’. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen.
Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. 4.13. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 19). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.
Pagina 60 van 67
4.14. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a.
gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie is een kleinschalige schapenhouderij aan de Groenstraat 23. Deze agrarische bedrijfsbestemming is op een afstand van circa 40 meter van de beoogde ruimte-voor-ruimte woning aan de Groenstraat 27A gelegen. Het dierenverblijf is echter op een afstand van circa 165 meter gelegen. De bestaande bedrijfswoning is op een ruimere afstand gelegen. Voor (kleinschalige) schapenhouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. In paragraaf 4.3 is reeds uiteen gezet dat de dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan Groenstraat 25 op een afstand van circa 50 meter vanaf de Groenstraat 27a. Dit betreft een paardenhouderij. Voor paardenhouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc.
Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Binnen 1 kilometer van de planlocatie zijn minder dan 15 veehouderijen gelegen. Gezien de grote afstand van de planlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de planlocatie.
4.14.1. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden
Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. • Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; • Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; • Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.
De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof.
Pagina 61 van 67
Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen aan de Groenstraat 22 te Esbeek, betreft een varkenshouderij en stoot jaarlijks 2.647 kg aan fijnstof uit. In het kader van het endotoxinekader 2.0 dient er een afstand te worden gehouden van 242 meter. De veehouderij ligt op circa 740 meter van het plangebied. Er wordt dus voldaan aan de afstanden uit het endotoxine toetsingskader 2.0. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd.
Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen.
De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Voor de bestaande woning verandert er niets ten opzichte van de veehouderijen in de omgeving. Afstanden tot veehouderijen worden niet kleiner. De beoogde ontwikkeling leidt dus niet tot een verslechtering van de bestaande situatie. Daarnaast zijn er andere woningen gelegen op kleinere afstand van de omliggende veehouderijen.
Pagina 62 van 67
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: Groenstraat 27A ▪ Enkelbestemming: Wonen; ▪ Enkelbestemming: Agrarisch; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 2; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – beekdal; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – bebouwingsconcentratie; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel; Groenstraat 36 ▪ Enkelbestemming: Agrarisch; ▪ Enkelbestemming: Bedrijf; ▪ Enkelbestemming: Natuur; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 1; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 2; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf – 62; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing;
Pagina 63 van 67
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Gebiedsaanduiding: overige zone – akkercomplex; Gebiedsaanduiding: overige zone – bebouwingsconcentratie; Gebiedsaanduiding: overige zone – Natuur Netwerk Brabant; Gebiedsaanduiding: overige zone – Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone; Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel; Gebiedsaanduiding: overige zone – behoud en herstel watersystemen;
Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’. Dit is het meest actuele bestemmingsplan voor wat betreft de planregels. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Om de landschappelijke inpassing te borgen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In deze voorwaardelijke verplichting staat omschreven dat binnen twee jaar na ingebruikname van de bebouwing de landschappelijke inpassing gerealiseerd moet zijn en in stand moet worden gehouden op de wijze zoals is aangegeven op het landschappelijk inpassingsplan, zie bijlage bij deze toelichting. Om de sloop van de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing te verzekeren is een voorwaardelijke sloopverplichting in de regels opgenomen.
Pagina 64 van 67
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Groenstraat 27A en 36 te Esbeek betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden. Er zal vooroverleg plaatsvinden met de daartoe aangewezen instanties en er zal een omgevingsdialoog plaatsvinden. In het kader van het maatschappelijk draagvlak is tevens de gelegenheid tot inspraak geboden in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan.
6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog
In het kader van artikel 3.1.1 Bro zal overleg gevoerd worden over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap De Dommel en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg hebben de overlegpartners provincie Noord Brabant en waterschap De Dommel een reactie gegeven. De vooroverlegreacties zijn onderbouwd en toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. Er is tevens een omgevingsdialoog uitgevoerd met de directe omwonende van het plangebied. Uit dit dialoog blijkt dat de omwonende positieve opmerkingen geven. Eventuele onduidelijkheden van de plannen zijn toegelicht. Het verslag van het omgevingsdialoog is toegevoegd in de bijlage.
6.2.2. Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.