10 bestemmingsplan Korenpad 3 (6 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
Conclusie
Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor dit plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid moet erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor.
De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
30
Tabel 4.3 Overzicht richtafstanden VNG-publicatie De bovengenoemde richtafstanden voor een rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden waar functiemenging is, bijvoorbeeld in een centrumgebied met veel winkels en voorzieningen, is er sprake van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstanden van elkaar gesitueerd zijn. De richtafstanden uit tabel 4.3 zijn dan niet meer toepasbaar. In dat geval wordt er middels categorieën aangegeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn: -
Categorie A activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen;
-
Categorie B activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen indien ze bouwkundig van elkaar afgescheiden zijn;
-
Categorie C activiteiten zijn alleen toegestaan indien ze gesitueerd zijn aan een hoofdweg.
4.5.1
Beoordeling
Relevant voor deze locatie is dat er in de omgeving twee locaties zijn met een bedrijfsbestemming. Het betreft het perceel aan de Maternusstraat 10 en de Beekseweg 9/9a. Op deze locaties zijn bedrijven toegestaan die maximaal tot milieucategorie 2 behoren. Hierbij hoort een richtafstand van 30 meter. De afstand van het perceel van de Beekseweg 9/9a tot aan het plangebied is circa 11 meter. Het perceel van de Maternusstraat 10 grenst aan de planlocatie. Er wordt dus niet aan de richtafstand voldaan. De omgeving van de planlocatie is echter een bestaande woonomgeving, waarbij al meerdere woningen aanwezig zijn op kortere afstand van (en ook aangrenzend aan) de betreffende bedrijfsbestemmingen. Er kan daarom van uitgegaan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat rond de bedrijfsbestemmingen, en dat tevens de bedrijven niet in hun bedrijfsactiviteiten worden belemmerd. De beoogde nieuwe woning in het onderhavig plan zorgt tevens niet voor een wijziging van het karakter van het gebied. Ook voor de planlocatie kan daarom geconcludeerd worden dat er sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een nader onderzoek is niet benodigd.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
31
4.5.2
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit plan.
4.6
Externe veiligheid
Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving van: -
Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
-
Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen);
-
Het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen;
-
Het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten.
Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), voor zover de risico's door een inrichting worden veroorzaakt. Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden sinds 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. De normering voor risico’s als gevolg van het transport, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen en windturbines is gebaseerd op enkele begrippen. -
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10 -6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.
-
Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10 -5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar.
Het bevoegd gezag moet bij een nieuwe ontwikkeling bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico verantwoording moeten afleggen. Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
32
voltrekken. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is moet ook aandacht worden geschonken aan de volgende aspecten: -
Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen.
-
Hoogte van het groepsrisico.
-
Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte).
-
Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.
Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: -
Het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.
-
Het groepsrisico, niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerstgenoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6.1
Beoordeling
Ontwikkeling in relatie tot de omgeving In het onderhavige plan worden geen functies mogelijk gemaakt die tot een risicovolle inrichting behoren. Ook wordt er geen transportroute voor gevaarlijke stoffen of een brandstofleiding mogelijk gemaakt. De ontwikkeling heeft geen invloed op de veiligheid in het gebied. Omgeving in relatie tot de ontwikkeling Op basis van de Risicokaart zijn er in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen of buisleidingen aanwezig zijn. Uit een inventarisatie van de Omgevingsdienst Midden en West Brabant uit 2018 in het kader van het project ‘vervoer gevaarlijke stoffen’ blijkt dat mogelijk transportbewegingen met gevaarlijke stoffen over de Beekseweg te verwachten zijn. In artikel 8, lid 1, van het Besluit externe veiligheid transportwegen (Bevt) is bepaald dat het groepsrisico verantwoord moet worden als een ontwikkeling geheel of gedeeltelijk binnen 200 meter van een transportroute ligt. Het plangebied ligt binnen 200 meter van de transportroute. Op grond van het Bevt moet er dus in beginsel een verantwoording van het groepsrisico plaatsvinden.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
33
In artikel 8, lid 2 van het Bevt is echter bepaald dat de groepsverantwoording achterwege blijven als: -
Het groepsrisico niet hoger is dan 10% van de oriëntatiewaarde, of:
-
Het groepsrisico niet met meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
In dit geval valt redelijkerwijs te verwachten dat het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen in het invloedsgebied, als gevolg van de bouw van één nieuwe woning niet met meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen in de dorps/landelijke omgeving niet zal worden overschreden. Voor de volledigheid wordt hieronder wel ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het geval van een incident. Bij het bestrijden van een incident zijn de bereikbaarheid, de bluswatervoorziening en de opkomsttijd van de brandweer belangrijk. Bij een calamiteit zullen de hulpverleningsdiensten zich voornamelijk richten op het redden van mensen, het ontruimen en afschermen van de omgeving met behulp van waterschermen en het blussen van branden. Om dit mogelijk te maken moet de planlocatie en de omgeving goed bereikbaar te zijn en opstelplaatsen. Er wordt vanuit gegaan dat dit voor de planlocatie het geval is, gezien de goede ontsluiting vanaf de N395. Zelfredzaamheid is het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij de dreiging van, óf het bestaan van, een gevaarlijke situatie. Zelfredzaamheid is een factor om rekening mee te houden bij de weging van het groepsrisico. Er is echter geen normstelling vastgelegd. Bij het bepalen van de zelfredzaamheid spelen de volgende afwegingscriteria een rol: -
fysieke gesteldheid van de aanwezige personen (kunnen ze zichzelf in veiligheid brengen);
-
zelfstandigheid aanwezige personen (kunnen de aanwezige personen zelfstandig het gevaar inschatten en zich zelfstandig in veiligheid brengen);
-
alarmeringsmogelijkheden (kunnen de aanwezige personen tijdig gealarmeerd worden);
-
vluchtmogelijkheden in gebouwen of omgeving (heeft het gebouw waarin de personen zich bevinden voldoende vluchtmogelijkheden en zijn er voldoende mogelijkheden om het gebied te ontvluchten); en
-
mogelijkheden tot gevaarinschatting van scenario (kondigt het ongeval zich tijdig aan en is dreiging herkenbaar).
Voor het onderhavig project mag worden uitgegaan dat de aanwezige personen voldoende zelfredzaam zijn. Er mag van worden uitgegaan dat de bewoners van de beoogde woning over het algemeen in goede fysieke gesteldheid en zelfstandig zijn. Vanuit de woning kan ontvluchting van het gebouw af plaatsvinden (richting het westen of oosten). Het is van belang dat de aanwezige personen tijdig over de risico’s wordt gealarmeerd tijdens een calamiteit.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
34
Standaard verantwoording Omgevingsdienst Midden- en West Brabant Het onderhavige plan is ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB). DE OMWB heeft geadviseerd om aanvullend nog de standaard verantwoording toe te voegen. De Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 is opgesteld door de OMWB voor de gemeente Hilvarenbeek. Aan de hand van een stroomschema wordt een relatie gelegd met de kaart ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’. In dit geval is er sprake van een ontwikkeling in een blauwe zone (deze zone ligt tussen 30 en 200 meter van een transportroute, buisleiding of categoriale inrichting). Omdat er sprake is van een transportroute, een beperkte verantwoording van toepassing is conform Bevt (zie voorgaande paragrafen) en zelfredzame personen in het plangebied kan volgens het stroomschema volstaan worden met de standaard verantwoording. De standaard verantwoording is bijgevoegd als bijlage II bij deze ruimtelijke onderbouwing. 4.6.2
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
4.7
Bodem
In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.7.1
Beoordeling
Op 28 januari 2020 is door de provincie Noord-Brabant een beschikking verleend voor het saneren van het plangebied (zie ook bijlage III). De noodzaak voor het saneren is gebleken uit meerdere bodemonderzoeken die zijn uitgevoerd in de periode 2012 – 2019. Voor het saneren is een saneringsplan opgesteld. Hier in is samenvattend het volgende opgenomen over de bodemkwaliteit (de bijlagen waar naar verwezen wordt zijn de onderzoeken die in het saneringsplan aangehaald worden): ‘’Er is sprake van een brongebied (kern) van de verontreiniging aan de oostzijde van het perceel Korenpad 3, met enige uitloop op het aangrenzende perceel aan de Beekseweg 7. Met name in het traject rond het grondwaterniveau (2 à 3 m-maaiveld) is sprake van sterk verhoogde gehalten minerale olie en vluchtige aromaten in de grond ruim boven de interventiewaarden. Over een groter gebied ten noorden van de bronlocatie is tot ongeveer 7 m-mv sprake van sterk verhoogde gehalten vluchtige aromaten. De gehalten liggen hier lager dan in het voornoemde brongebied en zijn in evenwicht met de concentraties die in het grondwater worden gemeten. Er is hier dan ook geen
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
35
sprake van een grondverontreiniging, maar van verontreiniging in het grondwater (vloeibare fase) in dermate hoge concentraties dat dit leidt tot een interventiewaarde-overschrijding in de geanalyseerde grondmonsters. De fysisch-chemische onderbouwing hiervan en de bijbehorende berekeningen zijn opgenomen in bijlage 3D. Uit vrachtberekeningen blijkt dat de verontreinigingsvracht in de grond circa 2.500 kg bedraagt. Bijna 90% hiervan bevindt zich in het brongebied Korenpad 3/direct aangrenzende deel van Beekseweg 7 in de laag van 1,0-4,5 m-mv. Tevens is vastgesteld dat de grondverontreiniging met olie en aromaten niet aanwezig is in de bovengrond tot 1,0 m-mv. De grondwaterverontreiniging met olie en aromaten heeft zich vanuit het brongebied in noord- tot noordoostelijke richting verspreid over een afstand van ten minste 300 m ten opzichte van bronlocatie Korenpad 3, namelijk tot achter op het perceel van Julianastraat 1A. In het grondwater van 9,0-10,0 m-mv is daar nog sprake van een sterke verontreiniging met benzeen en een lichte verontreiniging aan xylenen en naftaleen. In het grondwater van 14,0-15,0 m-mv is sprake van een lichte verontreiniging (benzeen, xylenen en naftaleen). Benzeen is de meest mobiele parameter van de vluchtige aromaten, waardoor het zich het snelst via het grondwater verspreidt (benzeen heeft een lage, zogenaamde, retardatiefactor).
De vastgestelde grondwaterstromingsrichting op basis van de uitgevoerde waterpassing komt overeen met de aangetoonde pluim van met name benzeen. De verontreiniging in het grondwater is in horizontale richting nog niet volledig afgeperkt. De omvang van de (sterke) verontreiniging was derhalve niet exact te bepalen. Met name ten zuiden van de bronzone en aan het eind van de pluim is nog verdere afbakening van de benzeenverontreiniging in het grondwater noodzakelijk. Recent is de verspreiding van de verontreiniging met benzeen in het grondwater door middel van een stoftransportberekening berekend, teneinde de locatie van de te plaatsen afperkende peilbuizen te bepalen. Uit de berekeningen volgt dat de sterke grondwaterverontreiniging met benzeen zich waarschijnlijk uitstrekt tot circa 450-500 m afstand van de bronlocatie. In verticale richting kan worden aangenomen dat de sterke verontreiniging tussen 10 en 15 m-mv is afgebakend en de lichte verontreiniging op circa 20 m-mv. Het op basis van de huidige gegevens geschatte oppervlak van de I-contour met benzeen in het grondwater bedraagt 20.800 m2. Bij een gemiddelde laagdikte van circa 10 meter bedraagt het volume sterk verontreinigd grondwater circa 208.000 m3. De totale verontreinigingsvracht in het grondwater wordt geschat op 86 kg wat circa 3% bedraagt van de totale verontreinigingsvracht.
De afbraakparameters tonen aan dat de omstandigheden momenteel ongunstig zijn voor aërobe biologische afbraak en dat bij beluchting de kans op verstoppingen in de bodem en/of leidingwerk aanwezig is (ijzer- en kalkneerslag). Het is gezien het huidige volume van de verontreiniging, de concentraties benzeen die op een afstand van 300 meter van de bron voorkomen en de aanwezige hydrologische situatie mogelijk dat verdere verspreiding van de verontreiniging in noord(oost)elijke richting kan plaatsvinden; de verspreiding vindt plaats in het eerste watervoerende pakket. Dit leidt niet tot hinder of risico’s om de volgende redenen:
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
36
-
de dichtstbijzijnde grondwaterbeschermingsgebieden liggen op meer dan 5 km afstand (Oirschot, Gilzerbaan);
-
er is geen beschermd oppervlaktewater in de verspreidingsrichting aanwezig (> 1km);
-
het dichtstbijzijnde beschermd oppervlaktewater ligt op 600 m afstand in oostelijke richting (Reusel), wat niet in de verspreidingsrichting ligt;
-
het gebied waar verdere verspreiding nu plaatsvindt heeft een bestemming als bedrijfsterrein (transportbedrijf). Dit betreft geen gevoelig gebruik;
-
de dichtstbijzijnde bekende grondwateronttrekkingen voor beregening in de landbouw bevinden zich op circa 850 m van de bronlocatie (ten noorden van de boerderijen aan het Hoekje);
4.7.2
Het gebied stroomafwaarts van het bedrijfsterrein (transportbedrijf) betreft agrarisch gebied.’’ Conclusie
Er is een sanering noodzakelijk om de bodemkwaliteit passend te maken bij de beoogde woning. Hiervoor is een saneringsplan opgesteld, en een beschikking verleend door de provincie NoordBrabant. Na sanering vormt het bodemkwaliteit geen belemmering voor dit plan. Als voorwaarde wordt wel gesteld dat het evaluatiebodemonderzoek van de sanering wordt gecontroleerd en goedgekeurd door het bevoegd gezag om er zeker van te zijn dat de bodem geschikt is voor de voorgenomen functie wonen.
4.8
Waterhuishouding
Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. Waterwet In de Waterwet staat het watersysteem centraal en zijn de doelstellingen van het waterbeheer gericht op het duurzaam goed functioneren van het watersysteem. Om het beheer in de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is van belang dat het huidige wettelijke instrumentarium wordt gestroomlijnd en gemoderniseerd. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal.
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
37
Beleid provincie Noord-Brabant Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening. Hier in komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: -
Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem;
-
Een betere waterveiligheid door preventie;
-
Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: -
voldoende water voor mens, plan en dier;
-
schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);
-
bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s;
-
verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterschap De Dommel: Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
38
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: -
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt
-
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan
-
Wat schoon is moet schoon blijven
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: -
van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.
-
van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.
-
van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 2.000 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
39
betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. 4.8.1
Beoordeling
Met behulp van de in bijlage 2 van het “hemel en grondwaterbeleid” van de gemeente is de watertoetsprocedure doorlopen. Beschermingsgebied Op basis van de Keurkaart van het Waterschap is bepaald dat de locatie niet ligt in een “beschermd gebied’’. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Voor de toekomstige verharding is een reële aanname gedaan. Er is sprake van 1 nieuwbouwwoning met terreinverharding (oprit en erf). Het verhard oppervlak neemt daardoor toe ten opzichte van de bestaande situatie. Hoeveel de toename bedraagt is op dit moment nog niet te barelen omdat het ontwerp nog niet is gemaakt. Geschat wordt dat het verharde oppervlak circa 200 m2 zal bedragen. Het gemeentelijk beleid stelt dat stelt dat bij nieuwbouw van meer dan 250 m2 hemelwater op eigen terrein moet worden opgevangen. Het beoogde plan voldoet aan de voorgenoemde drempelwaarde. Een compensatie verplichting vanuit het gemeentelijk beleid is niet aan de orde. Grondwater en waterkwaliteit Op basis van de bodemdata van BIS Nederland is de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) gelegen op 80 tot 100 centimeter onder maaiveld (grondwatertrap VIIIo). Ook valt uit de bodematlas af te leiden dat de bodem bestaat uit ‘hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand’. Zand is geschikt voor infiltratie.
De bodemgesteldheid en de ligging van het grondwater maakt dat de bodem geschikt is voor infiltratie. Met het oog op de waterkwaliteit wordt het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen. Materiaalgebruik Afkoppeling van de neerslag afkomstig van de verharde oppervlakken is goed mogelijk bij nieuwbouw. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag vanuit het plangebied rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal gescheiden van het afvalwater worden aangeboden. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
40
Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden aan het bestaand gemeentelijk riool. 4.8.2
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmeringen voor dit plan.
4.9
Flora en fauna
Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.
Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar moet het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
41
Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. 4.9.1
Beoordeling
In het kader van het plan is een quick scan ecologie uitgevoerd (zie bijlage IV). De conclusies van de quick scan zijn als volgt. Gebiedsbescherming Het plangebied te Diessen ligt niet in of binnen de invloedsfeer van een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming en/of NNN. Gebiedsbescherming is op deze locatie niet aan de orde. Soortenbescherming De meeste van de mogelijk in het plangebied voorkomende soorten, zoals egel en, algemeen voorkomende, (spits)muizen, zijn beschermd, maar vallen onder een algemene vrijstelling van de provincie Noord-Brabant. Voor deze soorten geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van deze vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. Op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten worden er geen nationaal of internationaal beschermde planten- en/of diersoorten verwacht. Nader onderzoek naar eventueel binnen het plangebied voorkomende beschermde soorten is dan ook niet nodig. Zoals al eerder vermeld kunnen nesten van vogels worden verstoord als in het broedseizoen wordt gestart met werkzaamheden. Stikstofdepositie In het kader van het plan is een berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in beeld te brengen (zie bijlage V).
Uit de berekening van de beoogde situatie (gebruiksfase) blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Stikstof levert dus geen belemmering voor het plan. 4.9.2
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor dit plan.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1998) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologische erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren,
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
42
landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd.
Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken: -
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;
-
Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;
-
Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
4.10.1 Beoordeling Archeologie In het kader van het plan is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd (zie bijlage VI). De resultaten van het onderzoek zijn als volgt. Uit het onderzoek blijkt het volgende. -
Uit het veldonderzoek blijkt dat de ondergrond van het plangebied uit matig tot uiterst siltig, zeer fijn dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) bestaat. Gezien het hoge
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
43
siltgehalte en de fijnkorrelige samenstelling is sprake van ‘Oud Dekzand’. Het bovenste deel betreft een door accumulatie van ijzer en/of aluminiumoxiden ontstane bodemlaag (Bshorizont) en is onderdeel van een podzolgrond. De overige bodemlagen (Ab-, E- en Bhhorizonten) van de podzolgrond zijn opgenomen in de bovengrond en niet als zodanig herkenbaar. De bovengrond wordt gevormd door een 55 tot 100 cm dik plaggendek (Aahorizont) al dan niet afgedekt met een (sub)recent(e) zandlaag of pakket. -
De bodemopbouw is grotendeels intact, met uitzondering van de locaties waar bebouwing staat of heeft gestaan en de locatie van de verwijderde brandstoftank.
-
Het bovenste deel van het dekzand wordt als een archeologisch relevant niveau beschouwd. De bovenkant van dit niveau is op 85 tot 115 cm -mv (circa 16,25 à 16,20 m +NAP) vastgesteld.
-
In de bovengrond zijn fragmenten glas, baksteen en beton aangetroffen. Dit materiaal wordt niet als een archeologische indicator beschouwd.
-
De archeologische verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum kan op basis van het velonderzoek naar laag worden bijgesteld. De hoge verwachting voor de resten uit de periode Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen kan worden gehandhaafd. De lage verwachting voor resten uit Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd kan worden gehandhaafd, behoudens sporen van agrarische grondbewerking en ontginning. Hiervoor geldt onverminderd een hoge archeologische verwachting.
-
Bij het afgraven van verontreinigde grond en graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van funderingen en nutsvoorzieningen kunnen archeologische waarden worden bedreigd.
-
Afhankelijk van de diepte van de bodemingrepen wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd (zie hoofdstuk 4 van het archeologisch onderzoek).
ADC ArcheoProjecten adviseert om in geval van bodemingrepen vanaf 60 cm -mv (16,50 m +NAP) en dieper aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Deze diepte is inclusief een ‘veiligheidsmarge’ van 25 cm. Dit dient te bestaan uit een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de aanwezigheid van archeologische resten en de gaafheid, omvang, datering en conservering daarvan. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). In geval van bodemingrepen tot 60 cm -mv (16,50 m +NAP) acht ADC ArcheoProjecten geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Hilvarenbeek. Cultuurhistorie
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
44
Op de planlocatie zijn geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook behoort de planlocatie niet tot een beschermd dorps- of stadsgezicht. In het vigerende bestemmingsplan is voor de locatie tevens geen onderzoekverplichting voor cultuurhistorische waarden opgenomen. 4.10.2 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor dit plan.
4.11
Niet gesprongen explosieven
4.11.1 Algemeen In Nederland zijn er niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog in de grond achtergebleven. De (potentiële) aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging inhouden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging leiden bij planvorming en uitvoering van werkzaamheden. NGE's worden met name aangetroffen ter plaatse van 'strategische doelen' zoals binnensteden, verbindingswegen, spoorwegen, bruggen en havens. De gemeente is op basis van regelgeving verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen van niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. 4.11.2 Beoordeling Door Bombs Away B.V. is een vooronderzoek (VO) Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog (zie bijlage VII) De conclusie uit het onderzoek is als volgt: ‘’Op basis van de resultaten van het vooronderzoek OO is vastgesteld dat er geen indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog OO zijn achtergebleven in/op de (water)bodem binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied Korenpad 3 Diessen in de gemeente Hilvarenbeek is onverdacht op OO. De voorgenomen werkzaamheden kunnen plaatsvinden zonder dat vervolgstappen noodzakelijk zijn in de opsporing van OO. De (grond-) werkzaamheden kunnen derhalve regulier worden uitgevoerd.
Indien tijdens werkzaamheden toch een OO of verdacht voorwerp wordt aangetroffen, is het zaak de juiste procedure direct te starten: het voorwerp niet beroeren en de politie meteen op de hoogte stellen. Deze zal, indien noodzakelijk, de EOD inschakelen om het OO te ruimen.’’ 4.11.3 Conclusie Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor dit plan.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
45
5
Juridische planopzet
5.1
Planopzet
5.1.1
Algemeen
Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een adequate en actuele juridisch-planologische regeling voor de functiewijziging van het perceel. Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, kortweg SVBP. 5.1.2
De verbeelding
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functieaanduidingen en bouwvlakken opgenomen. 5.1.3
De planregels
De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om door een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1.
Inleidende regels
2.
Bestemmingsregels
3.
Algemene regels
4.
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
46
verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.
5.2
Artikelsgewijze toelichting
5.2.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 5.2.2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Wonen Het hele plangebied heeft de bestemming ‘Wonen’. Daarin begrepen zijn aan huis verbonden beroepen. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de beoogde woning gerealiseerd moet worden. Voor het overige is aangesloten bij de standaard bestemmingsplanregels van de gemeente. 5.2.3
Algemene regels
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel In dit plan zijn sommige bouwregels gerelateerd aan de oppervlakte van gronden, bijvoorbeeld aan de oppervlakte van een bouwperceel. Indien dezelfde gronden meerdere keren in aanmerking worden genomen bij het verlenen van (verschillende) omgevingsvergunningen, zouden de bebouwingsmogelijkheden daardoor onbedoeld verruimd kunnen worden. De anti-dubbeltelregel voorkomt dit. Artikel 5 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over ondergronds bouwen en overschrijding van de bouwgrenzen. Artikel 6 Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft voor dit plan een beperking met betrekking tot het toegestane gebruik van gronden.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
47
Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene bevoegdheid tot afwijken opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking. Artikel 8 Overige regels In dit artikel zijn regels vastgelegd waarmee voldaan wordt aan het gemeentelijke parkeerbeleid. 5.2.4
Overgangs- en slotregels
Artikel 9 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 21 lid 1 Wro. Enkele bouwmogelijkheden in afwijking van de regels blijven bestaan voor gebouwen die afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet. Bestaande afwijkingen mogen niet worden vergroot. Uitbreiding is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bevoegd gezag. Artikel 10 Slotregel Het laatste artikel van de planregels betreft de slotregel van het onderliggende bestemmingsplan.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
48
6
Handhaving en uitvoerbaarheid
6.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening schrijven voor dat inzicht dient te bestaan in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. De ontwikkeling van het onderhavige plan wordt gerealiseerd vanuit een private exploitatie. Er is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal verzekerd is. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de uitvoering en draagt het risico van de planontwikkeling. Voor de gemeente zijn aan de realisatie geen kosten en financiële risico’s verbonden, behoudens de kosten voor het begeleiden en in procedure brengen van dit bestemmingsplan en planontwikkelingskosten voor de anterieure exploitatieovereenkomst. De kosten voor de begeleiding en het doorlopen van de procedure van het bestemmingsplan vallen onder de legesverordening. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de daarbij behorende onderzoeken zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Anterieure overeenkomst Het risico op planschade wordt door de gemeente verhaald op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten door een anterieure overeenkomst.
In de anterieure overeenkomst zullen onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot de te realiseren ruimtelijke ontwikkeling, de door de gemeente Hilvarenbeek gemaakte kosten en eventuele planschadeverhaal ontstaan door onderhavig bestemmingsplan worden opgenomen.
6.2
Handhavingsaspecten
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wabo en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking van de regels. Handhaving wordt onderscheiden in preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
49
controles op de uitvoering van vergunningen. Voorts bestaat preventieve handhaving uit het opstellen van duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels en uit communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijke actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
50
7
Procedure
7.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders waar nodig overleg plegen met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Per geval dient te worden beoordeeld met welke partijen dit overleg dient plaats te vinden. In het kader van onderhavig plan wordt het plan voorgelegd aan de gebruikelijke overlegpartners (provincie en waterschap).
7.2
Zienswijzen
Na het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. Dit houdt onder andere in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze over het plan naar voren te brengen. Het bestemmingsplan is langs elektronische weg beschikbaar gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende de terinzagetermijn zijn geen zienswijzen binnengekomen. Op het ontwerpbestemmingsplan zijn enkele zienswijzen binnengekomen. De gemeente heeft de zienswijzen beantwoord in de zienswijzenota. Enkele zienswijzen hebben aanleiding gehad om het bestemmingsplan aan te passen van het ontwerp naar het vastgestelde plan. Deze wijzigingen zijn in deze versie meegenomen.
7.3
Vaststellingsfase
Met inachtneming en beantwoording van eventuele zienswijzen wordt door de gemeenteraad een definitief bestemmingsplan vastgesteld, al dan niet met inbegrip van (ambtshalve) wijzigingen. Hierna wordt het vastgestelde bestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Belanghebbenden die een eventuele zienswijze naar voren hebben gebracht en belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig hun zienswijze bij de gemeenteraad naar voren hebben gebracht, kunnen gedurende deze periode beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan iedere belanghebbende beroep instellen over gewijzigde onderdelen in het bestemmingsplan. Na deze periode treedt het bestemmingsplan in werking, behalve wanneer tevens om een schorsing van de inwerkingtreding wordt gevraagd (voorlopige voorziening). Als het bestemmingsplan in werking is getreden, kunnen op basis daarvan omgevingsvergunningen worden verleend.
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 2024
51
Bijlage I Akoestisch onderzoek
R074449aa.225813Z.jwi | versie 05_001 | 8 juli 202
Ontwikkeling Korenpad 3 in Diessen Akoestisch onderzoek wegverkeer
Opdrachtgever Step Forward Contactpersoon de heer B. van Tiggelen Kenmerk R074449aa.22620VB.fwi Versie 01_001 Datum 18 mei 2022 Auteur C.L. (Christophe) Bruynseels ing. M.J.M. (Monique) van Bemmelen
Kelvinbaan 40, 3439 MT Nieuwegein | Postbus 1475, 3430 BL Nieuwegein | T (030) 231 13 77 | F (030) 234 17 54 E info@lbpsight.nl | www.lbpsight.nl | IBAN: NL62 RABO 036 42 36 558 | KvK 30073990 | BTW NL007093159B01
Inhoudsopgave
Samenvatting akoestisch onderzoeksrapport ................................................................................ 3 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 4
2
Uitgangspunten ......................................................................................................................... 6 2.1
Gehanteerde gegevens ................................................................................................................................. 6
2.2
Wettelijk kader .................................................................................................................................................. 6
2.3
3
4
2.2.1
Onderzoeksgebied.......................................................................................................................... 6
2.2.2
Wet geluidhinder ............................................................................................................................. 7
2.2.3
Gemeentelijk geluidbeleid ........................................................................................................... 7
Berekeningen..................................................................................................................................................... 7 2.3.1
Geluidbelasting ................................................................................................................................ 7
2.3.2
Rekenmethode en rekenmodel ................................................................................................. 8
Rekenresultaten .......................................................................................................................11 3.1
Toetsing aan de Wet geluidhinder ......................................................................................................... 11
3.2
30 km/u-wegen .............................................................................................................................................. 12
3.3
Gecumuleerde geluidbelasting ................................................................................................................ 12
Conclusie ..................................................................................................................................13
Bijlagen Bijlage I
Wettelijk kader
Bijlage II
Wegverkeergegevens
Bijlage III Rekenresultaten
R074449aa.22620VB.fwi | versie 01_001 | 18 mei 2022
2
Samenvatting akoestisch onderzoeksrapport Wat hebben we onderzocht? We hebben een akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de gevels van één of twee nieuw te realiseren woningen aan het Korenpad 3 in Diessen. >> Inleiding Waarom hebben we dat onderzocht? In het kader van een nieuw bestemmingsplan doen we in dit onderzoek verslag van de geluidbelasting op de gevels vanwege alle akoestisch relevante (gezoneerde) geluidbronnen. Het betreft de gezoneerde weg N395 en de niet-gezoneerde wegen Matemusstraat, Molenacker, de Van den Elsenstraat en het Korenpad. Het doel van het onderzoek is om te bepalen hoe de nieuwbouw met inachtneming van de Wet geluidhinder gerealiseerd kan worden. De toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid is niet van toepassing, omdat er geen geluidbeleid is. Hoe hebben we dat onderzocht? We hebben de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de gevels van de nieuwe woningen bepaald met behulp van Standaard Rekenmethode II. We berekenden dit met het programma Geomilieu versie 2022.1 >> Uitgangspunten Wat zijn de resultaten? Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege de N395 lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De berekende geluidbelasting vanwege 30 km/u-wegen bedraagt ten hoogste 45 dB zonder wettelijke aftrek.
>> Rekenresultaten Wat betekenen de resultaten van het onderzoek? Vanuit de Wet geluidhinder zijn er vanwege de N395 géén bezwaren tegen de ontwikkeling van de twee geprojecteerde woningen. Vanuit 30 km/u-wegen is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. De gecumuleerde geluidbelasting vanwege wegverkeer is ten hoogste 50 dB zonder wettelijke aftrek op de 2e verdieping van de noord- en noordoostgevel van perceel A. Ook wanneer er wordt gekozen voor nieuwbouwoptie 1 (één woning) wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde waarmee er geen belemmeringen zijn vanwege de Wet geluidhinder voor de bouw van één woning. Met de minimale geluidweringseis van 20 dB wordt voldaan aan de regels die gelden vanuit het Bouwbesluit 2012. >> Conclusie
R074449aa.22620VB.fwi | versie 01_001 | 18 mei 2022
3
1
Inleiding
Onze opdracht In opdracht van Step Forward heeft LBP|SIGHT een akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling van één of twee woningen aan het Korenpad 3 in Diessen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In het kader van een nieuw bestemmingsplan doen we in dit onderzoek verslag van de geluidbelasting op de gevels vanwege alle akoestisch relevante (gezoneerde) geluidbronnen. Het betreft de gezoneerde weg Beekseweg/N395 (vanaf nu: N395) en de niet-gezoneerde 30 km/u wegen Matemusstraat, Molenacker, Van den Elsenstraat en het Korenpad. Het doel van het onderzoek is om te bepalen hoe de nieuwbouw met inachtneming van de Wet geluidhinder gerealiseerd kan worden. De toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid is niet van toepassing, omdat er geen geluidbeleid is. Het project De ontwikkeling vindt plaats aan het Korenpad 3 ten zuiden van de N395. Figuur 1.1 geeft een overzicht van de huidige situatie. De rode cirkel geeft de locatie weer waar één of twee woningen worden gerealiseerd.
Figuur 1.1 Huidige situatie | Bron: Cyclomedia 2022
R074449aa.22620VB.fwi | versie 01_001 | 18 mei 2022
4
Figuur 1.2a geeft optie 1 weer waarin één woning wordt gerealiseerd. Figuur 1.2b geeft optie 2 weer waarin twee woningen worden gerealiseerd. Bij optie 2 wordt de schuur gesloopt. Bij optie 1 wordt er geen bebouwing gesloopt. In deze rapportage zijn we uitgegaan van nieuwbouwoptie 2. In de schets van optie 2 uit de brochure ligt perceel A circa 5 meter meer noordoostelijk gericht dan bij optie 1. De woning in optie 1 ligt meer afgeschermd van de omliggende wegen, waardoor optie 2 maatgevend is .