CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

09 bp Julianastraat 36-42 (3 Bijlage 2a Toelichting

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Julianastraat 36-42".20.221 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gemeenten kunnen onderling programmaruimte uitwisselen uit kwalitatieve overwegingen. Deze uitwisseling dient regionaal in het RRO te worden vastgesteld. Het initiatief heeft betrekking op een verdichting van het bestaand stedelijk gebied in Diessen en leidt tot 8 extra (reguliere) wooneenheden die worden opgenomen in de harde plancapaciteit. Het plan past daarmee binnen de regionale afspraken.

36/67

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft haar ruimtelijk beleid verwoord in de Structuurvisie Hilvarenbeek. Er wordt ingezet op een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. De gemeente heeft met deze visie niet zozeer een toekomstvisie als wel een toetsingskader voor initiatieven voor de komende jaren. In de structuurvisie maakt de gemeente onderscheid naar type gebied en baseert daar haar beleid op. Het plangebied is gelegen in de kern Diessen en het gebiedstype verbindend lint. Dit gebiedstype (met de Julianastraat) kent een hoge dynamiek (verkeersbewegingen, bebouwingsdichtheid en een grote functionele diversiteit). De bebouwing bestaat uit veelal individuele panden. Kenmerkend hierdoor is de grote diversiteit aan gevelbeelden. De relevante toetsingscriteria voor nieuwe ontwikkelingen zijn in dit geval: a. Initiatieven, ook in het geval van sloop en nieuwbouw, moeten de ruimtelijke structuur niet verstoren. Dit wil zeggen dat voorkomen moet worden dat grote schaalverschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm met de directe omgeving zullen worden veroorzaakt; b.

Nieuwe initiatieven, in het geval van sloop en nieuwbouw, op meerdere aaneengesloten percelen, dienen het oorspronkelijk individueel karakter van het straatbeeld te respecteren. Mogelijkheden hiertoe zijn massaopbouw, gevelindeling en wisselingen van rooilijnen, of wisselingen van kapvormen; c. Nieuwe initiatieven op het gebied van werken en economie dienen kleinschalig te zijn en moeten beperkt blijven tot maximaal milieucategorie 2. Te denken valt aan kleinschalige commerciële voorzieningen, zoals zakelijke dienstverlening of kleinschalige bedrijvigheid. d. Nieuwe initiatieven dienen te voldoen aan de CROW-normering voor parkeren; Ad a: De bebouwing aan de Julianastraat 38-42 bestaat in de bestaande situatie uit 2 bouwlagen met een kap. Deze bebouwing zal echter worden gesloopt ten behoeve van de realisatie van een nieuw appartementengebouw met 6 appartementen. Ook de beoogde bebouwing zal bestaan uit 2 bouwlagen met een kap. De goothoogte zal in de nieuwe situatie maximaal 9 meter bedragen, de bouwhoogte maximaal 12 meter. De goothoogte van de bestaande bebouwing is 6 meter en de bouwhoogte bedraagt 9 meter. De nieuwe bebouwing wordt dus weliswaar hoger, de verhoging is niet significant. Zeker niet gezien de goot- en bouwhoogten die in de nabijheid van het plangebied aan de Julianastraat zijn gehanteerd.

Aan de Julianastraat 37-39 (overzijde) worden goot- en bouwhoogten gehanteerd van respectievelijk 7 en 11 meter. Aan de Julianastraat 41a t/m 41m is een appartementengebouw gerealiseerd met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 9 en 12 meter. Aan de Julianastraat 43 een goot- en bouwhoogte van 6,5 en 11 meter. Ter plaatse van bestaande woningen gelden goot- en bouwhoogten van voornamelijk 6 en 9 meter. De goot- en bouwhoogten in de omgeving van het plangebied verschillen dus van elkaar. Dit is ook kenmerkend voor bebouwing aan een dergelijke lint. Afwisseling in hoogten maar ook massa, nokrichting en afstand tot de weg zijn gebruikelijk voor lintbebouwing. De hogere goot- en bouwhoogte ten opzichte van de bestaande situatie is dan ook acceptabel. Bovendien is met de gevelindeling en architectuurvorm is rekening gehouden met de

37/67

ruimtelijke structuur en karakteristiek aan de Julianastraat. Ad b. Zie ook Ad a. De verschillen in bouwhoogte zijn niet significant en passend in de karakteristiek van de bebouwingslint. Voorkomen zal worden dat er sprake zal zijn van grote schaalverschillen en het individueel karakter van het straatbeeld. Ad c. De nieuwe mogelijkheden op het gebied van werken en detailhandel (economie) blijven beperkt tot milieucategorie 2, de oppervlakte aan bedrijfsfunctie zal verkleind worden en de maatvoeringen worden gemaximeerd. Ad d. In paragraaf 2.3.2 is aangetoond dat ruimschoots wordt voldaan aan de parkeernormen. De gemeente Hilvarenbeek geeft in haar structuurvisie aan dat gezorgd moet worden voor een compleet basisaanbod en het faciliteren van accommodaties (ontwikkelingen die altijd mogelijk moeten zijn). Diessen en Hilvarenbeek zijn beide hoofdverzorgingskernen, waarbij zij een verzorgingsfunctie vervullen ten opzichte van omliggende kernen. De gemeente streeft naar een breed aanbod aan voorzieningen, kwaliteitsversterking en clustering. Zij wil dan ook planologisch ruimte bieden aan vestigingsmogelijkheden voor commerciële voorzieningen, bij voorkeur in en nabij het centrum/de linten. De gemeente is tevens van mening dat het faciliteren van duurzame commerciële voorzieningen een ontwikkeling is die zou moeten kunnen.

De bewoners van Diessen wensen dat de voorzieningen in de kern behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het behoud van de detailhandelsvestigingen aan de Julianastraat vormt dan ook een lokaal ondersteunende voorziening in de kern Diessen. De locatie aan de Julianastraat is een passende locatie. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Hilvarenbeek wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. Toetsing Het planvoornemen voorziet in een efficiëntere en voor de omgeving verbeterde situatie. Bovendien wordt met de ontwikkeling voorzien in het behoud van bestaande voorzieningen in de kern Diessen en de toevoeging van woningen waar behoefte aan is. Daarmee wordt nadrukkelijk aangesloten op de structuurvisie. 3.4.2 Woonvisie 2020 - 2030 De gemeenteraad van Hilvarenbeek heeft op 4 juli 2019 haar woonvisie voor de periode 2020-2030 vastgesteld. De gemeente vindt het belangrijk dat er voor alle doelgroepen in de samenleving een plek is om te wonen in Hilvarenbeek. De woningvraag is groter dan het aanbod. Daarom wordt ingezet op het versnellen en vergroten van de woningproductie.

Daarbij richt de gemeente zich met name op de marktsegmenten die nu nog te beperkt aanwezig zijn, namelijk betaalbare woonruimte voor starters en levensloopgeschikte woningen. Het wordt niet reëel geacht om enkel uit te gaan van de lokale woningvraag. Er moet meer gebouwd worden om zowel vestigers, als eigen inwoners van voldoende woningaanbod te voorzien. Alleen dan kan een gevarieerd woningaanbod gecreëerd worden, waarbij voor iedere doelgroep een woning in de gemeente te vinden is. In

38/67

elke kern van de gemeente moet ruimte zijn voor woningbouw, om in te spelen op de woningbehoefte en de kernen leefbaar en vitaal te houden. Nieuwe woningbouwinitiatieven worden kwalitatief getoetst aan de hand van de volgende beoordelingscriteria: Locatiecriteria Bijdrage aan oplossen van leegstand of ander ruimtelijk knelpunt? Bijdrage aan versterken ruimtelijke kwaliteit? Voorziet het initiatief in zorgvuldig ruimtegebruik? Stedenbouwkundige criteria Passen massa en dichtheid in de omgeving? Voorziet het initiatief in voldoende parkeermogelijkheden? Voorziet het initiatief in een duurzame invulling van de ruimte? Voldoet het initiatief aan de nota Dorps Bouwen? Invulling kwalitatieve behoefte Voldoet het initiatief aan de geïnventariseerde behoefte uit de woonvisie? Worden woningen levensloopgeschikt gerealiseerd? Is er sprake van een vernieuwend / actueel woonconcept? Is de behoefte van het concrete initiatief aantoonbaar middels een recent uitgevoerd onderzoek? Nieuwe woningbouwplannen worden getoetst op de mate waarin zij een bijdrage leveren aan het volgende streefwoningbouwprogramma:

Figuur 3.1: Streefwoningbouwprogramma Hilvarenbeek De woningbouw opgave voor de kern Diessen bestaat uit het samenbrengen van de grote vraag naar woningen en het aanbod. In de eerste plaats moet er meer woningaanbod komen voor ouderen en andere mensen met een zorgvraag die langer zelfstandig (moeten) wonen. Belangrijk is daarbij om nieuwe woningbouwconcepten niet alleen op de doelgroep ‘ouderen’ te richten, maar vooral een mix van verschillende doelgroepen (jong en oud) te creëren. Als eerste stap zouden alle potentiële inbreidinglocaties in de buurt van het centrum van Diessen in beeld gebracht moeten worden.

39/67

Starters in Diessen zijn in de eerste plaats op zoek naar een betaalbare koopwoning (< €250.000). CPO-projecten zijn populair onder jongeren, maar daarbij is het belangrijk dat deze woningen (door kaders te stellen aan het oppervlak) structureel voor het starterssegment worden behouden. Eventueel kan middeldure huur een alternatief zijn voor starters, maar dit aanbod is nu niet of nauwelijks aanwezig in Diessen. Woningbouwlocaties in de buurt van het centrum zijn gewild (met name bij senioren). Daarom kan niet worden volstaan met alleen traditionele woningen. Er mag best wat ruimte zijn voor appartementen met meerdere lagen. Maar dat moet wel passen bij de schaal van het dorp Diessen en de specifieke plek; het dorpse woonmilieu moet wel gewaarborgd blijven. De vraag naar sociale huur is beperkt. Voor veel inwoners is dat segment eerder een noodoplossing, als kopen niet mogelijk blijkt te zijn. Voor deze doelgroep is het van belang dat in de grotere nieuwbouwlocaties een minimumpercentage aan sociale huur wordt gerealiseerd, om voldoende differentiatie in het woningaanbod te krijgen. Uitvoeringsprogramma Terwijl bij de Woonvisie de nadruk heeft gelegen op de kwaliteit, is er bij de uitvoering behoefte aan cijfers om een goede kwantitatieve afweging te kunnen maken. Jaarlijks rapporteren alle gemeenten aan de provincie over de gerealiseerde en geplande woningbouw.

Medio april 2020 heeft de gemeente Hilvarenbeek de volgende opgave aan de provincie gedaan:

Figuur 3.2: opgave nog te realiseren woningen Hilvarenbeek

De afname in de harde plancapaciteit valt samen met de in 2019 opgeleverde woningen. De resterende harde plancapaciteit zou nog voldoende moeten zijn voor enkele jaren, maar nieuwe bestemmingsplannen zijn nodig om toekomstige woningbouw veilig te stellen. Voor Diessen geldt dus een kwantitatieve behoefte van 234 te realiseren woningen tot 2030. Toetsing De beoogde ontwikkeling past binnen het streefwoningbouwprogramma en voorziet in een lokale woningbehoefte. Er worden per saldo 7 woningen toegevoegd. De mogelijkheid bestaat om een gedeelte van de bedrijfsbestemming aan de Julianastraat 38 om te zetten naar een reguliere grondgebonden woning. Daarnaast wordt de bestaande bovenwoning vervangen door 6 levensloopbestendige appartementen. Een bedrijfswoning

40/67

wordt omgezet naar een reguliere woning. Allen in de vrije sector huur. Daarmee worden woningen gerealiseerd in de directe nabijheid van voorzieningen voor zowel de doelgroep senioren als starters. Aan de hand van de criteria is de kwalitatieve beoordeling van het plan overwegend positief. De ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Het plangebied is reeds bebouwd en wordt vernieuwd waarbij ten aanzien van de omvang en positionering wordt aangesloten op de bestaande bebouwing. Het benutten van de grond voor woondoeleinden is zorgvuldig, in die zin dat het passend is bij de woonbebouwing en de bedrijvigheid, in de directe omgeving van het plangebied. In de woonvisie zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de woonvisie geen belemmering vormt voor de plan realisatie. 3.4.3 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) beschrijft de invulling van de zorgplichten en de onderliggende visie op het stedelijk waterbeheer. Binnen het samenwerkingsverband ‘Doelmatig waterbeheer Hart van Brabant is een gezamenlijke visie en ambitie opgesteld. Deze visie is uitgangspunt geweest in de in juli 2017 vastgestelde Keuzenota om te komen tot de speerpunten voor dit vGRP.

Hiermee zijn de opgenomen projecten vaak maatregelen die in de samenwerking passen en gezamenlijk worden uitgevoerd. Met het vGRP wordt de ontwikkeling van de rioolheffing voor de aankomende vijf jaar bepaald en een doorkijk gemaakt voor 30 jaar. Dit draagt bij aan goed rentmeesterschap en een houdbare belastingdruk. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden in principe waterneutraal uitgevoerd, waarbij getracht wordt te voorkomen dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater optreden. Verhard oppervlak wordt in principe niet aangesloten op de riolering. Het hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. In een rioleringsplan (of waterparagraaf, zie paragraaf 4.3) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding of voor infiltratie en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan. Hiermee wordt het afstromend hemelwater behandeld in de voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld. Het beleid voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO) vanuit de gemeente is een aanscherping ten opzichte van het beleid in de Keur. Voornamelijk in bestaand gebied kunnen ontwikkelingen bijdragen aan een klimaatbestendig rioolstelsel.

Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld van compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. Onderdeel van het vGRP is het "Hemel- en grondwaterbeleid, bijlage 1". Daarin staan regels met betrekking tot nieuw verhard oppervlak binnen de bebouwde kom. Op basis van de kaart behorende bij die bijlage is het plangebied gelegen binnen een gebied waar het verplicht is hemelwater af te koppelen. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, richt dit aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak met een compensatieverplichting vanaf 250 m². Onder 'nieuw verhard oppervlak' wordt binnen dit gemeentelijk beleid dát oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. In paragraaf 4.3.2 wordt daar nader op ingegaan.

41/67

De beoogde herontwikkeling heeft geen toename van oppervlakteverharding tot gevolg. Dit aspect is dan ook niet van toepassing.

42/67

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1 Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. 4.1.2

Onderzoek en conclusies

De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Uit de hierna volgende paragrafen zal blijken dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 8 woningen en maximaal 2.000 m2 bvo detailhandel. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is waarin dit document in voorziet. De Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt als separate bijlage onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Uit de informatie in de notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk. Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

43/67

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1 Beleid en normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen. 4.2.2 Onderzoek Uitbreiding detailhandel Bij het voorgenomen gebruik in het plangebied is niet direct sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik. Hierdoor is onderzoek naar de bodemkwaliteit niet noodzakelijk. Desalniettemin is uit zorgvuldigheidsoverwegingen ter plaatse van de uitbreiding van de supermarkt toch een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dat onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting.

Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. De matig puinhoudende grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) is zeer licht verontreinigd met PCB's. De grond uit de bodemlaag onder het menggranulaat (0,4-1,05 m-mv) ter plaatse van de parkeerplaats is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 2. De grond uit de onderlaag (0,5-2,2 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 3. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. 4. De hypothese niet-verdachte locatie kan worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies wordt het volgende opgemerkt: 1. De aangetroffen bijmenging met puin ter plaatse van de boring 103 kan niet zondermeer als onverdacht voor asbest worden beschouwd. Zintuiglijk zijn geen bijmengingen met asbest aangetroffen in of op de bodem. Gezien het sporadische voorkomen van dit puin en gezien de bovenliggende vloer wordt een onderzoek naar asbest conform NEN5707 niet noodzakelijk geacht. 2. Er behoeven, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan toekomstige bouwactiviteiten op de onderzochte locatie. 3. De lichte verontreiniging met PCB's in de matig puinhoudende bovengrond vormt geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek conform de Circulaire Bodemsanering [8].

De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar. 4. Gelet op de aangetroffen concentratie aan barium in het grondwater is het uitvoeren van een nader onderzoek naar de herkomst volgens de Circulaire Interventiewaarden Bodemsanering niet noodzakelijk. Aangezien direct contact met het grondwater niet te verwachten is blijft het risico uit oogpunt van

44/67

volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt. 5. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit. Tevens heeft er een historisch bodemonderzoek plaatsgevonden, zie bijlage 3. Hieruit blijkt het volgende: Onder en vóór de bebouwing van het woonhuis en de voormalige kantoorruimte aan de Julianastraat 36-38 (voormalig tankstation) is een restverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten achtergebleven na de uitgevoerde sanering in maart-april 1998. Het zou gaan om circa 160 m³ (met minerale olie (boven tussenwaarde), en BTEX, (boven interventiewaarde) verontreinigde grond. Deze verontreiniging is in de grond achtergebleven omdat deze ten tijde van de sanering niet toegankelijk was (deze is onder de woning en de (voormalige) showroom gesitueerd). Deze verontreiniging bevindt zich in de bodemlaag in het traject tussen 1,64 m-mv. De bebouwing zal hier niet gesloopt worden, verdere sanering van de verontreiniging is derhalve niet zondermeer aan de orde. Aangezien in de periode van onderzoek en sanering al is vastgesteld dat geen sprake was van humane risico's bij een gebruik als woonhuis, is er vooralsnog geen aanleiding te veronderstellen dat deze risico's zich nu wel voor zullen doen.

Wel wordt geadviseerd hier een actualisatie van de bodemkwaliteit uit te voeren. Zuidelijk van deze bebouwing heeft een ondergrondse tank voor de opslag van HBO gelegen. Hier heeft eerder geen onderzoek plaatsgevonden, dit dient alsnog te gebeuren. Ter plaatse van de bebouwing aan de Julianastraat 36B-42 wordt het bestaande gebruik (voormalige dagwinkel en bovenwoning) gewijzigd waarbij de bebouwing op een zeker moment (deels) zal worden gesloopt. De bodem dient hier, gezien de historie van de locatie, als heterogeen verdacht te worden beschouwd. Vooralsnog zijn er geen concrete aanwijzingen dat hier een verontreiniging aanwezig is, de tanks die naast deze locatie hebben gelegen bleken geen verontreiniging te hebben veroorzaakt. In lijn met de modelbouwverordening dient hier onderzoek na sloop van de bebouwing uitgevoerd te worden. Voor het overige verandert het feitelijke gebruik niet (voorzien zijn inpandige verbouwingen) en is er geen aanwijzing dat graafwerkzaamheden voorzien zijn in potentieel verontreinigde grond. Ook is tijdens eerdere onderzoeken en het recent door Archimil uitgevoerde onderzoek niet gebleken dat sprake is van een ophooglaag of verhardingslaag van potentieel verontreinigd materiaal. Het uitvoeren van aanvullend veld- en laboratoriumonderzoek wordt in dit kader dan ook niet noodzakelijk geacht.

Woningen Ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen is nog geen (aanvullend) bodemonderzoek uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek kan pas goed worden uitgevoerd als de huidige functie is gestopt en de bebouwing is gesloopt. Overigens zijn de gronden ter plaatse van de voormalige dagwinkel altijd in gebruik geweest als woning of detailhandel. Hier zijn dan ook geen bodemverontreinigingen te verwachten. Desalniettemin zal bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen een bodemonderzoek moeten worden overlegd waaruit blijkt dat de gronden geschikt zijn voor de woonfunctie. Nader onderzoek bij activiteit bouwen Gemeente is van mening dat mogelijk verdachte locaties in het kader van dit bestemmingsplan niet verder

45/67

onderzocht hoeven te worden voor zover er geen concrete bouwactiviteiten plaatsvinden en tegelijkertijd gevoelige functies worden toegevoegd. Onderzoek kan worden uitgevoerd, eventueel gevolgd door saneringsmaatregelen op het moment dat de activiteit bouwen aan de orde komt. 4.2.3 Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.3

Water

4.3.1 Beleid en normstelling Waterbeheer De initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap de Dommel, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij onderhavige procedure wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De eventuele opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Op Europees en landelijk niveau is het overkoepelende waterbeleid vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Waterplan en het Nationaal Bestuursakkoord Water. De doorvertaling van dit beleid is regionaal vastgelegd in het Provinciaal Waterplan en het Waterbeheersplan van het Waterschap.

Daarnaast is in Hilvarenbeek het waterbeleid op gemeentelijk niveau vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021. Regionaal waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap haar strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Op dit moment is het Waterbeheerplan 2016 - 2021 van kracht. Dit plan is opgesteld in samenhang met het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP) en het Stroomgebiedsbeheerplan. Bij ontwikkelingen blijft de voorkeursvolgorde van de drietrapsraket ‘vasthouden, bergen, afvoeren’ van toepassing waarbij het waterschap inmiddels kiest voor een mix van maatregelen waardoor het watersysteem efficiënter en praktischer kan worden ingericht. Watertoets Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat bij ruimtelijke plannen zoals deze rekening gehouden dient te worden met de waterhuishouding. Middels het uitvoeren van een Watertoets worden alle relevante zaken met

46/67

betrekking tot de waterhuishouding afgestemd en besproken met de waterbeheerder(s). 4.3.2 Onderzoek en conclusie Het plangebied is in de bestaande situatie reeds geheel bebouwd en verhard. Bovendien wordt er slechts in beperkte mate bebouwing binnen het plangebied toegevoegd. Ter plaatse van de voormalige dagwinkel aan de Julianastraat 38 wordt in de toekomstige situatie met appartementen zelfs minder verharding verwacht. Onder 'nieuw verhard oppervlak' wordt binnen het vGRP beleid dát oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Dit bestemmingsplan voorziet grotendeels uitsluitend in functiewijzigingen binnen bestaande of reeds vergunde bebouwing. Ten aanzien van het verhard en bebouwd oppervlak wijzigt de situatie alleen ter plaatse van de voormalige dagwinkel. Deze bebouwing, met een oppervlakte van 409 m² zal worden gesloopt. Daarvoor in de plaats komt een nieuw woongebouw ten behoeve van 6 appartementen. Dit gebouw beslaat een oppervlakte van circa 270 m². Daarnaast gaan we er, worst-case, vanuit dat 50% van de achtertuin (70 m²) zal worden verhard ten behoeve van een eventueel terras. Daarmee komt het totaal verhard oppervlak in de nieuwe situatie op 340 m².

Zoals hierboven aangegeven wordt het te slopen verhard oppervlak op basis van het beleid echter niet van het "nieuw verhard oppervlak" afgetrokken. Het planvoornemen voorziet dus concreet wel in een (minimale) afname van het verhard oppervlak. Bij de geplande ontwikkeling binnen het plangebied wordt de waterhuishouding dan ook niet negatief beïnvloedt. Op basis van het vGRP is het dan ook niet noodzakelijk om compenserende maatregelen te treffen. Bij uitwerking van de bouwplannen voor de nieuwe woningen zal verder worden onderzocht of er maatregelen te treffen zijn om het watersysteem ter plaatse te ontlasten. Daarbij wordt gedacht aan de berging van water in infiltratiekratten of de tijdelijke opslag en vertraagde afvoer van water vanuit het dakoppervlak. Het hemelwater vanaf de bestaande bebouwing wordt afgekoppeld en de nieuwbouw van de woningen zal hydrologisch neutraal zijn. Andere maatregelen zijn binnen het plangebied niet mogelijk. Geconcludeerd kan echter worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden,

47/67

gemengde gebieden en rustige buitengebieden. 4.4.2 Onderzoek Het plangebied is te kenmerken als een gemengd gebied aangezien er in de directe nabijheid verschillende functies aanwezig zijn zoals bedrijven, horeca en detailhandelsbedrijven. Bij de geplande ontwikkeling worden bedrijfshindergevoelige functies in de vorm van woningen gerealiseerd. Onderzocht moet worden of de detailhandelsfuncties en de bedrijfsfunctie van invloed zijn op deze woningen. De overige functies zijn reeds aanwezig. De locatie van deze functies zal enigszins wijzigen maar de afstand tot bestaande woningen zal niet wijzigen. Op basis van de geldende bestemming 'Bedrijf' ter plaatse van het camperbedrijf, is deze functie (milieucategorie 2) reeds toegestaan (zie ook paragraaf 2.2). Dit hoeft dan ook niet getoetst te worden. Voor de voormalige dagwinkel aan de Julianastraat 38 is eerder een afzonderlijke vergunning verleend. Daarmee is deze functie reeds toegestaan. In onderstaande paragraaf wordt toch ingegaan op de aan te houden afstanden tot milieugevoelige functies. Nutsvoorziening Aangrenzend aan het plangebied bevindt zich een kleinschalige nutsvoorziening van KPN. In overleg met de beheerder en afhankelijk van het vermogen van de nutsvoorziening dient bepaald te worden welke afstand tot gevoelige bestemmingen moet worden aangehouden.

In de bestaande situatie is echter al een woonfunctie aanwezig op een afstand van circa 10 meter. In de beoogde situatie zal de afstand tot de nutsvoorziening niet kleiner worden. Geconcludeerd wordt dan ook dat de nutsvoorziening geen negatieve invloed heeft op het planvoornemen. Bedrijfshinderveroorzakende functie De milieucategorie voor de bedrijfshinderveroorzakende functie van de supermarkt betreft milieucategorie 1. Ook de dagwinkel PUUR valt in deze milieucategorie. De PUUR wordt gedeeltelijk voorzien ter plaatse van de huidige supermarkt. In het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering heeft deze verplaatsing geen gevolgen aangezien het dezelfde milieucategorie betreft. In gemengde gebieden geldt voor een dergelijke functie een richtafstand (in het kader van de aspecten geluid, geur, stof en gevaar) van 0 meter. Er hoeft dus geen afstand te worden aangehouden tot gevoelige objecten zoals woningen. De nieuwe woningen zijn gelegen op een afstand van minimaal 5 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie. Ook de afstand tot bestaande woningen is minimaal 10 meter en vormt derhalve geen probleem. De supermarkt past gedeeltelijk binnen de geldende bestemming detailhandel en valt gedeeltelijk binnen de bestemming 'Bedrijf'.

Binnen de bestemming bedrijf is afwijking van de gebruiksregels mogelijk als de activiteiten vergelijkbaar zijn met bedrijven in de milieucategorie 1 of 2. Zoals eerder aangegeven valt een supermarkt onder milieucategorie 1. Hier kan dus worden afgeweken van de gebruiksregels. Om aan te tonen dat de supermarktontwikkeling geen hinder voor de omgeving zal opleveren, en in het kader van een goede ruimtelijke ordening, is een akoestisch onderzoek inrichtingslawaai uitgevoerd. Met het akoestisch onderzoek zijn de geluidsniveaus op de nabijgelegen woningen ten gevolge van de ontwikkeling na optimalisering in beeld gebracht. Om te kunnen bepalen wat de gevolgen zijn voor de omgeving, is daarbij

48/67

tevens de huidige situatie in beeld gebracht. Akoestisch onderzoek inrichtingslawaai De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt het volgende: Zowel in de huidige als de toekomstige situatie wordt in de dag- en nachtperiode voldaan aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit; In de avondperiode wordt het geluidsvoorschrift ter plaatse van de zijgevel van de bovenwoning aan de Julianastraat 36B-42 met 2 dB(A) overschreden als gevolg van passerende personenauto's die het parkeerterrein oprijden. Deze situatie doet zich zowel in de huidige als toekomstige situatie voor. De enige manier om deze overschrijding te voorkomen, is de toegang naar het parkeerterrein via de Julianastraat vanaf 19:00 uur af te sluiten. Met een minimale geluidswering van de gevel van de woning van 17 dB(A) wordt in de woning wel voldaan aan het maximaal toelaatbare maximale geluidsniveau van 50 dB(A). Ook slecht geïsoleerde woningen behalen een dergelijke geluidswering. Daarom kan er ter plaatse van de bovenwoning een maatwerkvoorschrift van 67 dB(A) voor het maximale geluidsniveau in de avondperiode worden opgelegd door de gemeente Hilvarenbeek, indien het niet wenselijk is de toegang vanaf de Julianastraat in de avondperiode af te sluiten.

Hoewel in de dagperiode voldaan wordt aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit is er bij de woningen aan de Docfastraat sprake van een toename van de maximale geluidsniveaus als gevolg van de rijdende vrachtwagens. Ter plaatse van de woningen, waar sprake is van maximale geluidsniveaus hoger dan 70 dB(A), is (ten opzichte van de bestaande situatie) sprake van een toename van 1 tot 3 dB(A). Deze toename wordt veroorzaakt doordat de rijroute van de vrachtwagens voor de bevoorrading op kortere afstand van de woningen komt te liggen. In de praktijk blijken overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus door laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode in het algemeen niet tot hinder te leiden en hoeven daarom conform het Activiteitenbesluit niet beoordeeld te worden. Overwogen kan worden om de bewoners van de woningen aan de Docfastraat 17, 19, 21 en 21A aan te bieden om voorzieningen aan de houten schuttingen te treffen, zodat de kieren gedicht worden. Dit kan als vergunningsvoorschrift aan de omgevingsvergunning worden verbonden.

Hiermee ontstaat bij deze woningen en de woningen aan de Docfastraat 11 en 15 een verlaging van de optredende maximale geluidsniveaus, waardoor de hoogte van de optredende maximale geluidsniveaus naar verwachting gelijk blijft aan de bestaande situatie; Als gevolg van extra verkeer neemt het equivalente geluidsniveau van inrichtingsgebonden verkeer in de dag- en avondperiode met 0,5 dB(A) toe. Dit is met het menselijk gehoor niet waar te nemen. Het optredende equivalente geluidsniveau ten gevolge van inrichtingsgebonden verkeer voldoet bij de woningen aan de Julianastraat 52a en 54 niet aan de voorkeursgrenswaarde, maar wel aan de maximale grenswaarde. Het optredende equivalente geluidsniveau wordt toelaatbaar geacht, omdat: 1. deze niet wijzigt als gevolg van de wijzigingen van de inrichting; 2. de maximale grenswaarde niet wordt overschreden; én 3. met een minimale geluidswering van 20 dB(A) voldaan wordt aan het maximaal toelaatbare geluidsniveau in de woning. Ten aanzien van het laatste punt moet opgemerkt worden dat in paragraaf 2.3.3 is onderbouwd dat het aantal verkeersbewegingen (beperkt) zal afnemen. Er is in dit geval dan ook geen sprake van een toename van het equivalente geluidsniveau van inrichtingsgebonden verkeer.

49/67

Akoestisch onderzoek wonen Hierboven zijn de resultaten opgenomen van het akoestisch onderzoek met betrekking tot de uitbreiding van de supermarkt. Het voornemen bestaat echter om in fase 3 de bedrijfsbestemming op de Julianastraat 38 te wijzigen naar een woonbestemming en de bebouwing aan de Julianastraat 36B-42 te slopen en te vervangen door 6 appartementen. In dat kader is een notitie opgesteld die is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. Op basis van het aanvullende onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Wat betreft de geluidsuitstraling van de PLUS en PUUR, kan het gebouw aan de Julianstraat 38 een woonbestemming krijgen. De realisatie van nieuwbouwappartementen aan de Julianastraat 36B-42 is mogelijk, onder de volgende voorwaarde: 1. De gemeente Hilvarenbeek legt maatwerkvoorschriften op voor de nieuwe appartementen, gelegen aan de oostzijde van het pand. De op te leggen maatwerkvoorschriften voor het maximale geluidsniveau in de avondperiode bedragen 72 dB(A) voor de begane grond, 70 dB(A) voor de eerste verdieping en 67 dB(A) op de tweede verdieping. Vanwege wegverkeerslawaai dient deze gevel reeds over een geluidswering van minimaal 24 dB te beschikken. Daarom wordt in de nieuwe woningen zeker voldaan aan het toelaatbare maximale geluidsniveau.

Akoestisch onderzoek Campertrek Ter plaatse van de Julianastraat 38 wordt de bedrijfsbestemming in de toekomst mogelijk gewijzigd naar een woonbestemming. In het naastgelegen pand is een camperverhuurbedrijf (Campertrek) gesitueerd en in dit bestemmingsplan worden bedrijven in de maximale milieucategorie 2 mogelijk gemaakt. In gemengde gebieden geldt voor een dergelijke functie een richtafstand (in het kader van de aspecten geluid, geur, stof en gevaar) van 10 meter. Aan deze afstand wordt in de boogde situatie niet voldaan. Van richtafstanden kan worden afgeweken als is onderbouwd of onderzocht dat de betreffende functie geen negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de milieugevoelige functie, in dit geval de mogelijk toekomstige woning aan de Julianastraat 38. In dat kader is een akoestische beoordeling uitgevoerd. Deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Uit de berekening die als bijlage onderdeel uitmaakt van de beoordeling, blijkt dat het geprognostiseerd optredende binnenniveau in de woning circa 27 dB(A) gaat bedragen. In de dagperiode wordt een binnenniveau ten gevolge van de werkplaats toegestaan van 35 dB(A). In de avondperiode is de eis met 30 dB(A), 5 dB strenger.

Het optredende binnenniveau voldoet hiermee in de dag- en avondperiode aan de gestelde eis voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit. Het maximaal geluidsniveau (pieken) is naar verwachting circa 15 dB hoger. Het binnenniveau tijdens deze pieken bedraagt 27+15 is 42 dB(A). In de dagperiode (tot 19.00 uur) wordt voldaan aan de grenswaarde van 55 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau uit het Activiteitenbesluit. Ook in de avondperiode wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A). Overigens zijn werkzaamheden in de Campertrek na 18 uur niet te verwachten en zeker niet gebruikelijk. Geconcludeerd wordt dat met de voorgestelde scheidingswand voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Geconcludeerd kan derhalve worden dat er vanuit akoestisch oogpunt er geen belemmeringen zijn voor de nieuwe woonbestemming aan de Julianastraat 36b. De inrichting zal hiermee niet

50/67

belemmerd worden in zijn bedrijfsvoering. 4.4.3 Conclusie De bewoners van de woningen aan de Docfastraat 17, 19, 21 en 21A zal worden aangeboden om voorzieningen aan de houten schuttingen te treffen, zodat de kieren gedicht worden. Daarmee worden de toenames van geluid als gevolg van de ontwikkeling opgeheven en hiermee wordt een goede ruimtelijke ordening/een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aangetoond. Het planvoornemen voorziet in de (beperkte) afname van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande (vergunde) situatie. Om geluidsoverlast ter plaatse van de nieuwe woningen te voorkomen worden maatwerkvoorschriften opgelegd. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.

4.5

Wegverkeerslawaai

4.5.1 Beleid en normstelling De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor. 4.5.2 Onderzoek Binnen het plangebied worden nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk indien de nieuwe woningen binnen de geluidszone van een weg zijn gelegen. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dat onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: Het bestaande gebouw aan de Julianastraat 38 kan in de toekomst mogelijk een woonbestemming krijgen, mits er een hogere waarde van 62 dB voor wegverkeerslawaai afkomstig van de Julianastraat wordt vastgesteld door Burgemeesters en wethouders én aangetoond wordt dat de karakteristieke geluidswering van de gevel minimaal 34 dB bedraagt.

Om dit te kunnen bereiken, zullen mogelijk geluidswerende voorzieningen getroffen moeten worden. Aan de Julianastraat 36B-42 kunnen 6 appartementen gerealiseerd worden, mits er een hogere waarde van 62 dB voor wegverkeerslawaai afkomstig van de Julianastraat wordt vastgesteld door Burgemeesters en wethouders én aangetoond wordt dat de karakteristieke geluidswering van de gevel minimaal 34 dB bedraagt. Voor het appartement op de begane grond aan de oostzijde dient de hogere waarde 63 dB te bedragen en de karakteristieke geluidswering minimaal 35 dB.

51/67

Alle woningen beschikken aan de achterzijde (zuidgevel) over een geluidsluwe gevel. In artikel 3.3.3 van de regels is een regeling opgenomen die ertoe zal leiden dat er bij de nieuwe woningen sprake zal zijn van een goed akoestisch klimaat. Het verblijfsgebied van een nieuwe woning en iedere verblijfsruimte binnen dat verblijfgebied moeten beschikken over een geluidwering die ervoor zorgt dat binnen de nieuwe woningen niet te veel geluidbelasting zal bestaan. Voorts zal iedere nieuwe woning een zijde en buitenruimte moeten hebben waar de geluidbelasting niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Dit wordt geluidluw genoemd. Ten slotte moeten de verblijfsruimten in de woning zoveel mogelijk aan de geluidluwe dan wel aan de zijde van de woning die het minst belast wordt door geluid gerealiseerd worden. Deze voorschriften zorgen samen voor woningen waar het akoestisch klimaat in orde zal zijn. 4.5.3 Conclusie Om de woningen te kunnen realiseren dient een procedure Hogere waarden te worden doorlopen. Deze procedure zal parallel aan de bestemmingsplanprocedure worden doorlopen.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Beleid en normstelling Wet Milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

52/67

4.6.2 Onderzoek NIBM Het planvoornemen voorziet voornamelijk in het efficiënter inrichten van de locatie en de bebouwing. Daarnaast wordt met functies geschoven. De oppervlakten van zowel de bedrijfsfunctie als de detailhandelsfunctie zal afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Wel worden 6 extra woningen gerealiseerd. Zoals in paragraaf 2.3 reeds beschreven, zorgt deze herinrichting niet voor extra verkeersgeneratie. In paragraaf 2.3.3 is geconcludeerd dat er sprake zal zijn van een (beperkte) afname van verkeer. Op basis daarvan kan dan ook worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse. Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven. 4.6.3

Onderzoek Wet Milieubeheer

Figuur 4.2: Uitsnede NSL-monitoringstool t.p.v. plangebied Op basis van de NSL monitoringstool geldt in 2020 ter plaatse van het plangebied een gemiddelde concentratie van 17,1 ug/m³ voor stikstofdioxide (NO2) en 18,3 ug/m³ voor fijn stof (PM10). Het maximaal aantal

53/67

overschrijdingsdagen is 6,4. Het planvoornemen voorziet niet in extra verkeersbewegingen en er is dus ook geen sprake van extra NO2 of PM10 uitstoot. De normen voor stikstofdioxide en fijn stof liggen op 40 respectievelijk 40 ug/m³ (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). Er is derhalve geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de streefwaarde. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan een goede woon- en leefklimaat voor wat betreft de luchtkwaliteit. 4.6.4 Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.7

Archeologie

4.7.1 Beleid en normstelling Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Erfgoedwet De Erfgoedwet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt.

Voor de onderstaande onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019: Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Archeologiebeleid Hilvarenbeek Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de

54/67

belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. Het Archeologiebeleid van de gemeente Hilvarenbeek is vastgesteld d.d. 27 september 2012. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Deze kennis komt tot uiting in vijf periode-specifieke archeologische verwachtingskaarten die tonen op welke locaties archeologische resten uit bepaalde perioden kunnen worden verwacht. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen.

4.7.2 Onderzoek De archeologische beleidskaart van de gemeente is een archeologisch verwachtingsmodel, waaraan grenzen zijn gekoppeld tot waar voorgenomen bodemingrepen worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Omdat er sprake is van een gedifferentieerde archeologische verwachting, is er ook sprake van gedifferentieerde vrijstellingszones. Volgens de archeologische beleidskaart geldt voor het plangebied een middelhoge/hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten.

Figuur 4.3: uitsnede van de archeologische verwachtingkaart met plangebied rood omlijnd

55/67

Figuur 4.4: Legenda archeologische verwachtingkaart Ter plaatse van het plangebied komen 4 archeologische verwachtingswaarden voor: Historische kern: onderzoeksplicht vanaf 100 m² en dieper dan 40 centimeter; Archeologische vindplaats: onderzoeksplicht vanaf 100 m² en dieper dan 50 centimeter; Hoge archeologische verwachting voor uitsluitend vindplaatsen van jager- verzamelaars: onderzoeksplicht vanaf 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter; Middelhoge/onbekende archeologische verwachting: onderzoeksplicht vanaf 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter. Het planvoornemen voorziet voornamelijk in verschuivingen van de reeds aanwezige functies binnen bestaande bebouwing. Ten behoeve van een efficiëntere indeling van de detailhandelsfuncties in combinatie met het camperbedrijf is reeds maximaal 150 m² aan extra bebouwing gerealiseerd. Deze bebouwing is gerealiseerd binnen de middelhoge archeologische verwachtingswaarde en gedeeltelijk binnen het gebied dat is aangewezen als archeologische vindplaats. De oppervlakte van 100 m² wordt hier niet overschreden waardoor de bouwwerkzaamheden niet onderzoeksplichtig waren. Ter plaatse van de Julianastraat 38-42 wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden 6 nieuwe appartementen gerealiseerd. De bestaande bebouwing met een oppervlakte van 384 m² wordt hier gesloopt. De bebouwing die daarvoor in de plaats komt krijgt een oppervlakte van 236 m².

De betreffende gronden zijn echter reeds geroerd bij de realisatie van de huidige bebouwing. Hier kunnen geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Verder worden er geen gronden geroerd waardoor eventueel aanwezige archeologische waarden geschaad zouden kunnen worden. Er geldt dan ook geen onderzoeksplicht voor de betreffende werkzaamheden.

56/67

4.7.3 Conclusie Het planvoornemen voorziet niet in grondwerkzaamheden waarvoor een onderzoeksplicht geldt. Het aspect archeologie belemmert de uitvoering van de ontwikkeling niet.

4.8

Cultuurhistorie

4.8.1 Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 4.8.2 Onderzoek In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorische objecten aanwezig. 4.8.3 Conclusie Het geplande ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.9

Ecologie

4.9.1 Beleid en normstelling Met de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de

57/67

leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.

De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van

58/67

gebieden. 4.9.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt binnen 3 kilometer van delen van het Natura 2000-gebied ‘Kempenland West', bestaande uit de heide- en vennengebieden de Roovertsche Heide, de Mispeleindsche Heide, de Neterselsche Heide, de Landschotsche Heide en het Groot en Klein Meer. Tussen deze heideterreinen stromen de laaglandbeken Reusel, Groote Beerze en Kleine Beerze. Van deze beken zijn als Natura 2000-gebied aangewezen: de beekdalen van de Reusel, vanaf Langevoortse Brug ten oosten van Hooge Mierde tot aan de Wilhelminadijk ten westen van Haghorst; de beekdalen van de Groote Beerze, vanaf Bladel tot de samenvoeging met de Kleine Beerze, ten noorden van Middelbeers; de beekdalen van de Kleine Beerze vanaf de Urnenweg ten oosten van Hoogeloon tot de samenvoeging met de Groote Beerze ten noorden van Middelbeers. Het beekdal van de Reusel stroomt op een afstand van circa 220 meter van het plangebied. De instandhoudingsdoelen uit het aanwijzingsbesluit voor de Reusel hebben betrekking op: Uitbreiding van het areaal beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) met behoud van kwaliteit; Behoud van beekbegeleidende bossen met verbetering van kwaliteit; Behoud van de doelsoort Drijvende waterweegbree met behoud van kwaliteit; Behoud van de doelsoort Kleine modderkruiper met behoud van kwaliteit.

Uit het concept-beheerplan blijkt dat de instandhoudingsdoelen gehaald worden door beekherstelprojecten stroomopwaarts, door kleinschalig beheer van bossen en door beheer- en inrichtingsmaatregelen van het waterschap. De ontwikkeling van het plangebied heeft geen invloed op de waterkwaliteit en daarmee is er geen sprake van enig effect van het voornemen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Ten opzichte van de bestaande vergunde situatie waarbij de nieuwe situering van de supermarkt en dagwinkel PUUR reeds zijn vergund, vindt alleen de toevoeging van het appartementengebouw plaats. De bestaande, gasverbruikende bebouwing wordt gesloopt en vervangen door gasloze nieuwe woningen. Daarnaast voorziet het planvoornemen in een (beperkte) afname van het verkeer (zie 2.3.3). Om deze redenen kan geconcludeerd dat de stikstofuitstoot in de beoogde situatie zal afnemen. Het is dan ook niet nodig om een Aerius-berekening voor de gebruiksfase uit te voeren. De noodzaak om Aeriusberekeningen uit te voeren voor de aanlegfase (sloop en bouw nieuwe woningen) is door de inwerkingtreding van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) komen te vervallen. Voor de aanlegfase is daarmee namelijk generiek ontheffing verleend. De dichtstbijzijnde delen van het NatuurNetwerk, naast de Reusel, liggen op grotere afstand van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11853445/1