Gemeentelijk rioleringsplan Hillegom 2021-2025 23-09-2020.pdf
Tekst van het document
8.3.2
Beleid bestaande bebouwing
Voor de particulier met wateroverlast zijn wij als gemeente het eerste aanspreekpunt. Indien meldingen vallen onder de verantwoordelijkheid van provincie (grondwaterbeheerder) of Hoogheemraadschap (waterbeheerder), dient de gemeente afspraken te maken over de afhandeling hiervan. De gemeente vervult hierin een regisseursfunctie. Verantwoordelijkheden particulier en gemeente De particulier is primair verantwoordelijk voor maatregelen op eigen terrein. Indien er sprake is van grondwateroverlast op particulier terrein en de particulier zich redelijkerwijs niet op een andere wijze van het grondwater kan ontdoen, zal in overleg getreden worden met de gemeente. Indien er sprake is van structurele grondwateroverlast op particulier terrein als gevolg van te hoge grondwaterstanden in de openbare ruimte, heeft de gemeente de zorg om samen met de eigenaar te zoeken naar een doelmatige oplossing. In het uiterste geval kan het grondwater op een gemeentelijke voorziening worden geloosd.
Wij hebben voor de openbare ruimte per bestemming de gewenste ontwateringsdiepte vastgesteld. Deze staan weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 2 Gewenste ontwateringsdieptes in de openbare ruimte
Bestemming
Gewenste ontwateringsdiepte (GHG) [m – mv]
Primaire wegen Secundaire wegen Tuinen, plantsoenen, parken en sportvelden
1,00 0,70 0,50
De gewenste ontwateringsdieptes hebben alleen betrekking op het stedelijk gebied in Hillegom. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen het maaiveld en de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG).
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
45
Projectgerelateerd
Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) De GHG is gedefinieerd als het gemiddelde van de 3 hoogste grondwaterstanden per hydrologisch jaar (van 1 april tot en met 31 maart) over een periode van tenminste 8 jaar uitgaande van 2 metingen per maand op de 14de en 28ste van de maand.
Incidenteel kan de grondwaterstand dus hoger zijn dan de gewenste ontwateringsdiepte, zonder dat de GHG deze norm overschrijdt. In die gevallen beoordeelt de gemeente de eventuele overlast als niet zijnde structureel en zijn maatregelen in principe niet noodzakelijk. De regisseursrol van de gemeente verplicht de gemeente tot het in ontvangst nemen van klachten met betrekking tot (grond)wateroverlast en het zorgvuldig afhandelen hiervan. Dit betekent echter niet dat de gemeente ook altijd verantwoordelijk is voor het oplossen van de ondervonden overlast. De grondwaterzorgplicht geeft de eigenaar de verantwoordelijkheid voor het eigen terrein. Net als de particulier op eigen perceel is de ook de gemeente als eigenaar en beheerder verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Indien afwijkende grondwaterstanden in de openbare ruimte aantoonbaar leiden tot overlast aan de bestemming van omliggende percelen, treedt de gemeentelijke zorgplicht in werking. Er zal dan in overleg met de particulier naar een doelmatige oplossing binnen redelijke termijn moeten worden gezocht. Dit ontslaat de particulier niet van zijn eigen verantwoordelijkheden om te voldoen aan de geldende bouwkundige eisen en het nemen van maatregelen om zich te ontdoen van overtollig hemel- en grondwater op eigen terrein.
De gemeente is bovendien op basis van de grondwaterzorgplicht nadrukkelijk geen peilbeheerder van het grondwater geworden, wat betekent dat de grondwaterstand incidenteel hoog kan zijn. Pas als er structureel sprake is van overlast zoals hierboven beschreven zal de zorgplicht van toepassing kunnen zijn.
8.3.3
Tegengaan van nieuwe overlast in bestaand stedelijk gebied
Rioolvervanging Bij rioolvervanging wordt nagegaan of de ontwatering hierdoor mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als lekke riolering wordt vervangen door waterdichte riolering (verlies drainerende werking). Per rioolvervangingsproject wordt bepaald in hoeverre het nodig is een drainage leiding bij te leggen. Hiervoor wordt onder andere gebruik gemaakt van de kaart met ontwateringsdiepten in de huidige situatie (bijlage 8) in combinatie met de gewenste ontwateringsdiepte ter plaatse. Waar nodig wordt gebruik gemaakt van grondwatermodelberekeningen om het effect van vervanging van lekke riolen te bepalen. Eventueel bestaande grondwateroverlast wordt in deze afweging meegenomen.
8.3.4
Stappenplan bij meldingen
Om een zorgvuldige afhandeling van iedere melding te waarborgen (maatregel G2) wordt per geval een aantal stappen doorlopen om deze goed te kunnen beoordelen. Het stappenplan is beschreven in onderstaande tabel. Het beoordelen van de situatie en uiteindelijk verhelpen van de vermeende grondwateroverlast (kan ook –onderlast zijn) heeft doorgaans een doorlooptijd van enkele maanden.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
46
Projectgerelateerd
Tabel 3
Stappenplan beoordelen meldingen van grondwateroverlast
Stap 1 2
Actie Toelichting Ontvangst klachten/meldingen Vastleggen in systeem 1e beoordeling van klacht: mogelijk grondwater Indien nodig melding laten afhandelen door gerelateerd of niet? Hoogheemraadschap of provincie 3 a. Beoordelen of er werkelijke schade/overlast Bezoek ter plaatse optreedt b. Toetsen grondwaterstanden aan gewenste grondwaterstand = mv - gewenste ontwateringsdiepte (zie tabel 2) Indien op basis van 3a en b de melding als overlast wordt beoordeeld: 4 Beoordelen of gewenste grondwaterstand Onderzoeken lokale situatie in beeld brengen structureel* wordt overschreden door verzamelen gegevens, klachten en eventuele aanvullende metingen. 5 Beoordelen of, en zo ja, welke maatregelen er op de Maken doelmatigheidsafweging en plannen korte en lange termijn genomen moeten worden. van eventuele maatregelen. * structureel houdt in dat dit minimaal 2 gebeurtenissen per locatie per jaar gedurende minimaal 3 jaar betreft en dat de overlast langer dan 5 dagen aaneengesloten aanhoudt. Daarnaast moet de klacht het gevolg zijn van een te hoge grondwaterstand in het openbaar gebied. Voor de gewenste ontwatering wordt verwezen naar de in dit hoofdstuk opgenomen tabellen.
Indien wij vragen ontvangen die betrekking hebben op de wettelijke taken van andere organisaties zoals Hoogheemraadschap, provincie of drinkwaterbedrijf, dan worden deze mensen doorverwezen naar de betreffende instantie. De gemeente houdt hierover de regie in de backoffice. Bij meldingen over grondwateroverlast maken wij gebruik van de informatie van ons grondwatermeetnet: Grondwatermeetnet Hillegom beschikt over een gebiedsdekkend grondwatermeetnet met 30 peilbuizen waarbij de grondwaterstanden worden gemeten met telemetrische loggers en benaderbaar zijn via een (niet openbare) web portal. De grondwaterstanden worden gemonitord en op basis van de metingen en kalibratie is gedegen inzicht in de bestaande ontwateringsdieptes. In bijlage 8 is een kaart opgenomen met de bestaande ontwatering, afkomstig uit het grondwatermodel. De exploitatie van het grondwatermeetnet inclusief het incidenteel bijplaatsen van meetpunten (als gevolg van meldingen) wordt betaald uit de exploitatie (maatregel G1). De gewenste ontwateringsdiepte wordt binnen de begrenzing van het stedelijk gebied in de huidige situatie bijna overal gehaald. Dit blijkt ook uit het beperkt aantal klachten en meldingen over (de negatieve effecten van) te hoge grondwaterstanden. Figuur 20 Peilbuizen behorende bij het grondwatermeetnet van de gemeente Hillegom
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
47
Projectgerelateerd
8.4
Doel 2 - Beperken weersomstandigheden
ontwrichting
en
schade
bij
extreme
Anticiperen op droogte Als gevolg van klimaatverandering zullen er naar verwachting vaker langere perioden van droogte voorkomen in Nederland. In stedelijk gebied heeft dit een dalende grondwaterstand tot gevolg. Het peilbeheer van het oppervlaktewater is in handen van het waterschap. De grondwaterstand wordt beïnvloed door oppervlaktewaterstanden. Desalniettemin kunnen wij als gemeente en inwoners ons steentje bijdragen aan het tegengaan van verdroging door zo min mogelijk oppervlak te verharden (ook ontharden en de aanleg van groen) en het hemelwater zo veel mogelijk lokaal vast te houden en te infiltreren. Genoemde maatregelen worden al getroffen met het oog op het reduceren van het risico op wateroverlast tijdens extreme neerslag. Het tegengaan van verdroging is daarbij ook een van de beslissingscriteria. Met name in gevoelige locaties voor droogte zullen kansen aangegrepen worden om water zoveel mogelijk vast te houden en hemelwater lokaal te infiltreren. Bij grootschalig infiltreren wordt gedegen vooronderzoek uitgevoerd naar mogelijke consequenties. Wij monitoren de grondwaterstand middels ons grondwatermeetnet (hoofdstuk 8.3). Droogte en te lage grondwaterstanden kunnen leiden tot (plaatselijke) verzakkingen, paalrot en scheuren in panden, terwijl te hoge grondwaterstanden tot vochtproblemen kunnen leiden.
Uit de in HLT verband uitgevoerde klimaatstresstest is een aantal droogterisico’s / knelpunten aan het licht gekomen zoals in onderstaande figuur en tabel aangegeven. Droogtemaatregelen (maatregel G3) maken onderdeel uit van de investeringen zoals opgenomen in maatregel H1-H2.
Figuur 21 HLT Klimaatstresstest – droogte knelpunten Omschrijving droogte risico’s
Risico
Stakeholders
Bollengebied
Middelgroot, prioriteit van Rijnland; verzilting
Bollen, LTO, RL, GOM
Herinrichting en peilopzet. Droogte neemt af
Gemeente
Betere afvoer van polder op korte termijn, waardoor praktijk-knelpunt verdwijnt Bodemdaling in veenweidegebied (toenemend naar oosten)
Laag (hoger)
Natuur
Figuur 22 Risico’s droogte (bron klimaatstresstest N&S)
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
48
Projectgerelateerd
Meekoppelkansen - hitte Een aspect dat niet direct, maar wel indirect gelieerd is aan de zorgplichten is hittestress. Maatregelen om hittestress te voorkomen of beperken zijn in principe niet uit de rioolheffing te bekostigen. Het is echter wel mogelijk om meekoppelkansen ten aanzien van het reduceren van hittestress te benutten. De meerkosten zijn in dat geval nul of nihil. Onderstaande figuur toont de locaties met knelpunten bij hitte. In hetzelfde overzicht zijn de locaties met knelpunten ten aanzien van droogte en wateroverlast opgenomen. Hieruit volgt dat het in enkele gevallen mogelijk kan zijn om meekoppelkansen te creëren en te benutten. De uitkomsten en kaarten dienen als input voor de risicodialoog en als aandachtspunt voor te treffen maatregelen. Wanneer de kaarten ‘over elkaar heen’ gelegd worden, wordt een totaalbeeld verkregen van de potentiële problematiek en kunnen integrale maatregelen en oplossingen bedacht en uitgevoerd worden. Dit is een proces dat zowel qua financiële middelen, als qua capaciteit en mogelijkheid tot meekoppelen, niet in een paar jaar gerealiseerd kan worden. Om die reden hebben gemeenten tot 2050 de tijd om de maatregelen uit te voeren.
Figuur 23 Knelpunten droogte - hitte en wateroverlast, bron HLT klimaatstresstest N&S
8.5
Doel 3 - Ecologisch gezond en natuurlijk watersysteem
8.5.1
Bronneringswater
Het waterschap is bevoegd gezag voor de grondwateronttrekkingen, o.a. tijdens bouwwerkzaamheden. Bij het verlenen van de vergunning houdt het waterschap rekening met bomen die kwetsbaar zijn voor grote veranderingen in de grondwaterstand. Lozing van bronneringswater vindt bij voorkeur in overleg met het waterschap plaats op het oppervlaktewater. Via het Omgevingsloket online (link) kun je als particulier of ondernemer nagaan of een vergunning nodig is (afhankelijk van totale duur en te onttrekken volume).
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
49
Projectgerelateerd
De verantwoordelijkheden op een rijtje In de Wet gemeentelijke watertaken zijn de taken en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden als volgt verdeeld: De perceel eigenaar is verantwoordelijk voor maatregelen op het eigen terrein. Voorbeelden: ontwatering van zijn terrein, de bouwkundige staat van zijn gebouwen; De gemeente is verantwoordelijk voor de ontwatering van openbaar terrein. Indien er in het bebouwd gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming, dan krijgt de gemeente een zorgplicht. Dit betekent dat de gemeente maatregelen moet treffen waarmee de problemen zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. Deze gemeentelijke zorgplicht geldt alleen als het gaat om maatregelen die doelmatig zijn en niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap of provincie behoren; De gemeente draagt zorg voor de eventuele aanleg en onderhoud van de benodigde verzamel- en transportleidingen en de aansluitpunten voor de aan- of afvoer van het particulier terrein; Het waterschap is verantwoordelijk voor de aan- en afvoer van water via leggerwatergangen; De provincie is verantwoordelijk voor vergunningen voor grondwateronttrekking en infiltratie met het doel dit weer te onttrekken.
Dit betreft alleen de onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening, de industriële grondwateronttrekkingen groter dan 150.000 m3 per jaar en koude- en warmteopslag. Overige grondwateronttrekkingen vallen onder verantwoordelijkheid van de waterschappen. De provincie is verantwoordelijk voor het innen van de grondwaterheffing.
8.5.2
Zorgplicht voor drinkwater
Naast de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater heeft de gemeente net als de andere overheden een zorgplicht drinkwater. Deze zorgplicht heeft inhoudelijk een sterke samenhang met de zorgplichten voor het zuiveren van afvalwater en die voor het regionaal watersysteem van de waterbeheerder, in dit geval Hoogheemraadschap van Rijnland. Schoon en voldoende drinkwater is voor iedereen belangrijk. Daarom moet de openbare drinkwatervoorziening goed ingebed zijn in de ruimtelijke inrichting en het gebiedsgebruik. Op grond van de Drinkwaterwet (artikel 2) hebben bestuursorganen een zorgplicht voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Dit komt ook tot uiting in de Omgevingswet (artikel 2.1). Bij de uitoefening van bevoegdheden en toepassing van wettelijke voorschriften door bestuursorganen geldt de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening als een dwingende reden van groot openbaar belang. Zorgplicht drinkwater in de omgevingsvisie (Drinkwaterwet, artikel 2) De provincie is leidend in de bescherming van grondwater dat bestemd is voor de openbare drinkwatervoorziening. De gemeente volgt het beleid dat hiervoor in de provinciale omgevingsvisie wordt opgenomen. Waar nodig neemt de gemeente regels op in het omgevingsplan om de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen.
Onder de zorgplicht valt ook het beschermen van de infrastructuur die nodig is voor de levering van drinkwater aan inwoners. Binnen het grondgebied van Hillegom zijn geen grondwaterbeschermingsgebieden gelegen.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
50
Projectgerelateerd
8.6
Doel 4 - Duurzaamheid
Binnen de grondwaterzorgplicht wordt invulling gegeven aan het aspect duurzaamheid door reeds in de planfase rekening te houden met de ontwikkeling van grondwaterstanden. Het voorkomen van nieuwe grondwaterproblematiek is het uitgangspunt. Te realiseren door primair het maaiveld op te hogen, niet door grondwaterstandstanden te verlagen. Door bij de bouw bronmaatregelen te treffen kunnen (minder duurzame) reparatie maatregelen in de gebruiksfase voorkomen worden. Indien drainage noodzakelijk is, geldt het uitgangspunt dat overtollig schoon grondwater in principe niet afgevoerd wordt naar de zuivering, maar geloosd wordt op de hemelwaterriolering en/of op oppervlaktewater. Indien drainage toch noodzakelijk is, dient deze robuust en duurzaam worden ontworpen en aangelegd te worden. Intentie is de levensduur van drainage gelijk te houden aan dat van rioolleidingen. Dit betekent dat specifieke eisen aan drainageleidingen gesteld moeten worden conform het op te stellen programma van eisen.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
51
Projectgerelateerd
9
Wat gaan we doen? (Maatregelen)
Onderstaande tabellen geven een samenvatting van maatregelen en investeringen uit hoofdstuk 6 (A), hoofdstuk 7 (H), hoofdstuk 8 (G) en algemeen (ALG). Algemeen ALG1
Maatregel / investering Tussenevaluatie GRP – Verweving omgevingsvisie
Jaar / periode 2023
ALG2
Bruidsschat – inbreng watergerelateerde aspecten
2021-2025
ALG3
Rioleringsprogramma opstellen (5-jaarlijks)
2025
ALG4
Van risicodialoog tot uitvoeringsagenda
2021
ALG5 ALG6
Communicatie over water en klimaat Rioolbeheerplan (5-jaarlijks)
2021-2025 2024
ALG7
Basisrioleringsplan (10-jaarlijks)
2022
ALG8
Operationeel plan (jaarlijkse actualisatie)
Jaarlijks
Afvalwater A1
Jaar / periode 2022
A3
Maatregel / investering Inventariseren en in beheersysteem verwerken drainageleidingen Reinigings- en inspectie vrijvervalriolering (met aandacht voor foutieve aansluitingen) Rioolvervanging vrijvervalriolering
2021-2025 (freq. 1 per 8 jaar) 2021-2025
A4
Inspectie pompen en gemalen (conform BRL 1402-01)
2021-2025
A5 A6
Vervangen pompen en gemalen (planperiode enkel EM) Inspectie voedingskabels
A7
Herstellen voedingskabels
2021-2025 Periodiek, eens per 5 jaar 2021-2025
A8
Inspectie centrale voedingskasten (CVK)
A9
Actualiseren tekening CVK voedingskabels (bijhouden)
2021-2025 (freq. 1 per 5 jaar) 2021-2025
A10
Beheer van telemetriesysteem
2021-2025
A11
Reiniging en inspectie BBV’s en riooloverstorten (v.v. telemetrie) Kalibreren telemetriesysteem (29 stuks)
2021-2025(freq. 1 per 4 jaar) 2021-2025
Extern archiveren en overdragen meetdata aan gemeente Beleid omtrent telemetrie opstellen
2021-2025
A2
A12 A13 A14 A15 A16
Periodieke controle bodemlozende IBA systemen Vervangen huisaansluitingen (planmatig, bij rioolvervanging)
23-09-20
GRP HILLEGOM
2022
2021-2025
Investering € 10.000, onderdeel van exploitatiepost 3510101 € 5.000 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 3510101 € 25.000, onderdeel van exploitatiepost 4343083 € 25.000, onderdeel van exploitatiepost 4343083 Jaarlijks, interne uren en kosten € 20.000, onderdeel van exploitatiepost 4343083 € 30.000, onderdeel van exploitatiepost 4343083 € 10.000 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 3510101 Investering € 7.500, onderdeel van exploitatiepost 3510101 € 80.000 jaarlijks, exploitatiepost 4343060 (ophogen) € 270.000 – 290.000 jaarlijks (investering) € 15.000 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 4343050 € 200.000 per jaar (investering) € 3.000 jaarlijks (gem.), ophogen exploitatiepost 4343050 € 6.000 jaarlijks, ophogen exploitatiepost 4343050 € 2.160 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 4343050 (BRL) € 500 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 3510101 € 27.000 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 4343050 € 2.500 jaarlijks, exploitatiepost 4343060 (ophogen) € 7.000 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 4343050 € 200 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 3510101 € 5.000, onderdeel van exploitatiepost 3510101 Geen kosten taakveld riolering € 50.000 jaarlijks (investering)
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
52
Projectgerelateerd
Hemelwater H1 H2 H3 H4
Grondwater G1 G2 G3
23-09-20
Maatregel / investering Afkoppeling (klimaatadaptatie zoals aanpassingen openbare ruimte) Aanpakken urgente knelpunten volgend uit herberekening 2020 Onderzoek bijdrageregeling afkoppelen verhard oppervlak en/of de aanleg van groene daken Ombouw verbeterd gescheiden stelsel Beeklaan tot een volledig gescheiden stelsel Maatregel / investering Exploitatie grondwatermeetnet inclusief incidenteel bijplaatsen meetpunt (1 per jaar) Loketfunctie water vervullen Maatregelen droogte (meekoppelkansen)
GRP HILLEGOM
Jaar / periode 2021-2050
Investering € 150.000 per jaar in planperiode
2021-2025
€ 100.000 per jaar
2022
€ 7.500, onderdeel van exploitatiepost 3510101 € 75.000 (investering), maakt onderdeel uit van maatregel H2
2023
Jaar / periode 2021-2025 2021-2025 2021-2050
Investering € 15.000 jaarlijks, onderdeel van exploitatiepost 4343050 Jaarlijks, interne uren en kosten Jaarlijks (investering), maakt onderdeel uit van maatregel H1-H2
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
53
Projectgerelateerd
10
Wat zijn de benodigde personele en financiële middelen?
In dit hoofdstuk worden de kosten en baten (inning van de rioolheffing) van de rioleringszorg behandeld. De Commissie Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) stelt dat de rioolheffing maximaal kostendekkend mag zijn (de gemeente mag besluiten om een deel van de kosten uit andere middelen te financieren). Het is daarnaast toegestaan om voor toekomstige (riool)vervangingen of groot onderhoud een voorziening in het leven te roepen en voor deze toekomstige uitgaven te sparen. Deze voorziening mag tevens ingezet worden om het tarief enigszins te egaliseren. Een meer dan 100% kostendekkende rioolheffing is niet toegestaan. Aan de uitgavenzijde wordt onderscheid gemaakt in lopende kapitaallasten, nieuwe investeringen (vervanging en afkoppeling), exploitatielasten (personele inzet en beheer en onderhoud stelsel) en overige maatregelen (zoals onderzoeken). Deze aspecten worden onderstaand behandeld. De inkomstenkant is de exponent van de uitgavenzijde. In hoofdstuk 10.7 wordt de heffing berekend die nodig is om een kostendekkend geheel te hebben en in de toekomst te houden. BBV Notitie Riolering (november 2014): “Het GRP heeft een lange planningshorizon. De hardheid van de ramingen neemt daarbij vanzelfsprekend af naarmate de te bekostigen maatregelen verder in de toekomst liggen.
Met name daar waar het gaat om maatregelen die bekostigd kunnen worden uit voorzieningen (zoals groot onderhoud en vervangingsinvesteringen) geldt dat deze nogal kunnen fluctueren en in de tijd kunnen verschuiven. Het is dan ook niet reëel bij het berekenen van de hoogte van de jaarlijkse toevoeging in de betreffende voorziening uit te gaan van de planningshorizon die gehanteerd wordt in het GRP. Daarbij kan beter uitgegaan worden van een middellange en in de tijd telkens een jaar opschuivende periode. Daarmee is het mogelijk met inachtneming van artikel 228a Gemeentewet tot een goede afweging te komen hoe hoog het riooltarief moet (kan) zijn en (desgewenst) welke stijgingsfactor daarin moet worden opgenomen.”
Financieel wordt 30 jaar vooruit gekeken (tot en met 2050). Dit sluit goed aan bij de BBV, die pleit voor een beperktere financiële horizon dan ‘gebruikelijk’ in een GRP. Daarnaast dient de openbare ruimte van gemeenten in 2050 klimaatbestendig ingericht te zijn, waarmee wij derhalve deze gehele termijn in ogenschouw nemen. Op deze wijze kan er voldoende geanticipeerd worden op een toekomstige stijging of daling van de lasten. Naast de financiën, moet ook de personele kant niet uit het oog verloren worden. In hoofdstuk 10.9 wordt de formatie voor riolerings- en stedelijk waterbeheer binnen onze organisatie belicht.
10.1
Algemeen
Investeringen in de riolering moeten op grond van de gemeentelijke financiële voorschriften worden geactiveerd. Activeren leidt tot kapitaallasten. Basisregel: investeringen in het riool activeren en afschrijven Onder het BBV is de basisregel dat investeringen met economisch nut geactiveerd moeten worden (artikel 59, eerste lid BBV). Alle investeringen in het riool -ook de vervangingsinvesteringen- vallen onder de investeringen met een economisch nut. Immers, een gemeente kan middelen genereren via het riooltarief (artikel 59, tweede lid BBV). De geactiveerde investeringen leiden voor de duur van de afschrijfperiode tot kapitaallasten en deze lasten kunnen op grond van artikel 228a Gemeentewet in het tarief worden meegenomen [Notitie Riolering, Commissie BBV, oktober 2009]
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
54
Projectgerelateerd
Onderzoeken worden vaak niet geactiveerd: Activeren immateriële activa De mogelijkheid om immateriële activa te activeren is door de BBV aanzienlijk beperkt. Alleen kosten van onderzoek en ontwikkeling kunnen nog worden geactiveerd. Daarbij geldt ook nog de voorwaarde dat er reëel zicht moet zijn op de verwezenlijking van de plannen (bovendien moet het gaan om de verwezenlijking van tastbare zaken). De maximale afschrijvingstermijn is in de nieuwe BBV gesteld op 5 jaar.
In Hillegom worden te investeringen ten behoeve van onderzoeken niet geactiveerd. Deze kosten dekken wij vanuit de exploitatie. Per 1 januari 2015 beschikken wij over een voorziening ten behoeve van toekomstige (riool)vervangingen, conform de richtlijnen uit het BBV. Deze voorziening wordt enkel aangewend voor de vervanging en/of verbetering van leidingen, bouwkundige onderdelen van het rioleringsstelsel en mechanisch/elektrische vervangingen van pompen en gemalen. Aangezien dotaties aan en onttrekkingen uit de voorziening gebaseerd zijn op ramingen (begroting) zullen wij het uitvoeringsplan en daaraan gerelateerde kostendekkingsplan tussentijds evalueren en indien nodig actualiseren op basis van werkelijke kosten (maatregel ALG1). Substantiële financiële afwijkingen ten opzichte van de raming worden aan het College gemeld. Eventuele overschotten als gevolg van (incidentele) voordelen op investeringen worden toegevoegd aan de voorziening ten behoeve van vervangingen. Op deze wijze worden eventuele overschotten direct ingezet om toekomstige (kapitaal)lasten te reduceren. Uit doelmatigheidsoogpunt en gezien het feit dat projecten doorgaans een langere looptijd dan één jaar hebben, kiezen wij er voor het plan niet jaarlijks te actualiseren. Het uitvoeringsplan is globaal van karakter en beschouwt een langjarige periode.
In het rioolbeheerplan en het operationeel plan zijn respectievelijk de prognoses en de detailplanning voor de komende 4 à 5 jaar opgenomen. Wanneer een investering later uitgevoerd wordt, heeft dat geen grote consequenties voor het kostendekkingsplan c.q. de rioolheffing, aangezien wij werken met een voorziening (het geld blijft in de Voorziening en zal op een later tijdstip voor het bestemde doel gebruikt worden).
10.2
Kapitaallasten
Voor leidingen (riolering) en bouwkundige onderdelen van pompputten wordt een economische afschrijvingstermijn van 40 jaar gehanteerd en voor mechanisch / elektrische vervanging van pompen en gemalen een termijn van 15 jaar. De rekenrente voor geactiveerde investeringen bedraagt 0%. Er wordt lineaire afschrijving gehanteerd. Kapitaallasten (afschrijving) starten het jaar ná uitvoering. Investeringen in het verleden, ten behoeve van vervangingen of aanleg van randvoorzieningen, dan wel aansluiting van het buitengebied, zijn geactiveerd. Dit heeft geleid tot kapitaallasten. Onderstaande grafiek toont de lopende kapitaallasten van geactiveerde investeringen tot en met het jaar 2020, alsmede van de nieuwe investeringen (voor zover deze niet afgeboekt worden in de balanssfeer, zie: Werking van de voorziening). In 2021 bedragen de kapitaallasten 20% van de totale inkomsten uit de rioolheffing.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
55
Projectgerelateerd
Totale kapitaallasten taakveld riolering
Kapitaallasten investeringen vanaf 2021
€ 800,000
Lopende kapitaallasten investeringen tot en met 2020 € 700,000 € 600,000 € 500,000 € 400,000 € 300,000 € 200,000 € 100,000
2049
2047
2045
2043
2041
2039
2037
2035
2033
2031
2029
2027
2025
2023
2021
€0
Figuur 24 Kapitaallasten investeringen taakveld riolering gemeente Hillegom
Nieuwe, nog uit te voeren investeringen leiden tot nieuwe kapitaallasten, tenzij deze investeringen ‘direct’ afgeboekt kunnen worden met het saldo in de Spaarvoorziening: Werking van de voorziening Voor de rioolheffing bestaat de wettelijke mogelijkheid om via het tarief vooraf gepland te sparen voor toekomstige vervangingsinvesteringen (art 229b, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet). Ook deze spaarbedragen moeten op grond van de BBV aan een Voorziening worden toegevoegd. In het jaar dat de vervangingsinvestering wordt gerealiseerd, komt deze als actief op de balans en kan de opgebouwde spaarvoorziening daarop in mindering worden gebracht. Via de spaarbedragen kan het opwaartse effect van de vervangingsinvesteringen op de rioolheffing dus worden gemitigeerd (bron: Bijlage Notitie Riolering BBV, april 2012). De specifieke regels ten aanzien van de voorziening zijn beschreven in de meer recente versie van de Notitie Riolering (november 2014) en de Vraag en antwoord rubriek van de BBV. • In het tarief mogen spaarbedragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen worden meegenomen. Deze worden als last in de exploitatie toegevoegd aan een voorziening ex. artikel 44, lid 1d BBV; • Bij realisatie van de vervangingsinvestering wordt deze voor het volle bedrag geactiveerd.
Het bedrag voor toekomstige vervangingsinvesteringen in de rioolvoorziening wordt op het te activeren bedrag in mindering gebracht (afboeking in de balanssfeer: artikel 62, lid 4 BBV). • Ook wanneer “idealiter” de jaarlijkse spaarbedragen precies gelijk zijn aan de jaarlijkse vervangingsinvesteringen moeten de “spaarbedragen” als last worden geboekt en wordt vervolgens de daarmee gevormde voorziening afgeboekt op de geactiveerde vervangingsinvesteringen. In het kostendekkingsplan zijn de spaarbedragen voor toekomstige vervangingen aangegeven als dotatiebedragen aan de voorziening. Om de (nieuwe) kapitaallasten zo laag mogelijk te houden en daarmee financiële armslag te creëren voor de toekomst, worden investeringen ‘zo weinig mogelijk’ geactiveerd (het saldo van de voorziening wordt dus zo veel mogelijk ingezet om investeringsbedragen ‘direct’ af te boeken).
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
56
Projectgerelateerd
Enkele uitgangspunten: • Afkoppeling wordt beschouwd als een vervangings- c.q. verbeteringsinvestering; het betreft het vervangen van een bestaand stelsel voor een voorziening voor gescheiden inzameling en transport. Dit is voortschrijdend inzicht. • Geen groot onderhoud meer: alle onderhoud valt onder de exploitatie. Relining (meer dan een enkele deelliner) wordt gelijkgesteld aan vervanging indien het de levensduur verlengt. • Relining dat niet levensduur verlengend is (renovatie) valt onder de exploitatie (onderhoud). • Vervanging van pompen en gemalen (mechanisch en elektrisch en bouwkundig) valt onder vervanging. De gemeente hanteert de componentenmethode (verschillende economische afschrijvingstermijnen) waardoor dit ook niet onder groot onderhoud kan vallen (conform BBV).
10.3
Nieuwe investeringen planperiode
De komende jaren zullen er investeringen plaatsvinden door de volgende riool gerelateerde maatregelen uit te voeren. • Vervangingsinvesteringen ten behoeve van riolering (buizen) worden geactiveerd en afgeschreven over 40 jaar indien het saldo in de voorziening ontoereikend is om deze investeringen direct af te boeken. Het maakt daarbij niet uit of de riolering vervangen wordt, dan wel in zijn geheel gerelined. Grootschalige relining wordt gelijkgesteld aan vervanging, waardoor hiervoor dezelfde financiële rekenkundige (financiële) uitgangspunten gelden. ‘grootschalige’ relining is een relatief begrip; als stelregel geldt dat het meerdere strengen betreft en dat als uitgangspunt geldt dat deze strengen (na relining) zullen blijven liggen, indien de overige strengen een aantal jaren later vervangen zouden worden.
Een onderbouwing van de geraamde investeringskosten voor rioolvervangingen is als bijlage 9 toegevoegd. • Vervangingsinvesteringen ten behoeve van pompen en gemalen worden geactiveerd en afgeschreven over 40 jaar voor zover deze bouwkundige vervangingen betreffen én de Voorziening ontoereikend is om deze investeringen direct af te boeken. In bijlage 9 is een overzicht van de jaarkosten voor bouwkundige vervangingen weergegeven. De komende jaren (planperiode) zijn enkel elektromechanische vervangingen voorzien. • Elektromechanische vervangingen van pompen en gemalen: gemiddeld worden de mechanisch/elektrische onderdelen eens in de 15 jaar vervangen waarvoor in de periode 2021-2025 een investering van € 200.000 per jaar voorzien (zie eveneens bijlage 9). • Onderzoeken worden, zoals aangegeven, direct ten laste van de exploitatie gebracht, te weten de exploitatieposten externe advieskosten (3510101) en planvorming (4343083). • Investeringen aanvullend op de reguliere exploitatie, zoals de kosten voor het reinigen en inspecteren van de vrijvervalriolering worden niet geactiveerd, maar komen direct ten laste van de rioolheffing (exploitatie). Zoals beschreven, zullen wij de voorziening enkel aanwenden voor vervangingen.
Wij verstaan onder vervanging: “de sloop en vervanging van een deel van het bestaande rioleringsstelsel, inclusief maatregelen ter verbetering van het functioneren van het bestaande rioleringsstelsel (denk daarbij dus ook aan investeringen in het kader van klimaatadaptatie); het aantal aansluitingen wijzigt als gevolg van deze investeringen niet.” (conform definitie BBV Notitie Riolering). Relining, voor zover levensduur verlengend, scharen wij onder de noemer vervanging. Reliningen kunnen derhalve gefinancierd worden uit de voorziening. Het merendeel van de maatregelen en investeringen valt onder vervanging of (regulier) klein onderhoud. Laatstgenoemde kosten worden uit de exploitatie betaald. Voor de vervangingen is de voorziening in het leven geroepen. Om deze reden hebben wij geen (aparte) voorziening voor Groot Onderhoud. Voor een samenvatting van het kostendekkingsplan wordt verwezen naar bijlage 10.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
57
Projectgerelateerd
10.4
Exploitatielasten
De exploitatielasten bedragen in de planperiode gemiddeld € 1.273 duizend per jaar (zie onderstaande tabel voor het jaar 2021 waar deze lasten ca. € 1.277.743 bedragen). Dit bedrag is exclusief lopende kapitaallasten (afschrijving), dotatie aan de voorziening en BTW. De BTW component bedraagt in de planperiode gemiddeld ca. € 251 duizend per jaar. Voor een volledig overzicht van de exploitatielasten wordt verwezen naar bijlage 10.
Figuur 25 Exploitatielasten taakveld riolering
Onderzoeken en plannen Jaarlijks worden rioleringsplannen opgesteld, modelberekeningen uitgevoerd of (minder frequent) basisrioleringsplannen geactualiseerd. Deze onderzoeken en plannen zijn nodig om een actueel en betrouwbaar beeld te houden van het hydraulisch en milieutechnisch functioneren van het rioolstelsel en verbeteringsmaatregelen te (kunnen) treffen. Uit de post planvorming (4343083) worden het gemeentelijk rioleringsplan (rioleringsprogramma), rioolbeheerplan, basisrioleringsplan en de risicodialoog betaald. Gemiddeld is hiervoor in de planperiode € 25.000 benodigd en beschikbaar. De post externe advieskosten (3510101) dient voor de overige periodieke, projectmatige en deels ad hoc, adviezen en diensten, zie hiervoor de tabel in hoofdstuk 9. Hierbinnen vallen ook de kosten voor de gezamenlijke onderzoeken van Kennemerland (bijdrage gemeente Hillegom). Het jaarlijkse budget bedraagt € 113.800.
10.5
BTW toerekening
Wij mogen bij bepaling van de omvang van de lasten ten behoeve van de berekening van de toegestane hoogte van de riooltarieven de geraamde BTW meenemen (229b,2b Gemeentewet). De reden hiervan is dat vóór de invoering van het BTW compensatiefonds dit ook al mocht en de gemeente bij de invoering van het BTW compensatiefonds anders een niet bedoeld inkomstenverlies zou hebben geleden. Het gaat hierbij om alle BTW, dus zowel de BTW die drukt op goederen en diensten die direct als last op de exploitatie drukken of via een voorziening lopen, als ook de BTW die drukt op de investeringen, onverschillig of deze worden geactiveerd of uit een voorziening worden bekostigd.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
58
Projectgerelateerd
Wij rekenen de compensabele BTW last toe aan de rioolheffing (bestaand beleid). Dit is derhalve een grondslag voor de berekening van de rioolheffing. Ten aanzien van geactiveerde investeringen wordt 75% van de afschrijving als BTW last toegerekend. Als gevolg van het herinvoeren van de voorziening zal een deel van de investeringen niet meer geactiveerd worden, waardoor er geen BTW over de afschrijving plaatsvindt. Om dit te ondervangen wordt BTW berekend over de dotatie aan de voorziening. De toegekende btw betreft: • de door derden uitgevoerde (en dus btw-plichtige) werkzaamheden behorende tot de exploitatie, ter grootte van gemiddeld ca. € 251 duizend per jaar in planperiode (21% btw); • BTW over 75% van de afschrijving behorende tot de lopende kapitaallasten à € 76 duizend per jaar in planperiode; • BTW over 75% van de afschrijving van in de nabije toekomst te activeren investeringen (variabel, gemiddeld ca. € 7 duizend per jaar in planperiode); • 21% btw over de dotatie aan de voorziening (variabel, gemiddeld € 62 duizend per jaar in planperiode).
10.6
Ontwikkeling aantal heffingseenheden
In 2021 ontvangen naar verwachting 6.651 meerpersoonshuishoudens en 3.049 eenpersoon huishoudens, 500 garages en trafo’s en 703 niet-woningen een aanslag voor de rioolheffing. In het kader van de ontwikkeling van de beheer- en onderhoudskosten (groter areaal betekent meer kosten) en de ontwikkeling van het aantal heffingseenheden voor de rioolheffing (meer heffingseenheden leidt tot meer inkomsten) is het van belang om een uitspraak te doen over de te verwachte groei van het aantal eenheden. Ook het Hoogheemraadschap wil graag weten of er groei te verwachten is, met name met het oog op de te verwachte afvalwaterstromen naar de rioolwater zuiveringsinstallatie (volstaat de capaciteit ook in de nabije toekomst). Om een inschatting te kunnen maken van de ontwikkeling is gebruik gemaakt van de uitkomsten van het Woningmarktonderzoek 2019, waarbij in totaal 1.550 nieuwe woningen gebouwd worden, alsmede de door de financiële afdeling gehanteerde aantallen. Voor de berekeningen van de rioolheffing wordt uitgegaan van de volgende ontwikkelingen tot en met 2030. Vanaf 2031 wordt een nulgroei aangehouden.
Figuur 26 Prognose netto groei aantal aansluitingen
In het kostendekkingsplan is uitgegaan van bovenstaande groeicijfers, waarbij de verdeling als volgt is: 69% van de groei wordt toegerekend aan de meerpersoons huishoudens en 31% aan de eenpersoons huishoudens (gelijk aan de huidige woningbezetting). Voor het innen van de rioolheffing wordt uitgegaan van de realisatie van 50% van de groei in het betreffende ‘jaar n’ en 50% in ‘jaar n+1’. Vanaf 2031 geldt een nulgroei. Ieder jaar wordt het daadwerkelijk aantal aansluitingen geactualiseerd op basis van de meest recente gegevens. Mocht het daadwerkelijk aantal aansluitingen substantieel afwijken van de prognose, dan zullen de gevolgen voor de heffing inzichtelijk worden gemaakt en kan de hoogte van de heffing daar (indien nodig) op aangepast worden.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
59
Projectgerelateerd
10.7
Berekening kostendekkende heffing
De kostendekkende rioolheffing is berekend voor de periode 2021-2050. Het saldo van de voorziening wordt jaarlijks ingezet om de te activeren bedragen bij nieuwe vervangingsinvesteringen zo laag mogelijk te houden (zodat lagere kapitaallasten bereikt worden). Voor de berekeningen is uitgegaan van een saldo van nul eind 2020. Dit is het saldo wanneer alle lopende kredieten afgesloten c.q. de projecten afgerond zijn. De gemiddelde netto storting in de voorziening bedraagt in de planperiode gemiddeld ca. € 296 duizend per jaar. Om de rioolheffing ook in de toekomst kostendekkend te houden is de volgende ontwikkeling benodigd: Jaar / periode
meerpersoons huishouden
eenpersoons huishouden
Garages en trafo’s
Niet-woningen (gemiddeld)
2021
€ 233,40
€ 204,60
€ 50,00
€ 255,80
2022-2025
€ 233,40 *
€ 204,60 *
€ 50,00 *
€ 255,80 *
2026-2030
€ 233,40 *
€ 204,60 *
€ 50,00 *
€ 255,80 * * behoudens jaarlijkse indexatie
Figuur 27 Rioolheffing per categorie (exclusief jaarlijkse indexatie)
De ontwikkeling van de totale kapitaallasten (lopende en nieuwe kapitaallasten) is in figuur 25 (paragraaf 10.2) weergegeven. Uit het verloop van de blijkt dat de inzet van het saldo van de voorziening leidt tot slechts een beperkte en tijdelijke stijging van de kapitaallasten. In cijfers ontwikkelen de kapitaallasten zich als volgt: van 20% van de baten in 2021 naar eveneens 20% van de baten in 2050. In de tussenliggende jaren is het percentage in geen enkel jaar hoger van 25% (bij gelijkblijvende uitgangspunten, waaronder de rente van 0%). Gedurende de totale beschouwde periode 2021-2050 wordt bij ene gelijkblijvende rioolheffing (behoudens indexatie) 41% van de investeringen niet geactiveerd door de inzet van de voorziening (op een voorziene totale investering van ruim € 27 miljoen). Hiervan kan afgerond € 11,2 miljoen direct betaald worden uit de begrote dotatiebedragen aan de voorziening. De resterende investeringen zullen geactiveerd en langjarig afgeschreven worden.
10.7.1 Opbouw van de rioolheffing De rioolheffing voor een meerpersoons huishouden bedraagt € 233,40 per heffingseenheid in 2021. De totale inkomsten bedragen afgerond € 2,38 miljoen. Ruim de helft (54%) van de inkomsten wordt besteed aan de exploitatie en dient voor de uitvoering van onder andere het dagelijks beheer en onderhoud, personeelslasten, onderzoeken, maatregelen (zie figuur 26, hoofdstuk 10.4 voor een overzicht van de exploitatielasten). 20% van de inkomsten wordt besteed aan de kapitaallasten; het betreft de afschrijvingslasten van riool gerelateerde investeringen uit het (recente) verleden. Ongeveer 16% van de inkomsten bestaat uit compensabele BTW (zie hoofdstuk 10.5). In 2021 bedraagt de dotatie aan de voorziening € 241 duizend (10%). Met deze dotatie wordt het ontstaan van nieuwe kapitaallasten gereduceerd.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
60
Projectgerelateerd
Verdeling lasten (2021) 10% 16% exploitatie 54% 20%
kapitaallasten BTW toerekening Dotatie voorziening
Figuur 28 Procentuele verdeling van de lasten binnen het taakveld riolering (2021)
10.8
Vergelijking ontwikkeling rioolheffing
In het vorige GRP (2016-2020) was een rioolheffing voor meerpersoons huishoudens voorzien van € 288,44 in 2021, exclusief indexatie over de afgelopen 5 jaar. Deze heffing zou gedurende meerdere jaren gestand gedaan worden. Uit de herberekening en het nieuwe GRP blijkt dat de huidige heffing van € 233,40 de komende jaren gestand kan worden gedaan. Het verschil van € 55 per jaar (zie hoofdstuk 2.3 voor het ontstaan hiervan) kan derhalve als permanent beschouwd worden. Kanttekening daarbij is de rentetoerekening van nul procent. Indien de door de gemeente Hillegom betaalde en doorbelaste rente stijgt, zullen ook de kapitaallasten toenemen, waardoor een hogere kostendekkende rioolheffing benodigd is.
10.9
Personele middelen
Om inzicht te krijgen in de benodigde personele middelen is gebruik gemaakt van de module D2000 “personeel aspecten van gemeentelijke watertaken” uit Kennisbank Stedelijk Water van Stichting RIONED. In de module wordt voor de reguliere gemeentelijke rioleringszorg een aantal deeltaken onderscheiden. De gemeente Hillegom telt 22.208 inwoners (1 januari 2020). Hiermee valt de gemeente onder de categorie 20.000 tot 50.000 inwoners. Voor een gemeente van deze grootte wordt onderstaand per onderdeel een inschatting gemaakt van de benodigde formatie voor iedere deeltaak. Bij deze inschatting is uitgegaan van de voor Hillegom geldende situatie. Hierin zijn alle taken behorende tot de afvalwater-, hemelwater- en grondwaterzorgplicht meegenomen. Samenvatting tijdsbesteding (theoretisch benodigd, Kennisbank Stedelijk Water)
Tijdsbesteding [dagen]
Planvorming, onderzoek en facilitair
252
Onderhoud (op basis van 80% uitbesteding)
15
Maatregelen (op basis van 60% uitbesteding)
89
Totaal (theoretisch benodigd)
356
Figuur 29 Theoretisch benodigde formatie voor een individuele gemeente tussen 20.000 en 50.000 inwoners, zie bijlage 7
De benodigde inzet bedraagt derhalve 356 dagen per jaar voor een gemeente tussen de 20.000 en 50.000 inwoners. Voor de onderliggende berekeningen wordt verwezen naar bijlage 7.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
61
Projectgerelateerd
Uitgaande van een 1:1:2 verdeling van de personele inzet binnen HLT verband is de beschikbare formatie binnen de gemeente Hillegom als volgt opgebouwd: Beschikbare formatie Taakveld Riolering Overhead en ondersteuning - Management, financiën, administratie e.d.
Toerekening in exploitatie
Team Beheer Buitenruimte
0,60 FTE
- Rioolbeheerder (1 formatieplaats naar rato verdeeld over HLT gemeenten)
0,25 FTE (56 dagen)
- Beleidsmedewerker riolering (0,8 formatieplaats naar rato verdeeld over HLT gemeenten)
0,20 FTE (45 dagen)
- Toezichthouder riolering (0,6 formatieplaats naar rato verdeeld over HLT gemeenten)
0,15 FTE (34 dagen)
Team Beleid en Inrichting
0,25 FTE
Projectleiders wanneer riolering onderdeel is van multidisciplinaire projecten. 0,25 FTE (56 dagen) Inzet afhankelijk van het aantal projecten in voorbereiding en uitvoering. Zit in de uitbestede werkzaamheden
Meerlanden
Meerlanden verzorgt zijn eigen voorbereiding/toezicht/directie op de door hen uitgevoerde activiteiten. Dit betreft dan vooral het dagelijks onderhoud inclusief afhandeling meldingen, klachten en storingen.
In totaal zijn er 191 dagen beschikbaar, overeenkomend met 0,85 FTE. De reden dat het verschil tussen benodigd en beschikbaar aanzienlijk is, wordt met name veroorzaakt door de ambtelijke samenwerking binnen HLT verband. Hillegom is met 22.000 inwoners onderdeel van HLT met 3 gemeenten en in totaal 82.000 inwoners. Met de efficiency voordelen van een grotere organisatie wordt in de berekening van Stichting RIONED geen rekening gehouden. Bij een gemeente van meer dan 50.000 inwoners bedraagt de benodigde personele capaciteit voor “planvorming, onderzoek, en facilitair” 403 dagen. Dit is fors minder dan 3x 252 dagen die benodigd is bij 3 gemeenten met een grootte tussen de 20.000 en 50.000 inwoners. Nu is het weliswaar 1 uitvoeringsorganisatie maar blijven het toch drie gemeenten en niet 1 gemeente. Het volledige efficiency voordeel zal dus niet helemaal gerealiseerd worden. Voor het gemak wordt uitgegaan van een benodigde formatie voor “planvorming, onderzoek, en facilitair” van 193 dagen per gemeente (bestaande uit de benodigde formatie voor een gemeente groter van 50.000 inwoners en de helft van het efficiency voordeel, de totale benodigde formatie wordt gedeeld door de 3 gemeenten). Onderstaande tabel geeft de totale benodigde formatie weer, uitgaande van de feitelijke ambtelijke samenwerking binnen HLT verband.
Samenvatting tijdsbesteding Hillegom in HLT verband Planvorming, onderzoek en facilitair
Tijdsbesteding [dagen] 193
Onderhoud (op basis van 80% uitbesteding)
15
Maatregelen (op basis van 60% uitbesteding)
89
Totaal (theoretisch benodigd)
297
Figuur 30 Theoretisch benodigde formatie gemeente Hillegom inclusief efficiency voordeel HLT samen
Resumerend is er een beschikbare formatie in Hillegom van 191 dagen en een benodigde formatie van 297 dagen, een verschil derhalve van 106 dagen (0,47 FTE). Binnen de HLT organisatie wordt onderzocht hoe het gemiddelde tekort voor de drie gemeenten binnen de verschillende functieniveaus opgevangen wordt.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
62
Projectgerelateerd
BIJLAGEN
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
63
Projectgerelateerd
Bijlage 1
Begrippenlijst
Afkoppelen
Het hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak, niet langer lozen op de riolering, maar op een andere wijze verwerken (hergebruik, infiltratie, lozing op oppervlaktewater).
Afvalwater
Verontreinigd water dat wordt geloosd door huishoudens, bedrijven en instellingen.
Basisinspanning
De minimumeisen waaraan een rioolstelsel moet voldoen op het gebied van berging (inclusief randvoorzieningen) en pompovercapaciteit. De richtlijnen worden door de waterkwaliteitsbeheerder vastgesteld.
Basisrioleringsplan (BRP)
Plan waarin op gedetailleerde wijze wordt aangegeven hoe de inzameling en afvoer van afvalwater en neerslag binnen een bepaald gebied dient te geschieden.
Bedrijfsafvalwater
Afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zijn bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is (definitie volgens art. 1.1 Wm).
Bergbezinkbassin (BBB)
Vuilreducerende randvoorziening met zowel een bergings- als een bezinkingsfunctie, in de vorm van een betonnen bassin, gelegen achter de overstorten. Indien uitgevoerd als leiding: bergbezinkleiding (BBL).
Berging
Nuttige inhoud van een rioolstelsel uitgedrukt in m3, of uitgedrukt in relatie tot het aangesloten afvoerend oppervlak (mm). Onderscheid wordt gemaakt tussen statische berging, dynamische berging, verloren berging en berging op straat.
BTW compensatiefonds
Als gemeenten en provincies diensten of goederen extern inkopen, betalen zij daarover btw. In tegenstelling tot bedrijven kunnen zij die btw niet terugvorderen van de Belastingdienst. Extern ingekochte diensten zijn daarom al snel duurder dan intern uitgevoerde activiteiten. Sinds 2003 kunnen gemeenten en provincies met het BTW compensatiefonds toch de btw terugvragen (onder voorwaarden) die ze hebben betaald over uitbesteed werk.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
64
Projectgerelateerd
Bui 08
Standaardbui conform module C2100 van de Kennisbank Stedelijk Water met een volume van 19,8 mm in 60 minuten en een piekintensiteit van 110 l/s/ha achterin de bui. De theoretische herhalingstijd van deze bui is 2 jaar
Bui 09
Standaardbui conform module C2100 van de Kennisbank Stedelijk Water met een volume van 29,4 mm in 60 minuten en een piekintensiteit van 160 l/s/ha voorin de bui. De theoretische herhalingstijd van deze bui is 5 jaar.
minuten
minuten
Discrepantieonderzoek
Discrepantie betekent dat er een grotere hoeveelheid afvalwater op een RWZI binnenkomt dan te verwachten valt op basis van het aantal inwoners en bedrijven. Bij een discrepantieonderzoek wordt onderzocht waar dat verschil tussen de verwachte en werkelijk hoeveelheid afvalwater vandaan komt.
Droogweerafvoer (DWA)
Het totaal aan afvalwater dat via de riolering wordt afgevoerd.
Drukriolering
Inzameling van afvalwater, via een systeem van pompputten en persleidingen. Hierbij wordt uitsluitend afvalwater door pompunits via (kleine) persleidingen naar het dichtstbijzijnde vrijvervalriool geperst. Toepassingen hoofdzakelijk in buitengebieden.
Externe overstort
Rioolput voorzien van een overstortdrempel die loost buiten het in beschouwing genomen rioolstelsel.
Gemengd rioolstelsel
Rioolstelsel waarbij afvalwater en hemelwater door hetzelfde buizenstelsel wordt ingezameld en afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Gescheiden rioolstelsel
Rioolstelsel waarbij afvalwater en hemelwater door afzonderlijke buizenstelsels (of andere systemen) wordt ingezameld. Het afvalwater wordt
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
65
Projectgerelateerd
afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem of (al dan niet vertraagd) afgevoerd naar oppervlaktewater. Gemeentelijk Rioleringsplan
Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) op te stellen. In dit plan is de visie van de gemeente vastgelegd met betrekking tot het aanleggen van een geoptimaliseerd rioolstelsel en het zorgvuldig beheren van dit stelsel.
Hemelwaterafvoer (HWA)
Het totaal aan hemelwater dat via de riolering wordt afgevoerd.
Huishoudelijk afvalwater
Afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden (definitie volgens art. 1.1 Wm).
IBA
Individuele Behandeling Afvalwater. Een alternatief voor een aansluiting op de riolering in de vorm van een lokale zuivering op perceelsniveau.
Inspectie
Het waarnemen, herkennen en beschrijven van de toestand van een object.
Kennisbank Stedelijk Water
Vervangt de voormalige Leidraad Riolering. Verzamelwerk, opgesteld door de Stichting RIONED, waarin advies wordt gegeven voor het opstellen van rioleringsplannen.
Leidraad
Leidraad Riolering is vervangen door de (online) Kennisbank Stedelijk Water. Verzamelwerk, opgesteld door de Stichting RIONED, waarin advies wordt gegeven voor het opstellen van rioleringsplannen.
Onderhoud
Het handhaven van het goed functioneren van het rioolstelsel.
Oppervlaktewater
Water in rivieren, kanalen, meren, plassen, vennen, singels, vijvers, watergangen en sloten.
Overstort
Voorziening door middel waarvan bij regen het teveel aan rioolwater (hemelwater, al dan niet gemengd met stedelijk afvalwater) dat niet in het stelsel wordt geborgen, kan worden geloosd op oppervlaktewater.
Overstortvergunning
Vergunning binnen het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewater voor het incidenteel lozen van rioolwater op oppervlaktewater. Te verlenen door de waterkwaliteitsbeheerder aan de beheerder van de overstort.
Pompcapaciteit (pc)
Som van de droogweerafvoer (dwa) en de pompovercapaciteit (poc).
Pompovercapaciteit (poc)
De theoretische hemelwaterafvoercapaciteit (pompcapaciteit minus de droogweerafvoer).
Randvoorziening
Een tot de riolering behorend, op reductie van de vuilemissie gerichte voorziening in of achter een rioolstelsel (veelal ter plaatse van een overstort).
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
66
Projectgerelateerd
Bijlage 2
Samenwerken in de waterketen
Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven willen het waterbeheer beter verbeteren en hebben daarvoor afspraken en doelen vastgelegd in het Bestuursakkoord Water uit 2011. De 7 gemeenten in Zuid-Kennemerland, Hoogheemraadschap van Rijnland en drinkwaterbedrijf PWN werken samen om deze doelen op regionale schaal te realiseren. Waarom samenwerking in de waterketen? In de Samenwerkingscluster Waterketen Zuid-Kennemerland werken de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Hillegom, Velsen en Zandvoort, het Hoogheemraadschap van Rijnland en drinkwaterbedrijf PWN samen om de afspraken en doelen uit het Bestuursakkoord Water te realiseren. De gemeenten Aalsmeer en Amstelveen zijn agenda lid. Het Bestuursakkoord Water is in 2011 door Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) ondertekend. In het akkoord is afgesproken om in 2020 binnen de waterketen (drinkwater, riolering, RWZI) landelijk 450 miljoen efficiencywinst te boeken. Realisatie van deze winst moet deels gevonden worden in de eigen organisaties en deels in (regionale) samenwerking tussen organisaties. Daarvoor werken samenwerkingspartners in ZuidKennemerland samen.
De samenwerking volgens het Bestuursakkoord Water heeft de volgende doelen (de 3K's): Kostenbeperking, Kwaliteitsverbetering en vermindering van de (personele) Kwetsbaarheid. Vanuit het Bestuursakkoord Water is het niet gewenst om te bezuinigen of noodzakelijke maatregelen uit te stellen, maar juist door samenwerking de te verwachten kostenstijging om te buigen. Deze ombuiging moet in 2020 hebben geleid tot minder meerkosten ten opzichte van het referentiejaar 2010. Kosten minder laten stijgen betekent slim omgaan met investeringen en besparen op de exploitatie. Vragen, zoals of een maatregel echt noodzakelijk en effectief is en of het doel wordt gerealiseerd tegen de laagst maatschappelijke kosten spelen hierbij een rol. De personele kwetsbaarheid is een belangrijk doel, omdat veel gemeenten maar weinig water-, rioleringsspecialisten in dienst hebben. Vaak zijn het éénpitters en dat maakt de organisaties kwetsbaar. De samenwerkingscollega’s versterken elkaar door kennisuitwisseling en functioneren als elkaars sparringpartners. Bestuurlijk overleg In het Bestuurlijk Overleg Samenwerken in de Waterketen hebben de wethouders van de gemeenten, de hoogheemraad van Rijnland en de directeur van PWN zitting. Het bestuurlijk overleg vindt twee keer per jaar plaats om de voortgang van de samenwerking te bespreken en nieuwe opdrachten te formuleren.
De wethouder van de gemeente Haarlem is voorzitter van het bestuurlijk overleg. De samenwerking is vastgelegd in de volgende overeenkomsten: • Bestuurlijke overeenkomst samenwerken in de waterketen regio Rijnland, juli 2016 • Afvalwaterakkoord Velsen – Rijnland - HHNK, maart 2017 • Strategische samenwerkingsagenda Velsen – Rijnland, mei 2017 • …. Taken samenwerkingsgroep In de samenwerkingsgroep zitten de ambtelijke medewerkers van gemeenten, hoogheemraadschap en PWN. De samenwerkingsgroep stelt de koers en de gezamenlijke activiteiten van de samenwerking voor, geeft opdracht aan externe bureaus voor uitwerking van projecten, monitort de voortgang van projecten, coördineert de uitvoering van de gezamenlijke activiteiten en projecten, monitort de voortgang van het Bestuursakkoord Water en bereidt het bestuurlijk overleg voor.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
67
Projectgerelateerd
Andere clusters Naast de samenwerkingscluster in Zuid-Kennemerland zijn er meer samenwerkingsverbanden. In het beheergebied van Rijnland wordt de onderstaande indeling aangehouden, met per cluster de volgende deelnemers: • Bollenstreek: Katwijk, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Teylingen, Wassenaar, Rijnland • Groene Hart: Alphen aan den Rijn, Boskoop, Kaag en Braasem, Nieuwkoop, Rijnwoude, Bodegraven - Reeuwijk, Gouda, Waddinxveen, Rijnland (Vlist) • Kennemerland: Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemstede, Hillegom, Velsen, Zandvoort, Rijnland (Aalsmeer, Amstelveen) • Leidse Regio: Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten, Zoeterwoude, Rijnland (Leidschendam-Voorburg, Zoetermeer) De clusters zijn gevormd op basis van zuiveringskringen en bestaande overlegstructuren tussen gemeenten. De gemeenten tussen haken zijn agendalid van de betreffende clusters. In de uitwerking van het Bestuursakkoord Water hebben zij aansluiting gezocht bij de buurwaterschappen om praktische redenen. Het C-Team coördineert de samenwerking tussen de verschillende clusters. Elke samenwerkingscluster heeft een vertegenwoordiger van de cluster in het C-Team. Daarnaast is PWN ook aangehaakt bij alle vijf de samenwerkingsregio’s in het beheergebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
PWN en HHNK hebben onder de noemer ‘Samen slimmer’ een formeel samenwerkingsverband en organiseren onder dezelfde titel een jaarlijkse netwerkbijeenkomst.
23-09-20
GRP HILLEGOM
BH2619-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002
68
Projectgerelateerd
Hoe monitoren we de voortgang? Tot 2017 was sprake van twee monitoringsinstrumenten, te weten de Benchmark Rioleringszorg en de regionale monitor. De Benchmark Rioleringszorg was de driejaarlijkse prestatiemeting van de riolering en het stedelijk waterbeheer in Nederland. Het onderzoek gaf de afgelopen edities inzicht in het functioneren en presteren van de riolering in Nederland. Ook werden het beheer, financiële aspecten en basisgegevens - zoals het aantal aansluitingen en de systemen voor de verwerking van hemelwater, afvalwater en grondwater - in beeld gebracht. De landsdekkende benchmark vond plaats in 2010, 2013 en 2016. In de eerste twee edities lag de nadruk op het van elkaar leren door gemeenten, in 2016 was de maatschappelijke verantwoording het zwaartepunt. De benchmark wordt voorlopig niet opnieuw uitgevoerd. De Regionale monitor is eveneens een landelijke monitor, waarbij echter de regionale samenwerking centraal staat. Deze monitor monitort de 3 K’s en vergelijkt het peiljaar (bijvoorbeeld 2017, 2018) met het referentiejaar 2010. De resultaten van de Regionale monitor vormen een bouwsteen voor de rapportage De Staat van Ons Water die in mei van elk jaar door de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.
Welke maatregelen zijn bereikt of zijn in uitvoering? De afgelopen jaren is de effectiviteit in het waterketenbeheer vergroot door: • Goed lopende samenwerking in de groep • Kennisuitwisseling • Basismeetplan Grondwater Kennemerland • Onderzoek ketenschouw • Opstellen aansluitverordening • Opstellen verordening voor lozing water uit WKO-installaties Wat zijn de actuele onderwerpen? • Grondwater, regionale GIS-database • Waterloket • Uitvoeringsprogramma Ketenschouw • Regionale monitor Elk onderwerp heeft een bestuurlijke trekker met bijbehorende ambtelijke inzet. De werkwijze is in 2017 gestart en geeft een positieve impuls aan de samenwerking en vergroot het commitment. Daarnaast zijn er onderwerpen die niet primair door de samenwerkingsgroep worden getrokken, maar die weldegelijk van invloed zijn. Deze onderwerpen komen dan ook regelmatig tijdens de vergaderingen aan bod. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen: • Klimaatadaptatie • Circulaire economie • Omgevingswet • Assetmanagement.