10 Bestemmingsplan Groenstraat 32 Esbeek (7a Bijlagen bij toelichting)
Tekst van het document
13
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 1,5 kilometer afstand van gronden die tot Natura 2000 gebied KempenlandWest behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in groen en geel aangegeven.
Minimaal 1,5 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Atlasleefomgeving.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271 Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius berekening kan dit staven.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is deels onderdeel van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. In het plangebied bevindt zich een onderdeel van de ecologische verbindingszone behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in en rondom het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN gebieden in de kleuren blauw en bruin.
Ecologische verbindingszone behorend tot Natuurnetwerk Nederland in het plangebied
Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Braban t.
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt deels in NNN gebied. De werkzaamheden zijn echter van een zodanige aard en altijd op minimaal 10 meter afstand van het NNN gebied zodat er waarschijnlijk geen deel van het NNN gebied wordt aangetast. Met een compensatietoets kan bepaald worden of en welke aanvullende maatregelen getroffen moeten worden wegens de verstoring van het NNN gebied maar de significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten. De vegetatie van het NNN gebied zal tijdens de voorgenomen werkzaamheden uitgebreid worden richting het zuiden.
5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort met het noordwestelijke deel tot het Natuurnetwerk Nederland gebied. Ondanks de ligging deels in het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Het NNN-gebied zal worden vergroot in het plangebied
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271 richting het zuiden dooraanplant van groen. De huidige ecologische verbindingszone die aanwezig is in het plangebied wordt behouden en versterkt. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.
5.2 Soortenbescherming 5.2.1 Flora Volgens de NDFF is er 1 beschermde plantensoort waargenomen binnen een straal 5 kilometer van het plangebied. Deze planten staan op de rode lijst en zijn sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Drijvende waterweegbree
Afstand plangebied 5 km
Habitat helder, voedselarm tot matig voedselrijk, zwak zuur water
Het plangebied bestaat naast de bebouwing en verharding uit een gecultiveerde tuin en biedt vanwege de inrichting, het beheer en gebruik geen geschikt habitat voor deze beschermde plantensoort. Ondanks gericht zoeken zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten waargenomen. Conclusie Vanwege het ontbreken van geschikte habitats is het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied uit te sluiten.
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er 19 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 6 vleermuissoorten, 4 marterachtigen en 9 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuis soort Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis
Afstand plangebied 5 km 5 km
Habitat en bescherming
5 km
Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd
5 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd
5 km 5 km
Vaak bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd
Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bebouwing, strikt beschermd
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271 De bomen in het plangebied met een geschikte diameter zijn tijdens het veldbezoek onderzocht op geschikte stamdiameter, holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. Er zijn geen potentiële ingangen gevonden in het plangebied voor vleermuizen. De te slopen bebouwing is van veelal halfsteens of bestaat uit damwandprofielen platen, waarvoor er voor vleermuizen geen mogelijkheden zijn om verblijfplaatsen te herbergen. De muren zijn volledig gesloten en de daken zonder isolatie of dakbeschot. Ook zijn er geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals een holle ruimte achter een vensterluik, dakpan, loodslab, windveer of boeiboord, in het plangebied waargenomen. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen.
Foeragerende vleermuizen in (de omgeving van) het projectgebied zouden voor kunnen komen. Met de verbetering van de ecologische verbindingszone zal leef -en foerageer gebied van de vleermuis alleen maar toenemen. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De aanwezigheid van de marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. De marterachtigen die volgens het NDFF aanwezig kunnen zijn binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Boommarter Bunzing Steenmarter Wezel
Afstand plangebied 1 km 5 km 5 km 1 km
Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd
Boommarter De schuilplaats van de boommarter bestaat meestal uit een holle boom, de nestplek evenzeer en hun leefgebied bestaat doorgaans uit bos. Zowel loof- als naaldbos en gemengd bos, jong en oud. Toch wagen ze zich ook buiten bosgebieden, maar bomen zijn nooit ver weg. De dieren leven solitair en kunnen goed zwemmen. ’s Nachts legt een boommarter 2 tot 20 kilometer af. Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271 cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten.
Wezel De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. De ruigte in en langs de noordelijke grens van het plangebied met de ecologische verbindingszone langs de slootkant en ook de houtwallen zouden schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen zoals de bunzing of wezel. Doordat de bestaande houtwallen en verdere vegetatie in en rond het plangebied behouden en verbeterd zullen worden, zullen er altijd rustige hoekjes met dekking aanwezig zijn waar de dieren heen kunnen vluchten. In de nieuwe situatie blijven deze schuilhoekjes en vegetatie bestaan en door de landschappelijke inpassing en zal het leefgebied van de kleine marterachtigen verbeteren. Het geheel is ook te opgeruimd en er is te veel menselijke activiteit. De gebouwen zijn voor marterachtigen te gesloten en niet te betreden. Alleen het voormalige kippenschuurtje zou mogelijke ingangen voor marterachtigen kunnen hebben. De aanwezigheid van marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank.
Tijdens het veldbezoek is met name in en rondom dit schuurtje gelet op sporen van aanwezigheid van voornoemde marterachtigen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op aanwezigheid van deze. Het is niet uitgesloten dat de steenmarter het plangebied gebruikt als onderdeel van zijn leefgebied. Het leefgebied van de steenmarter is relatief groot en de soort kan per nacht 10 tot 15 kilometer afleggen. Het plangebied is daarom geen essentieel onderdeel van de leefomgeving van marterachtigen en de werkzaamheden hebben geen negatief effect op aanwezige soorten. Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Overige soort Bever Damhert Eekhoorn Egel Haas Konijn Rosse Woelmuis Wild zwijn Ondergrondse woelmuis
Afstand plangebied 5 km 5 km 1 km 1 km 1 km 1 km 5 km 1 km
Bescherming
5 km
Vrijgesteld
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Beschermd Beschermd Beschermd Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld Alleen in natuurgebieden
18
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271 Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever en het damhert. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen in het plangebied. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Het is zeer aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De bomen blijven behouden waardoor vleermuizen in het plangebied kunnen blijven foerageren. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. In het plangebied komen mogelijk marterachtigen voor. Het is uit te sluiten dat het plangebied onderdeel is van de essentiële leefomgeving van marters, bevers damherten en eekhoorns.
Het is mogelijk dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.
5.2.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief
Afstand plangebied 5 km 1 km 5 km 1 km 1 km 1 km 5 km 1 km 5 km 1 km 5 km 1 km 1 km 1 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Bescherming categorie* en habitat 4, boom bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, boom bewonend 3, gebouw bewonend 4, boom bewonend 1, gebouw bewonend 4, boom bewonend
19
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271 * Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Bij voorkeur binnen een straal van enkele honderden meters van het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen. Het pannendak van de garage en hierbij de overstek zou eventueel geschikt kunnen zijn voor nestelende huismussen. De garage wordt niet gesloopt of aangepast, waardoor de mogelijke nestlocaties voor huismussen behouden blijven. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig.
Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. Met de beoogde verbetering van de ecologische verbindingszone met streekeigen groen zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen. Conclusie In het plangebied zijn verschillende gebouwen aanwezig, maar alleen de te behouden garage is geschikt als nestlocatie voor beschermde vogelsoorten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De gecultiveerde tuin biedt wel schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als duif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. In het schuurtje zijn drie nesten van algemeen broedende vogels aangetroffen.
Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken.
5.2.4 Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën, reptielen en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid reptielen en amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271 gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën en reptielen om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. De soorten die volgens het NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Soort Alpenwatersalamander Bastaardkikker Heikikker Poelkikker Vinpootsalamander Hazelworm Levendbarende hagedis Beekprik
Afstand plangebied 1 km 1 km 5 km 1 km 1 km 1 km 1 km
Soortgroep en bescherming
5 km
Vissen, beschermd
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Reptielen, beschermd Reptielen, beschermd
De aanwezigheid van deze beschermde soorten is uit te sluiten. Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied, de ontwikkeling is land gebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hen voorkomen en staan ze vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Dit is hier van toepassing. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er 2 libellensoorten, 2 dagvlindersoorten en geen nachtvlindersoorten waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Soort Bosbeekjuffer Gevlekte witsnuitlibel
Afstand plangebied 5 km 5 km
Grote vos
1 km
Gentiaanblauwtje
5 km
Soortgroep en habitat Libellen, bosbeken Libellen, laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen Dagvlinders, vochtige open bossen, waardplant: Iep, kers en wilgen Dagvlinders, vochtige heide, waardplant: Klokjesgentiaan
In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Er zouden wel algemene vlindersoorten in het plangebied voor kunnen komen zoals klein koolwitje, boomblauwtje en citroenvlinder.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271
Overige soorten Er zijn in een straal van vijf kilometer om het plangebied waarnemingen van 1 beschermde soort. Deze is terug te vinden in de onderstaande tabel. Soort Vermiljoenkever
Afstand plangebied 5 km
Soortgroep en habitat Kever, rottend hout
Overige beschermde soorten insecten zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Door het ontbreken aan oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten uit te sluiten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271
6. RESULTATEN EN ADVIES Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
6.1 Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de sloop van de gebouwen zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De te slopen gebouwen zijn volledig ongeschikt voor verblijf- schuil- en nestplaatsen van beschermde diersoorten. In het schuurtje op de planlocatie waar in het verleden hobbymatig kippen werden gehouden, zijn drie nesten aangetroffen van algemeen voorkomende vogelsoorten. Door buiten het broedseizoen de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren worden negatieve effecten op deze soorten voorkomen. Door de geplande werkzaamheden zullen de schuil- en foerageermogelijkheden voor verschillende diersoorten niet afnemen.
6.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Wet natuurbescherming o De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. o Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. o In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2.000 gebied.
Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. o In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. o Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271 Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). • Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid.
Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. (www.checklistgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen. Voor de ontwikkeling van het plangebied Op Groenstraat 32 te Esbeek raden wij de volgende natuurinclusieve maatregelen aan: o Op plaatsen waar wegen niet intensief gebruikt worden, zoals parkeerplaatsen kan er halfbestrating worden gebruikt. De openingen tussen de stenen biedt ruimte aan planten die tolerant zijn voor betreding. De vegetatie ontwikkelt zich vanzelf, maar kan met inzaaien worden bevorderd. De planten zorgen voor zaden en insecten die weer dienen als voedsel voor vogels. o Veel vleermuissoorten zijn afhankelijk van bebouwing als nestgelegenheid, maar onze huizen en verdere bebouwing worden steeds dichter. Vleermuizen kunnen zelf geen nest bouwen, maar maken gebruik van al bestaande holtes, zoals spleten en spouwen. Ze verblijven op verschillende plekken, afhankelijk van de periode van het jaar en de functie (zoals winter- of kraamverblijfplaats).
Door het plaatsen van inmetselstenen worden vleermuizen enorm geholpen bij het bieden van een verblijfplaats. Naast het plaatsen van vleermuisvoorzieningen kunt u ook ruimtes in het gebouw vrijlaten voor vleermuizen. Denk hierbij aan open stootvoegen om de spouw toegankelijk te maken, ruimte achter de gevelbetimmering te laten of ruimte maken in (dubbele) daklijsten. o Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd. Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Groenstraat, 32, Esbeek BE-0271
7. BRONNEN
Websites kaartbank.brabant.nl www.atlasleefomgeving.nl www.brabant.nl www.floron.nl www.ivn.nl www.natuurmonumenten.nl www.natura2000.nl www.NDFF.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.vogelbescherming.nl www.wetnatuurbescherming.nl www.wikipedia.nl
Andere bronnen Checklist vleermuisprotocol Limpens et al., 2014, 2017 Baijens et al., 2005 Netwerk groene bureaus
Bijlagen Bijlage 1: de verspreidingslijst van NDFF Bijlage 2: de beschermde soortenlijst par 3.2 Wet natuurbescherming Bijlage 3: de beschermde soortenlijst par 3.3 Wet natuurbescherming
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
25
bestemmingsplan Groenstraat 32 Esbeek
Bijlage 7 Nader onderzoek marterachtigen, broedvogels en vleermuizen
bestemmingsplan "Groenstraat 32 Esbeek" (vastgesteld) 59
NADER ONDERZOEK MARTERACHTIGEN, VLEERMUIZEN EN BROEDVOGELS Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming
Locatie: Groenstraat 32, Esbeek Rapportnummer: 2023-BE-0271 In opdracht van: Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2023-BE-0271 Opdrachtgever Van Dun Advies Contactpersoon De heer M. Gerards Locatie Groenstraat 32 Esbeek Auteur Frenk van de Wal Opleverdatum 27 oktober 2023
Uitvoerder
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 5 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 5 1.4 Criteria................................................................................................................................... 5
2.
WETTELIJK KADER ......................................................................................................... 7 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 7 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 7 2.3 Zorgplicht .............................................................................................................................. 7
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 8 3.1 Situering plangebied ............................................................................................................ 8 3.2 Broedvogels .......................................................................................................................... 8 3.3 Marterachtigen ..................................................................................................................... 9 3.4 Vleermuizen .......................................................................................................................... 9 3.5 Impressie plangebied ........................................................................................................... 9
4.
ONDERZOEK ................................................................................................................ 10 4.1 Volledigheid van de inventarisatie .................................................................................... 10 4.2 Broedvogels ........................................................................................................................ 10 4.2 Marterachtigen ................................................................................................................... 12 4.3 Vleermuizen ........................................................................................................................ 15
5.
RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 19 5.1 Resultaten ........................................................................................................................... 19 5.2 Toetsing Wet natuurbescherming/staat van instandhouding ......................................... 20 5.3 Aanbevelingen .................................................................................................................... 21
6.
BRONNEN ................................................................................................................... 22
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
SAMENVATTING
Opdrachtgever heeft concrete plannen om de agrarische bestemming aan de Groenstraat 32 te Esbeek te herontwikkelen naar wonen. Het voornemen is om een Ruimte-voor-ruimtekavel te ontwikkelen op de planlocatie en vervolgens een bed & breakfast te beginnen. Alle bestaande bedrijfsgebouwen zullen worden gesloopt. Enkel de bestaande bedrijfswoning met aanbouw en de naastgelegen garage worden behouden. Naar aanleiding van deze ruimtelijke ingreep en ontwikkeling is er voorafgaand aan dit rapport in maart 2022 een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Brabant Eco (rapportage met nummer 2022-BE-0271 d.d. 13 april 2022) vanuit het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van voornoemde quickscan naar natuurwaarden en op advies van omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is er geadviseerd om aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar het potentieel voorkomen van steenmarter- en vleermuisverblijfplaatsen, nesten van broedvogels en de functie van het plangebied voor deze soort(groep)en. Deze rapportage is een verslaglegging van het gedane onderzoek met te verwachten effecten en kan als addendum van de quickscan worden gebruikt. Het doel van het aanvullend onderzoek is te onderzoeken of het plangebied deel uitmaakt van het functionele leefgebied van genoemde soorten/soortgroepen en zo ja, voor welke soorten en met welke functie.
Eveneens wordt naar aanleiding van de onderzoeksresultaten een effectbeoordeling gedaan om te toetsen of de Wet natuurbescherming wordt overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ingreep. Uitgevoerd onderzoek van april 2023 tot en met juli 2023 leidt tot de conclusie dat er geen broedvogels aanwezig zijn in de te slopen schuur. Het plangebied is geen essentieel leefgebied van marterachtigen en er is geen vliegroute of essentieel foerageergebied van vleermuizen vastgesteld. Op basis van uitgevoerd veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op broedvogels, marterachtigen en vleermuizen. De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen overtreding van de Wet Natuurbescherming. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig. Brabant Eco Frenk van de Wal Oktober 2023
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever van Dun Advies BV is het voornemen om de agrarische bestemming her ontwikkeld te laten worden naar wonen. Het plan is om een tweede Ruimte-voorruimte wooneenheid te realiseren op het plangebied en om vervolgens een bed & breakfast te starten. Hiervoor zullen alle bestaande gebouwen worden gesloopt, behoudens de bedrijfswoning met aanbouw en naastgelegen garage zullen behouden blijven. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Volgens nationale en internationale regelgeving is het verplicht om voordat de ingreep plaatsvindt onderzoek te doen naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. In dit kader is medio maart 2022 een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Brabant Eco. Rapportnummer 2022-BE-0271 d.d. 13 april 2022. De omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft hierop een advies uitgebracht. Citaat uit het advies: “Een nader onderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen en vogelnesten dient te worden uitgevoerd”
Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Earth.
In het noordelijke deel van het plangebied behorende tot NNN zijn bomen gekapt zonder dat deze onderzocht zijn op hun functie voor vleermuizen. De aanwezige takkenrillen volgens de luchtfoto uit 2022 vormen mogelijk verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen en de het is niet duidelijk welke vogelsoorten de nesten in het schuurtje gebruiken.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271 Hierdoor worden met de voorgenomen werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Een nader onderzoek naar broedvogels, marterachtigen en vleermuizen wordt opgemerkt door het intern advies van de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant. Zaaknummer 2022-056404, schrijven 28 december 2022. In opdracht heeft Brabant Eco een nader onderzoek naar marterachtigen, vleermuizen en broedvogels uitgevoerd. De bevindingen van dit vervolgonderzoek zijn beschreven in deze rapportage en kan als addendum van de quickscan worden gebruikt.
1.2 Doelstelling Het doel van het aanvullend nader onderzoek is te onderzoeken of het plangebied deel uitmaakt van het functionele leefgebied van marterachtigen, vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen en het voorkomen van broedvogels en zo ja, voor welke soorten en met welke functie. Eveneens wordt naar aanleiding van de onderzoeksresultaten een effectbeoordeling gedaan om te toetsen of de Wet natuurbescherming wordt overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ingreep.
1.3 Centrale vraagstelling Vragen die centraal staan binnen dit nader onderzoek zijn: o Maken vleermuizen gebruik van het plangebied als vliegroute of foerageergebied? Zo ja: Welke vleermuissoorten maken functioneel gebruik van het plangebied en welke functies worden hierbij onderscheiden? o Is het plangebied onderdeel van de habitat van marterachtigen? o Welke broedvogels maken gebruik van de nesten in het schuurtje? o Heeft de ruimtelijke ingreep een negatief effect op aanwezige genoemde diersoorten? o Is het naar aanleiding van de ruimtelijke ingreep noodzakelijk een ontheffing aan te vragen in het kader van de Wet natuurbescherming?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk adviesbureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming, waarbij onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van broedvogels, marterachtigen en vleermuizen en het functioneel gebruik van het plangebied. o Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 van Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. De protocollen bevatten de meest recente wetenschappelijke inzichten, waarbij per soort is voorgeschreven onder welke veldcondities, in welke periodes, met welke frequentie en voor welke duur onderzoek uitgevoerd dient te worden. o Bij het hanteren van het protocol, wordt in juridische zin voldaan aan de wensen die het bevoegd gezag stelt. Tevens wordt voldaan aan de inspanningsverplichting om tot een gedegen onderzoek te komen.
1.5 Geldigheid onderzoek Houdbaarheid van verspreidingsgegevens zijn aan een maximale periode gebonden. Voor de verspreidingsgegevens van licht beschermde soorten, of het juist ontbreken hiervan, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd, afhankelijk van de beschermingsgraad en situatie ter plaatse.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271 Voor zwaar beschermde soorten als vleermuizen geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen. Bovengenoemde geldigheidstermijnen zijn in de Wet natuurbescherming niet dwingend voorgeschreven en kunnen afwijken indien de omstandigheden ter plaatse dat verlangen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet significant veranderd waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Dit is hier echter, voorafgaande aan de voorgenomen sloop, niet het geval.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
2. WETTELIJK KADER
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming.
2.1 Gebiedsbescherming Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland.
2.2 Soortenbescherming Het nader onderzoek naar genoemde beschermde diersoorten voor het project is uitgevoerd in het kader van hoofdstuk 3 (soortenbescherming) van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten.
2.3 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Situering plangebied De planlocatie is gelegen aan de Groenstraat 32 in het buitengebied van Esbeek, ten zuidoosten van de kern van het dorp in de gemeente Hilvarenbeek. Het plangebied bestaat naast de aanwezige bebouwing vooral uit erfverharding met gecultiveerde tuin. Op het plangebied is ook een ecologische verbindingszone aanwezig, met diverse struiken en bomen. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Hilvarenbeek
Esbeek
Ligging van de planlocatie in de regio. Bron: google Earth
3.2 Broedvogels Volgens het advies van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is het plangebied geschikt voor nestlocaties van broedvogels. Citaat uit het advies: “De functie van de aangetroffen nesten in het schuurtje binnen de NNB moet nader worden onderzocht. Niet duidelijk is welke vogelsoorten deze nesten gebruiken en daarom kan niet op voorhand worden vastgesteld dat deze niet jaarrond zijn beschermd.”
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
3.3 Marterachtigen Volgens het advies van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is het plangebied geschikt als leefgebied voor marterachtigen. Citaat uit het advies: “De aanwezige takkenrillen vormen mogelijke verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen. De aanwezigheid moet worden onderzocht conform de Handreiking kleine marters van de provincie Noord-Brabant.”
3.4 Vleermuizen Volgens het advies van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is het plangebied geschikt als vliegroute voor vleermuizen. Citaat uit het advies: “ De constatering dat er geen ontwikkelingen plaatsvinden die effecten hebben op mogelijk foeragerende vleermuizen, is onjuist. In het deel behorende tot de NNB zijn bomen gekapt zonder dat deze onderzocht zijn op hun functie voor vleermuizen. Eventuele vliegroutes en foerageergebieden moeten nader worden onderzocht overeenkomstig het vleermuizenprotocol 2021.”
3.5 Impressie plangebied Afbeeldingen uit quickscan rapportage maart 2022
Te behouden Garage
Ecologische verbindingszone
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Vervallen schuurtje
Achtertuin tussen de opslagloods en de ecologische Verbindingszone
9
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
4. ONDERZOEK
4.1 Volledigheid van de inventarisatie Het onderzoek is volgens de genoemde voorwaarden uitgevoerd. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan de Wet natuurbescherming. Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. De onderzoekers van Brabant Eco zijn deskundig zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bedoeld. Er wordt gewerkt vanuit de expertise van de te onderzoeken soorten opgedaan door ervaring, studie, vrijwilligerswerk en bijscholing onder andere door de opleidingen in natuur, vogels, amfibieën en reptielen en vleermuizen (planologie en analyse van geluiden) en scholing algemeen in ecologie en natuurwetgeving. Brabant Eco voert ecologisch onderzoek uit voor een opgebouwde kring van opdrachtgevers onder ecologische bureaus, overheden, bedrijven en particulieren. De veldbezoeken zijn verricht door medewerkers Jennifer Bockting (JB) , Freek Rovers (FR) en Frenk van de Wal (FW).
4.2 Broedvogels 4.4.1 Introductie broedvogels Algemene broedvogels zijn soorten die voldoende flexibiliteit hebben in het kiezen van hun nestplaats. Onder deze categorie vogels vallen veel verschillende soorten, zoals: merel, wilde eend of duif. Een broedvogel in een bepaald gebied is een vogelsoort die in het gebied broedt, in tegenstelling tot gastvogels (wintergasten, zomergasten en jaargasten) en trekvogels. Tot broedvogels worden ook vogels gerekend die hun eieren door andere vogels laten uitbroeden, zoals de koekoek. Deze laatste groep staat ook bekend onder de naam broedparasieten. Wanneer broeden vogels? Er zit veel variatie in de broedperiode van vogels. Blauwe reigers zijn bijvoorbeeld ‘vroege broeders’ en kunnen in sommige gevallen hun eerste eieren al rond de kerst hebben, maar zitten doorgaans in januari of februari op de eieren. Wespendieven en kuifeenden zijn ‘late broeders’ en zullen daarentegen in augustus nog bezig zijn met hun jongen. Houtduiven, Turkse tortels, futen en nijlganzen zijn echter bekende voorbeelden van vogels die het gehele jaar kunnen broeden. De broedperiode voor de meeste vogels is echter circa 1 maart tot en met 15 augustus. Er zijn verschillende gebieden waar vogels tot broeden kunnen komen. Bebouwing: stadsduif, Turkse tortel, scholekster, zilvermeeuw, ringmus, etc. Bos/struweel: merel, houtduif, roodborst, winterkoning, etc.
Akker/braakliggende grond/weide: witte kwikstaart, kievit, bontbekplevier, kleine plevier, scholekster, etc. Water: wilde eend, meerkoet, fuut, kleine karekiet, rietgors, etc.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
4.4.2 Onderzoeksmethode Er moet in beeld gebracht worden waar zich de locaties van nesten, rustplaatsen en functioneel leefgebied (zoals foerageergebieden, slaapplaatsen) van de broedvogels bevinden. Bij het inventariseren is gelet op de habitatkenmerken waarvan de broedvogel afhankelijk is, om zo de meest kansrijke plekken voor aantreffen te bepalen. Het exacte moment van aanvang van broeden van de broedvogel is afhankelijk van onder andere de weersomstandigheden en kan in de eerste helft van maart en nog tot en met augustus plaatsvinden. Het is van belang dat ook in beeld wordt gebracht waar welke elementen van de functionele leefomgeving zich bevinden. Hiertoe behoren vooral de plekken waar gefoerageerd en geslapen wordt, zoals struiken, hagen, klimop en kruidenrijke vegetaties. Het slapen kan gedurende het jaar op wisselende plekken gebeuren. Ook de plekken waar gedronken of gebaad kan worden of waar een stofbad genomen kan worden, behoren hiertoe. Het vaststellen van de locaties van de slaapplekken kan gedurende het gehele jaar het beste rond zonsondergang of zonsopgang plaats vinden.
4.4.3 Veldonderzoek Er zijn 2 veldbezoeken uitgevoerd om de eventuele aanwezigheid van broedvogels in kaart te brengen. Hierbij is gelet op zichtbare nesten, maar ook op nest indicerend gedrag van broedvogels. De te slopen schuur is intensief onderzocht op het voorkomen en in gebruik zijn van de aanwezige nesten. Ronde
Datum
Ecoloog
Tijd
Functie
1.
27-4-2023
JB
11:00 – 12:00
Voorkomen
2.
09-06-2023
FW
10:00 – 11:00
Voorkomen
Tijdens de bezoeken zijn er in de te slopen schuur, een voormalig kippenhok, geen broedende vogels waargenomen. Er bevonden zich twee oude, beschadigde vogelnesten in de schuur. In het plangebied is er gezocht naar nestplaatsen. Ook is er gefocust op de aanwezigheid van functioneel leefgebied voor de broedvogel. In een conifeer nabij de woning is een broedende houtduif waargenomen. Er zijn waarnemingen gedaan van een merel, duif, roodborstje en een kauw tijdens een of beide veldbezoeken. Er zijn op beide dagen geen in gebruik zijnde broedvogelnesten waargenomen in de te slopen schuur. Ook is er geen nestindicerend gedrag waargenomen in deze schuur.
Oude en verlaten nesten in de schuur
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
4.4.4 Conclusie broedvogels De waarnemingen geven aan dat in het te slopen schuurtje geen nestlocaties van broedvogels aanwezig zijn. Door sloop van de bebouwing is er geen significante afname van functioneel leefgebied van broedvogels. Door het weer aangroeien van de struiken in in de erfbeplanting en uitbreiding van het in de noordelijke grens gelegen NNN gebied zal het leefgebied voor vogels niet verslechteren.
4.2 Marterachtigen 4.2.1 Introductie marterachtigen Boommarter De schuilplaats van de boommarter bestaat meestal uit een holle boom, de nestplek evenzeer en hun leefgebied bestaat doorgaans uit bos. Zowel loof- als naaldbos en gemengd bos, jong en oud. Toch wagen ze zich ook buiten bosgebieden, maar bomen zijn nooit ver weg. De dieren leven solitair en kunnen goed zwemmen. ’s Nachts legt een boommarter 2 tot 20 kilometer af. Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen.
De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Wezel De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt.
4.2.2 Onderzoeksmethode Na een veldbezoek aan de planlocatie en een telefonisch onderhoud met de adviseur ecologie van de omgevingsdienst Midden- en West Brabant is in overeenstemming besloten om het onderzoek naar marterachtigen niet volgens de handleiding van de Provincie Noord Brabant uit te voeren. Het kappen van de bomen in de erfbeplanting, NNN gebied is door initiatiefnemer uitgevoerd als bestendig onderhoud. De takkenrillen waren in april 2023 geheel verdwenen en de erfbeplanting, vooral bestaande uit struiken van hazelaar, weer in groei. De ruigte langs de slootkant en ook de houtwallen zouden schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen zoals de bunzing of wezel. Doordat de bestaande houtwallen en verdere vegetatie in en rond het plangebied behouden zullen worden, zullen er altijd rustige hoekjes met dekking aanwezig zijn waar de dieren heen kunnen vluchten. In de nieuwe situatie blijven deze schuilhoekjes en vegetatie bestaan en door de landschappelijke inpassing en uitbreiding van het in het noorden gelegen NNN gebied zal het leefgebied van de kleine marterachtigen niet verslechteren.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271 Het plangebied is daarom geen essentieel onderdeel van de leefomgeving van marterachtigen en de werkzaamheden hebben geen negatief effect op aanwezige soorten. Afbeeldingen schuurtje en erfbeplanting april 2023:
Schuurtje
Erfbeplanting met rechts schuurtje
Tussen schuurtje en loods vanaf zuidwest
Erfbeplanting met links schuurtje vanaf oost
4.2.3 Veldonderzoek Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De aanwezigheid van de marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens beide onderzoeken naar broedvogels is het schuurtje en andere mogelijke plaatsen waar marterachtigen zouden kunnen verblijven onderzocht op sporen van deze. Ook voorafgaande aan de onderzoeken naar vleermuizen is bij daglicht het plangebied geïnspecteerd op marterachtigen en sporen van deze. Er is waarneming gedaan van afgebeten veren en stukjes bot en uitwerpselen van een vos welke vrij oud leken te zijn. Tijdens het tweede onderzoek zijn er geplukte resten van een duif waargenomen, mogelijk door een uil of roofvogel. Er zijn geen sporen van marterachtigen waargenomen tijdens de onderzoeken.