10 Bestemmingsplan Groenstraat 32 Esbeek (7a Bijlagen bij toelichting)
Tekst van het document
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
Uitwerpselen van een vos
Vraatresten van een vos
De randen van het plangebied en de naastgelegen buren zijn vrijwel rondom beplant met erfbeplanting van eikenbomen, en struiken van vooral lijsterbes en hazelaar. Daarnaast staan er meerdere hagen in de tuinen. Via dergelijke landschapselementen verplaatsen marterachtigen zich tussen hun rustplaatsen en ook vinden ze er hun prooi. Deze tuinen en erfbeplantingen worden tijdens de voorgenomen ontwikkeling uitgebreid waardoor het leefgebied van marterachtigen niet zal verslechteren. Onderstaande foto’s dateren van juni 2023:
Schuurtje
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Erfbeplanting met rechts schuurtje
14
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
Tussen schuurtje en loods vanaf zuidwest
Erfbeplanting
4.2.4 Conclusie marters Er zijn geen sporen gevonden die kunnen duiden op de aanwezigheid van marterachtigen. Er zijn geen prooiresten gevonden, geen loopsporen en geen uitwerpselen gevonden. Op basis van de resultaten van het sporenonderzoek kan uitgesloten worden dat marterachtigen de te slopen schuur gebruiken als verblijfplaats. Er is een redelijke mate van verstoring en grote mate van predatoren. Er zijn huiskatten en een hond aanwezig in het plangebied. Het is uitgesloten dat het plangebied een belangrijk onderdeel vormt van het leefgebied van marterachtigen. De aanwezige takkenrillen in 2022 zijn opgeruimd en naast de te behouden garage bevinden zich stapels kachelhout. Daarmee leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot het verdwijnen van vaste voortplanting- rust- en verblijfplaatsen en vind er geen overtreding van de Wet natuurbescherming plaats. Een ontheffing voor kleine marterachtigen en steenmarter is niet noodzakelijk.
4.3 Vleermuizen 4.3.1 Introductie vleermuis Op advies van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is een nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen ingesteld. In onderstaande tabel staan de in theorie eventueel te verwachten voorkomende vleermuissoorten volgens NDFF. Deze verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. (bijlage 1) De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271 Tabel: eventueel te verwachten voorkomende vleermuissoorten
Soort Baardvleermuis (Myotis mystacinus) Franjestaart (Myotis nattereri) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Beschermingsregime Wnb Habitatrichtlijn
Winterverblijf -
Kraamverblijf X
Zomerverblijf X
Paarverblijf -
Verblijf in gebouwen Soms
Status*
Wnb Habitatrichtlijn Wnb Habitatrichtlijn
-
X
X
-
Soms
Z
X (ook massawinterverblijf) -
X
X
X
Vooral
A
-
X
X
Vaak
VA
Wnb Habitatrichtlijn
-
-
X
X
Meestal
ZZ
Wnb Habitatrichtlijn
X
X
X
X
Vooral
ZZ
Wnb Habitatrichtlijn
X
X
X
X
Vaak
A
Wnb Habitatrichtlijn
X
-
X
X
Soms
VA
Wnb Habitatrichtlijn
Z
*A=algemeen, VA=vrij algemeen, Z= zeldzaam, ZZ= zeer zeldzaam
In de tabel staat per soort weergegeven hoe ze het landschap gebruiken, waar verblijfplaatsen kunnen worden aangetroffen en de status van voorkomen in Nederland. Daarnaast is met een kruisje per soort aangegeven welke potenties het onderzochte plangebied en de nabije omgeving voor de desbetreffende soort heeft. Volgens het cursusdictaat ‘Vleermuizen en planologie’ (Limpens et al 2017), kan in dit deel van het land daarnaast ook o.a. de Kleine dwergvleermuis voorkomen. Ook deze soort is in onderstaande tabel opgenomen. Het onderzoek is uitgevoerd naar het voorkomen van vliegroute en foerageergebied van vleermuizen. Er is rekening gehouden met het mogelijk voorkomen van soorten.
4.3.2 Onderzoeksmethode Voor het in kaart brengen van vleermuizen is zowel visueel als auditief geïnventariseerd. Het onderzoek is uitgevoerd door te zoeken naar jagende, trekkende, en zwermende vleermuizen. De onderzoeken zijn telkens met twee onderzoekers uitgevoerd om zodoende een eventueel aanwezige vliegroute vast te stellen. De echolocatie die vleermuizen uitzenden is voor ons hoorbaar gemaakt door gebruik te maken van de Batlogger M of M2 van Elekon. Ultrasone geluiden (range 10-150 kHz) worden door deze geavanceerde detector/recorder opgenomen. De Batlogger M registreert ook de GPS coördinaten (via een geïntegreerde GPS-ontvanger) en omgevingstemperatuur op het moment van opname. Wanneer op basis van frequentie, klank en ritme niet met 100% zekerheid de soort bepaald kon worden is er een opname gemaakt op een SDHC-kaart. Met de BatExplorer Software voor Windows werden opnames eventueel ook later geanalyseerd. De opnames werden in tijd en dus in het hoorbare bereik beluisterd. De software detecteert
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271 automatisch vleermuisgeluiden en geeft deze weer waarbij de BatExplorer ondersteunende identificatie van soorten aangeeft. Door de dieren ook zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Dit onderzoek is specifiek gericht op het in kaart brengen van verblijfplaatsen, soortsamenstelling en gebiedsgebruik. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het landelijk vastgesteld protocol voor vleermuisonderzoek: Vleermuisprotocol 2021, zoals opgesteld door het Netwerk Groene Bureau, Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Het vleermuisprotocol 2021 is een door de Gegevensautoriteit Natuur (GaN) en het Netwerk Groene Bureaus goedgekeurde methodiek. De protocollen hebben tot doel het belang van de functies van gebieden voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen voor de Wet natuurbescherming. Het is een hulpmiddel voor deskundige vleermuisonderzoekers en de beoordelaars van vleermuisonderzoek om te bepalen wat een juridisch redelijke onderzoeksinspanning is voor een specifieke locatie. De protocollen zijn opgesteld om het onderzoek voor de Wet natuurbescherming optimaal te laten verlopen.
Wanneer de protocollen in essentie zijn gevolgd, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan een wettelijke en maatschappelijk verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies van gebieden in het geding zijn. Onderzoeken die volgens deze protocollen uitgevoerd worden, kunnen in principe volstaan bij ontheffingsaanvragen en juridische procedures. Het weer is van invloed op de activiteiten van vleermuizen en daardoor op de doelmatigheid van het inventariseren. Harde wind (meer dan 3 Beaufort), langdurige regenval, dichte mist en temperaturen onder 7 tot 12 graden Celsius zijn (afhankelijk van de soort) belemmerende factoren.
4.3.3 Veldonderzoek De planlocatie is 2x bezocht (zie onderstaande tabel) door medewerkers van Brabant Eco. Tijdens deze bezoeken zijn de planlocatie en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is gelet op de aanwezigheid van foeragerende, passerende, communicerende, bouncende en in/uitvliegende vleermuizen. Om de aanwezige vleermuizen zo goed mogelijk in kaart te brengen zijn er op verschillende momenten in het jaar veldwerkrondes uitgevoerd. Voor het onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen schrijft het protocol minimaal twee onderzoeken van 2 uur te starten vanaf zonsondergang. Afhankelijk van de soort is een start van 0,25 of 0,5 uur later voorgeschreven waardoor de onderzoeken in totaal minimaal 2,5 uur in beslag namen. Beide onderzoekers hebben tijdens het eerste uur van de onderzoeken op strategische posities de mogelijke vliegroute geobserveerd waarbij tevens het eventueel aanwezige foerageergebied kon worden vastgesteld. Ronde
Datum
Ecoloog
Tijd
Functie
1.
30-042023
JB +FW
21:00 – 23:30
2.
01-072023
FR + FW
22:00 00:30
Vliegroute en foerageergebied Vliegroute en foerageergebied
Tem perat uur 15 o C
Wind
Neerslag
Bewolking
3 BFT NO
Geen
Licht bewolkt
16 o C
1 BFT NW
Geen
Zwaar bewolkt
Avondbezoek 30 april 2023 Tijdens dit avondbezoek zijn er 2 keer kortstondig 2 gewone dwergvleermuizen foeragerend waargenomen, eenmalig in het noordelijkste punt van het plangebied boven de berm naast de sloot en de tweede kortstondig boven het grasveld in het plangebied achter de loods. Beide waarnemingen waren na 22:00 uur. Avondbezoek 1 juli 2023 Deze avond is enkel een keer voor enkele minuten een Gewone dwergvleermuis foeragerend waargenomen, tussen de bomen, nabij de sloot. De vleermuis verdween in noordoostelijke richting.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
Mogelijke vliegroute naast bomenrijen
4.3.4 Gebiedsfunctie Foerageergebied Uit het vleermuisonderzoek blijkt dat het plangebied van geringe betekenis is voor vleermuizen. Op grond van het zeer beperkte aantal foeragerende dieren en de alternatieve foerageermogelijkheden in de directe omgeving kan gesteld worden dat het plangebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen is. Er werden maximaal twee foeragerende gewone dwergvleermuizen aan de rand van het plangebied waargenomen welke maar een korte tijd daar bleven foerageren. Aangezien de vegetatie structuren rond het plangebied niet worden verwijderd in de voorgenomen ontwikkeling en gezien de geringe betekenis van het plangebied als foerageergebied is geen sprake van een negatief effect op foeragerende vleermuizen. De gunstige staat van instandhouding van de vleermuizen als soort komt niet in het geding. Vliegroutes Essentiële vliegroutes zijn niet aanwezig in het plangebied. De randen van het plangebied met bomenrijen zouden geschikt kunnen zijn om als vliegroute voor vleermuizen te dienen. Met name boven de noordwestelijk gelegen waterloop. Er zijn geen vliegroutes van vleermuizen waargenomen tijdens de onderzoeken. Een ontheffingsaanvraag is daarom dan ook niet nodig. Verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn er in het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen gevonden.
Er zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen waargenomen in de te slopen gebouwen. Vooral tijdens het veldbezoek is de bebouwing ook gecontroleerd om verblijfplaatsen van vleermuizen door te letten op zwermende en aantikkende vleermuizen zonder de focus op de vliegroute en het foerageergebied te verliezen.
4.3.5 Samenvatting en conclusies In de gehele onderzoeksperiode is in en nabij het plangebied een vleermuissoort waargenomen: de Gewone dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus (3 individuen). De waarnemingen van de vleermuizen in en nabij het plangebied is met stippen in de onderstaande afbeelding aangegeven. Dit betreft alle individuen die tijdens
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271 het veldbezoek zijn waargenomen. De focusplaatsen van de onderzoekers zijn aangegeven met een blauwe ster.
Waargenomen vleermuizen in het plangebied: Gewone dwergvleermuis in geel, Focusplaatsen onderzoekers in blauwe ster.
Enkel de Gewone dwergvleermuis is tijdens het onderzoek foeragerend of passerend op en rond het plangebied aangetroffen. De Gewone dwergvleermuis is een typisch gebouw bewonende soort. De Gewone dwergvleermuis gebruikt ruimten onder daken, in de spouwmuur en achter gevelbekleding als kraam-, zomer-, paar-, en overwinteringslocatie (Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Ondanks de ruimere tijd aan onderzoeken dan enkel voor de Gewone dwergvleermuis zijn overige vleermuissoorten niet waargenomen tijdens de veldbezoeken. Afwezigheid van deze soorten in en nabij het plangebied geeft aan dat het plangebied geen functionele betekenis heeft voor deze soorten.
5. RESULTATEN EN ADVIES
5.1 Resultaten Het onderzoek heeft plaatsgevonden tussen april en juli 2023
5.1.1 Broedvogels o o o
Er bevinden zich twee niet in gebruik zijnde oude nesten in de te slopen schuur. Er zijn geen broedvogels waargenomen tijdens de veldbezoeken in de te slopen schuur. Het plangebied is geen essentieel onderdeel van het leefgebied van broedvogels. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig.
5.1.2 Marterachtigen
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
o o o
Er zijn geen marterachtigen waargenomen tijdens de veldbezoeken. Er zijn geen sporen van de aanwezigheid van marterachtigen gevonden. Het plangebied is geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig.
5.1.3 Vleermuizen o o o o
o o
Er is in en nabij het plangebied een soort vleermuis waargenomen, de Gewone dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus. Bij inspectie van het plangebied bij daglicht zijn geen vleermuiskeutels of andere sporen gevonden die duiden op vleermuisverblijfplaatsen. De omgeving van het plangebied fungeert als foerageergebied voor maximaal 2 a 3 vleermuizen. Er zijn geen essentiële vliegroutes aanwezig in het plangebied. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Er is geen essentieel foerageergebied van vleermuizen in het plangebied aanwezig. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig.
5.2 Toetsing Wet natuurbescherming/staat van instandhouding Uit een viervoudige check van de te slopen schuur blijkt dat er weliswaar twee nesten aanwezig zijn maar dat deze oud en niet in gebruik zijn. Uit nader onderzoek naar marterachtigen is gebleken dat in de te slopen schuur geen vaste rust- of verblijfplaats van genoemde soorten aanwezig zijn. Door de geplande werkzaamheden is er weliswaar sprake van een tijdelijke beperkte verstoring van foerageergebied voor marters, maar dit heeft geen wezenlijk effect op de functionaliteit van de leefomgeving als geheel omdat er voldoende alternatieven in de directe omgeving overblijven. De voorgenomen ontwikkelingen zullen geen invloed hebben op vleermuizen. Er wordt geen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetast, Ook worden er geen verblijfplaatsen aangetast. Daarmee kan gesteld worden dat de duurzame instandhouding van de aangetroffen vleermuissoorten niet in gevaar komt. Er zijn geen vliegroutes, foerageergebieden of verblijfplaatsen aangetroffen in het plangebied. Zodoende zijn er met de kap van de erfbeplanting geen verbodsartikelen overtreden van de Wet natuurbescherming en is een ontheffingsverzoek bij bevoegd gezag in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de voorgenomen plannen niet nodig.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
Verspreiding Gewone dwergvleermuis. Bron: verspreidingsatlas.nl
De voorgenomen plannen hebben daarom geen negatief effect op onderzochte diersoorten en hebben derhalve geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor onderzochte diersoorten is niet nodig. Daarnaast zal de struweel langs de waterloop tijdens de voorgenomen ontwikkeling aanzienlijk worden verbreed waardoor er naast deze waterloop een bredere strook zal komen met groen aangeplant.
5.3 Aanbevelingen o
o
o
o o o
Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd. Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters. De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten. Er kunnen vogels broeden in het plangebied.
Werkzaamheden die een verstorend effect op broedende vogels veroorzaken dienen daarom plaats te vinden buiten het broedseizoen (broedseizoen loopt van globaal half maart tot half juli). Bij onvoorziene omstandigheden dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. (www.checklistgroenbouwen.nl) en (www.bouwnatuurinclusief.nl).
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Nader onderzoek marterachtigen vleermuizen en broedvogels Groenstraat 32 Esbeek, BE-0271
6. BRONNEN Vooronderzoek Quick scan Brabant Eco 2022-BE-00271 d.d. 13 april 2022 Websites www.brabant.nl www.checklistgroenbouwen.nl www.natuurmonumenten.nl www.NDFF.nl www.rijksoverheid.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.wetnatuurbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl Overige bronnen Checklist vleermuisprotocol Dietz et al., 2011 Limpens et al., 2017 Netwerk groene bureaus Bijlagen o Bijlage 1: Flora Fauna check van NDFF.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
bestemmingsplan Groenstraat 32 Esbeek
Bijlage 8 Bodemonderzoek
bestemmingsplan "Groenstraat 32 Esbeek" (vastgesteld) 83
Verkennend bodem- en asbestonderzoek Groenstraat 32 te Esbeek
Opdrachtgever :
Van Dun Advies Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze
Kenmerk :
1296.77.221.r1
Datum :
3 juni 2022
Auteur :
R.A.C. Hereijgers
Gecontr. :
B.M. Prinse
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ......................................................................................................... 1 2. VOORONDERZOEK ............................................................................................. 2 2.1
Algemeen en bronvermelding ....................................................................... 2
2.2
Historische en actuele gegevens onderzoekslocatie ........................................ 2
2.3
Bodemonderzoeken/-saneringen ................................................................... 4
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................. 4
2.5
Hypothese ................................................................................................... 5
3. VELDWERK ........................................................................................................ 6 3.1
Uitvoering van het veldwerk ......................................................................... 6
3.2
Resultaten van het veldwerk ......................................................................... 6
3.3
Afwijkende bodemkenmerken ....................................................................... 7
4. CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................... 8 4.1
Uitvoering van het chemisch-analytisch onderzoek ......................................... 8
4.2
Toetsingscriteria .......................................................................................... 9
4.3
Interpretatie analyseresultaten ................................................................... 10
5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................... 13 6. VERANTWOORDING ........................................................................................... 15 7. LITERATUURLIJST .............................................................................................. 16 BIJLAGEN 1a. Situatieschets met geplaatste boringen en proefgaten 1b. Kadastrale tekening 1c. Foto’s onderzoekslocatie 2. Boorprofielen 3. Analyseresultaten en toetsingstabellen grond en grondwater 4. Algemene gegevens proefgaten
1. INLEIDING In opdracht van, Van Dun Advies, heeft Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Groenstraat 32 te Esbeek. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen functiewijziging naar wonen en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen/proefgaten is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie is de werkwijze conform de NEN 5725 (vooronderzoek), de NEN 5740 (uitvoering verkennend onderzoek) en de NEN 5707 (uitvoering verkennend asbestonderzoek in grond) gehanteerd. In de volgende hoofdstukken wordt ingegaan op de locatiegegevens, de verrichte veldwerkzaamheden, het chemisch-analytisch onderzoek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Tot slot worden de verzamelde gegevens over de grond- en grondwaterkwaliteit getoetst aan de huidige richtlijnen en worden aanbevelingen geformuleerd. Moerdijk Bodemsanering B.V.
is in het bezit van het Procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek conform de BRL 2000. Het veldwerk is derhalve verricht onder dit certificaat op basis van de richtlijnen in de protocollen 2001, 2002 en 2018. Moerdijk Bodemsanering B.V. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van de BRL 2000 en de daarbij behorende protocollen.
1296.77.221.r1
1
2.
VOORONDERZOEK
2.1 Algemeen en bronvermelding Alvorens het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd is een vooronderzoek verricht conform de NEN 5725-norm; strategie A-Bodemonderzoek. Op basis van het vooronderzoek is bepaald of in het verleden mogelijk bodembedreigende activiteiten zijn ontplooid. Bij het verzamelen van de historische gegevens zijn verschillende bronnen geraadpleegd. In onderstaande tabel is vermeld welke bronnen hiervoor gebruikt zijn en welke informatie daar globaal te vinden is. In de hierna volgende paragrafen zijn de resultaten van het vooronderzoek toegelicht. Tabel 1. Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Internet www.bodemloket.nl
www.dinoloket.nl
Indicatie aanwezigheid (ernstige) bodemverontreiniging of bodembedreigende activiteiten. De Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) zijn onderdeel van het overheidsstelsel van basisregistraties. Op de kaart kunnen adresgegevens eenvoudig verkregen worden, alsmede het bouwjaar van de aanwezige gebouwen en het gebruiksdoel van het gebouw. Indicatie bodemopbouw en geohydrologie.
www.topotijdreis.nl
Indicatie historisch gebruik van de onderzoekslocatie (o.a. bebouwing).
www.archeologieinnederland.nl
Verwachtingskans archeologische monumentenkaart (AMK).
www.bagviewerkadaster.nl
Gemeente Hilvarenbeek en Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) Milieuvergunning
Tankenbestand
Veel inrichtingen (bedrijven en instellingen) hebben een omgevingsvergunning nodig. Aan de verlening van een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Op de locatie of in de directe omgeving kunnen reeds bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Deze kunnen een indicatie geven van de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Indicatie aanwezigheid (ondergrondse) brandstoftank(s).
Asbestkansenkaart
Verwachtingskans aantreffen asbest in de bodem.
Bodemonderzoeken
2.2 Historische en actuele gegevens onderzoekslocatie De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie Q, nummer 668 en heeft een oppervlakte van 5.240 m2. De locatie betreft een vrijstaande woning met drie schuren, erf en tuin. Een situatieschets van de locatie is opgenomen in bijlage 1a; een kadastrale kaart is opgenomen in bijlage 1b. In bijlage 1c zijn enkele foto’s opgenomen van de huidige situatie. In tabel 2 staan de historische, huidige en toekomstige gegevens over de locatie vermeld. 1296.77.221.r1
2
Tabel 2. Historisch, huidig en toekomstig bodemgebruik onderzoekslocatie Historisch Gebruik locatie
Voormalige bodembedreigende activiteiten
De huidige bebouwing op de locatie is omstreeks 1950-1955 gerealiseerd. Vanaf omstreeks 1900 is op de locatie al bebouwing aanwezig. Tot omstreeks 2000 is de locatie in gebruik geweest als pluimveehouderij. Niet bekend.
Ophoging en demping
Niet bekend.
Voormalige bodembedreigende activiteiten in de nabijheid van de locatie Explosieven en archeologie
Niet bekend.
Calamiteiten
Niet bekend.
Niet bekend.
Huidig Locatie-inspectie Gebruik locatie
De terreinverkenning is, voorafgaand aan het veldwerk, op 19 april 2022 uitgevoerd door de heer R. Snijder. Tijdens de locatieinspectie zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Vrijstaande woning met drie schuren, erf en tuin.
Bebouwing
Vrijstaande woning en drie schuren.
Terreinverharding
Klinkers, tegels, beton, onverhard.
Bodembedreigende activiteiten
Niet bekend.
Asbesthoudende bouw-, bodem- en/of verhardingsmaterialen Geval van ernstige bodemverontreiniging
Op enkele bijgebouwen is asbesthoudende dakbedekking zonder dakgoten en onverharde druppellijnen aanwezig. Niet bekend.
Gebruik directe omgeving
Woon- en agrarische doeleinden.
Toekomstig Gebruik locatie Bodembedreigende activiteiten
De twee noordelijk gelegen schuren worden gesloopt. Ter plaatse van de noordelijkste schuur wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Niet bekend.
Luchtfoto onderzoekslocatie
(bron: Google Earth)
1296.77.221.r1
3
2.3 Bodemonderzoeken/-saneringen In de volgende tabel zijn de bodemonderzoeken en saneringen op de locatie en/of in de directe nabijheid ervan weergegeven; evenals het beknopte resultaat ervan (een eventuele toelichting op het resultaat is weergegeven onder deze tabel). Tabel 3. Bodemonderzoeken en/of -saneringen op de onderzoekslocatie en in de directe nabijheid ervan Type onderzoek Onderzoeksbureau Kenmerk Datum Resultaat Op de onderzoekslocatie -
-
-
-
-
-
01-11-1994
GR: EOX >Aw GW: Cr, Zn >S
In de omgeving van de onderzoekslocatie Groenstraat 19a Verkennend bodemonderzoek
Van Vleuten
De resultaten van het verrichte onderzoek hebben geen invloed op de bodem ter plaatse van de onderhavige onderzoekslocatie. Voor het overige zijn op de locatie en in de directe nabijheid hiervan geen (relevante) bodemonderzoeken en/of saneringen bekend. Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Hilvarenbeek (Nota Bodembeheer) valt de boven- en ondergrond op de locatie in de kwaliteitsklasse ‘AW2000’. 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Voor het verkrijgen van inzicht in de regionale bodemopbouw en de geohydrologische gegevens van de omgeving is gebruik gemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland. Ter plaatse kunnen de volgende geohydrologische eenheden worden onderscheiden: Tabel 4. Geohydrologische gegevens Globale diepte (m -mv) Geohydrologische eenheid
Samenstelling
0 - 20
Deklaag
Fijn siltig zand en lokaal leem
20 - 80
Eerste watervoerend pakket
Matig tot zeer grof zand met lokaal leem en grind
De horizontale stromingsrichting van het freatisch grondwater is globaal noordoostelijk gericht, maar zal mogelijk worden beïnvloed door lokale ontwateringsmiddelen (sloten, kabels en leidingen). De locatie is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied.
1296.77.221.r1
4
2.5 Hypothese Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie zullen de NEN 5740 en de NEN 5707 gehanteerd worden. Het bodemonderzoek heeft een zogenaamd retrospectief karakter, dit wil zeggen dat het onderzoek primair gericht is op reeds opgetreden (bodem)verontreiniging. De onderzoekslocatie betreft het in bijlage 1a aangegeven terrein met een totaaloppervlak van 5.240 m2. Op basis van de hierboven weergegeven informatie wordt de volgende hypothese met bijbehorende onderzoeksstrategie toegepast: Tabel 5. Onderzoeksstrategie Deellocatie(s)
Strategie
Gehele locatie, 5.240 m2
ONV-NL
Mogelijke parameter(s) in grond -
Mogelijke parameter(s) in grondwater -
Toplaag 1 t.a.v. asbest, circa 20 m2
VEP
Asbest en PCB
-
Toplaag 2 t.a.v. asbest, circa 15 m2
VEP
Asbest en PCB
-
Verhardingspad t.a.v. asbest, circa 150 m2
VED-HE-NL1)
Asbest
-
Aangetroffen bijmengingen met puin t.a.v. VED-HE-NL1) Asbest asbest, circa 100 m2 1) In verband met de aangetroffen bijmengingen met puin is ter plaatse aanvullend een verkennend asbestonderzoek verricht.
1296.77.221.r1
5
3.
VELDWERK
3.1 Uitvoering van het veldwerk Ter plaatse zijn de volgende werkzaamheden verricht: Tabel 6. Veldwerkzaamheden Deellocatie Gehele locatie, 5.240 m2
Toplaag 1 t.a.v. asbest, circa 20 m2 Toplaag 2 t.a.v. asbest, circa 15 m2 Verhardingspad t.a.v. asbest, circa 150 m2 Aangetroffen bijmengingen met puin t.a.v. asbest, circa 100 m2
Veldwerk 12 x boring tot 1,0 meter beneden maaiveld (m -mv) 3 x boring tot het freatisch grondwater (minimaal 1,0 m -mv/ maximaal 2,0 m -mv) 1 x boring tot in het grondwater, welke tevens wordt afgewerkt met een peilbuis 2 x proefgat (0,3x0,3 m) tot minimaal 0,1 m -mv 2 x boring tot 0,1 m -mv 2 x proefgat (0,3x0,3 m) tot minimaal 0,1 m -mv 2 x boring tot 0,1 m -mv 3 x proefgat (0,3x0,3 m) tot minimaal 0,5 m -mv 2 x proefgat (0,3x0,3 m) tot minimaal 0,5 m -mv
3.2 Resultaten van het veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd conform de protocollen 2001, 2002 en 2018. De veldwerkzaamheden zijn verricht op 19 april 2022. De peilbuis is, na enkele malen te zijn afgepompt, op 26 april 2022 bemonsterd. Alle veldwerkzaamheden zijn verricht door de erkende veldwerker R. Snijder. In bijlage 1a zijn de boorposities weergegeven. De bodem ter plaatse is globaal als volgt opgebouwd: Vanaf maaiveld is tot circa 3,0 m -mv (einde boordiepte) een zandpakket aangetroffen. Het vrijgekomen boormateriaal is zintuiglijk beoordeeld op geur, kleur en samenstelling en beschreven in boorprofielen (zie bijlage 2). In de volgende tabel zijn de veldgegevens van het grondwater opgenomen. Tabel 7. Veldgegevens grondwater Grondwaterstand Peilbuis (filterstelling in m -mv) (m -mv) 01 (2,00 - 3,00) 1,50
Zuurgraad (pH)
Elektrisch geleidingsvermogen (Ec in µS/cm)
Troebelheid (NTU)
7,0
230
9,8
De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de troebelheid (NTU) van het grondwater zijn normaal te noemen voor dit type bodem. Afwijkende waarden kunnen een indicatie zijn voor bodemverontreiniging. De gemeten waarden geven geen aanleiding aan te nemen dat sprake is van een dergelijke situatie.
1296.77.221.r1
6
3.3 Afwijkende bodemkenmerken Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) de volgende afwijkende bodemkenmerken waargenomen: Tabel 8. Afwijkende bodemkenmerken Boring Traject (m -mv) 02/107 0,07 - 0,20
Zintuiglijke afwijking matig baksteenhoudend
05/108
0,20 - 0,50
matig baksteenhoudend
08/106
0,00 - 0,40
matig baksteenhoudend
16/104
0,00 - 0,30
matig baksteenhoudend
105
0,00 - 0,40
matig baksteenhoudend
Voor het overige zijn tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Asbest Op de locatie is geen deugdelijke maaiveld-inspectie verricht aangezien de locatie grotendeels is verhard of te veel vegetatie aanwezig is. Het tijdens het veldwerk vrijkomende materiaal is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbest. Het te analyseren materiaal is per laag op de locatie gezeefd (met een maaswijdte van 20 mm). Indien na het zeven visueel asbestverdachte materialen achterblijven, worden deze verzameld (en onderzocht). Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In bijlage 4 zijn de algemene gegevens van de proefgaten opgenomen.
1296.77.221.r1
7
4.
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK
4.1 Uitvoering van het chemisch-analytisch onderzoek De volgende analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde milieulaboratorium Eurofins Analytico te Barneveld: Tabel 9. Analyses Code Monster(s)
Analyse grond
Analyse grondwater
NEN-gr
-
NEN-gr
-
NEN-gr
-
NEN-gr
-
-
NEN-gw
Asbest
-
PCB
-
Gehele locatie, 5.240 m2 M01
M02
M03
M04
GW01
02 (0,07 - 0,20) 05 (0,20 - 0,50) 08 (0,00 - 0,40) 16 (0,00 - 0,30) 01 (0,10 - 0,50) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,15 - 0,40) 09 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 02 (0,50 - 1,00) 05 (0,50 - 1,00) 07 (0,50 - 0,80) 08 (0,50 - 1,00) 12 (0,50 - 0,90) 16 (0,50 - 1,00) 03 (0,50 - 0,90) 04 (0,50 - 1,00) 06 (0,50 - 1,00) 09 (0,50 - 0,90) 11 (0,50 - 1,00) 14 (0,60 - 1,00) 01 (2,00 - 3,00)
Toplaag 1 t.a.v. asbest, circa 20 m2 AM01
100 (0,00 - 0,10) 101 (0,00 - 0,10) M05 17 (0,00 - 0,10) 18 (0,00 - 0,10) Toplaag 2 t.a.v. asbest, circa 15 m2 AM02
102 (0,00 - 0,10) Asbest 103 (0,00 - 0,10) M06 19 (0,00 - 0,10) PCB 20 (0,00 - 0,10) Verhardingspad t.a.v. asbest, circa 150 m2
-
AM03
104 (0,00 - 0,40) Asbest 105 (0,00 - 0,40) 106 (0,00 - 0,40) Aangetroffen bijmengingen met puin t.a.v. asbest, circa 100 m2
-
AM04
-
107 (0,07 - 0,20) 108 (0,20 - 0,50)
1296.77.221.r1
Asbest
-
8
NEN-gr:
lutum en organische stof (in minimaal 2 representatieve mengmonsters), 9 zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 vrom), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie;
NEN-gw:
9 zware metalen, aromaten (BTEXN), vluchtige chloorhoudende oplosmiddelen (VOCL), styreen en minerale olie.
4.2 Toetsingscriteria De analyseresultaten van de grond worden beoordeeld aan de hand van de achtergrondwaarden uit bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit en de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De analyseresultaten van het grondwater worden beoordeeld aan de hand van de streefen interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden voor grond: - AW: Achtergrondwaarde, het gehalte in onbelaste natuurgebieden en landbouwgronden; - T: tussenwaarde, het gemiddelde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde, criterium voor nader onderzoek; - I: Interventiewaarde, het gehalte waarboven ernstige vermindering optreedt van de functionele eigenschappen van de bodem. Voor grondwater gelden de volgende toetsingswaarden: - S: Streefwaarde, ijkpunt voor een milieukwaliteit van het grondwater op lange termijn op basis van het verwaarloosbaar risiconiveau voor het ecosysteem; - T: Tussenwaarde, het gemiddelde van de Streefwaarde en Interventiewaarde, criterium voor nader onderzoek; - I: Interventiewaarde, het gehalte waarboven ernstige vermindering optreedt van de functionele eigenschappen van de bodem. Asbest De interventiewaarde voor asbest in grond, bodem en puingranulaat is vastgesteld op 100 mg/kg d.s.
gewogen (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De waarde van 100 mg/kg d.s. gewogen geldt tevens als eis voor de hergebruikswaarden voor asbest in grond, baggerspecie en bouwstoffen. De genoemde richtlijnen gelden voor zowel gebonden als niet gebonden asbest. In tegenstelling tot andere chemische stoffen is het volumecriterium (minimaal 25 m3 verontreinigd bodemvolume) voor asbest niet van toepassing. Voor asbest geldt dat zodra grond aanwezig is met gehalten aan asbest boven de interventiewaarde (100 mg/kg d.s. (gewogen)), onafhankelijk van het volume, sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. 1296.77.221.r1
9
Voor de berekening van de concentratie asbest in de bodem wordt in eerste instantie het gewicht van alle verzamelde asbesthoudende materialen per proefgat bepaald. Op basis van dit gewicht per gat met daarbij het percentage asbest in de representatieve (plaat)materialen, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen serpentijnasbest en amfiboolasbest, worden de concentraties serpentijn- en amfiboolasbest berekend voor de gehele sleuf. Vervolgens worden deze berekende concentraties asbest opgeteld bij de concentraties asbest in de representatieve mengmonsters, waarna de totale serpentijnasbestconcentratie wordt vermeerderd met 10 maal de totale amfiboolasbestconcentratie. Besluit bodemkwaliteit (BBK) Voor de toepassing van grond en bagger op landbodem geldt vanaf 1 juli 2008 het toetsingskader op basis van het Besluit bodemkwaliteit. In de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van toe te passen grond of bagger of de kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden getoetst. De analyseresultaten zijn met behulp van het toetsingsinstrument BoToVa (T1, beoordeling kwaliteit grond en bagger bij toepassing op of in de bodem) indicatief getoetst aan de toetsingswaarden van de Regeling bodemkwaliteit. De resultaten hiervan zijn opgenomen in tabel 10.
Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van de gemeente in acht genomen te worden. Opgemerkt dient te worden dat de grondlagen niet zijn onderzocht op Poly- en PerFluor Alkyl Stoffen (PFAS). Binnen het generieke beleid van het besluit bodemkwaliteit worden bij grondverzet de volgende toetsingswaarden onderscheiden: -AW: Achtergrondwaarde, het gehalte in onbelaste natuurgebieden en landbouwgronden. -MWw: Maximale Waarde wonen, het maximale gehalte waarbij de bodemkwaliteit duurzaam geschikt is voor de bodemfunctieklasse wonen; -MWi: Maximale Waarde industrie, het maximale gehalte waarbij de bodemkwaliteit duurzaam geschikt is voor de bodemfunctieklasse industrie. 4.3 Interpretatie analyseresultaten De volgende tabellen geven een overzicht van de analyseresultaten van de grondmonsters en het grondwatermonster. De analyseresultaten en toetsingswaarden zijn opgenomen in bijlage 3.
1296.77.221.r1
10
Tabel 10. Interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters Code Monsters >AW (+index) >T (m -mv) Gehele locatie, 5.240 m2 M01
>I (+index)
Indicatief BBK
02 (0,07 - 0,20) PCB (0,01) 05 (0,20 - 0,50) 08 (0,00 - 0,40) 16 (0,00 - 0,30) M02 01 (0,10 - 0,50) PCB (0,02) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,15 - 0,40) 09 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) M03 02 (0,50 - 1,00) 05 (0,50 - 1,00) 07 (0,50 - 0,80) 08 (0,50 - 1,00) 12 (0,50 - 0,90) 16 (0,50 - 1,00) M04 03 (0,50 - 0,90) 04 (0,50 - 1,00) 06 (0,50 - 1,00) 09 (0,50 - 0,90) 11 (0,50 - 1,00) 14 (0,60 - 1,00) Toplaag 1 t.a.v. asbest, circa 20 m2
-
-
Altijd toepasbaar
-
-
Altijd toepasbaar
-
-
Altijd toepasbaar
-
-
Altijd toepasbaar
M05
17 (0,00 - 0,10) 18 (0,00 - 0,10) Toplaag 2 t.a.v. asbest, circa 15 m2
-
-
Altijd toepasbaar
M06
-
-
Altijd toepasbaar
19 (0,00 - 0,10) 20 (0,00 - 0,10)
PCB (0,01)
Tabel 11. Interpretatie van de analyseresultaten van het grondwatermonster Code Monsters >S (+index) >T (m -mv) GW01 01 (2,00 - 3,00) -
Tabel 12. Analyseresultaten fijne fractie grondmonsters Code Monster (m -mv) Toplaag 1 t.a.v. asbest, circa 20 m2 100 (0,00 - 0,10) 101 (0,00 - 0,10) Toplaag 2 t.a.v. asbest, circa 15 m2
>I (+index) -
Gehalte asbest < 20 mm (mg/kg d.s.)
AM01
-
AM02
0,51)2)
102 (0,00 - 0,10) 103 (0,00 - 0,10) Verhardingspad t.a.v. asbest, circa 150 m2 AM03
104 (0,00 - 0,40) 105 (0,00 - 0,40) 106 (0,00 - 0,40)
1296.77.221.r1
-
11
Code
Monster Gehalte asbest < 20 mm (m -mv) (mg/kg d.s.) Aangetroffen bijmengingen met puin t.a.v. asbest, circa 100 m2 AM04
107 (0,07 - 0,20) 108 (0,20 - 0,50)
-
1)
Enkele losse vezels aangetroffen. Uit het onderzoek dat TNO heeft uitgevoerd blijkt dat het aandeel aan respirabele vezels waarschijnlijk niet meer zal zijn dan 5 - 10 % van het totale asbesthalte (zie RIVM-rapport 711701034/2003). Aanvullende onderzoek/analyse naar respirabele vezels wordt niet noodzakelijk geacht. 2) De aangeboden monsterhoeveelheid van de toplaag voldoet niet aan de eis conform de NEN 5898, echter heeft dit geen invloed op het eindresultaat van het verkennend asbestonderzoek. Formeel dient het resultaat als indicatief beschouwd te worden.
Uit de analyseresultaten kan het volgende worden afgeleid: Gehele locatie, 5.240 m2 - In het matig baksteenhoudende bovengrondmengmonster M01 is een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd. - In het zintuiglijk ‘schone’ bovengrondmengmonster M02 is een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd. - In het zintuiglijk ‘schone’ ondergrondmengmonster M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In het zintuiglijk ‘schone’ ondergrondmengmonster M04 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In grondwatermonster GW01 zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Toplaag 1 t.a.v. asbest, circa 20 m2 - In bovengrondmengmonster AM01 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. - In bovengrondmengmonster M05 is geen verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen. Toplaag 2 t.a.v. asbest, circa 15 m2 - In bovengrondmengmonster AM02 is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd. - In bovengrondmengmonster M06 is een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd. Verhardingspad t.a.v. asbest, circa 150 m2 - In bovengrondmengmonster AM03 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. Aangetroffen bijmengingen met puin t.a.v.
asbest, circa 100 m2 - In bovengrondmengmonster AM04 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen.
1296.77.221.r1
12
5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN In opdracht van, Van Dun Advies, heeft Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Groenstraat 32 te Esbeek. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen functiewijziging naar wonen en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw. De locatie heeft een oppervlakte van 5.240 m2 en betreft een vrijstaande woning met drie schuren, erf en tuin. Op enkele bijgebouwen is asbesthoudende dakbedekking zonder dakgoten en onverharde druppellijnen aanwezig. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van bodemverontreiniging. De druppellijnen zijn beschouwd als zijnde verdacht ten aanzien van asbest en PCB in de bovengrond. In verband met de aangetroffen bijmengingen met puin is ter plaatse aanvullend een verkennend asbestonderzoek verricht. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Gehele locatie, 5.240 m2 In de grond zijn ten hoogste lichte verhogingen aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhogingen aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond benaderen de nader onderzoekswaarden echter niet.
Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht ten aanzien van deze deellocatie. Toplaag 1 t.a.v. asbest, circa 20 m2 In de grond zijn geen verhogingen aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese "verdachte locatie" kan worden verworpen aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht ten aanzien van deze deellocatie. Toplaag 2 t.a.v. asbest, circa 15 m2 In de grond zijn ten hoogste lichte verhogingen aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in de grond benaderen de nader onderzoekswaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht ten aanzien van deze deellocatie.
1296.77.221.r1
13
Verhardingspad t.a.v. asbest, circa 150 m2 In de grond is geen verhoging aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese heterogeen "verdachte locatie" kan worden verworpen aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht ten aanzien van deze deellocatie. Aangetroffen bijmengingen met puin t.a.v. asbest, circa 100 m2 In de grond is geen verhoging aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese heterogeen "verdachte locatie" kan worden verworpen aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht ten aanzien van deze deellocatie.
Eindconclusie De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen functiewijziging naar wonen en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw.
1296.77.221.r1
14
6. VERANTWOORDING Het onderhavige onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Opgemerkt wordt echter, dat het onderhavige onderzoek gebaseerd is op het uitvoeren van een beperkt aantal boringen en het onderzoeken van een beperkt aantal monsters. Hierdoor blijft het mogelijk dat plaatselijke afwijkingen in de samenstelling van de grond en/of het grondwater aanwezig zijn, welke tijdens uitvoering van het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. Moerdijk Bodemsanering B.V. is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook.
1296.77.221.r1
15