CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

08 bp Dunsedijk - achter Rustoord (11 bijlage Concept vast te stellen toelichting en regels bestemmingsplan)

Gemeenteraad 10 maart 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Achter Rustoord".25.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De investeringen vormen de uitwerking van de ruimtelijke ambities zoals vastgelegd in de Structuurvisie. De gemeente is wettelijk gezien vrij in het bepalen van de gevallen waarin en gebieden waarbinnen zij een bijdrage ruimtelijke kwaliteit verlangt. Voor het bepalen van de hoogte van een financiële bijdrage komt de gemeente een bepaalde mate van vrijheid toe. Uiteraard zal altijd voldaan moeten worden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de algemene rechtsbeginselen “redelijkheid en billijkheid”. Inmiddels is op 25 oktober 2019 de Interim Omgevingsverordening vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Brabant. Daarin maakt de provincie onder meer onderscheid in landelijk en stedelijk gebied. In de verordening is bepaald, dat ruimtelijke afwijkingen binnen het landelijke gebied gepaard dienen te gaan met een fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Deze bepaling stemt overeen met de eerdere bepaling in de provinciale verordening ruimte. Omdat ruimtelijke ontwikkelingen invloed hebben op hun omgeving wil het gemeentebestuur overwegen om daarvoor op basis van de grondwaardemethodiek, aan de hand van een berekeningsmodel een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit te verlangen. Daarbij wordt per wooneenheid een vaste bijdrage van € 1000,00 gevraagd.

Als tweede wordt aan de hand van het oppervlakte van het bouwperceel een bijdrage gevraagd, omdat door het creëren van een nieuw bouwperceel/-vlak de verstening ter plekke substantieel toe neemt (woning/bijgebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde) en

Dunsedijk - achter Rustoord

27

daarmee de ruimtelijke invloed binnen de omgeving. Dit geldt eveneens voor de toe te stane inhoud van de woning. Ook hier geldt dat deze invloed heeft op de ruimtelijke kwaliteit en ook daarvoor wordt een bijdrage gevraagd. Bovenstaande leidt tot redelijke bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit, waarbij woningen met een grootst ruimtebeslag en de grootste impact de grootste bijdrage betalen. Planspecifiek CRA Vastgoed en de gemeente hebben afspraken gemaakt die binnen het bovenstaande beleid passen om een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente. Dit is vastgelegd in de anterieure overeenkomst die gesloten is tussen beide partijen. 4.3.4 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Partiële herziening bestemmingsplan Golfbaan/Verblijfsaccommodatie De Utrecht', vastgesteld op 28 februari 2002. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'verblijfsaccommodatie'. Op de planlocatie geeft het bestemmingsplan de mogelijkheid om voorzieningen te bouwen voor verblijfsaccommodatie. Voor de verblijfsaccommodatie is reeds een bouwvergunning verleend welke de bouw van 28 recreatieappartementen mogelijk maakt, verdeeld over 4 torens. De raad van de gemeente Hilvarenbeek heeft op 30 januari 2020 een voorbereidingsbesluit genomen voor het gebied 'Achter Rustoord'.

Ook geldt het 'Parapluplan parkeren Hilvarenbeek 2018', vastgesteld op 8 november 2018.

Uitsnede geldende bestemmingsplannen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het realiseren van zes vrijstaande woningen is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

28

Dunsedijk - achter Rustoord

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1

Milieu

5.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in 2013 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 3. Hierin wordt geconcludeerd dat de grond in het verleden in gebruik is geweest als akkerland, weide en bos. In het verleden hebben er geen verdachte activiteiten of calamiteiten op de onderzoekslocaties plaatsgevonden waardoor de bodem mogelijk is verontreinigd. Derhalve wordt de aanwezigheid van bodemverontreiniging vanuit historisch perspectief niet verwacht. De onderzoekslocaties kunnen daarom als onverdacht worden aangemerkt. Er zal een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 5.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang.

Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Dunsedijk - achter Rustoord

29

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15855851 (aan de Lage Mierdseweg (N269) ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)

NO2 (stikstofdioxide) 17,1 µg/m3

PM10 (fijnstof) 18,2 µg/m3

PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 11,1 µg/m3

40 µg/m3

40 µg/m3

25 µg/m3

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 6 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 5.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:  woningen;  geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;  geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.

Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

30

Dunsedijk - achter Rustoord

Planspecifiek Met voorliggend plan worden nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd (6 woningen). Industrielawaai en spoorweglawaai zijn in de omgeving van het plangebied niet aan de orde. Wat betreft wegverkeerlawaai ligt het plangebied in de geluidszone van de Dunsedijk en de Kinderlaan, waar een maximum snelheid van 60 km/uur is toegestaan. Het plangebied ligt tevens in de geluidszone van de Lage Mierdseweg (N269), waar de maximumsnelheid van 80 km/uur is toegestaan. Mede op basis van de door de gemeente beschikbaar gestelde informatie is een rekenmodel opgezet en is de geluidbelasting berekend. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 4. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ter hoogte van de te ontwikkelen woningen voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goede geluidskwaliteit, ook in de buitenruimte en op het terras bij de woningen. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor.

Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in: concentratiegebied binnen bebouwde kom concentratiegebied buiten bebouwde kom niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom

maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m³ 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:  binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;  buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

Dunsedijk - achter Rustoord

31

De gemeente Hilvarenbeek heeft eigen geurbeleid, vastgesteld in de Verordening geurhinder en veehouderij, welke in 2015 deels is herzien. In deze verordening ligt de norm voor het buitengebied op 10,0 ouE/m 3. Planspecifiek Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd (woningen). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een geuronderzoek uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen en of er geen veehouderijen in hun belangen worden geschaad. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 5. Hierin worden de volgende deelconclusies getrokken: 1. Het plangebied voldoet, met een voorgrond geurbelasting die onder de 10,0 ouE/m³ ligt, aan de wettelijke norm. De veehouderij aan de Dunsedijk 1b te Esbeek wordt door de realisatie van de geurgevoelige objecten niet in zijn belangen geschaad; 2. Het leefklimaat als gevolg van de maatgevende achtergrondbelasting voldoet aan de wettelijke norm van 25% geurgehinderden in het buitengebied, derhalve wordt ter plaatse van de te realiseren woningen een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd; 3. Aan de vaste afstanden vanuit het plangebied tot aan de meest dichtbij gelegen veehouderij en aan de gevel-gevel afstand wordt voldaan. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van het plangebied aan de Dunsedijk ong.

te Esbeek niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en er ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 5.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen.

In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

32

Dunsedijk - achter Rustoord

Planspecifiek Het plangebied ligt in een gemengd gebied met rondom de functies sport, horeca en wonen. Aangezien er sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG met 1 stap/categorie worden verkleind. In de onderstaande tabel zijn de omliggende bedrijven en functies en de bijbehorende gereduceerde richtlijnen uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG weergegeven. De afstanden tussen het plangebied en de bedrijven voldoen ruimschoots aan de richtlijnen. Bedrijf/functie Lage Mierdseweg 17, Hotel / Restaurant / Kunstatelier Dunsedijk 1, Golfbaan

Richtafstand 0m

Feitelijke afstand 0m

0m

10 m

Dunsedijk 1a, Paardenhouderij / Manege

30 m

250 m

Dunsedijk 1b, Rundveehouderij / Akkerbouw

50 m

380 m

Lage Mierdseweg 14a, Houthandel

100 m

380 m

Lage Mierdseweg 17/25, Hotel / Restaurant / Kunstatelier

0m

0m

De perceelsbegrenzingen van de te realiseren woningen zijn niet gelegen binnen de genoemde richtafstanden. Geconcludeerd kan worden dat er uit het oogpunt van milieuzonering sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat er met de ontwikkeling geen bedrijven of andere functies worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 5.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet

Dunsedijk - achter Rustoord

33

groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

Uitsnede risicokaart

Uit de risicokaart is op te maken dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit onderzoek uit 2018 in het kader van het 'project vervoer gevaarlijke stoffen' door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) blijkt dat het initiatief binnen het invloedsgebied valt van de transportbewegingen met gevaarlijke stoffen die over de Dunsedijk te verwachten zijn. Daarom dient getoetst te worden aan het Besluit externe veiligheid transportroutes en wordt hieronder een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (zie

34

Dunsedijk - achter Rustoord

bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de (snel)wegen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident van een fakkelbrand en met toxische stoffen te beperken. Bij het toxisch scenario is het handelingsperspectief schuilen in gebouwen. Dat kan met voorliggend plan in de te realiseren woningen. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Het ligt in de verwachting dat de aanwezigen van de nieuwe woningen zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Tevens zijn er voldoende mogelijkheden van de risicobron weg te vluchten. Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroute met een externe veiligheidsrisico. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de Dunsedijk.

Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief niet tot een toename van het groepsrisico leidt en geen significant effect heeft de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid. 5.1.7 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:  in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;  een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;  op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:  als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;  als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Dunsedijk - achter Rustoord

35

Planspecifiek Het onderhavige plan betreft enkel de realisatie van 6 woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2.000 woningen uit bijlage D.2. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 5 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in deze ruimtelijke onderbouwing geeft voldoende inzicht op de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig. 5.1.8 Volksgezondheid Veehouderij en Gezondheid Omwonenden Gezondheidsrisico's zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Blootstelling heeft betrekking op de hoeveelheid ziekteverwekker, die een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden.

Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Door het Rijk wordt momenteel een landelijk toetsingskader voor endotoxine ontwikkeld op advies van de Gezondheidsraad. Deze hanteert een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervanuit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen teveel aan endotoxinen kan worden beschermd. Omdat dit toetsingskader nog niet is afgerond, heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid vooruitlopend daarop de “Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0” en de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0” opgesteld. Onderdeel daarvan is een stappenplan, dat moet worden doorlopen om te beoordelen of in het kader van het planvoornemen advisering door de GGD wenselijk is. Planspecifiek Om te bepalen of het voor het voorliggende plan noodzakelijk is om advies in te winnen bij de GGD is het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0” (Definitieve versie 30 april 2018) doorlopen (zie bijlage 6).

Dit stappenplan bestaat uit 7 stappen. Om de stappen te kunnen doorlopen is eerst een inventarisatie gemaakt van de veehouderijen binnen een straal van 1 km om de planlocatie. Hieronder worden de 7 stappen doorlopen. Stap 1. Endotoxine De ontwikkeling is niet gelegen binnen de richtafstanden voor endotoxinen van omliggende varkens- en pluimveehouderijen. Hierbij is uitgegaan van een richtafstand van 500 meter vanaf de grens van het plangebied voor pluimveehouderijen en 200 meter vanaf de grens van het plangebied voor varkenshouderijen, zoals vermeld in de handreiking. Stap 2. Toename in de emissies voor geur, fijnstof of ammoniak De ontwikkeling leidt niet tot een toename van geur, fijnstof en ammoniak. De ontwikkeling betreft de realisatie van woningen, er wordt geen veehouderij/landbouwbedrijf beoogd.

36

Dunsedijk - achter Rustoord

Stap 3. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan Stap 3a. Wettelijke uitgangspunten Voor de achtergrond belasting wordt voldaan aan de waarde 10,0 OU E/m3. Tevens wordt voldaan aan de afstand van 50 meter die geldt in het buitengebied. Stap 3b. Gezondheidskundige uitgangspunten Binnen 100 meter vanaf de grens van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Derhalve wordt voldaan aan het gezondheidskundige advieswaarde van de GGD van 100 m tussen een veehouderij en een geurgevoelige bestemming. Stap 4a. Meerdere diersoorten binnen één veehouderij Het houden van meerdere diersoorten op een bedrijf kan gezondheidsrisico’s teweeg brengen. Binnen het plangebied is echter geen veehouderij aanwezig en derhalve is ook geen sprake van een combinatie van de genoemde diersoorten in de handreiking. Stap 4b. Afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkens- en pluimveebedrijf In de handreiking wordt een gewenste minimale afstand tussen pluimvee- en varkenshouderij benoemd van 100 meter. Aangezien er binnen een straal van 100 meter vanaf de grens van het plangebied geen pluimveehouderij en/of varkenshouderij aanwezig zijn wordt hieraan voldaan. Stap 5a, b en c. Afstand geitenhouderij, pluimveehouderij en bebouwde kom Om gezondheidsrisico’s i.v.m.

geitenhouderijen te beperken wordt in de handreiking benoemd om een minimale aftand van 2 kilometer aan te houden tussen een geitenhouderij en gevoelige bestemmingen (waaronder burgerwoningen). Binnen een straal van 2 kilometer vanaf de grens van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig en derhalve wordt aan de minimale afstand voldaan. Voor pluimveehouderijen en gevoelige bestemmingen wordt in de handreiking een minimale afstand van 1 kilometer benoemd. Binnen een straal van 1 kilometer zijn geen pluimveehouderijen gelegen en derhalve wordt ook aan deze minimale afstand voldaan. Daarnaast geeft de handleiding een aanbevolen minimale afstand tussen overige veehouderijen en de bebouwde kom van 250 meter. Aangezien de planlocatie geen veehouderij betreft en zich niet binnen de bebouwde kom bevind is deze minimale afstand niet van toepassing voor deze situatie. Stap 6. Mestbewerking of -verwerking Op de planlocatie wordt geen mest bewerkt of verwerkt, er is geen sprake van een veehouderij. Binnen een afstand van 200 meter vanaf de planlocatie zijn eveneens geen bedrijven gelegen die mest bewerken of verwerken. Stap 7. Ongerustheid over volksgezondheid In de omgeving is (zover bekend) geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Conclusie Op basis van het doorlopen stappenplan kan geconcludeerd worden dat een advies van de GGD niet noodzakelijk is.

Voorliggend plan heeft in het kader van volksgezondheid geen negatieve invloed op de omgeving van het plangebied. Ook is andersom het woon- en leefklimaat ter plaatse geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van volksgezondheid.

Dunsedijk - achter Rustoord

37

5.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

38

Dunsedijk - achter Rustoord

Beleid Waterschap De Dommel Het beleid van Waterschap De Dommel hanteert de volgende drie principes die richtinggevend zijn bij de advisering over ruimtelijke plannen: 1. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; 2. Doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer'; 3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen. Het Waterschap hanteert geen verplichting tot hemelwaterberging bij een toename van het verhard oppervlakte van minder dan 2.000 m². Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 m 2 en 10.000 m2 kan de volgende rekenregel worden toegepast voor het berekenen van de benodigde compensatie: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen bij de bewoner / eigenaar binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid.

Het gemeentelijke beleid is erop gericht de kansen voor ontvlechting van hemelwater en afvalwater zoveel als doelmatig wordt geacht aan te grijpen. Dit geldt zowel voor de particulier op eigen terrein als voor de openbare ruimte. Daarbij wil de gemeente de vrijstelling tot compensatie bij kleine toename in verhard oppervlak binnen de Keur voor een ontwikkeling, met dit gemeentelijk beleid teniet doen. Hiermee wil de gemeente knelpunten in het rioolstelsel mede oplossen door ook kleinere ontwikkelingen op particulier terrein hieraan bij te laten dragen. Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m2 nieuw verhard oppervlak is uitgangspunt dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan. Planspecifiek Oppervlaktewater In de nabije omgeving van de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Enkel een kleine greppel c.q. droge sloot ten noordwesten van de voorziene bouwlocaties. Grondwater Ter hoogte van de planlocatie ligt grondwatertrap VI, waarbij de GHG 60 - 80 cm – maaiveld bedraagt en de GLG op meer dan 120 cm – maaiveld is gelegen (Viewer Waterschap de Dommel). Via het actueel hoogtebestand Nederland is bekeken dat de gemiddelde maaiveldhoogte is gelegen op 21,9 mtr + NAP.

Dat betekent dat ter hoogte van deze bouwlocatie de GHG op +/- 21,3 mtr + NAP is gelegen. Afvalwater De nieuwe functies in de vorm van de woningen op de bouwlocatie zullen afvalwater opleveren. Dit vuile water blijft gescheiden van het schoon hemelwater en zal via het riool worden afgevoerd.

Dunsedijk - achter Rustoord

39

Huidige en toekomstige situatie Oppervlaktes Dakoppervlakte woningen (6 stuks) Toegangsweg Onverhard terrein Totaal

Huidig m2 0 0 11.500 11.500

Toekomstig m2 1.710,00 750,00 8.892,50 11.352,50

Tabel 1. Overzicht verhardingstoename/afkoppeling hemelwateroppervlak

Binnen de planlocatie wordt voorzien in woonpercelen van 500 m² waarop zes woningen met een dakoppervlakte van in totaal circa 1.110 m2 (inhoud 750 m3), allen met een bijgebouw van maximaal 100 m2 gerealiseerd worden. De toegangsweg en inritten worden voorzien van een verharding in de vorm van gebakken klinkers, natuursteen (kinderkopjes) of grind. Op de percelen wordt spaarzaam omgegaan met verharding. Gezien het materiaalgebruik wordt ervan uitgegaan dat het hemelwater tussen en nabij de verharding in het gebied kan infiltreren. Wateroverlastvrij bestemmen De planlocatie bestaat momenteel grotendeels uit bos en grazige vegetatie. Bij de realisatie van dit plan wordt maximaal 1.710 m2 aan nieuwe bebouwing en ongeveer 750 m2 aan verharding in de vorm van toegangswegen en inritten gerealiseerd. De ontwikkeling van dit plan heeft derhalve mogelijk een negatief effect op de hydrologische situatie. Toetsing ontwateringsnorm De ontwateringsnorm infrastructuur en bebouwing is in Nederland vastgelegd in de Leidraad Riolering (C1000).

Afhankelijk van de functie en inrichting van het gebied zijn de volgende richtlijnen beschikbaar met betrekking tot de toelaatbare grondwaterstanden: Functie Toelaatbare grondwaterstand Woningen met kruipruimte * 0.70 m – kruin weg Woningen zonder kruipruimte * 0.30 m – kruin weg Tuinen en openbare groenvoorziening 0.50 m – kruin weg Primaire wegen 0.90 – 1.00 m – kruin weg Secundaire wegen + woonstraten 0.70 m – kruin weg * Uitgangspunt: vloerpeil van woningen 0.2 tot 0.3 m + maaiveld. De grondwaterstanden in deze tabel mogen gemiddeld enkele dagen per jaar voorkomen. Tabel 2. Toelaatbare grondwater in relatie tot de functie van de grond (bron: Leidraad Riolering)

Voor de locatie Dunsedijk - achter Rustoord is een GHG van 21,3 m + NAP berekend. Het toekomstige bouwpeil dient minimaal 22,0 m + NAP te bedragen (uitgaande van woningen met kruipruimte). Het huidige maaiveldniveau bedraagt 21,9 m + NAP. Dit is niet voldoende om aan de norm te voldoen. De planlocatie zal minimaal met 0,1 m1 worden opgehoogd om aan de norm te kunnen voldoen. Doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer Overschotten aan hemelwater worden zo min mogelijk afgewenteld op benedenstrooms gelegen gebieden. Dit betekent dat schoon afstromend hemelwater zoveel mogelijk binnen de planlocatie wordt vastgehouden. Hierbij hanteert het waterschap het beleid waarin een aantal afwegingsstappen in een vaste volgorde worden afgewogen: hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer. Er zullen voorzieningen worden getroffen, in de vorm van zakslootjes om het hemelwater te laten infiltreren.

40

Dunsedijk - achter Rustoord

Verwerking hemelwater De gronden binnen de projectlocatie zijn zandgronden en daarmee geschikt voor infiltratie. Binnen de projectlocatie is hier in voldoende mate ruimte voor aanwezig. Er wordt gekozen om per woning een waterbergingsvoorziening in de vorm van een zaksloot aan te leggen. De benodigde waterbergingsvoorziening voor een individuele woning is 185 m 2 (dakoppervlak) + 125 m2 (erfverharding) * 0,06 (gevoeligheidsfactor) = 18,6 m3. Bij de woningen wordt een zaksloot met een lengte van 15 tot 20 meter bij 3 meter breed, 0,4 m1 diep en voorzien van een talud 1:3 worden aangelegd zodat de capaciteit boven de GHG voldoende is. Waterkwaliteit Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Bij de realisatie van de woningen op de locatie Dunsedijk – achter Rustoord wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare materialen en/of zink. Zo wordt verontreiniging van bodem en grondwater voorkomen. De beschreven ontwikkelingen met betrekking tot de realisatie van de woningbouwlocaties voldoen aan de beleidsmatige uitgangspunten van Waterschap de Dommel.

De beoogde ontwikkeling voorziet in een vermindering van de oppervlakte verharding ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan en levert derhalve een positieve bijdrage aan het lokale watersysteem. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

5.3

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Natuurnetwerk Brabant In de Interim Omgevingsverordening zijn de grenzen van Natuurnetwerk Brabant vastgelegd. Het Natuurnetwerk Brabant is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aan planten en dieren) bevorderd.

Het Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.

Dunsedijk - achter Rustoord

41

Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kemperland-West'. Dit gebied ligt op ruim 1 kilometer afstand van het plangebied. Door de omvang van de ontwikkeling (realiseren 6 woningen) en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten worden uitgesloten.

Gezien de realisatie van zes woningen die gasloos worden gebouwd, zal er in de gebruiksfase enkel sprake zijn van stikstofuitstoot door een beperkte toename van verkeersbewegingen. In de bouwfase is sprake van een tijdelijke uitstoot. Hiervoor is een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 9). Op basis hiervan en de afstand tot het stikstofgevoelige gebied is er geen aanleiding te veronderstellen dat de stikstofdepositie als gevolg van de bouw en het gebruik van de woningen een substantieel effect heeft op beschermde natuurgebieden. Natuurnetwerk Brabant De locatie achter Huize Rustoord ligt gedeeltelijk in het NNB. Om medewerking te kunnen verlenen aan het plan dient er een herbegrenzing plaats te vinden. Bij NNB-herbegrenzing worden de spelregels gehanteerd zoals beschreven in de IOV van de Provincie Noord-Brabant. In samenspraak met de provincie is bepaald dat in dit geval herbegrenzing plaatsvindt op basis van artikel 3.21 IOV (kleinschalige herbegrenzing). In dat artikel volgt dat een motivering om medewerking te verlenen moet voldoen aan een aantal voorwaarden. De gemeente heeft naar aanleiding van het gewijzigde bestemmingsplan een verzoek ingediend bij de Provincie Noord-Brabant.

Uitgangspunt bij de herbegrenzing, is dat dáár waar op grond van de vigerende bouwrechten ook al bouwrechten in het NNB lagen, de natuurcompensatie opgave (natuurcompensatie en verstoring art. 3.22 Interim omgevingsverordening), zich alléén toespitst op de nieuwe bouwmogelijkheden in het NNB, waar thans dus nog geen bouwrechten liggen. Concreet gaat het daarbij om 3 woningen, welke geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in het bos aan de Dunsedijk. Bij de overige woningen of gedeelten daarvan (die binnen het gebied met bouwrechten liggen) zal de provincie ambtshalve de NNB-begrenzing aanpassen (zie bijlage 2). Op basis van de herbegrenzing zal op grond van artikel 3.24 uit het IOV financieel gecompenseerd worden. Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 7. Hierin wordt geconcludeerd dat er in het plangebied mogelijk amfibieën, reptielen en zoogdieren voorkomen die in de provincie Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat om de wezel, levendbarende hagedis, hazelworm, vinpootsalamander, alpenwatersalamander (allemaal A-soorten die in Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld) en om de heikikker (internationaal beschermd). Eén boom in het plangebied bevat diverse holtes en dient mogelijk als vleermuisverblijf.

Om de aan- of afwezigheid van deze diersoorten in het plangebied aan te tonen, dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek is uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 8. Hierin wordt

42

Dunsedijk - achter Rustoord

geconcludeerd dat het plangebied geen belangrijke functie heeft voor wezels (of andere kleine marterachtigen). De bemonsterde poelen bevatten geen strenger beschermde amfibieën en reptielen zijn afwezig in het plangebied. De Amerikaanse eik met diverse holtes bevat geen vleermuisverblijven. Bij de eventuele kap van deze boom hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met vleermuizen. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

5.4

Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. De woningen worden ontsloten via een bestaand smal pad, welke aansluit op de Dunsedijk. Het verkeer zal worden afgewikkeld op de Dunsedijk in noordelijke richting, waarbij de Dunsedijk direct aansluit op de rotonde van de Lage Mierdseweg (N269). Volgens de CROW-gegevens geldt voor het woonmilieu “landelijk wonen” een stijging van 7,4 verkeersbewegingen per etmaal per woning. De Dunsedijk is een deels geasfalteerde en deels onverharde weg met een maximumsnelheid van 60 km/uur en de Lage Mierdseweg een geasfalteerde weg met een maximumsnelheid van 80 km/uur. Beide wegen kunnen het aantal motorvoertuigbewegingen (44 mvt/etmaal) zonder problemen verwerken. Ook in de ochtend- en avondspits worden geen problemen voorzien, omdat uit ervaringscijfers blijkt dat dan maximaal circa 20% van de totale motorvoertuigbewegingen plaatsvindt. Wat betreft parkeren geldt in het plangebied het 'Parapluplan parkeren Hilvarenbeek 2018', waarin wordt aangesloten bij de parkeernormen van het CROW (publicatie 317). Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een minimale parkeernorm van 2 parkeerplaatsen en een maximale parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen. Bij de woningen is voldoende ruimte om op eigen terrein aan de parkeernorm te voldoen.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

5.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Dunsedijk - achter Rustoord

43

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de Provincie Noord Brabant is Landgoed De Utrecht aangewezen als Complex van Cultuurhistorisch belang. Op deze complexen kunnen bestemmingsplannen voorzien in andere dan op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten mits de ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of herstel van het cultuurhistorisch karakter van het complex. De Utrecht is een bijzonder omvangrijk landgoed, grotendeels bestaand uit productiebossen en landbouwgronden. Het landgoed wordt in het westen begrensd door de rijksgrens met België en in het oosten door de Neterselsche Heide. Van zuid naar noord loopt het beekdal van de Reusel door het gebied, met de middeleeuwse ontginningen Dun, Tulder en Lange Gracht. Bij de aanleg van het landgoed zijn deze buurtschappen met hun akkercomplexen grotendeels bebost. De akkercomplexen zijn nog herkenbaar door hun hogere ligging, steilranden en wallen. Het landgoed is eigendom van vroegere verzekeringsmaatschappij De Utrecht, tegenwoordig ASR.

Het werd als beleggingsobject ontgonnen, ontwikkeld en beheerd door de Nederlandse Heidemij, die de boerderijen met aanpalende landerijen aan boeren verpachtte en de productiebossen exploiteerde. Het landgoed kan naar verschijningsvorm globaal in drie gebieden worden verdeeld. Karakteristiek in het relatief eenvormige westelijke gedeelte is het onregelmatige raster van ontsluitingswegen en brandgangen waarbinnen percelen productiebos zijn aangelegd van afwisselend loof- en naaldbomen. Dit gebied wordt doorsneden door enkele ontsluitingswegen met een laanbeplanting van beuk en eik. Een markant element is de lange Scheidijk, vroeger de grens tussen de Wellenseindsche Heide en de Teulder Heide, nu gemeentegrens tussen Hilvarenbeek en Reusel-De Mierden. In het noordelijke gedeelte wordt het aanzien van het landgoed bepaald door het houtvesterskantoor met de opvallende, met leiengedekte brandtoren (1905-1910), ontworpen door de architecten A.J. Kropholler en J.F. Staal. Rondom dit gebouw werd park met waterpartij in landschapsstijl gerealiseerd, later aangevuld met het Arnoldspark (een arboretum aangelegd in 1941) en afwisselend bossen, graslanden en akkercomplexen. Bij het houtvesterskantoor zijn verschillende gebouwen gerealiseerd, waaronder een aantal arbeiderswoningen rondom een 'dorpsplein'.

Het vakantiehuis Rustoord (1922), ontworpen door architect J.W Hanrath, is een omvangrijk tweelaags gebouw dat was bestemd voor het personeel van de verzekeringsmaatschappij en ligt eveneens in een park. In het noordelijke gedeelte van het landgoed bevinden zich meerdere lanen en wegen die tevens als zichtassen fungeerden. Met uitzondering van het merendeel van de boerderijen ligt de bebouwing direct aan of in de nabijheid van de provinciale- of Lage Mierdenseweg. Dat het beekdal van de Reusel, de Herdgang en het gebied rond de vennen de Flaes en de Kleine Flaes en Het Goor niet is ingericht met productiebossen hing nauw samen met een cultuuromslag van de verzekeringsmaatschappij omstreeks 1920. Behalve een lucratief beleggingsobject wilde zij tevens het natuurlijke beeld van het oude Kempenlandschap bewaren en tegelijkertijd een fraai recreatiegebied creëren; een en ander hing nauw samen met publicitaire doeleinden. Hierdoor kreeg het landgoed een tweeledige bestemming, enerzijds economisch en anderzijds recreatief, die een ruimtelijke weerslag had. Het grootste deel van het landgoed werd tussen 1898 en 1940 aangekocht, ontgonnen en ingericht, de huidige verschijningsvorm is kort na 1945 tot stand gekomen toen ook de laatste gedeelten werden ontgonnen.

44

Dunsedijk - achter Rustoord

Onderhavig plangebied komt in de beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken niet voor behalve dan dat de locatie achter het waardevolle Rustoord is gelegen, dat wel in de beschrijving voorkomt. Op de CHW is te zien dat De Dunsedijk en de Kinderlaan zijn aangeduid als cultuurhistorisch geografisch waardevolle lijnen en Huize Rustoord plus bijgebouw aangeduid is als Rijksmonument.

Cultuurhistorische waardenkaart met plangebied rood omkaderd

Door het Monumentenhuis Brabant is in 2012 een cultuurhistorische analyse uitgevoerd waarin de cultuurhistorisch waarden van Landgoed De Utrecht zijn beschreven (zie bijlage 10). Ook is een effectbeoordeling opgenomen van een aantal ontwikkelingen waaronder de realisatie van 6 woningen ter vervanging van de 28 gestapelde recreatieappartementen die binnen het vigerende bestemmingsplan mogelijk zijn. In de effectbeoordeling geeft het Monumentenhuis aan dat de bouw van 28 vakantieappartementen een grote aantasting op de bestaande historisch-ruimtelijke structuur van Landgoed De Utrecht in het algemeen en van Rustoord in het bijzonder betekent. “De gestapelde appartementen zijn in typologie zeer afwijkend van de bestaande bebouwing van het landgoed en zullen het karakter ernstig aantasten. Het realiseren van een beperkt aantal grondgebonden woningen heeft daarom de voorkeur. Hierbij is het echter van belang dat het aantal woningen zo klein mogelijk blijft. De woningen dienen bovendien zo ver mogelijk van Rustoord, de bijgebouwen en de ijskelder af te liggen". Onderhavig plan voldoet aan de voorwaarden met betrekking tot het aantal woningen en de afstand vanaf Rustoord, de bijgebouwen en de ijskelder. Het is ook positief dat de ontsluiting van het perceel aan de Dunsedijk ligt, waar meerdere woningen aan gesitueerd zijn, zowel van voor als na de ontginning.

Monumentenhuis Brabant geeft vanuit bovenstaande redenering de voorkeur aan de realisatie van een beperkt aantal permanente, grondgebonden woningen. De woningen dienen in ontwerp en situering aan te sluiten op de bestaande karakteristieken van het landgoed. Voorliggend plan voldoet hieraan. Bij het ontwerp van het plangebied is ter versterking van de cultuurhistorische waarden van het plangebied uitgegaan van de Engelse Landschapsstijl waar het oorspronkelijke tuinontwerp van Tersteeg ook op gebaseerd was. Door SB4 is een nader onderzoek gedaan naar de tuin rondom Rustoord. Deze is aanvankelijk ontworpen door F.J. Tersteeg. SB4 heeft op basis van dit onderzoek een waardestelling opgemaakt van de tuin. Hieruit kwam naar voren dat Tersteeg ook op deze plek, zoals hij dat ook bij andere tuinen van zijn hand deed, het omringende landschap intrinsiek deel uit liet maken van het ontwerp. De meer gecultiveerde delen van de tuin liggen globaal in het gebied ten zuiden van Rustoord, waar onder andere een grote vijverpartij, een

Dunsedijk - achter Rustoord

45

leeuwenkunstwerk en een ijskelder deel uit maken van de tuin. Ook aan de voorzijde heeft Tersteeg de voor hem typerende trappartijen toegepast. Achter Rustoord beperkt de ingreep zich tot een lange Rhododendronlaan, die uitkomt op het hart van Rustoord. De openheid van het hier direct ten noorden van liggende terrein met de lange zichten over de heide, de geleidelijke overgang naar productiebos en de verspreide boomgroepen maakten echter wel degelijk deel uit van de oorspronkelijke tuinopzet.

Vogelvluchtopname vanuit het zuidwesten, 1924. (Bron: Aviodrome, fotonr. 1235.) De imposante loofgang van Rhododendrons zoals die nu aanwezig is, is waarschijnlijk nooit de bedoeling geweest van Tersteeg. Deze beperkt juist het zicht over het landschap terwijl hij daar juist een belangrijk thema van maakte. Desalniettemin is de loofgang op dit moment wel één van de meest imposante onderdelen op het terrein en moet daarom behouden blijven. Dit voor Tersteeg kenmerkende gebruik van het omringende landschap is aan de voorzijde van Rustoord nog goed herkenbaar. Al zijn in de tussenliggende periode wel enkele elementen aan de voortuin toegevoegd in de vorm van sokkels en een imposant beeld. Toch bestaat ook nu nog de mogelijkheid om over het direct aan Rustoord grenzende heideterrein, over de Lage Mierdseweg verder het landschap in te kijken. In de waardestellingsrapportage van SB4 is het noordelijk deel achter Rustoord wat lager gewaardeerd dan de overige delen van de tuin. De belangrijkst reden daarvoor is dat in de huidige situatie nauwelijks iets resteert van de oorspronkelijke openheid en er ook niet langer sprake is van heide. Daar komt nog bij dat tuinarchitect P.H. Wattez in dit open deel van de tuin van Tersteeg enkele sportvoorzieningen intekende, zoals een sportveld en een tennisveld tegen de Dunsedijk.

Deze voorzieningen werden destijds aangelegd als onderdeel van de functie van Rustoord als vakantieoord voor de werknemers van de verzekeringsmaatschappij de Utrecht (nu A.S.R.), waar ook het landgoed zijn naam aan te danken heeft.

46

Dunsedijk - achter Rustoord

Waardestelling volgens SB4 In paragraaf 3.2 Toekomstige situatie is verder toegelicht hoe met het ontwerp van voorliggend plan rekening is gehouden met de tuinopzet van Tersteeg. In paragraaf 3.2 is tevens het proces beschreven van de totstandkoming van het plan in relatie tot cultuurhistorie. Vanwege de cultuurhistorische waarde van Landgoed de Utrecht is het vergunningsvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken (inclusief artikel 2 lid 3 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht) en erfafscheidingen uitgesloten. Archeologie Het plangebied is op de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek gelegen binnen de categorie 4 'hoge archeologische verwachting voor uitsluitend vindplaatsen van jager-verzamelaars'. Onderstaand een uitsnede van deze kaart met het plangebied rood omkaderd. Dit komt overeen met de dubbelbestemming 'Waarde-archeologie 2' in de bestemmingsplannen van de gemeente Hilvarenbeek waarbinnen grondwerkzaamheden met een oppervlakte van minder dan 2.500 m² zonder omgevingsvergunning zijn toegestaan. Met voorliggend plan wordt deze drempelwaarde niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11262216/1