CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

D09 Taskforce Jeugdhulp, Eindrapportage Fundamentele heroverwegingen gespecialiseerde Jeugdhulp Holland Rijnland .pdf

Gemeenteraad 20 februari 2025, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken31.338 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

en korte communicatielijnen tussen betrokken partijen maakt het mogelijk om complexe vraagstukken in dit grijze gebied vast te leggen in bestuurlijk afgestemde documenten met gemeenten en onderwijsorganisaties, inclusief samenwerkingsverbanden. Besluiten in het kader van het proces ‘Bestuurlijke taskforce fundamentele heroverweging gespecialiseerde jeugdhulp’ zijn in lijn met deze zorgvuldig afgestemde koers en kaders en dragen bij aan consistentie. 12 2.2

Afbakening Jeugdhulp-Onderwijs in Holland Rijnland

Gemeenten in Holland Rijnland kunnen op de volgende manieren uitvoering geven aan de verdere afbakening van jeugdhulp ten opzichte van de Wet Passend Onderwijs. 1. Duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden In de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is het belangrijk dat gemeenten heldere criteria vaststellen over welke zorg onder de Jeugdwet valt en welke onder de Wet Passend Onderwijs. Passend onderwijs richt zich op onderwijsondersteuning, terwijl jeugdhulp primair gericht is op zorg buiten het onderwijs, zoals bij psychische of gedragsproblemen. Onderwijs is verantwoordelijk voor lichte gedragsmatige ondersteuning, terwijl jeugdhulp wordt ingezet bij intensieve, niet-onderwijs-specifieke ondersteuning. Om dit onderscheid te verduidelijken, hebben de gemeenten in Holland Rijnland de handreiking en dienstomschrijving voor Onderwijs-Zorgarrangementen (OZA) vastgesteld, geactualiseerd in de zomer van 2024. Deze biedt een kader voor samenwerking en afstemming, waarbij overlap wordt voorkomen.13 Aanpassing in verordening •

Gemeenten kunnen bepalen dat scholen verantwoordelijk zijn voor lichte gedragsmatige ondersteuning, terwijl meer intensieve hulp via het Jeugdteam verloopt. Dit kan in lijn zijn met de huidige structuur van preventieve jeugdhulp zoals beschreven in artikel 4 van de verordening Jeugdhulp Leiden.

•

Gemeenten kunnen specifieke artikelen toevoegen die omschrijven welke vormen van ondersteuning de school zelf moet bieden (bijv. onderwijsondersteuners, intern begeleiders) en welke zorgvragen naar het Jeugdteam of andere zorgvoorzieningen worden doorgeleid.

2. Preventieve Jeugdhulp op school Preventieve jeugdhulp zoals Jeugdhulp op School (JOS) wordt in Holland Rijnland ingezet in gespecialiseerd onderwijs (SBO/VSO). Dit beleid is (n.a.v. een onderzoeksrapport van Oberon/DSP over JOS in Holland Rijnland) recent bevestigd door de regiegroep onderwijsjeugdhulp; uitrol naar regulier onderwijs is voorlopig niet aan de orde.

12 Hiervoor verwijzen we ook naar de ontwikkellijnen Onderwijs in regio HR op basis waarvan uitvoering wordt gegeven aan een aantal hier genoemde onderwerpen. 13 De handreiking bevat afspraken over de afbakening jeugdhulp/onderwijs in Holland Rijnland en is een nadere invulling van de in Holland Rijnland geldende Leidende Principes samenwerking onderwijs-jeugdhulp Holland Rijnland. De documenten zijn dynamisch en worden o.b.v. evaluatie aangepast.

18

3. Protocollen en samenwerkingsafspraken Verordeningen zijn niet het geschikte instrument voor het vastleggen van samenwerkingsprotocollen of operationele afspraken met andere partijen. Dit zijn “dynamische documenten” en kunnen om die reden niet volledig worden opgenomen in gemeentelijke verordeningen. In de verordening kan wel een verwijzing worden opgenomen naar (bestaande) protocollen en richtlijnen die in samenwerking met het onderwijs zijn ontwikkeld waarin staat hoe scholen, jeugdhulp en ouders samen bepalen welke hulp vanuit het onderwijs kan worden geboden en wanneer externe jeugdhulp noodzakelijk is. Een verwijzing naar het "Fasenmodel Onderwijs-Zorgcontinuüm" en de "Routekaart Integraal Arrangeren" is noodzakelijk om duplicatie en stagnatie te voorkomen. 4. Onderwijszorgarrangementen (OZA) Veel gemeenten, waaronder ook de gemeenten in Holland Rijnland, werken met onderwijszorgarrangementen (OZA), waarbij onderwijs en jeugdhulp nauw samenwerken om kinderen met complexe hulpvragen te ondersteunen. Deze arrangementen moeten duidelijk zijn afgebakend in verordeningen, zodat ouders en professionals weten welke instantie verantwoordelijk is voor welke zorg. Gemeenten kunnen in hun verordening opnemen hoe onderwijszorgarrangementen worden ingezet, inclusief de criteria voor wanneer jeugdhulp noodzakelijk is in aanvulling op het onderwijs.

Dit helpt om de inzet van jeugdhulp alleen in te schakelen wanneer het gaat om zorg die niet door het onderwijssysteem kan worden geleverd. Voor Holland Rijnlang geldt dat specifieke afspraken en criteria al zijn vastgelegd in (o.a.) het Fasenmodel Onderwijs en de in de zomer 2024 geactualiseerde dienstomschrijving OZA waarin de verantwoordelijkheid van jeugdhulp t.o.v. het onderwijs aangescherpt. Een verwijzing in de verordening (zie ook onder 3) kan dan volstaan. 5. Afstemming tussen school, jeugdhulp en ouders In de verordening moet worden vastgelegd dat scholen, jeugdhulpinstanties en ouders regelmatig overleg hebben over de afstemming van zorg en onderwijs. Vaak zien scholen gedragsproblemen of ondersteuningsbehoeften eerder, maar de vraag of dit valt onder onderwijs of jeugdhulp moet helder zijn.

19

Afbakening tussen jeugdhulp en onderwijs: praktijkproblemen Hoewel de afbakening tussen jeugdhulp zonder verblijf en ondersteuningsvoorzieningen in het onderwijs grotendeels helder is, ervaren gemeenten dat een gebrek aan passend onderwijs vaak leidt tot inzet van jeugdhulp zonder verblijf, zoals dagbesteding. Daarnaast worden individuele begeleiding op school, intelligentietesten, sociale vaardigheidstrainingen, persoonlijke verzorging en bijles regelmatig genoemd als ondersteuningsvormen die ouders via de gemeente aanvragen. Gemeenten in Holland Rijnland signaleren dat scholen ouders soms adviseren om bij de gemeente een verwijzing te vragen, zelfs als de ondersteuning primair een onderwijstaak betreft. Ook komt het voor dat zorgaanbieders promotieactiviteiten op scholen uitvoeren, waarbij ouders tijdens een intake worden doorverwezen naar de huisarts om via de gemeentelijke toegang een indicatie te krijgen. Dit gebeurt soms om wachttijden en wachtlijsten te omzeilen. Scholen geven daarnaast aan negatieve effecten te ondervinden van de lange wachttijden en personeelswisselingen binnen jeugdteams, wat ertoe leidt dat zij extra ondersteuning moeten bieden buiten hun kerntaken.

2.2

Samenwerking met andere domeinen en afstemming

Gemeenten spelen een belangrijke rol spelen in het bevorderen van samenwerking- van afbakening- tussen verschillende zorgdomeinen. Verordeningen zijn echter niet het geschikte instrument voor het vastleggen van samenwerkingsprotocollen of operationele afspraken met andere partijen. De relatie en afspraken over afstemming worden vastgelegd in aparte overeenkomsten en landelijke of regionale afspraken, beleidsplannen of protocollen die specifiek gericht zijn op samenwerking en afstemming tussen de betrokken organisaties.

3. Deskundigheid lokale teams, JGTs, Toegangsteams14 /Toegang tot jeugdhulp: juridische kaders en uitdagingen In dit hoofdstuk komen de dilemma’s aan bod waar de medewerkers van de gemeentelijke lokale (toegangs-) teams tot jeugdhulp tegen aanlopen. De gemeente is verantwoordelijk voor een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzet van noodzakelijke jeugdhulp, hoewel de Jeugdwet (art. 2.14) niet specificeert hoe deze toegang er precies uit moet zien. Volgens artikel 2.1 Besluit Jeugdwet moet de toegang beschikken over deskundigheid op onderwerpen zoals: •

Opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

•

Taal- en leerproblemen, somatische aandoeningen, lichamelijke of verstandelijke beperkingen;

• 14

Kindermishandeling en huiselijk geweld.

Waar toegang of toegangsteam is vermeld wordt ook bedoeld lokale teams, waar toegang onderdeel van uitmaakt.

20

Artikel 2.6, tweede lid, Jeugdwet vereist dat in de toegang verantwoord werk wordt uitgevoerd door gekwalificeerd personeel, met een focus op geregistreerde professionals (BIG- of SKJ-register). a. Uitdagingen in de praktijk Veel gemeenten hebben niet duidelijk uitgewerkt welke specifieke problemen en stoornissen onder hun jeugdhulpplicht vallen. Dit wordt vaak gezien als de verantwoordelijkheid van lokale(toegangs)teams en hun professionals, waarbij de vraag van het kind en gezin centraal staat. Gemeenten vinden het lastig om vooraf bepaalde problemen of situaties uit te sluiten. b. Bevordering van deskundigheid Deskundigheidsbevordering in toegangsteams en bij ketenpartners is essentieel om wettelijke kaders effectief te benutten. Training, deskundigheidsbevordering en instrumenten kunnen professionals helpen bij het maken van onderbouwde keuzes, zoals wanneer ondersteuning voor ouders geschikter is dan jeugdhulp voor het kind. c. Rol van casuïstiekbespreking Anonieme casuïstiekbesprekingen, georganiseerd door gemeenten, zijn cruciaal voor: 1.

Het versterken van samenwerking tussen partijen.

2.

Het verduidelijken van beleidsregels, verordeningen en samenwerkingsafspraken.

3.

Het bepalen van de ondergrens van wat ouders en kinderen zelf kunnen oplossen.

Door casuïstiek systematisch te analyseren, kunnen gemeenten beleid verder ontwikkelen en de afbakening en reikwijdte van de jeugdhulpplicht beter definiëren. Deskundigheidsbevordering bij toegangsteams en ketenpartners is essentieel voor effectief samenwerken binnen de wettelijke kaders. Dit vraagt om training, hulpmiddelen en aandacht voor het inzetten van passende zorg, zoals ondersteuning voor ouders in plaats van jeugdhulp indien geschikt. Casuïstiekbesprekingen, georganiseerd door gemeenten, zijn cruciaal voor het verduidelijken van beleidsregels, verordeningen en samenwerkingsafspraken. Door gestructureerde analyse van casuïstiek wordt beleidsontwikkeling versterkt en kan de ondergrens van zelfredzaamheid van cliënten worden vastgesteld, wat bijdraagt aan de doorontwikkeling van de toegang en de afbakening van de jeugdhulpplicht.

21

4. Eindconclusie Deze memo onderstreept het belang van een heldere afbakening van verantwoordelijkheden en de reikwijdte van de jeugdhulpplicht binnen de Jeugdwet. Door duidelijke verordeningen vast te stellen, strategische keuzes te maken en effectieve samenwerking met onderwijs en andere domeinen te bevorderen, kunnen gemeenten in Holland Rijnland zorgvuldiger en doelmatiger omgaan met jeugdhulpmiddelen. Het versterken van deskundigheid en het implementeren van systematische casuïstiekbesprekingen dragen bij aan consistent beleid en ondersteunen professionals in het maken van juiste afwegingen. Dit proces is essentieel om passende jeugdhulp te waarborgen, rechtszekerheid te bieden en de integrale hulpverlening in de regio verder te versterken.

22

Bronvermelding •

Handreiking afbakening jeugdhulpplicht, een rapport van 5 november ‘Verkenning afbakening jeugdhulpplicht’ van Victor advocaten.

•

Leidraad toegang preventief-ambulant, 13 april 2018, jeugdmonitor CBS

•

Onderzoek afbakening jeugdhulp zonder verblijf, o.a. Bianca den Outer, Mei 2022

•

Werkgroep definities en afbakening uitvoeringsagenda Groninger Gemeenten, oktober 2020

•

Memo onderwijs-jeugdhulp leidende principes (datum niet bekend)

•

Procesupdate OZ-continuüm HR Regiegroep, 23 oktober 2024

•

Fasenmodel onderwijs zorgcontinuüm, 23 oktober 2024

•

Routekaart integraal arrangeren Holland Rijnland

•

Handleiding taken rollen en verantwoordelijkheden passend onderwijs jeugdhulp Holland Rijnland

•

Concept-verslag bestuurlijke regiegroep onderwijs-jeugd 23 oktober 2024.

•

AEPB-onderzoek en advies, artikel 15 april 2020 ‘Wat is de afbakening van de jeugdhulpplicht in de Jeugdwet?’

23

BIJLAGE(N) BIJLAGE 1. OVERIGE AANBEVELINGEN AANSCHERPEN VERORDENINGEN 1.

Normatieve begrenzing van jeugdhulp

In de verordeningen worden duidelijke normen opgenomen over wat onder de term "jeugdhulp" valt, zodat er geen onduidelijkheden zijn over wat de gemeente wel of niet aanbiedt. Dit voorkomt dat gemeenten geconfronteerd worden met eisen of claims van burgers die buiten de scope van de Jeugdwet vallen. Verordeningen moeten helder zijn over: •

De grenzen van gemeentelijke verantwoordelijkheid.

•

De soorten ondersteuning en zorg die de gemeente wél en niet levert.

Voorbeeld van een normatieve begrenzing: Een verordening zou bijvoorbeeld kunnen stellen dat de gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp die gericht is op opgroeien en opvoeden, maar dat medische behandelingen die onder de Zvw vallen of ondersteuning in de onderwijscontext (hierna over onderwijs meer), uitgesloten zijn van gemeentelijke verantwoordelijkheid. 2. Typen Jeugdhulp en Prioritering Gemeenten kunnen de soorten jeugdhulp specificeren en prioriteiten stellen, afhankelijk van de beschikbare middelen en beleidsdoelen. •

Specialistische vs. algemene jeugdhulp: Gemeenten kunnen scherper onderscheid maken tussen algemene voorzieningen (zoals opvoedingsondersteuning) en meer specialistische jeugdhulp.

•

Zorgzwaarte: Gemeenten kunnen bepalen welke vormen van jeugdhulp prioriteit krijgen of wanneer intensieve vormen van hulp (zoals jeugdzorg met verblijf) worden ingezet.

3. Kwaliteits- en Toezicht eisen Gemeenten kunnen in hun verordeningen vastleggen welke kwaliteitseisen er gelden voor aanbieders van jeugdhulp en hoe zij toezicht houden op de uitvoering. •

Kwaliteitsborging: Gemeenten kunnen eisen stellen aan de kwaliteit van zorg, zoals certificeringen of het volgen van bepaalde richtlijnen of standaarden.

•

Toezicht en handhaving: Gemeenten kunnen regels opstellen over de wijze waarop toezicht wordt gehouden op jeugdhulpaanbieders, bijvoorbeeld door inspecties of audits.

4. Inkoop en contractering van jeugdhulp Ook is het van belang dat gemeenten in verordeningen duidelijke kaders stellen voor de inkoop van jeugdhulp. Dit kan helpen bij het afbakenen van de gemeentelijke 24

verantwoordelijkheid en zorgt ervoor dat zorgaanbieders weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast kan het de kwaliteit van de zorg verbeteren door eisen te stellen aan de prestaties van aanbieders. Voorbeeld van inkoopbepaling: Een verordening kan eisen dat gecontracteerde zorgaanbieders verantwoording afleggen over de behaalde resultaten binnen de resultaatgebieden, en dat deze resultaten meetbaar en controleerbaar zijn. 5. Eigen Bijdrage en Verplichtingen voor Ouders en Jongeren (*vergt nader onderzoek) Gemeenten kunnen regels vaststellen over de eventuele eigen bijdrage die ouders moeten leveren aan de kosten van jeugdhulp, of over specifieke verplichtingen die ouders en jongeren hebben als zij gebruikmaken van jeugdhulp. •

Eigen bijdrage: Voor bepaalde vormen van jeugdhulp kunnen gemeenten een financiële bijdrage van ouders of verzorgers vragen, mits dit binnen de wettelijke grenzen blijft. Zo heeft de CRvB bepaald dat inkomen c.q. vermogen geen rol spelen bij het vaststellen van de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen.

•

Verplichtingen ouders en jongeren: Gemeenten kunnen verplichtingen opleggen met betrekking tot deelname aan bepaalde vormen van hulp, zoals verplicht ouderschapsondersteuning of therapie voor het kind.

6. Klachten- en bezwaarprocedures Tot slot heeft de CRvB duidelijk gemaakt dat gemeenten duidelijke klachten- en bezwaarprocedures moeten hanteren voor jeugdigen en hun ouders die het niet eens zijn met de besluiten over jeugdhulp. Dit betekent dat verordeningen expliciete bepalingen moeten bevatten over hoe burgers bezwaar kunnen maken en welke rechtsmiddelen zij kunnen aanwenden. De CRvB heeft geoordeeld dat gemeenten verplicht zijn om burgers toegang te geven tot een effectief bezwaar- en beroepsproces, en dat dit duidelijk moet worden uitgewerkt in gemeentelijke verordeningen. 7. Evaluatie en monitoring Het is aan te bevelen bepalingen op te nemen hoe de gemeente de uitvoering van jeugdhulp evalueert en monitort, en hoe deze informatie wordt gebruikt voor verbetering van de zorg en de samenwerking tussen wetten. Het gaat dan om o.a. om de effectiviteit, doelmatigheid. De uitkomst vormt mede de basis voor aanpassing van verordeningen, contacten.

25

BIJLAGE 2 Tabel wet, rechtspraak, voorbeelden andere gemeenten en op te nemen artikelen in de verordening Afbakening Jeugdhulp in de

Artikelen verordening Jeugdhulp

verordening 1

Concretiseren ‘gebruikelijke hulp’ in het kader van het onderzoek dat

Artikel x. Draagkracht en draaglast

gemeente moet uitvoeren.

8.

normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen,

CRvB, 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097

op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouders hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent het college geen

‘In de gemeentelijke verordening dient onder andere een duidelijke hoofdrichting te worden neergelegd

Een gezonde draagkracht betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor

individuele voorziening jeugdhulp toe. 9.

Als de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouders voor hun

voor de betekenis die de gemeentelijke regelgever wenst toe

kinderen voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg

te kennen aan de eigen mogelijkheden en het

in artikel 7) de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin

die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt het college in haar onderzoek (als bedoeld om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op

probleemoplossend vermogen, nu dit binnen het wettelijk systeem wordt beschouwd als één van de afwegingsfactoren als bedoeld in artikel 2.9 Jw. Specifiek wijst de Raad hierbij op de duiding die de

basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders, samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen. 10. Het college maakt voor wat betreft het vaststellen van de balans tussen draagkracht als bedoeld in het eerste lid en draaglast als bedoeld in het tweede lid een onderscheid in kortdurende en langdurende situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende

gemeentelijke regelgever in dit kader wenst te geven aan de

zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. - Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de

betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in relatie tot begrippen als eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp. Een

jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 11.

In kortdurende situaties neemt het college aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht. In langdurende situaties bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van

26

opdracht in de verordening van de

persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf als het college op basis van algemeen aanvaarde maatstaven

gemeenteraad aan het college tot nadere regelstelling op dit vlak

vaststelt dat draaglast en draagkracht in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of

volstaat niet.

gedeeltelijk) niet van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht. 12. Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s) aan kinderen is tot en met de leeftijd van 17 jaar in principe gebruikelijke zorg, zowel in kortdurende als langdurende situaties. 13. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het onderzoek naar de balans tussen draagkracht en draaglast en de uitwerking daarvan. Etc.

2

RvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327

Nader kan worden verkend of er een eigen bijdrage kan worden gevraagd en/of een verplichting kan worden opgelegd aan jeugdigen en hun ouders/verzorgers.

Inkomenstoets bij ‘eigen kracht’ verboden Inkomen c.q. vermogen mogen geen rol spelen bij het vaststellen van de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen. Zij maken dus ook geen deel uit van het in het voorbeeldartikel genoemde oordeel over draagkracht en draaglast. 3

CRvB uitspraken:

We volgen het voorbeeld van gemeenten Hollands Kroon, Vlissingen.

Deskundigheid in de toegang/lokale

Hiervoor is het eerst van belang vast te stellen in hoeverre de gemeenten in de regio Holland Rijnland niet voldoen aan de uitspraak van CRvB over rollenscheiding.

teams moet concreet in de verordening worden uitgewerkt. Advies over besluitvorming, Besluitvorming en uitvoering van jeugdhulp mogen niet in 1 hand

27

liggen en moeten worden gescheiden. 4

Individuele voorzieningen benoemen en specificeren.

Artikel x. Vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

De regio ZHZ maakt gebruik van een

a.

jeugdhulp uitgevoerd door (het Sociaal Wijkteam/lokaal team of?);

dienstenomschrijving ZHZ welke onderdeel uitmaakt van de

b.

diagnostiek en behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie

verordening (Zie verordening Jeugdhulp

2.

De vormen van individuele voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn, zijn opgenomen in Bijlage (x) bij deze verordening.

Dordrecht geldend 2022 e.v.) Door de beschikbare vormen van voorzieningen (zie nu bijlage 5 Dienstenomschrijvingen SOZ) onderdeel te laten uitmaken van de verordening, werken de specificaties, de voorwaarden waaronder, de te betalen afgesproken resultaten en de kaders en normen direct door en zijn deze algemeen verbindend voor eenieder. 5

Specifiek benoemen welke algemene voorzieningen aanwezig

Concreet ontwikkelen en benoemen van algemene voorzieningen: • Jeugdhulp lokaal (via lokaal team)

zijn. Deze voorzieningen zijn namelijk voorliggend aan individuele en

• •

groepsbegeleiding en behandeling. Met het opnemen van deze

In de verordening op in de dienstenbeschrijving (bijlage bij verordening) kunnen vervolgens de kaders, normen en

algemeen voorliggende voorzieningen is een ‘wettelijke’ basis

overige voorwaarden concreet worden omschreven. Het stel gemeenten in staat om te differentiëren in de bekostiging en in het maken van specifieke afspraken met mede als doel een duidelijke afbakening.

Jeugdhulp op school (?) Ernstige enkelvoudige dyslexie

ontstaan om deze vorm dwingend te kunnen inzetten.

28

JOS doorontwikkelen van beschikbaarheidsfinanciering een taakgerichte financiering. De toetsing om hiervoor in aanmerking te komen ligt bij poortwachters bestaande uit Commissies van Begeleiding van de betreffende scholen waar JOS is ingezet. EED mag alleen geboden door zorgaanbieders die intensief samenwerken met Samenwerkingsverband en /of scholen én die volgens vastgestelde protocollen werken. Uitgangspunt is digitale behandelingen en in duo. De gemeenten houden grip door de goede afspraken met de samenwerkingsverbanden over doorverwijzing naar EED. Zo is er ook al in HR een maximale behandelduur afgesproken. Maar de afspraken kunnen dus ook over de vorm van inzet gaan. 6

Van Jeugdhulp op school een algemene voorziening maken. Zie het argument hierboven onder 5. JOS staat in de huidige

Artikel x definitiebepalingen/jeugdhulp op school • Een algemene voorziening die scholen in staat stelt jeugdhulp in de school te organiseren als onderdeel van de ondersteuningsstructuur door de deskundigheid van de jeugdhulp aanbieders hieraan toe te voegen. De samenwerkingsverbanden kiezen hiervoor een preferente jeugdhulpaanbieder.

verordeningen als 'individuele voorziening' en niet als 'algemene voorziening'. Holland Rijnland overlegt met inkoopexpert Tim Robbe om de verordening juridisch correct aan te passen, aangezien de formulering voor het omzetten van JOS naar een algemene voorziening zeer nauwkeurig moet zijn. 7

Afbakening jeugdhulp via extern verwijzer -beoordeling aanbieder o.b.v. afspraken met gemeente; -alleen gecontracteerd, tenzij

Artikel x. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. De jeugdhulpaanbieder dient zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag na een verwijzing te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in de Verordening en/of nadere regels.

29

2.

Ook als een verwijzing zoals genoemd in het eerste lid aanwezig is, is het college niet verplicht jeugdhulp te vergoeden geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft, tenzij het college met de gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders niet in staat is de bij de verwijzing passende jeugdhulp te laten leveren.

3. 8

Opnemen specifieke criteria voor een individuele voorziening

Artikel x. Criteria voor een individuele voorziening 1. Een algemene voorziening die passend en toereikend is, is voorliggend op een individuele voorziening. In elke individuele situatie moet eerst worden beoordeeld of een algemene voorziening passend en toereikend is

Dit vraagt wel om investeren in

voor de gestelde jeugdhulpvraag. Als dit zo is, komen jeugdigen en zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een

passende beschikbare gelijkwaardige algemene

individuele voorziening. Dit geldt als de algemene voorziening:

voorzieningen om deze beweging te kunnen maken. Afbakening jeugdhulp extern verwijzers op basis compensatieplicht, geen

2.

b.

passend en toereikend is voor de jeugdige en/of de ouder(s).

Onverminderd dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de

opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 3.

Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende tijdig beschikbare voorziening. Als een jeugdige toch een duurdere voorziening wil die eveneens passend is, komen

‘compensatieplicht’ in de Wmo 2015.

de meerkosten voor rekening van de jeugdige en/of zijn ouders/verzorgers. In dergelijke situaties zal, mits aan de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb wordt voldaan, de verstrekking plaatsvinden in de vorm

Dat betekent: Het college dient alleen een voorziening te verlenen,

probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder(s) en van

daadwerkelijk beschikbaar is voor de jeugdige en/of de ouder(s);

voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met

Uit de Toelichting op de Jeugdwet blijkt dat de wetgever met de

als is komen vast te staan dat de eigen mogelijkheden en het

a.

jeugdarts komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele

leveringsplicht.

Jeugdwet een ‘jeugdhulpplicht’ beoogt die hetzelfde is als de

Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

van een pgb gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening. 4.

Voor het bepalen van het soort individuele voorziening dat het college inzet, sluit dit aan bij de dienstomschrijvingen in de door of namens gemeente gesloten overeenkomsten met of verleende subsidiebesluiten aan jeugdhulpaanbieders voor het leveren van voorzieningen, waarbij:

30

het sociale netwerk ontoereikend zijn

a.

de mogelijkheid voor het inzetten van ervaringsdeskundigheid altijd in overweging wordt genomen; en

om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Zie

b.

in dialoog tussen de jeugdprofessional, de jeugdige en de ouder(s) een gezamenlijk beeld ontwikkeld is over de jeugdhulpvraag en de meest passende aanpak alvorens een keuze gemaakt wordt voor het soort

artikel 2.3 Jeugdwet.

individuele voorziening.

-verdere afbakening kan worden gevonden in consulteren ervaringsdeskundige en de dialoog. 9

Werken met beschikking.

Artikel x. Inhoud beschikking 1. Bij het verstrekken van een voorziening in natura (of Pgb) wordt in de beschikking ook in ieder geval

Inhoud beschikking is ook een vorm

vastgelegd:

van afbakening, namelijk benoemen van een te behalen resultaat 10

De regio ZHZ maakt gebruik van een dienstenomschrijving ZHZ welke

a.

welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan is;

Goede voorbeelden voor de regio Holland Rijnland

onderdeel uitmaakt van de verordening

• •

Concreet ontwikkelen en benoemen van algemene voorzieningen (zie onder 8): Zorg en ondersteuning alleen op basis van Practice based en/of Evidence based.

(Zie verordening Jeugdhulp Dordrecht)

• •

Toelichting en duiding geven aan begrippen: integraal, multidisciplinair, familieplan, groepsplan etc. In ZHZ wordt nazorg ingezet, de overgangen tussen verschillende jeugdhulpvormen verbetert. Afbouw

•

betekent opbouw elders. Nazorg zorgt voor de juiste samenwerkingsafspraken. Er is een duidelijk omschreven wat wordt bedoeld met Regie, casusregie, uitvoeringsregie en procesregie (wie

•

waarvoor verantwoordelijk) Gezinsgerichte aanpak altijd bij 3 of meer componenten van de zelfredzaamheidsmatrix. In dat geval staat niet (alleen) het kind centraal, maar het hele gezin en evt. diens netwerk.

11

De Uitsluitings- en afwegingslijst

Geen Jeugdhulp (niet uitputtend!):

waar nodig aanscherpen. Ook deze lijst, zal als onderdeel van de

•

Plannen en structureren van schoolse zaken (huiswerk) is in beginsel een verantwoordelijkheid van de ouders (zie tenzij voor plannen en structureren in het algemeen en als ouders dit op eigen kracht niet kunnen).

dienstenomschrijving, als bijlage bij de verordening worden gevoegd.

•

Huiswerkbegeleiding. Elk kind heeft ontwikkelrecht, het onderwijs is hiervoor verantwoordelijk. Bij hen ligt ook de taak om betrokkenheid van de ouders te stimuleren bij het ondersteunen van hun kind daarin. Mogelijk particulier

Hiermee wordt een wettelijke basis

of via gemeentelijke (algemene) huiswerkbegeleiding groepjes.

31

gecreëerd op basis waarvan de

•

Jeugdhulp buiten Nederland (zie analyse Casco)

lokale (toegangs)teams bepaalde jeugdhulpvormen af te wijzen. Let

• •

Leermiddelen (aangepast) voorliggend via Passend Onderwijs Lotgenotencontact

wel, dit valt of staat met een evenzo goed alternatief.

• •

Mediërend leren. Betreft aanleren schoolse vaardigheden en valt onder Passend onderwijs. Muziekles, Neurofeedback, neuro linguïstisch

Zie paragraaf 3. Door in de

• •

Reiskosten Remedial teaching, valt onder Passend onderwijs

verordeningen ook concreet resultaatsgebieden te noemen en

•

Sport en begeleiding bij sport en uitstapjes. Het eigen netwerk wordt geacht hierin te voorzien (verbinding wellicht met armoedebeleid gemeente, kortingspassen)

een dienstenomschrijving als bijlage bij de verordening te voegen wordt

• •

Stage, studiebegeleiding (onderwijs) Verpleging, vakantiekamp

de afbakening steeds duidelijk(er).

• •

Vervoer naar school (is andere voorziening, leerlingenvervoer gemeente) Vervoer naar voor-buitenschoolse opvang (is Wk)

•

Zwemles

Bij nee, tenzij, ligt de beoordeling en

Geen Jeugdhulp, tenzij • Begeleiding bij regulier onderwijs, tenzij jeugdteam (regie ligt bij jeugdteam!) heeft vastgesteld dat sprake is van

besluit bij het Jeugdteam. De nee, tenzij bepalingen zijn bepalingen waar per definitie intervisie, leren van elkaar, casuïstiek bespreking

een individuele jeugdhulpvoorziening. Denk dan aan begeleiding bij zwemmen of gym om sociale omgang met andere kinderen. Overige begeleiding is verantwoordelijkheid school. Wet Passend Onderwijs is voorliggend. •

meerwaarde biedt en ondersteunend is bij het steeds duidelijker afbakenen van de reikwijdte van de jeugdhulp.

Begeleiding bij bijzonder en/of speciaal onderwijs, tenzij het jeugdteam vaststelt dat het noodzakelijk is jeugdhulp voor begeleiding in te zetten. Bij deze vorm van begeleiding kan JOS worden ingezet. Twee aandachtspunten: 1) kritisch kijken of de belgeleiding onder de jeugdwet of passend onderwijs valt.

•

2) plannen en structureren van schoolse zaken als huiswerk is in principe de verantwoordelijkheid van de ouder. Begeleiding via digitale media, te bepalen door jeugdteam. Tijdelijke ondersteuning gericht op bevorderen

•

vaardigheden om zelfredzaamheid te vergroten. Cursus jeugdige en verzorgers opvoeden en opgroeien, doch alleen als sprake is van het omgaan met gedragsproblemen en het aanlever van opvoedvaardigheden. Dit kan wel jeugdhulp zijn, maar geen individuele voorziening. Dit moet dan wel worden opgenomen in de verordening (denk dan aan hulp door het CJG of lokaal

•

team/wijkteam/GGD?) Dierentherapie, waaronder paardrijden (met, bij verzorgen), tenzij de ZA gebruik maak van dieren. Dieren zijn geen

•

hulpverlener Jeugdwet. Doelen inzetten dieren moet concreet worden omschreven + resultaat + tijdspad. Feuerstein (of andere psycho therapieën), mogelijk aanvullend via Zvw

32

•

Logeeropvang, maximeren, voor zover dat nog niet in HR gebeurt

•

Dagbesteding ter vervanging van onderwijs, tenzij geen terugkeer onderwijs mogelijk (uitstroom op leerplichtige leeftijd met ontheffing), dagbesteding tijdelijk wordt ingezet voor het bereiken van doelen (op basis van

•

persoonlijk plan. Plannen en structureren algemeen is geen jeugdhulp, tenzij er door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van individuele begeleiding voor het aanleren van algemene plannings- en structureringsvaardigheden van de dag of week in zijn totaliteit als dat niet op eigen kracht door de ouders kan worden geboden. Voorliggend kan zijn groepsbegeleiding (zie ook kaders segment 4 Dienstenoverzicht SOZ)

Gesteund door uitspraak CRvB (zie CRvB 17- 7-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). Het is de taak van de ouders om hun minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook het aanleren van vaardigheden zoals plannen en structureren horen daar in principe bij. Deze hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht. Dat kan worden afgeleid uit een uitspraak van de CRvB. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen kracht

33

Aan

De leden van de Bestuurlijke Taskforce fundamentele heroverweging gespecialiseerde jeugdhulp Holland Rijnland

Van

KokxDeVoogd

Datum

16 december 2024

Onderwerp

Casco analyse ten behoeve van gespecialiseerde jeugdhulp in de regio Holland Rijnland

Inleiding Voorliggende memo maakt als Bijlage 3 onderdeel uit van de rapportage Fundamentele heroverwegingen gespecialiseerde Jeugdhulp Holland Rijnland Als onderdeel van de fundamentele heroverweging is een zogenaamde Casco-analyse uitgevoerd. De kern van een dergelijke analyse is dat de huidige invulling van de taken (in dit geval op het gebied van gespecialiseerde jeugdhulp) geconfronteerd wordt met de minimale wettelijke vereisten voor de invulling van de taken. Hieruit volgt een verschil. Aan de hand van de analyse van het verschil kan een tekort worden gedestilleerd of juist ruimte om de huidige invulling van de taakuitvoering met minder capaciteit en kosten uit te voeren. Methodiek De Casco-analyse bestaat uit drie onderdelen: a) Vanuit de (Jeugd)wet de minimale dienstverlening abstraheren. b) De uitgaven in de regio vergelijken met andere regio’s of groepen van gemeenten, waarbij

de

gemiddelde

kosten

per

jeugdige

een

indicatie

zijn

van

de

rationaliseringsmogelijkheden in de afbakening. c) Het resultaat van a) vergelijken met de vertaling van de wet in de 13 verordeningen in de regio Holland-Rijnland én met de scope van de contracten met de zorgaanbieders (bronbestand Dienstomschrijvingen 2022-2025 Holland Rijnland van de Service organisatie Zorg Holland Rijnland) Ad a) Abstractie minimale dienstverlening uit de Jeugdwet Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van alle vormen van jeugdhulp. Bijvoorbeeld hulp aan huis bij problemen in het gezin, maar ook bij psychische en gedragsproblemen van kinderen en jongeren. Gemeenten hebben de plicht om jeugdhulp en ondersteuning te bieden. Bijvoorbeeld aan jongeren met een beperking, stoornis, aandoening of opgroeiproblemen. Er bestaat geen ‘recht’ van jeugdigen en gezinnen op zorg. Door die verplichting, de jeugdhulpplicht, moeten gemeenten in ieder geval: •

de jongere adviseren welke hulp het beste past;

•

samen met de jongere de goede vorm van jeugdhulp kiezen;

•

zorgen dat de gekozen jeugdhulp ook echt beschikbaar is.

1

In de Jeugdwet en in de bijbehorende Memorie van Toelichting is de reikwijdte werkingssfeer van de wet beschreven. De reikwijdte is in artikel 1.1 gegeven: Onder Jeugdhulp valt: 1.

ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

2.

het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

3.

het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke

verzorging

gericht

op

het

opheffen

van

een

tekort

aan

zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt,

In deze tekst is te lezen, dat de scope van de jeugdwet dermate breed is geformuleerd, dat veel diensten hier onder te scharen zijn. Wanneer wij de producten zoals beschreven in het document Dienstomschrijvingen 2022 – 2025 Holland Rijnland d.d. 14 september 2023 aan de wettelijke definitie van Jeugdhulp toetsten valt daaruit geen dienst uit te sluiten. Ad b) Vergelijking uitgaven op Jeugdhulp in de regio met andere regio’s Een indicatie voor rationalisering van de uitgaven wordt verkregen door de uitgaven voor gespecialiseerde jeugdhulp in de regio Holland Rijnland te vergelijken met de uitgaven voor gespecialiseerde

jeugdhulp

in

andere

regio’s.

Wanneer

we

de

uitgaven

voor

gespecialiseerde jeugdhulp in de regio Holland Rijnland vergelijken met de uitgaven in andere regio’s ontstaat het volgende beeld:

2

Uitgaven jeugdhulp per inwoner € 400

€ 340

€ 339

€ 332

€ 350 € 300 € 254

€ 234

€ 250 € 200 € 150 € 100 € 50

€Holland Rijnland

Haaglanden

Rijnmond

Hart van Brabant

Landelijk gemiddelde

Uitgaven jeugdhulp per jeugdige €4.000,00

€3.632,90

€3.500,00 €3.000,00 €2.500,00 €2.000,00

€1.720,12

€1.649,59

€1.305,53

€1.500,00 €1.000,00 €500,00 €-

Holland Rijnland

Haaglanden

Rijnmond

Hart van Brabant

In de combinatie van tabellen is te zien is, dat: -

De regio Holland Rijnland per inwoner en per jeugdige minder uitgeeft op het cluster Jeugd dan de regio’s Haaglanden en Rijnmond, maar meer uitgeeft per inwoner en per jeugdige dan de regio Hart van Brabant.

-

De regio Holland Rijnland per inwoner minder uitgeeft op het cluster Jeugd dan het landelijk gemiddelde.

Een tweede aspect wat in het kader van de rationalisering van uitgaven bekeken kan worden is het percentage jeugdigen met jeugdhulp, vergeleken met het percentage

3

jeugdigen met jeugdhulp in andere regio’s. Wanneer we deze vergelijking maken, ontstaat het volgende beeld1:

Percentage jeugdigen met jeugdhulp 16,0%

15,2% 13,9%

14,0%

13,3%

13,9%

11,2%

12,0% 10,0% 8,0% 6,0% 4,0% 2,0% 0,0%

Holland Rijnland

Haaglanden

Rijnmond

Hart van Brabant

Landelijk gemiddelde

In bovenstaande tabel is te zien is, dat: -

De regio Holland Rijnland een hoger percentage jeugdigen met jeugdhulp heeft dan andere jeugdhulpregio’s.

-

De regio Holland Rijnland een hoger percentage jeugdigen met jeugdhulp heeft dan het landelijk gemiddelde.

Hieruit volgt dat wanneer we voor de regio Holland kansrijke aanwijzingen willen vinden voor het verlagen van de kosten per jeugdige en het verlagen van het aantal jeugdigen met jeugdhulp, het nuttig is andere jeugdhulpregio’s te consulteren.

Ad d) Algemene aangrijpingspunten voor het verlagen van de kosten per jeugdige Vervolgens hebben we onderzocht welke aangrijpingspunten er zijn om kosten te besparen. Hiervoor in aanmerking komt: segment 4 individuele begeleiding. De kaders voor inzet van individuele begeleiding zijn in de dienstenomschrijving vastgelegd en zijn de basis voor (verdere) afbakening. Het betreft afbakening op aanwezige voorliggende voorzieningen zoals groepsbegeleiding en Jeugdhulp op school. De jeugdhulpaanbieder kan in die situaties geen Individuele begeleiding inzetten, tenzij Deze cijfers betreffen de definitieve cijfers over 2023. Bron: CBS. De cijfers betreffen hulp en zorg zoals deze bedoeld en beschreven is in de Jeugdwet, en in natura door de zorgaanbieder is geleverd. PGB gefinancierde hulp en zorg valt hier dus buiten. 1

4

daarnaast problematiek speelt op andere leefgebieden en Jeugdhulp-op-School daardoor aantoonbaar onvoldoende passend is. Individuele begeleiding kost meer (per jeugdige) dan het aanbieden van een collectieve dienst. Onder collectieve dienst wordt niet alleen de dienst Begeleiding groep verstaan. Het gaat hier ook om collectieve trainingen en groepssessies/-gesprekken, lotgenotensessies et cetera die door het algemeen maatschappelijk werk en het welzijnswerk worden aangeboden. De toegangen zijn niet altijd goed geïnformeerd over deze mogelijkheden. Het meer inzetten op collectieve diensten, kan tot een besparing leiden. In het licht van deze optie is een aantal vragen belangrijk: o

blijkt dat er een toename is van het aantal individuele trajecten? Zo ja, moet worden bekeken of meer van de beschikbare collectieve diensten gebruik kan worden gemaakt.

o

Welke collectieve diensten er zijn en ten behoeve van welke diensten kunnen deze voorliggend ingezet kunnen worden (sociale kaart). Zijn de collectieve diensten in voldoende mate voorhanden?

o

Zijn de toegangen goed op de hoogte van deze collectieve diensten en worden deze waar mogelijk ingezet?

Om collectieve begeleiding te bevorderen, kunnen de volgende maatregelen worden genomen: a.

Leg het uitgangspunt ‘collectief, tenzij’ vast als onderdeel van de visie.2

b.

Onderzoek of er meer individuele trajecten/maatregelen te collectiveren zijn. 3

c.

In de lijst met Uitzonderingssituaties biedt een aantal activiteiten de mogelijkheid om verder af te bakenen en te besparen. Het gaan dan om de ‘nee-tenzij’ activiteiten. Bepaalde activiteiten kunnen verder worden afgebakend op basis van het normenkader waarin duidelijk is vastgelegd dat voorliggende voorzieningen voorgaan op individuele voorzieningen.

d.

Het lijkt erop dat in bepaalde situaties snel naar Individuele begeleiding wordt verwezen.4 Het gaat om de volgende activiteiten:

2

Per 1 januari 2025 is dit opgenomen in de dienstomschrijving.

3

Momenteel krijgt een dergelijk onderzoek een plek in de ontwikkellijn ‘collectiveren’.

5

Activiteit

Argumentatie

Echtscheiding , begeleiding bij

Het lijkt erop dat relatief snel naar individuele hulp voor het kind bij echtscheiding wordt verwezen, terwijl er voldoende door het NJI erkende collectieve diensten beschikbaar zijn (Stoere schildpadden, KIES, Dappere Dino’s). Deze diensten kunnen beter onder de aandacht worden gebracht bij de toegang en verwijzers.

Begeleiding buiten Nederland

Begeleiding buiten Nederland is bestemd voor jongeren die zijn vastgelopen in hun ontwikkeling en leefsituatie en/of zich bevinden in een negatieve (gedrag)spiraal. Verondersteld wordt dat deze jongeren gebaat zijn bij een tijdelijke onttrekking aan hun eigen omgeving met gezin en vrienden. Middels een plaatsing bij zorgaanbod in het buitenland kunnen ze zich losmaken van deze context. Nergens is een wetenschappelijke onderbouwing te vinden voor deze veronderstelling. Vraag is dus of het zinvol is jongeren deze vorm van begeleiding te blijven bieden. Je kan een jongere ook in Nederland ver van huis een begeleidingstraject bieden.

Plannen en structureren

Hierbij kan het eigen netwerk van de jeugdige ook geacht worden om de jeugdige te ondersteunen.

Uitstapjes, begeleiding bij.

Hierbij kan het eigen netwerk van de jeugdige ook geacht worden om de jeugdige te ondersteunen.

6

Aan

PHO-Jeugd regio Holland Rijnland

Van

Annette Ter Horst en Babs Broekema | KokxDeVoogd

Datum

14 januari 2025

Onderwerp

Uitvoeringsagenda

ADDENDUM 1. Inleiding Als onderdeel van de fundamentele heroverwegingen is een beknopte uitvoeringsagenda opgesteld. De kern van de beknopte uitvoeringsagenda is het formuleren van doelstellingen, acties, verantwoordelijken en de planning. Deze beknopte uitvoeringagenda gaat uit van het volgen van het door ons opgestelde eindadvies in het hoofdrapport.

2. Besluiten De regio Holland Rijnland maakt fundamentele keuzes en implementeert deze keuzes om meer sturing te kunnen geven aan het bereiken van (1) inhoudelijke en (2) financiële doelen en resultaten in de jeugdzorg. De regio intervenieert in de (3) bedrijfsvoering en (4) governance om de sturing te verbeteren. De regio doet dit door de maatregelen van pakket 1, de maatregel op de afbakening van de Jeugdhulp van pakket 2, en de maatregel voor het aanstellen van een programmadirecteur uit pakket 3, regionaal vast te stellen en te implementeren. In onderstaand memo worden alle stappen met maatregelen middels een plan van aanpak besproken. Voor maatregelen uit pakket 2 en 3 (beschikkingen en toezicht en handhaving) die eventueel versneld kunnen worden doorgevoerd zijn ook de te nemen stappen opgenomen. Het memo eindigt met een schematische planning waarin alle stappen staan opgenomen.

Knop 1: Taakverdeling beleidsontwikkeling en implementatie De regio maakt heldere afspraken over rollen, taken en verantwoordelijkheden op het gebied van beleidsontwikkeling en uitvoering. Het stelsel wordt ingericht op het nakomen van deze taak-en verantwoordelijkheden. In ieder geval worden de taken, mandaten en verantwoordelijkheden vastgelegd voor het PHO, AOO, Programmamanagement, ROJ, het regionaal programmateamoverleg en het accountmanagement. Stap 1a. Versneld implementeren Stel programmadirecteur aan - Pakket 3 stap 1c. Doel: Door middel van eenduidige aansturing met een duidelijk mandaat en doorzettingsmacht wordt de regionale bestuurlijke opdracht op het gebied van gespecialiseerde jeugdhulp effectief uitgevoerd. Dit houdt in dat de doelen uit de regiovisie worden vertaald naar concrete en uitvoerbare programma’s, de samenhang in regionale beleidsontwikkeling gewaarborgd wordt, en er sturing plaatsvindt op het realiseren van de transitieopgave. Daarnaast wordt de verantwoordelijkheid voor voortgang en resultaat helder belegd binnen de governance-structuur. Hierdoor ontstaat een verbeterde samenwerking tussen regionaal en lokaal niveau, met als doel

1

versnippering en onduidelijkheid te voorkomen en de effectiviteit van het jeugdhulpstelsel te vergroten. Acties: 1.

Het AOO besluit waar het werkgeverschap van de programmadirecteur wordt belegd en hoe deze wordt gefinancierd.

2. 3.

Het AOO stelt een profielschets op en legt deze ter toetsing voor aan de bestuurlijke Taskforce. Het AOO stelt een opdracht op voor de programmadirecteur. Neem daarin op wat de

4.

prioriteiten zijn en hoe ze samenhangen. Het AOO stelt programmadirecteur aan – met PM als tijdelijke invulling

5. Het PHO en het AOO wijzen uit hun midden vertegenwoordigers aan. Planning: Q1 2025

Stap 1b. Opnieuw beleggen en vaststellen van rol, taak, verantwoordelijkheid van het PHO, AOO, ROJ en inrichten accountmanagement Doel: Zorgen dat de samenwerking binnen het jeugdzorgstelsel effectief en consistent verloopt, conform de afspraken zoals vastgelegd in het samenwerkingshandvest. Dit houdt in dat voor alle betrokken partijen duidelijk is wat ieders rol, taak en verantwoordelijkheid is, met stevige structuren voor eigenaarschap, opdrachtgeverschap en opdrachtnemerschap. Het gewenste resultaat is een governance-model met eenduidige aansturing, robuuste borging van implementatie en volledig overzicht van alle initiatieven. Dit draagt bij aan betere afstemming tussen beleid, zorgtoegang en lokale teams, en zorgt voor gestroomlijnde besluitvorming en integratie van initiatieven binnen het bredere kader van de regionale governance. Projectteam: Programmamanager, een vertegenwoordiger van het AOO, directeur SO Zorg Stuurgroep: de bestuurlijk vertegenwoordigers namens het PHO Opdrachtgever: AOO Acties: 1. Inventarisatie huidige situatie. a. Analyse van het Samenwerkingshandvest. Identificeren van lacunes in de samenwerking en behoeften vanuit zowel uitvoeringsorganisatie, het AOO, her ROJ en Programmamanagement. Gebruik daarbij de adviezen, genoemd in de b.

eindrapportage. Mandaten. Inventariseren huidige mandaatbesluiten en waar nodig opstellen en laten

vaststellen van nieuwe mandaten door bevoegde (bestuurs)organen. 2. Aanpassen Samenwerkingshandvest. a.

In PHO vindt afstemming en overleg plaats. Besluiten worden afgehecht in colleges en/of raden.

b.

Vaststellen doel, rol, taak en verantwoordelijkheid van bestuurlijk trekkers (deelnemers PHO).

c.

Vaststellen doel, rol, taak en verantwoordelijkheid van ambtelijk trekkers (deelnemers AOO).

d.

Het opnieuw vaststellen van rol, taak en verantwoordelijkheid van het AOO, conform adviezen genoemd in het eindrapport maatregel 1b.

e.

Het opnieuw vaststellen van rol, taak en verantwoordelijkheid van het Programmamanagement, conform adviezen genoemd in het eindrapport maatregel

f.

1c. Het opnieuw vaststellen van rol, taak en verantwoordelijkheid van het ROJ, conform

adviezen genoemd in het eindrapport maatregel 1d. 3. Formuleren bestuurlijke opdracht a.

Het PHO formuleert een bestuurlijke opdracht aan AOO en laat deze bekrachtigen in de colleges.

2

4. Functie- en competentieprofiel a.

Het AOO stelt een eenduidig functie-en competentieprofiel op formuleert een eenduidige opdracht aan de (sub)regionale programmamanagers en laat deze

bekrachtigen in de colleges. 5. Benoemen bestuurlijk- en ambtelijk trekkers a.

Het PHO benoemt bestuurlijk trekkers per opgave, conform de afspraken vastgelegd in het Samenwerkingshandvest.

b.

Het AOO benoemt ambtelijk trekkers per opgave, conform de afspraken vastgelegd in het Samenwerkingshandvest.

6. Accounthouderschap. Zorg voor inhoudelijk accounthouderschap. Dit is geen beleidsmatige functie, maar vakinhoudelijk, sturend, verbindend, analytisch en communicatief. Pas het functieprofiel hierop aan. Beleidstaken en accounthouderschap (management) worden gescheiden en niet gecombineerd in één functie. Richt het accountmanagement in conform reeds vastgestelde uitgangspunten (PHO Besluit 26-072024). 7. Communicatie: Het AOO communiceert richting betrokkenen wat er is gewijzigd, wat dit voor de functie en uit te voeren taken betekent. 8. Evalueren. Periodieke monitoring en een evaluatiebijeenkomst organiseren na implementatie (ieder jaar). De programmadirecteur verantwoordt zich hierover aan het AOO. Planning: Eind april 2025 moeten de aanpassingen gereed zijn en de definitieve besluitvorming plaatsvinden. Anders stagneert de invoering van de overige maatregelen. Monitoring en evaluatie: Er vindt nu een eenmalige herijking plaats, welke jaarlijks dient te worden geëvalueerd. Dit is de verantwoordelijkheid van de programmadirecteur.

Knop 2: Regiovisie en -kaders De bestaande regiovisie wordt herijkt. De visie wordt opnieuw beoordeeld en besproken om te begrijpen wat deze betekent in de huidige context. Het regionaal inkoopplan (gebaseerd op visie, kaders verordening en beleid) wordt jaarlijks geëvalueerd en bijgesteld indien nodig. De wijzigingen van doelen en resultaten en de doorwerking daarvan in contracten wordt financieel vertaald in de begroting jeugdhulp. Op basis van de regiovisie en het inkoopplan en de ambities en (beleids-)doelen die daarin staan wordt een regionaal jaarplan. De programmadirecteur coördineert en overziet de uitvoering van de herijking, evaluatie, bijstelling en implementatie van de vier kerndocumenten voor de inrichting van de regionale gespecialiseerde jeugdhulp. Het plan hieronder biedt een gestructureerde aanpak: Stap 2a. Herijking van de Regiovisie Doel: Beoordelen en actualiseren van de regiovisie in de huidige context. Projectteam: de programmadirecteur in samenwerking met het programmamanagement en regionaal programmateamoverleg. Stuurgroep: de bestuurlijk vertegenwoordigers namens het PHO Opdrachtgever: de ambtelijk vertegenwoordigers namens het AOO Acties: 1.

Voorbereiding: Analyse van bestaande regiovisie en verzamelen van contextinformatie (beleidsontwikkelingen, demografische gegevens, trends) in aanvulling op het advies van

3

de Taskforce over de gespecialiseerde Jeugdhulp. Aanvullende informatie kan via het regionaal programmateamoverleg worden verzameld. Werk hierin samen met de programmamanagers. 2.

3.

Bepaal de vorm: Maak een voorstel voor de structuur en inhoud van de geactualiseerde regiovisie. Presenteer het voorstel aan het Regionaal programmateamoverleg, ROJ, AOO en PHO. Opstellen eerste versie: Schrijf een beknopte eerste versie van de nieuwe regiovisie waarin de belangrijkste kernbegrippen uit de regio een plaats krijgen. Betrek het regionaal programmateamoverleg indien gewenst en of noodzakelijk.

4.

5.

Stakeholders betrekken: Organiseren van een tot twee strategische sessies met regionale partners (onderwijs, huisartsen, sociale basis), het programmateamoverleg en uitvoerende partijen voor het verzamelen van input. Toetsen van visie: Valideren van de herijkte visie via het ROJ, AOO en PHO. Bij voorkeur via de bestuurlijk en ambtelijk vertegenwoordigers van het AOO en PHO (zie knop 1) om voortgang te bewaken.

6.

7. 8.

9.

Eerste PHO toetsing: Met de bestuurlijk en ambtelijk vertegenwoordigers organiseert de programmadirecteur de eerste visie-bijeenkomst voor het PHO waarin de portefeuillehouders hun wensen en bedenkingen kunnen uitspreken. Finetunen: Opstellen van de definitieve regiovisie, met integratie van feedback. Tweede PHO toetsing en vaststelling: In een tweede PHO bijeenkomst wordt de definitieve versie gepresenteerd in samenhang met het inkoopplan, de begroting en het regionaal jaarplan. Ten uitvoer brengen: Publicatie en verspreiding naar alle relevante stakeholders inclusief

helder communicatieplan en plan van aanpak om de gewenste doelen te behalen. 10. Evalueren: Periodieke monitoring en een evaluatiebijeenkomst organiseren na implementatie (ieder half jaar). De programmadirecteur verantwoordt zich hierover aan het AOO. Planning: Eind april 2025 moet de definitieve besluitvorming plaatsvinden. Anders stagneert het stelsel. Belangrijk: Werk met een beknopte visie en beperkte deadlines. Maak dit onderdeel niet te groot, dat stagneert de verbetering van het stelsel. Monitoring en evaluatie: Er vindt een eenmalige herijking plaats, welke jaarlijks dient te worden geëvalueerd. Dit is de verantwoordelijkheid van de programmadirecteur.

Stap 2b. Jaarlijkse evaluatie van het regionaal inkoopplan Doel: Beoordelen en bijstellen van het inkoopplan om afstemming met de visie en beleidsdoelen te waarborgen. Projectteam: de programmadirecteur in samenwerking met het programmamanagement. Stuurgroep: de bestuurlijk vertegenwoordigers namens het PHO Opdrachtgever: de ambtelijk vertegenwoordigers namens het AOO Acties: 1.

Voorbereiding: In kaart brengen van jaarlijkse evaluatiecriteria (effectiviteit, kosten, klanttevredenheid) ten behoeven van het inkoopplan. Organiseer bijeenkomsten met de accountmanagers, contractmanagers en de SO Zorg. Verzamel de nodige informatie om het inkoopplan te evalueren. Bepaal of het noodzakelijk is de zorgpartijen hierin actief te

2.

betrekken. Herschrijf indien nodig: Geef hierin duidelijk aan waar de wijzigingen zijn en tot welk doel

3.

de wijzigingen leiden. Ten uitvoer brengen: Communiceren van wijzigingen naar contractpartijen en betrokkenen.

4

4.

Evalueren: Opstellen van een evaluatierapport als basis voor het volgende jaar. Gebruik

hiervoor de door SOZ ontwikkelde dashboards en breidt deze uit waar dat nodig is. Planning: Ieder jaar in de zomer moet het inkoopplan worden geëvalueerd. Monitoring en evaluatie: Dit dient ieder jaar in de zomer hebben plaatsgevonden.

Stap 2c. Financiële Doorwerking in begroting Doel: Wijzigingen in doelen en resultaten financieel vertalen naar de begroting voor jeugdhulp. Projectteam: de programmadirecteur in samenwerking met het programmamanagement, controllers en financials van de afzonderlijke gemeenten en SO Zorg. Stuurgroep: de bestuurlijk vertegenwoordigers namens het PHO Opdrachtgever: de ambtelijk vertegenwoordigers namens het AOO Acties: 1. Voorbereiding: Formuleren van de financiële impact van gewijzigde doelen en contracten vindt plaats in navolging op 2a en 2b. Daarnaast wordt de financiële impact van doelen en resultaten concreter bij het opstellen van het regionaal jaarplan in 2d. In het jaarplan worden de projecten, programma’s en trajecten van het jaar concreet omschreven inclusief benodigde middelen, capaciteit maar ook KPI’s. Maak hier óók een planning voor 2.

hoe de programmadirecteur van plan is 2026 voor te bereiden. Stakeholders betrekken: Betrekken van financieel experts, regionaal

3.

programmateamoverleg, SO Zorg en jeugdhulpaanbieders bij de vertaling. Toetsen van doorwerkingen: Financiële ramingen toetsen in samenwerking met

4.

accountants en controllers van de gemeenten en SO Zorg. Gemeentelijke begrotingen: De gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten van de SO Zorg worden in de gemeentelijke begrotingen opgenomen. Het opstellen van een gemeentelijke begroting is een samenspel tussen de inhoudelijke (beleid) mensen, uitvoering, bedrijfsvoering en financials en verloopt via de vaste P&C-cyclus. De programma budgetten blijven bij de afzonderlijke gemeenten, welke door SO Zorg worden beheerd. De programmadirecteur is verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van de bedragen die nodig zijn voor het opstellen van de gemeentelijke begrotingen.

5.

Ten uitvoer brengen: Budgetverdeling en implementatie uitvoeren volgens de herziene begroting.

6.

Evalueren: Financiële evaluatie uitvoeren om inzicht te verkrijgen in de haalbaarheid en impact.

Planning: Ieder jaar moet de begroting vóór 15 november worden vastgesteld in de raad. De doorvertaling van wijzigingen in doelen en resultaten moeten daarom ruim voor die tijd bekend zijn. Belangrijk: In het eerste jaar kan dit beperkt omdat het jaar al is gestart. Daarom vindt dit voor 2025 in beperkte mate plaats, maar dient dit in 2025 te worden gestart voor 2026. De programmadirecteur is de regiehouder van het overzicht van besluitvorming met financiële effecten voor de begroting. Monitoring en evaluatie: in het eerste jaar, vindt de doorvertaling plaats nádat de regiovisie is herijkt en het jaarplan is opgesteld. In de jaren die hierop volgen is dit een going concern van januari tot oktober.

Stap 2d. Regionaal Jaarplan 2025 & 2026 Doel: Opstellen van een operationeel jaarplan gebaseerd op de regiovisie, het inkoopplan en beleidsdoelen. Projectteam: de programmadirecteur in samenwerking met het programmamanagement, het programmateamoverleg en SO Zorg. Stuurgroep: de bestuurlijk vertegenwoordigers namens het PHO Opdrachtgever: de ambtelijk vertegenwoordigers namens het AOO

5

Acties: 1.

Dataverzameling: Inventariseren van prioriteiten, acties en deliverables voor het komende jaar (2025 en 2026). Kwantificeer de doelen zoveel als mogelijk. Bepaal de consequenties voor als doelen niet worden behaald. Koppel het budget aan de doelen. Bepaal voor ieder doel welke inzet nodig is inclusief de beschikbare capaciteit en middelen. Regionale initiatieven, plannen en projecten verlopen voortaan altijd via de programmadirecteur die deze verzameld in het jaarplan. Het jaarplan voor 2025 is een beknopte variant, omdat het jaar reeds is begonnen en in het teken staat van de transformatie van het stelsel. In het jaarplan en gedurende 2025, dient ook het jaarplan van 2026 te worden opgesteld. Deze staan in de planning afzonderlijk opgenomen. De jaarplannen worden altijd ontwikkeld in lijn met de regiovisie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1729/documents/22571