09 bp Julianastraat 36-42 (3 Bijlage 2a Toelichting
Tekst van het document
Van enig effect door het voornemen is geen sprake. De toetsing betreft dus alleen soortenbescherming in het kader van de Flora- en Faunawet. Soortenbescherming Om er zeker van te zijn dat de beoogde (beperkte) ruimtelijke ingrepen niet in strijd zijn met de Wet
59/67
Natuurbescherming (Wnb), is in een eerdere fase al een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 10 bij deze toelichting. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt het voorkomen van negatieve effecten op vleermuizen en broedvogels uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van de analyse in de quickscan worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten. 4.9.3 Conclusie De plannen zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Aangezien de ontwikkeling in de gebruiksfase een positief effect heeft, dus minder stikstofdepositie, worden er geen nadelige effecten verwacht voor wat betreft de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Significante effecten zijn derhalve uitgesloten. Het is niet noodzakelijk aanvullend ecologisch onderzoek uit te voeren. Het aspect ecologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. 4.10.2 Onderzoek In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. Alvorens er graafwerkzaamheden binnen het plangebied zullen plaatsvinden zal een KLIC-melding worden uitgevoerd om te voorkomen dat kabels en leidingen worden beschadigd. 4.10.3 Conclusie Er zijn geen kabels en leidingen in het plangebied aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de geplande ontwikkeling.
4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het
60/67
groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR).
Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.
In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor
61/67
het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.11.2 Onderzoek
Figuur 4.5: Uitsnede Risicokaart Nederland Risicorelevante inrichtingen Uit de risicokaart voor Nederland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde bedrijf met een risicocontour en aan te houden veiligheidsafstand is gelegen op een afstand van ruim 550 meter. De betreffende inrichting heeft een propaantank waarvoor een veiligheidscontour van 15 meter moet worden aangehouden. Het planvoornemen wordt hier dus niet door beïnvloed. Vervoer gevaarlijke stoffen Er zijn geen (spoor)wegen in de omgeving van het plangebied die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het is wel mogelijk dat over de Julianastraat sporadisch transporten van gevaarlijke stoffen voorkomt. Dit zal met name bestemmingsverkeer zijn dat gebruikt maakt van de Julianastraat om lokale bedrijven te bevoorraden. Op basis van een inventarisatie Vervoer Gevaarlijke Stoffen van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna OMWB) gaat het om een verwachte intensiteit van 8 transportbewegingen aan brandbare gassen per jaar. Gelet op deze zeer lage jaarintensiteit en het feit dat er, ten opzichte van de vigerende situatie, geen sprake zal zijn van een toename van het aantal personen binnen het plangebied zijn er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen.
62/67
De Julianastraat heeft geen 10-6 contour. Als getoetst wordt aan de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport volgt dat het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De drempelwaarde bij tweezijdige bebouwing en een afstand van 10 meter tot de weg (uitgaande van een intensief bebouwingskarakter met een dichtheid van circa 400 personen per hectare) zal niet worden overschreden. Zoals eerder vermeld heeft de ontwikkeling een beperkte toename aan personen tot gevolg en zal in geen geval leiden tot een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde. Daarnaast is sprake van zelfredzame personen in het plangebied. Een berekening van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Het plangebied ligt volgens de kaart met de zone-indeling bij de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Hilvarenbeek in de blauwe zone. Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Hiervoor wordt verwezen naar de Standaard Verantwoording Groepsrisico van de OMWB (zie bijlage 8) en het standaardadvies van de brandweer die is toegevoegd in bijlage 9. Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 4.11.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
63/67
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Algemeen
In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting.
Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
5.2.1 Gemengd De gronden zijn voorzien van de bestemming ‘Gemengd’. De wijze van bestemmen sluit aan op de planregels van recente bestemmingsplannen in de directe nabijheid waar gemengde bestemmingen mogelijk zijn gemaakt. Het planvoornemen ziet op een specifieke ontwikkeling. De maximale bruto vloeroppervlakten en aantallen woningen zijn in de regels vastgelegd.
64/67
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij: het kostenverhaal anderszins verzekerd is; er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is; er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meerdere woningen. Wijziging van het gebruik van een bestaand gebouw kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwplan. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt betreft een 'bouwplan'. Omdat er een anterieure overeenkomst is afgesloten met de initiatiefnemer, is het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' en hoeft er geen exploitatieplan opgesteld te worden. \ Planschade alsmede de uitvoering van het bestemmingsplan komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer . Eventuele kosten voor de gemeente en/of derden worden door middel van de anterieure overeenkomst gedragen door de initiatiefnemer. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is.
65/67
Hoofdstuk 7 7.1
Procedure
Omgevingsdialoog
Reeds lange tijd zijn er plannen voor de herstructurering van het plangebied. Enkele plannen zijn in dat kader reeds aan de omwonenden voorgelegd. Een samenvatting van de gevoerde omgevingsdialoog is opgenomen in Bijlage 11. Voor de verbouwing van de supermarkt en winkel aan de Julianastraat te Diessen is op 20 februari 2019 de omgeving uitgenodigd om de plannen te overleggen. In de bijlage zijn de presentatie en het verslag van die ontmoeting bijgevoegd. Het plan is naar aanleiding van het overleg aangepast en wederom gepresenteerd op 28 maart 2019. De presentatie is evenals de verslaglegging bijgesloten. Te zien is hoe de opmerkingen uit de eerste dialoog hebben geresulteerd in het aangepaste plan. Het gebouw is op verzoek lager geworden, het lossen geschiedt buiten en de lostijden zijn beperkt tot de dagsituatie. Hiermee is de verbouwing ook kleiner geworden in oppervlakte (visuele vergelijking). Over dit plan bestaat consensus. De genodigden zijn per mail voorzien van de presentatie en de gemaakte afspraken via het verslag. Dit bestemmingsplan dat nu voorligt voorziet voornamelijk in het schuiven van functies binnen de bestaande/vergunde bebouwing. De oppervlakte aan detailhandel wordt verkleind alsmede de oppervlakte van de bedrijfsfunctie. Wel worden 6 extra woningen toegevoegd. Daarmee wordt extra kwaliteit toegevoegd.
Als gevolg van dit planvoornemen zal het aantal verkeersbewegingen enigszins afnemen en zal geluidsoverlast als gevolg van laden en lossen verminderen ten opzichte van de eerdere situatie. Dit bestemmingsplan maakt het doorvoeren van enkele maatregelen ook mogelijk. De plannen, inclusief de toevoeging van de woningen, zijn d.d. 11 oktober 2021 gepresenteerd aan omwonenden en belangstellenden. Een verslag van die informatieavond is opgenomen in Bijlage 12 van deze toelichting. Tijdens de avond zijn geen bedenkingen geuit tegen het planvoornemen.
7.2
Inspraak en vooroverleg
In het kader van het wettelijke vooroverleg wordt het concept ontwerpbestemmingsplan aan de vooroverleginstanties voorgelegd. Eventuele reacties van deze instanties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Aangezien er een uitvoerige omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden is het niet noodzakelijk om een voorontwerpbestemmingsplan voor eenieder in het kader van inspraak ter inzage te leggen.
7.3
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 28 april 2022 tot en met 8 juni 2022 voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens de inzagetermijn zijn geen zienswijzen ingediend. Wel zijn er enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd in de toelichting. Deze aanpassingen zorgen niet voor een gewijzigde vaststelling.
66/67
7.4
Vaststelling
Het bestemmingsplan zal ongewijzigd worden vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
67/67