09 Bestemmingsplan Kleine Voort 7 (3 Ontwerp-bestemmingsplan totaal)
Tekst van het document
Tevens wordt ingezet op sloop van overtollige bebouwing en versterking van het Kampenlandschap. In totaal is momenteel circa 5.760 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig, daarvan wordt zo’n 5.000 m² gesaneerd. Voor het agrarische bedrijf wordt wel één nieuwe teeltkas van circa 1.625 m² gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling is daarmee passend binnen de strategie van de gemeente Hilvarenbeek.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
29
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
3.3.4 Landschapspark Slibbroek De gemeente Hilvarenbeek is momenteel bezig om een bedrijventerrein en een landschapspark Slibbroek te ontwikkelen. Het bestaande bedrijventerrein Slibbroek wordt uitgebreid om te kunnen voldoen aan de vraag van ondernemers in de gemeente die op zoek zijn naar een bedrijfskavel. Gelijktijdig met de uitbreiding van het bedrijventerrein heeft de gemeente het plan om het ten noorden gelegen gebied landschappelijk en ecologisch te versterken.
De gemeente Hilvarenbeek wil het
bedrijventerrein met bedrijfswoningen uitbreiden en het landschapspark beter beleefbaar maken. Het ontwerpbestemmingsplan wordt hiervoor voorbereid. Het landschapspark grenst aan de noordoostzijde aan het plangebied. Sanering van de varkenshouderij aan de zuidzijde van het plangebied sluit aan bij het landschapspark. De landschappelijke kwaliteit wordt versterkt door sanering van de stallen en sanering van de ammoniakemissie. De beleefbaarheid van het landschapspark neemt toe door de sanering van de varkenshouderij. De ontwikkeling van het landschapspark sluit aan bij de ontwikkeling van het plangebied. Het plangebied wordt landschappelijk versterkt en voorzien wordt in een algehele verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4 MILIEU-PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1
Bodem
De aanwezige bodemkwaliteit dient te passen bij het beoogde gebruik. Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. “Conclusie en advies Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek stemmen deels overeen met de gestelde hypotheses. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Het gewogen asbestgehalte in de druppelzone achter de loods (meetpunten 27 en 28) vormt een belemmering voor de bestemmingswijziging naar wonen.
Geadviseerd wordt de toplaag van de druppelzone te saneren.” Van de functie wonen ter plaatse mag niet eerder gebruik worden gemaakt dan nadat de bodem ter plaatse is gesaneerd en voorafgaand aan het nemen van de sanerende maatregelen het bevoegd gezag Wet bodembescherming de BUS melding heeft goedgekeurd. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
4.2
Geurhinder
4.2.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:
-
Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.2.2 Gemeentelijke geurverordening Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Hilvarenbeek heeft de, op 22 september 2011 vastgestelde geurverordening, op 17 december 2015 gewijzigd. De gemeenteraad heeft gebieden met een afwijkende geurnorm vastgesteld. Dit zijn de volgende gebieden: ‘invloedsgebied van de woonkernen’, ‘invloedsgebied met primaat wonen’, ‘invloedsgebied zoekgebieden wonen’, ‘invloedsgebied sportparken’ en het buitengebied. Het plangebied is gelegen in het ‘Buitengebied’. Er is geen sprake van een afwijkende geurnorm.
4.2.3 Veehouderijbedrijven in de omgeving In de omgeving van het plangebied zijn een zestal veehouderijbedrijven gesitueerd. Op navolgende figuur zijn deze bedrijven inzichtelijk gemaakt. Het plangebied is indicatief aangeduid met een rode marker.
Figuur 15: Uitsnede veehouderijbedrijvenkaart
Op deze veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Figuur 16: Actueel vergunde situatie Driehuizen 1 Hilvarenbeek (Bron: BVB-Brabant)
Figuur 17: Actueel vergunde situatie Goirlesedijk 2 (Bron: BVB-Brabant)
Figuur 18: Figuur 16: Actueel vergunde situatie Oude Tilburgseweg 2 (Bron: BVB-Brabant)
Figuur 19: Actueel vergunde situatie Oude Tilburgseweg 5 (Bron: BVB-Brabant)
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Figuur 20: Actueel vergunde situatie Kleine Voort 8 (Bron: BVB-Brabant)
Figuur 21: Actueel vergunde situatie Kleine Voort 12 (Bron: BVB-Brabant)
Op de veehouderijen Driehuizen 1, Goirlesedijk 2 en Oude Tilburgseweg 2 worden enkel dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Derhalve dient op basis van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste afstand aangehouden te worden van 50 meter tot gevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde kom. Deze veehouderijbedrijven liggen op een afstand ruimschoots meer dan 50 meter tot het plangebied.
4.2.4 Voormalige agrarische bedrijfswoning Binnen het plangebied wordt de veehouderij gesaneerd. Voor dergelijke situaties is artikel 3 lid 2 uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing met betrekking tot de omliggende veehouderijen. Dit artikel luidt: “In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a) ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b) ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.” Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waardoor ten opzichte van omliggende veehouderijen een aan te houden afstand van 50 meter geldt.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.2.5 Woon- en leefklimaat 4.2.5.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt. 4.2.5.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van díe veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Van de bedrijven Oude Tilburgseweg 5 en Kleine Voort 8 is de voorgrondbelasting inzichtelijk gemaakt. Gelet op de situering van deze bedrijven en bijbehorende geuremissie worden deze als dominante bedrijven gezien. De geurbelasting van Kleine Voort 8 is dermate beperkt dat de voorgrondbelasting niet inzichtelijk gemaakt is. De geurbelasting is berekend op de hoekpunten van de huidige bedrijfswoning en de hoekpunten van de Ruimte voor Ruimte kavels. Kleine Voort 12 Berekende ruwheid: 0,30 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volg
BronID
X-coord. Y-coord. EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. E-Aanvraag snelh.
1
Kleine Voort 12 (2)
137 421
390 047
5,2
4,0
0,50
4,00
1 140
2
Kleine Voort 12 (4)
137 481
390 027
2,1
5,4
0,50
4,00
3 074
3
Kleine Voort 12 (5)
137 460
390 009
8,6
5,5
0,50
4,00
12 032
4
Kleine Voort 12 (6)
137 460
389 968
8,1
5,8
0,50
4,00
9 691
nr.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
5
1
137 340
390 169
10,0
6,3
6
2
137 348
390 173
10,0
6,3
7
3
137 361
390 147
10,0
7,7
8
4
137 351
390 143
10,0
7,7
9
5
137 368
390 191
10,0
5,7
10
6
137 405
390 191
10,0
6,2
11
7
137 389
390 248
10,0
4,3
12
8
137 297
390 273
10,0
3,4
13
9
137 356
390 246
10,0
3,9
14
10
137 409
390 281
10,0
3,5
Tabel 1: Voorgrondbelasting Kleine Voort 12
De voorgrondbelasting van het bedrijf bedraagt maximaal 7,7 oue/m³. Oude Tilburgseweg 5 Berekende ruwheid: 0,26 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volg nr. 1 2 3 4 5
BronID Oude Tilburgseweg 5 Oude Tilburgseweg 5 Oude Tilburgseweg 5 Oude Tilburgseweg 5 Oude Tilburgseweg 5
X-coord. Y-coord. EP Hoogte 137 154 390 098 1,5 137 147 390 110 6,8 137 088 390 106 5,4 137 023 390 073 5,4 137 161 390 076 1,5
Gem.geb. hoogte 1,5 6,3 6,3 6,4 1,5
EP Diam. 0,50 0,40 0,50 0,50 0,50
EP Uittr. snelh. 0,40 4,00 0,40 0,40 0,40
E-Aanvraag 1 356 836 14 250 4 357 171
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
GGLID 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Xcoordinaat 137 340 137 348 137 361 137 351 137 368 137 405 137 389 137 297 137 356 137 409
Ycoordinaat 390 169 390 173 390 147 390 143 390 191 390 191 390 248 390 273 390 246 390 281
Geurnorm 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0
Geurbelasting 4,0 3,8 3,7 3,9 3,4 2,8 2,7 3,8 3,2 2,4
Tabel 2: Voorgrondbelasting Oude Tilburgseweg 5
De voorgrondbelasting van het bedrijf bedraagt maximaal 4,0 oue/m³.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Met een voorgrondbelasting van maximaal 6,5 oue/m³ kan worden gesteld dat de voorgrondbelasting geen belemmering vormt voor de gewenste herontwikkeling. 4.2.5.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting en wordt berekend met het programma V-Stacks Gebied. Hiertoe zijn alle bedrijven binnen de gemeente Hilvarenbeek ingevoerd. De invoergegevens van deze bedrijven zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen hierbij de hoekpunten van het plangebied. Navolgend zijn de invoergegevens en is de berekening weergegeven. Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor
Geurbelasting [OU/m3]
1001 137374 390116
21,170
1002 137397 390125
19,256
1003 137316 390188
10,548
1004 137304 390261
6,849
1005 137382 390288
5,123
Tabel 3: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied
Op navolgende figuur is dit op luchtfoto inzichtelijk gemaakt.
Figuur 22: Achtergrondbelasting geprojecteerd op kaart
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.2.6 Belangen veehouderij en derden Als gevolg van de beoogde herbestemming mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De huidige bedrijfswoning Kleine Voort 7 blijft een in het kader van de wet geurhinder en veehouderij gezien als bedrijfswoning voor een veehouderij waardoor de status van deze woning voor wat betreft geurgevoeligheid ook niet wijzigt. Ten aanzien van andere inrichtingen wordt deze woning beschermd als ware het een bedrijfswoning. Aan deze situatie wijzigt dan ook niets. Anderzijds wordt deze woning ook gesplitst en wordt in het stalgedeelte één nieuwe woning toegevoegd. Ten opzichte van omliggende bedrijven dient een afstand van minimaal 50 meter te worden aangehouden. Ten opzichte van de bedrijven Kleine Voort 12, Oude Tilburgesweg 2, Oude Tilburgesweg 5, Driehuizen 1, Goirlesedijk 2 wordt hieraan ruimschoots voldaan. Aan Kleine Voort 8 is een vergunning aanwezig voor het houden van 110 vleesstieren. Beide stallen bevinden op meer dan 50 meter van de woning aan Kleine Voort 7.
Gelet op de omliggende functies (Kleine Voort 10 is de eerst belemmerende woning) kent het bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden meer en wordt het bedrijf niet in haar uitbreidingsmogelijkheden beperkt. De nieuw toe te voegen Ruimte voor Ruimte woningen worden gerealiseerd op een afstand van ruimschoots meer dan 50 meter tot omliggende veehouderijbedrijven. Er is eveneens geen bezwaar in het kader van de voor- en achtergrondbelasting. De omliggende veehouderijbedrijven worden door de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan thans het geval is.
4.3
Gezondheid en veehouderijen
4.3.1 Inleiding De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan.
4.3.2 Toets aan de handreiking In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied is niet gesitueerd in de nabijheid van varkens- of pluimveehouderijen.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Stap 2, toename emissies, is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: 5 ou/m3 voor de voorgrondbelasting. Deze norm wordt overschreden.
10 ou/m3 voor de achtergrondbelasting. Deze norm wordt overschreden. De voor- en achtergrondbelasting voldoet wel aan de norm uit de Wet geurhinder en veehouderij.
100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. Er wordt niet aan deze afstand voldaan.
Zoals
hierboven
aangegeven
wordt
niet
voldaan
de
advieswaarden
aan
de
voor-
en
achtergrondbelasting. Wel wordt voldaan aan de wettelijke toetswaarden. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Op het bedrijf Kleine Voort 12 wordt bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden:
Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten);
In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij en pluimveebedrijf. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied bevinden zich twee geitenbedrijven. Te weten Kleine Voort 12 en Oude Tilburgseweg 5. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. De Brabantse GGD vindt tevens dat gemeenten bij het verstrekken van vergunningen aan veehouders de aangetoonde effecten op de gezondheid van omwonenden in aanmerking moeten nemen. Het bevoegd gezag mag een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. Gemeente Hilvarenbeek heeft hiervoor geen beleid vastgesteld, waardoor er ruimte is voor maatwerk. Het bevoegd gezag kan hiertoe een GGD advies aanvragen. Er zijn inmiddels diverse uitspraken (ECLI:NL:RVS:2017:1301 en ECLI:NL:RVS:2016:2687) gedaan door de Raad van State met betrekking tot het VGO-onderzoek van juli 2016.
De Raad van State oordeelt tot nu toe dat dit onderzoek geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten bevat, op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat een veehouderij onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid veroorzaakt. Diezelfde conclusie kan getrokken worden voor wat betreft de ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
bevindingen met betrekking tot de effecten van geitenhouderijen op de gezondheid. In de kamerbrief met kenmerk DGAN-DAD/17078454 van 16 juni 2017 geeft voormalige staatsecretaris Van Dam van Economische zaken eveneens aan dat, nu de oorzaak van de ziektedruk rond geitenhouderijen onduidelijk is, meer inzicht nodig is alvorens risico-reducerende maatregelen genomen kunnen of dienen te worden. Omgekeerd zou dit dan ook gelden voor het toestaan van kwetsbare functies vlakbij geitenhouderijen, al geeft de (voormalig) staatsecretaris aan dat het in de tussentijd van belang is dat het bevoegde gezag, bij het nemen van besluiten op het gebied van ruimtelijke ordening en, voor zover mogelijk, bij het nemen van besluiten over het verlenen van vergunningen, rekening houdt met deze zorgelijke signalen. Middels onderhavige ontwikkeling worden slechts vier nieuwe woningen beoogd. De nieuwe woningen worden niet gebruikt voor bewoning door kwetsbare doelgroepen. Ter plaatse wordt niet voorzien in, bijvoorbeeld, zorgfuncties of kinderopvang. Tussen de beoogde woningen en de geitenhouderijen zijn reeds meerdere woonbestemmingen gelegen. De nieuwe woningen bevinden zich daarmee niet dichter tot de geitenhouderij dan bestaande woningen. In samenhang met deze ontwikkeling wordt tevens een intensieve veehouderij gesaneerd.
Hierdoor de milieusituatie voor de directe omgeving per saldo aanzienlijk verbeteren. Onderhavig plan draagt in die zin bij aan kwaliteitsverbetering van de omgeving en daarmee aan de leefbaarheid ter plaatse. De nieuwe woningen worden opgericht ter plaatse van een bestaand agrarisch bouwvlak. Aan de hand van de gestelde afwegingscriteria kan het gemeentebestuur een positieve afweging maken met betrekking tot onderhavige herontwikkeling omdat onderhavige ontwikkeling bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan.
4.3.3 Conclusie Het bevoegd gezag neemt het advies van de GGD mee in haar overwegingen of medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling en of zo nodig extra voorschriften moeten worden opgenomen. Hierbij maakt zij een zorgvuldige afweging of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.
4.4
Gewasbeschermingsmiddelen
ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
In de omgeving van het plangebied vindt geen kweek van siergewassen plaats. Tevens is ter plaatse bestemmingsplanmatig slechts akkerbouw toegestaan. Bij akkerbouw gaat het om lage teeltgewassen waarbij lage bespuiting met een beperkte verspreiding wordt toegepast. Daarnaast worden de woningen omzoomd met beplanting waarmee tevens de werking van eventuele drift wordt beperkt. Spuitzones zijn geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.5
Niet-agrarische bedrijvigheid
4.5.1 Beleidskader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. De lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), geeft richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. In het gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is gelegen in een gemengd gebied. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Het plangebied kan getypeerd worden als gelegen binnen een gemengd gebied. Het kan in een gemengd gebied gaan om bestaande gebieden met functiemenging of gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt onder een gemengd gebied verstaan. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in gemengd gebied, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.
4.5.2 Toets aan bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied De bedrijfswoning aan Kleine Voort 7 is reeds bestaand en dient bij eventuele uitbreiding van omliggende bedrijven al te worden getoetst. De nieuw toe te voegen (Ruimte voor Ruimte) woningen dienen wel te worden beschouwd. In de directe omgeving van het plangebied is één niet-agrarisch bedrijf gevestigd. Het betreft een recreatief bedrijf aan Kleine Voort 4. Het bedrijf verzorgt dagrecreatie en kleinschalig kamperen. Dergelijke bedrijfsactiviteiten vallen in milieucategorie 3.1, waarvoor in het gemengd gebied een afstand geldt van 30 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 40 meter. Overige niet-agrarische bedrijven zijn allen gesitueerd op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied en vormen derhalve geen belemmering.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
In de directe omgeving van het plangebied zijn eveneens tweeveehouderijbedrijven gesitueerd. Aan Kleine Voort 8 is een vergunning aanwezig voor het houden van rundvee. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand voor stof en geluid van 10 meter. Hieraan wordt voldaan. Aan Kleine Voort 12 worden geiten en runderen gehouden. Hiervoor geldt in gemengd gebied eveneens een richtafstand voor stof en geluid van 10 meter. Hieraan wordt voldaan. De bedrijfsbestemmingen in de omgeving vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5.3 Toets aan bedrijvigheid binnen het plangebied Het plangebied is thans bestemd als intensieve veehouderij (milieucategorie 4.1) en wordt her bestemd ten behoeve van een bedrijf in natuurbeheer. De nadruk van de activiteiten ligt op het creëren van een ecologisch- en economisch systeem waar natuurontwikkeling en milieuvriendelijk produceren van landbouwgewassen in balans plaats vindt. Ten behoeve van dit bedrijf wordt de bestaande loods op het bedrijf gebruikt, onder andere voor opslag van machines oogstproducten opgeslagen. Verder wordt het perceel gebruikt voor het biologisch kweken van plantgoed. Naast de schuur wordt een kleine, teeltondersteunende kas gebouwd. Deze bedrijfsactiviteiten kunnen worden gekenmerkt als milieucategorie 2. Hiervoor geldt in gemengd gebied een afstand van 10 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Voor het onderhoud aan machines en materialen van het eigen bedrijf zullen af en toe ook werkzaamheden plaatsvinden (maximaal milieucategorie 3.1). Deze vinden inpandig plaats in de loods. Deze loods staat op een afstand van meer dan 50 meter tot omliggende woningen. Daarmee wordt ook voldaan aan de richtafstand voor de factor geluid. Daarnaast worden binnen het plangebied twee bed and breakfast gelegenheden gecreëerd. Voor deze functie geldt een afstand van 10 meter tot woningen van derden. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
4.5.4 Conclusie Het aspect Bedrijven en milieuzonering brengt geen belemmeringen met zich mee voor de beoogde herbestemming.
4.6
Akoestiek
De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wet geluidhinder is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie hiervan weergegeven. “In opdracht van de initiatiefnemer is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
behoeve van een plan aan Kleine Voort 7 te Hilvarenbeek. Beoogd wordt de ter plaatse aanwezige intensieve veehouderij te herbestemmen naar een agrarisch bedrijf voor natuurbeheer (in de vorm van onder andere een teeltkas met schuur) en een vijftal woonfuncties. Er worden eveneens twee bed and breakfasts gerealiseerd. De bestaande loods blijft behouden. De woonfuncties bestaan uit één bedrijfswoning, drie Ruimte voor Ruimte woningen en één woning die planologisch wordt toegevoegd aan de bestaande bedrijfswoning aan de Kleine Voort nummer 7 (splitsing woning). Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd vanwege de hiervoor noodzakelijke juridisch-planologische procedure. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Tilburgsweg, Provincialeweg N269, Kleine Voort, Oude Tilburgseweg en Akkerstraat. Voor de gezoneerde weg Tilburgseweg, Akkerstraat en Oude Tilburgseweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de Provincialeweg N269 geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen 1 t/m 3 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 5 dB overschrijdt. Voor de Kleine Voort geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen 4 en 5 de voorkeursgrenswaarde met maximaal 3 dB overschrijdt.
De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend c.q. niet mogelijk c.q. stedenbouwkundig niet wenselijk. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde ter plaatse van woning 2 en 5 nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is voor deze woningen derhalve niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. De gemeente Hilvarenbeek heeft geen eigen geluidbeleid met betrekking tot het verlenen van hogere waarden vastgesteld.
Desondanks is het aannemelijk dat bij het verlenen van een hogere waarde aansluiting gezocht zal worden bij het oude “Ontheffingenbeleid Wgh” d.d. 10 februari 1998 van de provincie Noord Brabant. Conform dit beleidsstuk kan pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit de Wgh en aan de in het beleidsstuk genoemde subcriteria. In onderhavige situatie is sprake van grond- en of bedrijfsgebondenheid aangezien sprake is van ruimte voor ruimte woningen, bestaande bebouwing en een bedrijfswoning. Derhalve wordt voldaan aan één van de in het geluidbeleid genoemde subcriteria.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
In onderhavige situatie is geen sprake van een geluidbelasting van meer dan 53 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wgh). Derhalve worden er geen aanvullende voorwaarden aan onderhavig plan gesteld en wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit het oude provinciale beleid. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Voor onderhavige woningen geldt dat sprake is van een hogere waarde, derhalve is formeel een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Echter, voor de woningen 1 en 3 geldt dat de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 53 dB bedraagt. Aangezien (conform voornoemde eis) een gevel bij een normale bouwkundige opzet aan de minimale vereiste Ga;k van 20 dB dient te voldoen, dienen enkel woningen beschouwd te worden waarbij de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 53 dB bedraagt. Derhalve wordt een aanvullend onderzoek voor de woningen 1 en 3 niet noodzakelijk geacht. Voor de woningen 2 en 4 geldt dat een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels wel noodzakelijk is. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Voor woning 5 geldt dat sprake is van het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van een bouwwerk.
Overeenkomstig afdeling 3.1 van Bouwbesluit 2012 mag bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk uitgegaan worden van het rechtens verkregen niveau. Voor de onderhavige situatie betekent dit dat er geen eisen zijn voor de geluidwering van de gevels, anders dan dat de geluidwering niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Aangezien er voor deze woning ook sprake is van een procedure hogere waarde, wordt in het kader van een akoestisch goed woon- en leefklimaat, een aanvullend onderzoek geadviseerd, waarbij wordt uitgegaan van een maximaal geluidbinnenniveau van 33 dB. Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat de woningen kunnen beschikken over een geluidluwe gevel, dan wel buitenruimte. Aan deze geluidluwe gevel dient een verblijfsruimte te zijn gelegen.” Een procedure hogere waarde wordt gedurende deze bestemmingsplanprocedure doorlopen.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.7.2 Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Deze AMvB beperkt de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof en stikstofdioxide. Dit zijn voornamelijk kinderen, ouderen en zieken. Scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen en bijbehorende terreinen betreffen hierbij gevoelige bestemmingen. Met de beoogde herbestemming wordt geen gevoelig object gevestigd bij een provinciale- of rijksweg en vormt derhalve geen bezwaar in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
4.7.3 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De hierin opgenomen programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Binnen het plangebied worden vier nieuwe woningen mogelijk gemaakt en de bestaande bedrijfswoning gesplitst in twee wooneenheden. Anderzijds wordt binnen het plangebied een intensieve veehouderij gesaneerd en herbestemd in een bedrijf ten behoeve van natuurbeheer.
Derhalve kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is.
4.7.4 Blootstelling aan verontreiniging 4.7.4.1 Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. 4.7.4.2 Fijnstof De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is indicatief aangeduid met een witte stip.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Figuur 23 Fijnstof PM10 (bron: Atlas leefomgeving)
Figuur 24: Fijnstof PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving)
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De beoogde herbestemming is in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar. 4.7.4.3 Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO 2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Figuur 25: Stikstofdioxide (NO2) voor het plangebied (Bron: Atlas leefomgeving)
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO 2 van 18-22 µg/m³. De beoogde herbestemming is in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);
Structuurvisie buisleidingen;
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.8.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.
Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10 -6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;
2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
4.8.3 Toets van het plangebied 4.8.3.1 Risicokaart In navolgende figuur is een uitsnede van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant weergegeven waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Figuur 26: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant waarop het plangebied is aangeduid met een rode marker
4.8.3.2 Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die zijn aangeduid in het kader van het aspect externe veiligheid. Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied voor gevaar vanuit inrichtingen.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.8.3.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer over het spoor In de omgeving van het plangebied bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer over de weg Het vervoer van gevaarlijke stoffen binnen de gemeente Hilvarenbeek vindt plaats over een provinciale weg en verschillende gemeentelijke wegen. Geen van deze wegen zijn opgenomen in het Basisnet Weg (dat wil zeggen zijn niet genoemd in bijlage 2 van de Circulaire Risiconormering Vervoer gevaarlijke stoffen). Het plangebied ligt op een afstand van circa 90 meter ten westen van de provinciale weg N269. Voor Provinciale wegen waarover structureel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt heeft de Provincie Noord-Brabant onderzoek uitgevoerd naar de risico’s. Uit het onderzoek van de Provincie NoordBrabant blijkt dat er geen sprake is van overschrijding van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR). Uit aanvullende groepsrisicoberekeningen uitgevoerd door de RMD West-Brabant blijkt dat er met betrekking tot het groepsrisico geen knelpunten of aandachtspunten zijn omdat er sprake is van een groepsrisico (GR) ruim onder de oriënterende waarde. Vervoer over het water In de omgeving van het plangebied vindt zich geen vaartransport plaats. Dit aspect is dus niet van toepassing.
Buisleidingen Ten noordwesten van het plangebied, op een afstand van meer dan 600 meter, bevinden zich enkele hoge druk aardgasleidingen van de Gasunie. Het plangebied is buiten de invloedsgebieden (1% letaal) van de aardgasleidingen gelegen. De buisleidingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8.3.4 Conclusie Herbestemming van het plangebied is geen bezwaar in het kader van externe veiligheid.
4.9
Flora en fauna
4.9.1 Inleiding Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.9.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden. Navolgende figuur geeft een kaart met de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden.
Figuur 27: Ligging plangebied (aangeduid met een rode marker) ten opzichte van Natura-2000 gebieden
De dichtst bij het plangebied gelegen Natura-2000 gebied betreft ‘Kempenland-West’, op circa 2,9 kilometer ten oosten en westen van het plangebied. De beoogde herbestemming ziet toe op het saneren van een intensief varkensbedrijf. Het bedrijf wordt her bestemd in een bedrijf voor natuurbeheer en in samenhang worden vier Ruimte voor Ruimte woningen gerealiseerd. Middels het saneren van de varkenstak wordt 3.655 kilo ammoniak uit de markt genomen. Deze beoogde herbestemming heeft enkel een positieve invloed op het Vogel- en Habitatrichtlijngebied.
4.9.3 Soortenbescherming Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een plan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. De beoogde herbestemming omvat de herbestemming van een bestaande agrarische bedrijfslocatie voor de intensieve veehouderij naar bestemmen naar een agrarisch bedrijf voor natuurbeheer en een vijftal woonfuncties. Om de herbestemming te realiseren wordt bebouwing gesaneerd. Om uit te sluiten dat de beoogde ontwikkeling in strijd is met de Wet natuurbescherming is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Navolgend wordt de conclusie hiervan weergegeven. Het volledige onderzoek maakt als bijlage deel uit van dit bestemmingsplan. “Vervolgstappen en samenvatting Vervolgstappen Als de voorzorgsmaatregelen vermeldt in hoofdstuk 6.1 en 6.2 in acht worden genomen is geen vervolgonderzoek nodig. Ecologische quickscan – Herontwikkeling Kleine Voort 7 te Hilvarenbeek Ontheffingsaanvraag Als de voorzorgsmaatregelen vermeldt in hoofdstuk 6.1 en 6.2 in acht worden genomen is geen ontheffingsaanvraag nodig. Samenvatting
In deze quickscan wordt geen oordeel gegeven over de fase van de projectontwikkeling die reeds is uitgevoerd, daar de gesloopte bebouwing niet meer onderzocht kon worden.
Als de voorzorgsmaatregelen die het volgende hoofdstuk (6) vermelden in acht worden
Om overtredingen van de regelgeving van de Interim omgevingsverordening NB met
genomen, wordt geen verdere overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht. betrekking tot de gebiedsbescherming geheel uit te sluiten dient de projectontwikkeling nog nader getoetst te worden op de regelgeving van artikel 3,26 lid 1 en 2 (Attentiezone waterhuishouding). Deze toetsing is van bouwtechnische aard en valt buiten het bestek van deze quickscan.”
4.10 Water 4.10.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.
4.10.2 Beleidskader 4.10.2.1 Waterbeheerplan De Dommel 2022-2027 Vanaf 1 januari 2022 geldt het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). Hiermee wil waterschap De Dommel de watertransitie in gang zetten: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
In de komende planperiode, die loopt van 2022 tot en met 2027, starten we met de watertransitie. We zien de wateropgaven niet als een optimalisatieprobleem, maar gaan fundamenteel anders te werk. We ontwikkelen vanuit de huidige situatie (A) naar de gewenste situatie in 2050 (B) via de werkwijze die de gewenste situatie in 2050 (B) vraagt. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van zowel het waterschap, onze gebiedspartners als alle watergebruikers. Daarbij zullen drie principes inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie. De drie richtinggevende principes zijn: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan 3. Wat schoon is moet schoon blijven De beoogde herontwikkeling past binnen de gestelde principes voor de komende periode. Binnen het plangebied vindt ontstening plaats en het hemelwater wordt in zijn geheel geïnfiltreerd op het eigen perceel. Door het weg bestemmen van de veehouderijtak wordt extensiever gebruik gemaakt van het perceel wat de bodemkwaliteit positief beïnvloed. 4.10.2.2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². De beoogde ontwikkeling maakt de oprichting van vier Ruimte voor Ruimte woningen mogelijk. Deze woningen hebben een toename van verhard oppervlak van circa 400 m² per woning tot gevolg, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding rondom de woning. Het varkensbedrijf wordt herbestemd naar een bedrijf voor natuurbeheer. Alle overtollige bedrijfsgebouwen worden en erfverharding wordt gesaneerd. Per saldo vindt een ontstening plaats van meer dan 1.800 m² bedrijfsgebouwen en bijbehorende erfverharding.
Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename
verhard
oppervlak
of
door
afkoppelen
van
verhard
oppervlak,
naar
een
oppervlaktewaterlichaam.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.10.3 Keur Waterschap De Dommel Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de Keur waarop het plangebied met rode marker is aangeduid.
Figuur 28: Uitsnede Keurkaart
Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ gedeeltelijk aangewezen als gelegen in een beschermd gebied voor de waterhuishouding. Het plangebied is tevens aangewezen als gelegen binnen het ‘attentiegebied’, ten westen van het plangebied ligt een awatergang. De beoogde herontwikkeling voorziet niet in grondwateronttrekking en heeft een positieve uitwerking op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en is dan ook niet in strijd met de regels die gelden voor beschermde gebieden.
4.10.4 Waterparagraaf Binnen het plangebied vindt een afname van verharding plaats. De bodem bestaat uit Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zEZ23). De GHG bedraagt circa 60-120 cm-mv. Navolgende figuur geeft een kaart met de GHG ter plaatse van het plangebied.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Figuur 29: GHG ter plaatse van het plangebied (indicatief aangeduid met een rode cirkel)
4.10.5 Hemelwaterafvoer Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³). In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de nieuwe woningen en bijgebouwen worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een infiltratie transportriool. Gekozen kan worden voor een bovengronds- of ondergrondstransportriool. Ondergrondse hemelwater oplossingen zijn over het algemeen duurder in aanleg, meer foutgevoelig en meer onderhoudsgevoelig dan bovengrondse oplossingen. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, voert deze het water af naar een infiltratievoorziening.
Deze voorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval. In het grootste deel van het jaar zal het water echter via infiltratiebuizen in de bodem infiltreren. De capaciteit van de waterberging dient tenminste 0,06 m³ per vierkante meter verhard oppervlak te bedragen. Bij het aanleggen van de infiltratievoorzieningen dient rekening te worden gehouden met de GHG. Voorbeelden van een toe te passen hemelwatervoorziening zijn het gebruik van een infiltratieveld een wadi of infiltratiekrat.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Voorbeelden van deze manieren van infiltreren zijn weergeven navolgende figuur.
Figuur 30: Voorbeelden van infiltratiemogelijkheden die kunnen worden toegepast
Er is op deze locatie voldoende ruimte om te kiezen voor bovengrondse oplossingen zoals wadi's, bergvijvers of zaksloten. Geadviseerd wordt om te kiezen voor een bovengrondse oplossing voor hemelwater verwerking binnen dit plangebied (zie afbeelding linksboven). In het uiteindelijke bouwplan zal de hemelwaterinfiltratie nader worden uitgewerkt met inachtname van deze paragraaf.
4.10.6 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Archeologie Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. Ook dient het college van burgemeester en wethouders het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekendmaken. De gemeente Hilvarenbeek heeft haar eigen archeologische verwachtings- en beleidskaart opgesteld. Navolgende figuur toont de archeologische verwachting ter plaatse van het plangebied. Het plangebied is hierbij zwart omcirkeld.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Figuur 31: Aanduiding plangebied op de Archeologische beleidskaart gemeente Hilvarenbeek met legenda
Het plangebied is op de erfgoedkaart aangeduid als deels gelegen in ‘Categorie 1’ (terrein van hoge archeologische waarde), ‘Categorie 3’ (archeologische vindtplaats) en ‘Categorie 4’ (Gebied met een hoge archeologische verwachting). In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De nieuwe woningen worden deels gerealiseerd ter hoogte van bestaande agrarische opstallen. Het betreft hier varkenstallen met mestputten daaronder. Vanwege de bodemroering en verstoring die heeft plaatsgevonden bij de bouw hiervan is het niet aannemelijk dat het bouwplan van de Ruimte voor Ruimte woningen voorziet in nieuwe bodemroering en verstoring van archeologische waarden. Deze herbestemming leidt waarschijnlijk niet tot roering van nog ongeroerde gronden binnen het plangebied. De vigerende dubbelbestemmingen blijven ongewijzigd gehandhaafd zodat zeker gesteld blijft dat ook in de toekomst geen archeologische waarden verloren gaan.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
56
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
4.11.2 Cultuurhistorie 4.11.2.1 Beleidskader cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg (MoMO) dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Als gevolg van de MoMo dient cultuurhistorie gebiedsgericht benaderd te worden, dus niet te veel focus op losse elementen, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. 4.11.2.2 Toets plangebied Navolgende figuur geeft een uitsnede van de cultuurhistoriekaart van de gemeente Hilvarenbeek waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Figuur 32: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart voor het plangebied (aangeduid met zwarte cirkel) en de omgeving
Het plangebied is gesitueerd aan een oude weg, en lijn hoge waarde. Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg’, binnen de regio de ‘Kempen’. Het gebied bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de middeleeuwse hoeves en buurtschappen (met kleine akkercomplexen) die de kern vormden van de landgoederen of die daarin zijn opgenomen. Onder andere het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van deels verdwenen hoeves, buurtschappen en akkercomplexen, en het vergroten van de cultuurhistorische waardering door de vergroting van de beleving zijn belangrijke speerpunten binnen het cultuurhistorisch landschap. De bewoningsgeschiedenis van de ‘Kempen’ en de richting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde.
ONTWERP
Crijns Rentmeesters bv
57
Bestemmingsplan ‘Kleine Voort 7 Hilvarenbeek’ - Toelichting
Het plangebied is tevens gelegen binnen het archeologisch landschap ‘Dekzandeiland MoergestelHilvarenbeek’. Dit landschap bestaat uit een licht glooiend dekzandeiland van MoergestelHilvarenbeek en de aangrenzende beekdalen van de Reusel, het Spruitenstroompje en de Hoogeindsche beek. Direct ten oosten van het agrarisch bouwvlak is een terrein van hoge archeologische waarde gesitueerd. Het betreft een terrein met mogelijk sporen van bewoning uit de Romeinse tijd. Hier vinden geen bodemverstoringen plaats. Binnen het plangebied worden agrarische bedrijfsgebouwen gesaneerd. Deze gebouwen zijn niet cultuurhistorisch waardevol. De bestaande langgevelboerderij is cultuurhistorisch waardevol. Het cultuurhistorisch rapport met een nadere beschrijving van de boerderij is opgenomen bij deze toelichting. De beoogde herontwikkeling van het plangebied leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden.
4.12 Mer-beoordeling Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de Dlijst en die een omvang heeft die beneden de drempelwaarden ligt een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.