CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

D06 De heer van Haaster, Ruimtelijke koers voor Zuid-Holland.pdf

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken19.979 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.3 Natuurlijk ecosysteem 2.3.1 Waar gaat het over De natuur in Zuid-Holland is onvoldoende robuust, de doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), namelijk dat de natuur in een gunstige staat van instandhouding is, worden grotendeels niet gehaald. Dit vertaalt zich onder meer in de huidige vergunningencrisis rondom stikstof en dit dreigt te ontstaan ten aanzien van waterkwaliteit (KRW) en soortenbeleid. Natuurherstel, zowel in kwaliteit als in oppervlak, is noodzakelijk. De Europese Natuurherstelwet, die onlangs door het Europese Parlement is aangenomen, geeft hieraan ook richting. De biodiversiteit en kwaliteit van natuur, die is gekoppeld aan het natuurlijk ecosysteem, moeten op orde gebracht en hersteld worden. Hieronder valt ook de aanpak van drukfactoren, zoals stikstofdepositie, verdroging en onvoldoende waterkwaliteit.

2.3.2 Onze natuuropgaven ▪

Natuurherstel en -ontwikkeling ten behoeve van 30% overbrugging VHR-opgave tot en met 2030 (daarna komt een aanvullende opgave voor 2050), waaronder: o Afronden van Natuurnetwerk Nederland (NNN); o We zetten overal in op basiskwaliteit natuur. Basiskwaliteit natuur gaat over de minimale kwaliteitseisen voor de in dat landschap of stedelijk gebied algemeen voorkomende soorten (Schouten, 2021). Dit doen we door te ontwikkelen met aandacht voor flora en fauna (natuurinclusief); o Uitbreiding oppervlak (agrarische) natuur met eventueel dubbelgebruik voor landbouwproductie en natuurdoelen; o Realiseren 10% groenblauwe dooradering; o Aanleg overgangsgebieden; o Aanpak drukfactoren, onder andere bronmaatregelen stikstof en waterkwaliteit; o Aanleg nieuwe bossen (bossenstrategie) waarbij in de eerste plaats gekeken wordt naar huidige natuur- en recreatiegebieden;

21

Mogelijke aanleg nieuwe en/of uitbreiding van natuurgebieden als nog te ontvangen doelen van het Rijk dat nodig maken; Emissiereductie ammoniak ten behoeve van natuurherstel; Behalen van KRW-doelen; Emissiereductie broeikasgassen ten behoeve van klimaat- en natuurdoelen 2030 (en 2050). Bos en bomen: realisatie van 150 ha binnen NNN. o

▪ ▪ ▪ ▪

2.3.3 Nader uit te werken ▪ ▪

▪ ▪ ▪

▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪

Natuurinclusiviteit op landschapsschaal: agenda natuurinclusief met basiskwaliteit natuur en groenblauwe dooradering; Water en natuur krijgen meer ruimte om onder meer de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) te behalen, zowel binnen de natuurgebieden als daarbuiten. Deze laatste categorie gaat grotendeels om agrarische natuur of om natuur waar agrarisch medegebruik mogelijk is. Hieronder vallen onder meer de groenblauwe dooradering naar 10% van het landelijk gebied en meer ruimte voor boerenlandvogels in land- en tuinbouw; Combineren maatregelen voor VHR-doelen met de maatregelen voor water en klimaat om tot synergievoordelen te komen; Aanpak drukfactoren met gebiedsgericht maatwerk; Maatregelen waarbij met name zogenaamde uitbreidingsdoelstellingen relevant zijn. Dit zijn doelen waarover in het aanwijzingsbesluit van de Natura 2000-gebieden is vastgesteld dat een uitbreiding van kwantiteit of kwaliteit behaald moet worden in betreffende gebieden. Overigens kan ook voor het voorkomen van verslechtering, extra ruimte nodig zijn; Rondom Natura 2000-gebieden komen overgangszones waar deze nodig en effectief zijn.

De omvang hiervan verschilt per locatie en is maatwerk in de gebiedsprocessen; Drukfactoren verschillen per gebied en maatwerk is nodig; De provinciale verdeling van extra bosareaal en extra bomen buiten het Natuurnetwerk Nederland: bossenstrategie voor aanleg van nieuw bos; Heldere doelstellingen (hectareopgave) voor de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Zowel voor de periode tot 2030 als zicht op 2050; Ruimtelijke uitwerking waar de aanvullende VHR-opgave wordt gerealiseerd. Hierbij houden wij een prioriteringsladder aan, waarbij we werken aan robuuste en effectieve eenheden natuur; Creëren recreatieruimte en -capaciteit om druk op kwetsbare natuur te verminderen.

3. Doorwerking voor de laag van ordenende netwerken: mobiliteit, energie, haven- en (agro)logistiek van grondstoffen en materialen 3.1 Waar gaat het over? Robuuste, houdbare en optimaal functionerende netwerken voor mobiliteit (personen- en goederenvervoer), energie, nutsvoorzieningen en de logistiek van grondstoffen en materialen zijn noodzakelijke randvoorwaarden voor het gezond en veilig kunnen wonen, werken en recreëren in Zuid-Holland. De netwerken zijn daarbovenop sterk bepalend voor een toekomstbestendige en dus circulaire, digitale, klimaatneutrale en inclusieve economie. Zuid-Holland is en blijft in een groot deel van deze netwerken bovendien een belangrijk logistiek knooppunt voor Nederland en Europa. En die rol wordt in een Europa dat inzet op strategische autonomie op het wereldtoneel, alleen maar belangrijker.

22

We zien dat de netwerken tegen de grenzen van hun capaciteit aanlopen, met als gevolg reële kans op congestie of tekorten op korte termijn. Als deze netwerken niet op orde zijn, lopen we ook het risico onze transitiedoelen niet te halen. De huidige capaciteit en robuustheid van onze netwerken is niet toereikend om alle huidige en nieuwe opgaven te faciliteren. Investeringen zijn noodzakelijk. Ook met stevige investeringen zijn keuzes echter onvermijdelijk. Het toekomstperspectief van sommige economische sectoren op de lange termijn wordt bepaald door systeemkeuzes die nationaal en in de provincie Zuid-Holland gemaakt moeten worden. Met name zeer energie-intensieve sectoren hebben een transitieopgave. Waterintensieve bedrijvigheid en zoetwaterafhankelijke teelten anticiperen op veranderende beschikbaarheid van (zoet)water. Stedelijke groei vraagt forse uitbreiding van onze drinkwater- en afvalwatersystemen. Een kwalitatieve toekomstbestendige groei met zo minimaal mogelijk gebruik van energie ruimte en grondstoffen en met een zo groot mogelijke bijdrage aan maatschappelijke toegevoegde waarde staat centraal. Meer bewuste sturing op toekomstbestendigheid is nodig om de positie van Zuid-Holland in nationale en internationale netwerken te behouden en duurzaam te versterken.

In een context waar crises en geopolitieke spanningen leiden tot een Europese agenda van strategische autonomie (Europese-Raad, 2022) is hernieuwde aandacht nodig voor de inbedding van ZuidHolland hierin. Het voor Zuid-Holland essentiële samenspel van (inter)nationale, regionale en lokale netwerken vergt dan ook meer integrale samenwerking van Rijk, provincie en belangrijke sleutelspelers in het veld. Investeringen in de capaciteit en de geschiktheid voor een diversiteit aan nieuwe (grond)stofstromen zijn randvoorwaardelijk en gaan gepaard met een nog meer bewuste sturing op een duurzaam en toekomstbestendig gebruik van netwerken en capaciteit. Gezondheid, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit zijn daarbij kernwaarden die specifiek voor netwerken om keuzes vragen. Bestaande infrastructuur moeten we tegelijkertijd beter kunnen benutten. We hebben meer instrumentarium nodig voor het samenspel van netwerken en ruimtegebruik. De houdbaarheid van onze investeringen zal daarbij nog meer op de maatschappelijke kosten en baten voor lange termijn geijkt moeten worden. Klimaatbestendigheid en de beschikbaarheid en de draagkracht van water en bodem uit de laag van bodem en ondergrond zijn dan belangrijke afwegingscriteria.

3.2 Onze netwerkopgaven De opgave is dan ook om selectief te worden. Circulaire, gezonde, veilige, klimaatbestendige en inclusieve activiteiten dragen effectief bij aan een toekomstbestendig Zuid-Holland met brede welvaart. Die activiteiten krijgen dan in principe ook prioriteit bij de verdeling van bestaande en nieuwe netwerkcapaciteit en beschikbare ruimte. De huidige en toekomstige capaciteit en ligging van bestaande en nieuwe netwerken en knooppunten worden daarmee nog meer en nadrukkelijk onderdeel van de sturingsopties. Een circulaire samenleving is daarbij de stip op de horizon. De gezamenlijke goede ervaringen van Rijk en provincies met de koppeling van mobiliteit en verstedelijking (zie Programma Mobiliteit en Verstedelijking (MoVe) en de Verstedelijkingsstrategie Zuid-Holland laten zien dat netwerken en ruimte succesvol samengebracht kunnen worden. De inzet op meer wederkerigheid tussen verschillende domeinen, opgaven en schalen komt dan het beste tot zijn recht. De kracht van deze aanpak willen we dan ook breder benutten en versterken: op het samenspel van de verschillende netwerken met het ruimtegebruik. Wederkerigheid betekent dan dat we ook letten op de

23

effecten van activiteiten op het optimaal gebruik van de capaciteit, robuustheid en veiligheid van netwerken zoals kabels voor elektra en data, waterwegen, wegen, spoor en buisleidingen.

3.2.1 Opgave voor de bereikbaarheid van wonen, werken, voorzieningen en landschap De opgave is om de netwerklaag zo veel mogelijk bij te laten dragen aan brede welvaart waarin nabijheid van wonen, werken, onderwijs, voorzieningen en landschap centraal staat. Gezondheid en veiligheid wegen we daarin zwaar mee. We willen voortbouwen op onze gezamenlijke successen in het samenspel van mobiliteit en verstedelijking. Het bestaand bebouwd gebied komt daarbij nog meer centraal te staan. Er is extra aandacht nodig voor de bereikbaarheid en nabijheid van wonen, werken, onderwijs, voorzieningen en landschap gekoppeld aan de grote transformatieopgaven aan de randen van het stedelijk netwerk. Nabijheid van onderwijs is daarbij belangrijk en kan een mogelijk sturingsmiddel vanuit de provincie worden. In het landelijk gebied is vooral de bereikbaarheid van voorzieningen en de vitaliteit van kleine kernen een belangrijke opgave. Daarom wegen we de bereikbaarheid en nabijheid voor heel Zuid-Holland zwaar mee.

3.2.2 Nader uit te werken ▪

▪ ▪

▪ ▪ ▪

▪ ▪

▪

Voor de mobiliteit van onze inwoners leggen we de focus op nabijheid van wonen, werk voorzieningen en goed openbaar vervoer. Dit doen we door in te zetten op 15-minutengemeenten. Zowel in de steden als in het landelijk gebied. Zo zijn er meer keuzemogelijkheden in modaliteit en wordt extra mobiliteit zoveel mogelijk voorkomen; Zo proberen we de druk op autowegen niet onnodig te verhogen en houden we capaciteit vrij voor gebruikers laten we de gevolgen voor verkeers(on)veiligheid meewegen; Daarbij kijken we steeds meer naar bereikbare bestemmingen (voorzieningen, werk, wonen, onderwijs en landschap) voor verschillende groepen en gebieden (van hoogstedelijke netwerk tot de randen van de steden tot landelijk gebied), met een integrale afweging ten opzichte van veiligheid, gezondheid en leefomgeving. Beweegvriendelijke mobiliteit wordt belangrijker. Actieve en gezonde mobiliteit (STOMP-principe) is leidend: dus prioriteren in de volgorde van stappen, trappen, openbaar vervoer, mobility as a service (MaaS) en personenauto; De bereikbaarheid van voorzieningen in het landelijk gebied krijgt extra aandacht, daarbij is ook de auto belangrijk; We versterken onze steden en dorpen. Dus combineren we wonen, werken en voorzieningen op fiets- en loopafstand.

Er moet voldoende veilige en aantrekkelijke ruimte komen voor voetgangers en fietsers in de openbare ruimte; We zetten in op het creëren van een gezonde, groene leefomgeving in steden en dorpen die uitnodigt tot bewegen; We zien kansen om te investeren in nieuwe loop- en fietsverbindingen en een fijnmazig regionaal fietsnetwerk dat het stedelijk gebied met het landelijk gebied verbindt via aantrekkelijke groene routes. Gezondheid verdient aandacht; We zetten in op behoud en multimodale bereikbaarheid van voorzieningen en werk. Hierbij houden we rekening met evacuatieroutes tijdens crises, zoals overstromingen.

3.2.3 Opgaven voor de robuustheid van het energiesysteem De structuur en robuustheid van het energiesysteem staan centraal. In onze aanpak voor de energietransitie is de energie-infrastructuur de slagader van het toekomstige duurzame energiesysteem. 24

▪

▪ ▪ ▪

We zetten - onder meer via het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) - in op versnelling, ontwikkeling en ruimtelijke inpassing van elektriciteits- en warmtenetten, en op infrastructuur voor duurzame gassen; Tot 2030 wordt energie-infrastructuur verzwaring en uitbreiding voorzien, waar ruimte voor nodig is en die ruimtelijk ingepast moet worden; Robuustheid en dus diversiteit aan energiedragers met meer decentrale opwek, opslag en distributie (en besparing) van elektriciteit en warmte; Samen met de netbeheerders en in afstemming met gemeenten stellen wij een 2-jaarlijkse actualisatie van het pMIEK op, waarin we de energie-infraprojecten prioriteren in de regio.

3.2.4 Nader uit te werken ▪

▪

▪

▪

▪

▪

▪ ▪

▪

We zetten in op verdere verzwaring van het elektriciteitssysteem voor specifieke gebieden, waar concentratie komt van activiteiten met energiebehoefte. Hiernaast zetten we in op maximaal efficiënt benutten en ontlasten van de energie-infrastructuur; De zoekgebieden in de RES'en zijn ingetekend op potentiële plekken. Wij stellen een visie op waar deze het meest gewenst en nodig zijn, en werken eraan deze locaties mogelijk te maken. In praktijk zal dit neerkomen op de randen van het bebouwde gebied, waar de druk op de boven- en ondergrond aan de ene kant minder groot is, maar waar tegelijkertijd ook de vraag om ruimte voor andere opgaven aanwezig zal zijn. Daarnaast zoeken we met onze partners naar een zo optimaal mogelijke inpassingen binnen de zoekgebieden; Voor een zo goed mogelijke (ruimtelijke) inpassing is het nodig een stevige visie vanuit de provincie op het gehele energiesysteem (elektriciteitsstations, kabels, opwek, opslag, warmte stroom) neer te zetten.

Hiervoor is samenwerking met het Rijk nodig en wenselijk voor de positie en inbedding van Zuid-Holland in Nederland en internationale netwerken, ook ten aanzien de ruimtevraag voor het energiesysteem vanuit het Programma Energie Hoofdinfrastructuur van het Rijk (PEH); Gedeeld en helder beeld van de opgave voor opwek van duurzame energie 2030 en verder binnen onze provincie: we bereiden ons voor op een groeiende opgave voor 2050; het concept Nationaal Plan Energiesysteem gaat uit van een nationale verviervoudig van elektriciteitsverbruik; We willen samen met het Rijk een koppeling maken vanuit beschikbare energieinfrastructuur en economische activiteiten (waterstof, accu) op basis van een duidelijke positionering van Zuid-Hollandse clusters op nationale en internationale schaal; In een efficiënt energiesysteem gebruiken we de meest geschikte drager van warmte en/of elektriciteit en/of grondstoffen. We zetten bronnen zo veel mogelijk lokaal in, (boven)regionale bronnen zetten we in waar lokale bronnen niet toereikend zijn; We verkennen andere bronnen zoals kernenergie en we stoppen op termijn met fossiele brandstoffen; Gezondheid, veiligheid, beschikbaarheid van mogelijke locaties en ruimtelijke kwaliteit wegen we sterker mee bij de afweging voor de ruimtelijke hoofdstructuur en voor de inrichting van onze netwerken.

Hiervoor hebben we gedeelde begrippen, definities en omgevingswaarden nodig; De energietransitie en vernieuwing van de economie koppelen we met een sociaalmaatschappelijke agenda. Dat betekent bijvoorbeeld gezamenlijke aandacht voor gezondheid, veiligheid en op voorkomen van energie- en vervoersarmoede. Er zijn instrumenten nodig voor betaalbare bedrijfsruimte op goed bereikbare plekken en goed bereikbare ruimte voor de verzorgende economie en het midden- en kleinbedrijf (MKB).

25

3.2.5 Opgaven voor een circulaire samenleving We zien de noodzaak en de kans om onze logistieke kennis, onze netwerken en onze clusters te richten op een circulair Zuid-Holland. Winst in ruimte, netwerkcapaciteit of minder gebruik van grondstoffen benutten we prioritair voor een toekomstbestendig Zuid-Holland en niet voor meer van hetzelfde, met meer gebruik van grondstoffen. Omdat de omvang van de vraag en het type ruimtegebruik niet altijd voorspelbaar blijkt, is het strategische plannen van functies een cruciaal element in ons Ruimtelijk Voorstel. Ook al kennen we de exacte ruimtebehoefte – zeker ook na 2030 – nog niet: we moeten ruimte reserveren en organiseren om meer flexibel in te kunnen spelen op kansen en maatschappelijke opgaven, zowel tot 2030 als voor daarna. Meer bewuste sturing op toekomstbestendigheid is nodig om de positie van Zuid-Holland in nationale en internationale netwerken te behouden en duurzaam te versterken. In een context waar crises en geopolitieke spanningen leiden tot een Europese agenda van strategische autonomie (Europese-Raad, 2022) is hernieuwde aandacht nodig voor de inbedding van ZuidHolland in Nederland en Noordwest- Europa. Het voor Zuid-Holland essentiële samenspel van (inter)nationale, regionale en lokale netwerken vergt dan ook meer integrale samenwerking van Rijk, regio en belangrijke sleutelspelers in het veld.

Investeringen in de capaciteit en de geschiktheid voor een diversiteit aan nieuwe stofstromen gaan gepaard met een nog meer bewuste sturing op een duurzaam en toekomstbestendig gebruik van netcapaciteit, ruimte en energie in Zuid-Holland. Gezondheid, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit zijn daarbij kernwaarden. ▪

▪ ▪

▪

▪

▪

▪

We hebben een ruimtelijke strategie voor een circulair Zuid-Holland uitgewerkt. We hebben een draaiend programma Zuid-Holland circulair met focus op enkele stof- en materiaalstromen; Voor de nationale en internationale goederenlogistiek zetten we verder in op bestaande samenwerking in corridorverband; Zuid-Holland bundelt grootschalige logistiek in het Haven Industrieel Complex, de tuinbouwgebieden (greenports) en langs de Oost en Zuid-corridor en door gereserveerde ruimte; Zuid-Holland faciliteert geen grote ruimtevragers (bedrijfsfuncties >3ha in lopende herziening Omgevingsbeleid) meer op nieuwe locaties buiten het Haven Industrieel Complex en de A12corridor. Zuid-Holland biedt geen ruimte voor datacenters groter dan 3 hectare en faciliteert geen gerelateerde claims op energie en water.

Uitzonderingen voor voorzieningen zijn mogelijk (met name energie, water, circulaire (bouw)hubs), waarbij we voor slimme functiecombinaties en innovaties stimuleren, bijvoorbeeld binnen één meerlaags gebouw; Voor de verduurzaming van het transport is een grote investering in het elektriciteitsnet nodig, met onder andere laadpunten op bedrijventerreinen en in het Havenindustrieel Complex, truckparkings, laadpunten voor schepen en buisleidingen; Het Rotterdamse havengebied kent een grote opgave wat betreft de energietransitie en de circulaire transitie, met oog voor balans met andere opgaven zoals een veilige en gezonde leefomgeving en wonen (zie paragraaf 5.1 NOVEX Haven Rotterdam); De begrenzing van de capaciteit die onze netwerken kunnen leveren, maken dat voor het toekomstperspectief van sommige sectoren extra inzet nodig is om de transitie te laten slagen. Dit geldt bijvoorbeeld voor zeer energie-intensieve (denk aan de chemische industrie) en waterintensieve bedrijvigheid (zoals industrie, chemie en voedingsmiddelenindustrie) en voor zoetwaterafhankelijke teelten. Innovatie kan hierbij kansen bieden;

26

▪

▪

We zetten in op vergroten van capaciteit van transport via het goederenspoor, de binnenvaart en ondergrondse leidingsystemen. Alleen op deze manier kan het vervoerssysteem op een effectieve, efficiënte en schone(re) manier functioneren; In onze aanpak voor de energietransitie is de energie-infrastructuur de slagader van het toekomstige duurzame energiesysteem. We zetten - onder meer via het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) - in op versnelling en maatschappelijk verantwoorde keuzes voor ontwikkeling en ruimtelijke inpassing van elektriciteits-, waterstof- en warmtenetten.

3.2.6 Nader uit te werken ▪

▪

▪

▪

▪

▪

▪

We werken een ruimtelijke hoofdstructuur uit voor een duurzaam, inclusief en digitaal ZuidHolland en maken deze leidend. Daarin definiëren we sleutellocaties, knooppunten, clusters, (tijdelijk) ruimtegebruik en cruciale netwerken voor een circulair Zuid-Holland. De hoofdstructuur biedt ruimte voor een circulaire, digitale en inclusieve economie; Voor de uitwerking van onze ruimtelijke hoofdstructuur circulair (focus op regionaal belangrijke elementen, netwerk en knooppunten) zijn heldere denkrichtingen van het Rijk en interdepartementale samenwerking daarop nodig. Gezondheid, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit wegen we sterker mee bij de afweging voor een ruimtelijke hoofdstructuur en voor de inrichting van onze netwerken. Hiervoor hebben gedeelde begrippen, definities en omgevingswaarden nodig; We zetten ruimte en netcapaciteit in principe prioritair in voor cruciale functies en circulaire activiteiten. De transformatie naar een circulair Zuid-Holland bewerkstelligen we waar mogelijke door beter benutten en beschermen van bestaande (milieu)ruimte.

Efficiëntiewinst benutten we voor toekomstbestendigheid en niet voor meer van hetzelfde (‘reboundeffecten’ voorkomen); We werken het begrip ‘toegevoegde (maatschappelijke) waarde’ verder uit en maken het steeds beter toepasbaar voor afwegingen en keuzes rondom ruimtelijke functies, investeringen in infrastructuur en economische activiteiten. We vragen gericht naar de bijdrage van ontwikkelingen en activiteiten aan brede welvaart en toekomstbestendigheid. Aangetoond zou moeten worden hoe een ontwikkeling bijdraagt aan duurzaamheid, energietransitie, welzijn, welbevinden en welvaart, veiligheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit, en tegelijkertijd aan de versterking van het Zuid-Hollandse economische ecosysteem. We hebben daarbij bijzonder oog voor de doelen van de Human Capital Agenda, door het opleiden en ontwikkelen van inwoners voor een betere match met de economie. Dit kan bijvoorbeeld door bij te dragen aan innovatiekracht, vergroening, circulariteit en digitalisering van de economie. Doel is een slimmer gebruik van ruimte, infrastructuur, water en energie. Ontwikkelingen en locaties worden daarom daarnaast afgewogen ten opzichte van de multimodale bereikbaarheid, de capaciteit van onze infrastructuur (weg, water en spoor), de bijdrage aan slim ruimtegebruik en de capaciteit van het energienetwerk; We faciliteren gericht op een economisch ecosysteem van de toekomst.

Dat betekent aandacht voor de hele keten en omgeving. Onze focus ligt dan ook op datgene wat deze ketens en omgevingen nodig hebben aan ruimte, logistieke stromen en netwerkcapaciteit; Netwerken, clusters en sleutellocaties (hubs/knooppunten) gaan we vormgeven met hoge ruimtelijke kwaliteit en extra aandacht voor gezondheid en veiligheid, door aandacht te besteden aan ontwerp, inrichting en locatiekeuze – en ook aan beheer en handhaving; Strategie en afspraken over slimme specialisatie van (complementaire) clusters in nationale en internationale context - met name binnen Noordwest-Europa: niet alles hoeft ruimtelijk in 27

Zuid-Holland te worden geaccommodeerd. Dat vraagt om systeemkeuzes voor energie en grondstoffen die we in samenspraak met buurprovincies, het Rijk en ook met onze buren in Noordwest-Europa moeten maken. Daarvoor zien we de noodzaak voor meer interdepartementale samenwerking op maatschappelijke opgaven en integrale keuzes met de regio en belangrijke sleutelspelers (zoals de haven van Rotterdam); ▪

Het doel om transitie naar een circulaire, digitale en inclusieve economie, die voorop loopt in de energietransitie, te versnellen vraagt om selectiviteit en efficiënte randvoorwaarden voor uitgifte en bescherming van specialistische bedrijventerrein en de benutting van de (milieu)ruimte in het logistiek-industriële systeem (met als referentie het beleid voor grote ruimtevragers).

4. Doorwerking voor de laag van de gebruiksfunctie: landbouw, en tuinbouw, wonen, werken en recreëren Zuid-Holland is een dichtbevolkte deltaprovincie, heeft een toonaangevende land- en tuinbouwsector, kent prachtige landschappen en prettige dorpen en sterke steden. Met een groeiende ruimtebehoefte voor wonen, werken, bijbehorende voorzieningen, natuur, land- en tuinbouw, energie en recreëren staat de inrichting van Zuid-Holland onder druk. Het woningtekort is nijpend, bereikbaarheid per openbaar vervoer van dorpen slinkt en sociale voorzieningen worden schaarser.

4.1 Land- en tuinbouw 4.1.1 Waar gaat het over? Binnen land- en tuinbouw valt akkerbouw, veeteelt, grondgebonden tuinbouw zoals de bollen- en boomteelt en de glastuinbouw. Zuid-Holland kent veel vruchtbare land- en tuinbouwgrond en heel innovatieve en duurzame glastuinbouw. Deze sector is de afgelopen decennia geïntensiveerd op steeds minder oppervlak (CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek, 2017). Om ruimte te bieden aan de noodzakelijke extensivering van de landbouw, willen we de ruimte voor landbouw beter beschermen tegen bebouwing. We brengen land- en tuinbouw en natuur beter in balans, door onder andere schadelijke uitstoot naar bodem, lucht en water terug te dringen.

4.1.2 Onze opgaven voor de landbouw en (glas)tuinbouw De opgave is om toe te werken naar een toekomstbestendige land- en tuinbouw, die duurzaam economisch rendabel is binnen de planetaire grenzen. Dit doen we door perspectief en ruimte te bieden voor de land- en tuinbouw in transitie. Deze vragen worden ook in het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied opgepakt.

4.1.3 Nader uit te werken ▪ ▪ ▪

▪

Toekomstperspectief voor de land- en geclusterde (glas)tuinbouw binnen heldere kaders voor water, bodem en natuur; We houden ruimte voor een toekomstbestendige landbouw, rekening houdend met de mogelijkheden van het watersysteem en de natuurdoelen; Samen met het rijk gaan we zowel financieel als planologisch instrumentarium verkennen voor dubbelgebruik van grond om te voldoen aan de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en het gebruik voor landbouw. We kiezen ervoor dat verdienmodellen op land- en tuinbouwgrond kunnen diversifiëren. Zowel windenergie, zonne-energie, natuurbeheer, dubbelgebruik en recreatie zijn kansen voor nieuwe verdienmodellen (CBS, Centraal Bureau voor de Statisitiek, 2020) (Jongeneel, 28

▪

2020). Kansen voor opwek van duurzame energie willen we daarbij benutten. Nieuwe verdienmodellen kunnen ook in hoogtechnologische oplossingen zitten, in meer biologische of natuurinclusieve productie of meer op natuur gerichte land- en tuinbouw; Tegenover een beperking van ruimte (door gemaakte afspraken neemt de ruimte af) voor, en opbrengst van, land- en tuinbouw staat een breder toekomstperspectief met nieuwe verdienmodellen en meer aandacht voor gemeenschappen, landschap en sociaaleconomische vitaliteit. Daarnaast stellen we een ondergrens voor open landschap met daarin landbouwgrond voor.

4.2 Wonen 4.2.1 Waar gaat het over Een woning is belangrijk, maar een huis is nog geen thuis. Brede welvaart, waaronder voorzieningen, gezondheid en klimaatbestendigheid zijn belangrijk, naast betaalbaarheid en passendheid van woningen, de bereikbaarheid en een economie waar inwoners een goed inkomen in kunnen verdienen. We hebben het hier over de integrale (woning)bouwopgave.

4.2.2 Onze opgaven voor wonen ▪ ▪

▪

▪

▪

▪

De bevolking groeit en vergrijst. Zuid-Holland realiseert tot en met 2030 235.460 extra woningen als door het Rijk invulling wordt gegeven aan de gestelde randvoorwaarden; Om dit te realiseren zullen nieuwe woningen zoveel mogelijk binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) gerealiseerd worden. De al vastgestelde 3 ha-locaties voor woonlocaties zijn in principe de maximaal beschikbare hectaren voor nieuwe uitleg, met uitzondering van de afspraken in het coalitieakkoord. Tegelijk wordt gewerkt aan het versterken van de leefbaarheid en vitaliteit in (naoorlogse) wijken, groeikernen en dorpen. Er zijn al voldoende plekken voor de woningbouwaantallen tot en met 2030; Woningbouw wordt gebruikt als katalysator voor maatschappelijke opgaven zoals leefbaarheid, klimaatbestendigheid, gezondheid en veiligheid van de bestaande steden en dorpen; Groeikernen en naoorlogse wijken hebben een vitaliteits- en leefbaarheidsopgave. Er is inzet nodig voor deze gebieden met een vaker lagere sociaaleconomische status. Sociale en ruimtelijke opgaven stapelen zich hier op (KAW, 2020). In deze gebieden liggen grote kansen om te intensiveren en zo de kwaliteit te verbeteren.

Dat geldt voor wonen, werken, recreatie en voorzieningen; De bestaande woningvoorraad moet worden aangepast met het oog op betaalbaarheid, vergrijzing, en met meer aandacht voor bereikbaarheid en beweegvriendelijkheid, flora en fauna, klimaatbestendigheid (zoals hittestress) en de transitie naar klimaatneutraliteit bij alle sectoren. Het gaat niet alleen om voldoende woningen maar ook om de juiste woningen in het licht van de demografische ontwikkeling en Rijksopgaven.

4.2.3 Nader uit te werken ▪

We intensiveren steden en dorpen in heel Zuid-Holland; dat doen we niet alleen via nieuwbouw maar ook met transformatie van het bestaand bebouwde gebied. Optoppen, aanplakken en uitplinten kan een impuls geven aan de wijk of de kern. Andere mogelijkheden

29

▪

▪

▪

▪ ▪ ▪ ▪

zijn splitsing, functiemening en transformatie. De verwachting is dat hiermee nog tienduizenden woningen extra gerealiseerd kunnen worden; Nieuwe kwantitatieve en kwalitatieve opgaven voor wonen en werken worden gerealiseerd binnen de beschikbare ruimte, inclusief de bestaande en nieuwe plannen voor de 3halocaties (nieuw op te nemen alleen Sliedrecht-Noord en Gnephoek); De ontwikkeling van nieuwe woningen (aanvullend op de afgesproken woningbouwplannen) vindt plaats binnen de bestaande en gereserveerde ruimte voor woningbouw en met een variëteit aan woningtypen, zoals 0-tredenwoningen, studentenwoningen, hofjes en gezinswoningen die op een toekomstbestendige wijze worden gebouwd; We sluiten aan bij de landelijke afspraken dat twee derde van de nieuwe huizen betaalbaar moet zijn. 40% van de nieuwbouwwoningen moet op regioschaal sociaal zijn. Met name gemeenten die achterlopen in het toegroeien naar 30% sociale woningbouw in de bestaande voorraad spelen hier een grotere rol; Toekomstbestendig bouwen is het uitgangspunt en noodzakelijk. Daarin komen onder andere circulair, biobased, natuurinclusief, klimaatadaptief, gezond en energieneutraal samen.

Gezondheid, veiligheid, klimaatbestendigheid, groen en recreatie zijn randvoorwaarden voor verdere intensivering van bestaande kernen en steden; We maken de risico’s van overstroming, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid sturend bij locatiekeuze en inrichting van woningbouw; In kleine kernen willen we de zelfstandige en verbonden vitaliteit verbeteren of behouden, en dus een passende woningbouwopgave voor met name jongeren en ouderen. Dit dient wel te passen binnen water en bodem sturend. Dit wordt meegenomen in de verdere uitwerking van de optie ‘straatje erbij’.

4.3 Leefomgeving 4.3.1 Waar gaat het over De fysieke leefomgeving gaat over groen in en om de stad, milieuaspecten zoals luchtkwaliteit, gezondheid, (maatschappelijke) voorzieningen, algemene natuur en het toekomstbestendig inrichten van bedrijventerreinen.

4.3.2 Onze opgaven voor de leefomgeving ▪ ▪ ▪ ▪

Met de nieuwbouwopgave wordt ook ingezet om werkplekken, groen, water en voorzieningen mee te laten groeien, ook in relatie tot de intensivering van de steden; Gezonde en veilige inrichting van de leefomgeving door beweging en sport mogelijk te maken, binnen steden en dorpen maar ook via recreatieroutes daarbuiten; Een schone, veilige en gezonde leefomgeving voor de inwoners; Ook algemene soorten nemen af. Dit geldt niet alleen voor natuurgebieden, maar zeker ook in stedelijke en landbouwgebieden, de opgave is om dit tij te keren.

4.3.3 Nader uit te werken ▪

▪

We vragen het Rijk om middelen voor groen in en om de stad. Dat betekent middelen en instrumentarium om te werken aan een gezonde groene leefomgeving waar inwoners kunnen sporten en bewegen; In en rondom steden en dorpen ligt de opgave om meer groen in en om de bebouwing te creëren ten behoeve van klimaatadaptatie, natuurherstel en biodiversiteit, 30

▪

▪ ▪

▪

recreatiebehoefte, planten en dieren en gezondheid. We werken de gedachte van het Landschapspark Zuidvleugel verder uit als dragende structuur en benadering van de groenblauwe dooradering om bebouwd gebied en het landschap met elkaar te verbinden. Daarnaast moet er ook meer groene ruimte in de steden worden toegevoegd; We kiezen voor een brede kijk op gezondheid en gebruiken daarvoor het gedachtengoed van positieve gezondheid als leidraad voor een gezondere leefomgeving. We zetten dus in op het verkleinen van gezondheidsverschillen door bij de inrichting van de leefomgeving gezond gedrag mogelijk te maken. We beschermen inwoners tegen negatieve invloeden en verminderen deze waar mogelijk, zoals luchtvervuiling, bodemverontreiniging, veiligheidsrisico’s, geluidsoverlast, nestgeluid, wateroverlast en hittestress; Het toekomstbestendig inrichten van bedrijventerreinen, met bijvoorbeeld meer functiemenging, meer water en groen en minder verharding; We onderzoeken hoe we een integrale en gezamenlijke aanpak uit te werken valt, gericht op het realiseren van een gezonde leefomgeving, bijdraagt aan de ervaren gezondheid van onze inwoners, gezondheidsverschillen verkleinen en zorgkosten reduceren. (Rijks)programma’s in het fysieke domein en het sociale domein kunnen hiertoe worden gebundeld in een ZuidHollands gezondheidsprogramma.

We zetten in op het mixen van wonen, werken en voorzieningen waar kan, en scheiden daar waar het echt moet. We verkennen hoe we meer werkgelegenheid in dominante woongebieden kunnen realiseren.

4.4 Werken 4.4.1 Waar gaat het over? Hier hebben we het over (gemengde) bedrijventerreinen, (maak)industrieterreinen, kantoorlocaties, campussen (waaronder onderwijsinstellingen), detailhandelslocaties en tuinbouwgebieden (greenports). In het bijzonder gaan we in op watergebonden bedrijventerreinen en bedrijventerreinen met een hoge milieucategorie (HMC). De haven, de maritieme maakindustrie en agrologistiek vallen binnen de netwerklaag.

4.4.2 Onze opgaven voor werken De opgave is om ruimte op werklocaties beter te benutten, zodat we uitleg van werklocaties tot de vastgestelde 900 ha beperken en zo optimaal mogelijk gebruik maken van de ruimte. De al vastgestelde 3 ha-locaties voor werklocaties zijn in principe de maximaal beschikbare hectaren voor nieuwe uitleg en bieden dus ruimte voor de transitie-opgaven. Het is van belang dat de ruimte voor bedrijvigheid die niet te mengen is, beschermd wordt. Waar mogelijk passen we meervoudig ruimtegebruik en functiemenging toe. Zowel op locaties die dominant werken als wonen zijn. Voor dit laatste bedoelen we het mengen van bedrijven met een lage milieucategorie met woningbouw en waar mogelijk natuur en recreatie. De (nieuwe) ruimtevraag voor werklocaties richt zich op dit moment op bedrijventerreinen: van gemengd stedelijk, tot bedrijven met een hoge milieucategorie (HMC) en watergebonden terreinen. De bandbreedte van de totale ruimtevraag in Zuid-Holland in de periode 2021 tot en met 2030 is 392 tot 783 ha bedrijventerrein. Er is in provinciaal beleid nog 900 ha benoemd voor toekomstige bedrijventerreinen waarvan de inrichting nog (grotendeels) moet starten. Een deel van de huidige en toekomstige behoefte ligt vast in nieuwe plannen.

Gezien de waarschijnlijk grote vraag naar (tijdelijke) ruimte vanuit de transitieopgaven circulair en energie is aandacht nodig voor strategische transitieruimte binnen deze functie. De vraagstukken voor na 2030 moeten we nu al nader verkennen. 31

4.4.3 Nader uit te werken ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪

▪ ▪

▪ ▪

▪

▪

▪

Werklocaties, waaronder HMC en watergebonden bedrijvigheid beter benutten, (betaalbaar) behouden, beschermen en toekomstbestendig maken; Betaalbare bedrijfsruimte voor de verzorgende economie en het MKB; Nagaan of voor circulaire economie specifiek beleid nodig is, als onderdeel van de ruimtelijk-economische visie. Verkennen welke (tijdelijke) transitieruimte nodig is binnen deze functie en hoe we strategisch daarop kunnen anticiperen; Nagaan of er voor kennisclusters en campussen meer instrumentarium is voor doorontwikkeling; Als de reeds afgesproken extra ruimte aan bedrijventerreinen is benut, ontwikkelen bedrijventerreinen zich binnen de ruimte die daarvoor is gereserveerd; Bedrijven met lage milieucategorieën mogen niet meer op een (nieuw) bedrijventerrein gevestigd zijn met een hogere milieucategorie. Onze inzet is om hoge milieucategoriebedrijven en watergebonden bedrijven op de daarvoor bestemde plekken te concentreren; Voor bedrijventerreinen met een hogere milieucategorie is de voorwaarde dat concentratie en verplaatsingen geen negatieve invloed mogen hebben op de milieucategorie (van bijvoorbeeld woningbouw ontwikkeling).

Voor watergebonden bedrijventerreinen is de voorwaarde dat er geen negatieve invloed mag zijn op het (mogelijke) gebruik voor (nieuwe) watergebonden bedrijven; Gebruik van huidige milieuruimte op bedrijventerreinen optimaliseren met meer aandacht voor gezondheid. Nog meer inzetten op beste beschikbare technologieën; We werken aan een drietal nieuwe instrumenten voor bedrijventerreinen: a) een extra beschermingsmaatregel voor te behouden bedrijventerreinen, b) minimale milieucategorieën, c) functiemenging (rekening houden met functiemenging in plannen voor wonen en werken) blijven we inzetten en bouwen we zo nodig uit en d) verkennen om sturing op clustering van bedrijven mogelijk te maken, naar voorbeeld van campusontwikkeling (zoals op Leiden Bio Science Park); Het beter benutten van die terreinen vraagt onder andere om verplaatsing van bedrijven en vooral ook het weren van andere functies waarvoor deze locaties niet bestemd zijn. Het verplaatsen van bedrijven en andere voorzieningen is kostbaar, maar berekeningen laten zien dat we substantiële ruimtewinst kunnen boeken. Hiervoor vragen wij een verplaatsingsfonds voor bedrijven en andere voorzieningen. We willen ook inspelen op autonomie verhuizingen en verplaatsingen; We vragen het Rijk om een ruimtelijk-economische visie met duidelijke uitspraken en structurerende nationale keuzes.

Die willen we afstemmen met de Zuid-Hollandse ruimtelijk-economische visie. Als het Rijk hier te lang over doet, gaan we onze visie toch maken; We blijven ons inzetten opdat kantoren op hoogstedelijke, goed bereikbare plekken in de centra staan. Het bestaand beleid om overcapaciteit te hebben aan kantoren (dus leegstand) gaan we heroverwegen; We stimuleren meervoudig ruimtegebruik op bedrijventerreinen en zoeken meer ruimte voor werken in lage milieucategorieën op ontwikkellocaties en in bestaand bebouwd gebied.

32

▪ ▪

▪

We kiezen voor strategisch grondbeleid, selectiviteit gericht op transities en soms branchering bij uitgifte van bedrijventerreinen; Distributiecentra en logistiek clusteren we zoveel mogelijk op bestaande locaties. Voor grote ruimtevragers hebben we beleid ontwikkeld voor clustering, energiebehoefte en ruimtebeslag; Wat betreft tuinbouwgebieden (greenports) zetten we tot en met 2030 in op behoud van het bruto areaal. Binnen het beschikbaar areaal dient de (door)ontwikkeling naar duurzamer, circulair en meer groen en blauw plaats te krijgen. Transformatie van glastuinbouw dient het ecosysteem van de greenport te versterken om aan deze afspraak invulling te geven. Daarbij kan gedacht worden aan andere functies die greenports versterken, zoals afnemers van warmte, huisvesting van werknemers of toevoeging van (zoet)waterberging.

4.5 Recreatie, toerisme en sport 4.5.1 Waar hebben we het over? Zuid-Holland heeft aantrekkelijke landschappen, mooie routes en toeristische attracties. Van boerenlandpaden en recreatieve fietsroutes, de kust en duinen, ommetjes in de buurt en zwemlocaties tot en met toeristische topattracties zoals Kinderdijk en de oud-Hollandse binnensteden.

4.5.2 Onze opgaven voor recreatie, toerisme en sport De opgave is om bij een groter wordende bevolking, meer vrije tijd en de groter wordende groep bezoekers van buiten Zuid-Holland het recreatief gebruik en toerisme in balans te houden met de omgeving. Veel landschap, met name aan stadsranden en overgangen is ook nog weinig beleefbaar, de opgave is om hier meer recreatie mogelijk te maken. Daar zouden met een nieuwe impuls toevoegingen gedaan kunnen worden. De financiële opgave bij beheerders van bestemmingen ligt vooral in de uitdaging voor beheer en onderhoud.

4.5.3 Nader uit te werken ▪

▪ ▪

We stimuleren het recreëren in de buitenlucht, dichtbij huis en voor iedereen. De mogelijkheden daarvoor breiden we uit en houden we op peil, afgestemd op een toenemend aantal inwoners. Dat heeft met differentiatie van gebieden en de inrichting te maken. Ook spreiding in de tijd kan hierbij helpen. Dit doen we ook door onder andere bestemmingen met (potentiële) overdruk stressbestendiger te maken. En met passende functiemenging; Nagaan hoe we duurzame recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied laten toenemen. De provincie kan zo ook bijdragen aan brede welvaart; We zetten in op toerisme, recreatie en sport in balans met de omgeving. Het is enerzijds een middel om bij te dragen aan provinciale opgaven. Anderzijds is het een middel voor een goede kwaliteit van leven. We willen toerisme in balans laten zijn met de omgeving, waarbij toerisme zorgt voor versterking van lokale waarden en lokale voorzieningen, het herstellen en versterken van de natuurlijke omgeving en meerwaarde biedt voor inwoners. De openbaar en gratis toegankelijke mogelijkheden voor sport en recreatie zijn een belangrijke bijdrage aan een gezonde leefstijl. We stimuleren duurzaam toerisme.

5. Doorwerking in de gebiedsprocessen NOVEX en ZH-PLG Een integrale aanpak is noodzakelijk om transities gezamenlijk vorm te geven. De koers die wij in dit Ruimtelijk Voorstel neerleggen, is een bouwsteen voor onze provinciale inzet voor samenwerking met onze partners. 33

De provincie is divers in zowel bodemsoort, ecosystemen, watersysteem als landgebruik. We werken daarom als Zuid-Holland aan oplossingen per gebied. In de aanpak onderscheiden we het kust- en duingebied, het veenweidegebied, de delta, het stedelijk gebied en het havengebied. Per gebied verschillen de opgaven. De eerste drie gebieden vallen samen met de kerngebieden uit het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG). Daar ligt de focus op de opgaven rondom bodem, water, natuur, klimaat en land- en tuinbouw. Met het voorontwerp ZH-PLG hebben we een eerste stap gezet in het gezamenlijke kader waarbinnen wij met gemeenten, waterschappen en andere stakeholders concrete stappen zetten richting doelbereik op het gebied van natuur, water en klimaat. In elk kerngebied werken deelgebieden nu richting startbeslissingen en uitwerking in concrete gebiedsagenda’s. Zuid-Holland heeft vier NOVEX-gebieden waarin het direct samenwerkt met het Rijk en regionale partners aan gezamenlijke ontwikkelperspectieven en programmering van uitvoeringsafspraken per gebied. Deze gebieden zijn van groot nationaal en regionaal belang. Hier stapelen ruimtelijke opgaven zich op elkaar en schuren verschillende toekomstbeelden voor de gebieden (deels) met elkaar. De gebieden zijn het Groene Hart, Haven Rotterdams en de Zuidelijke Randstad langs de ‘Oude Lijn’.

Daarnaast is de provincie indirect betrokken bij het NOVEX-gebied Schiphol, vanwege het effect op de Zuid-Hollandse leefomgeving. De ontwikkelperspectieven verkennen de ruimtelijke invulling van diverse opgaven, de dilemma’s en keuzemogelijkheden voor de (middel)lange termijn van 2030-2050. De processen van de verschillende NOVEX-gebieden hebben hun eigen dynamiek en snelheid. Daarom verschillen de uitwerkingen van de NOVEX-gebieden. De in ontwikkeling zijnde ontwikkelperspectieven vormen belangrijke input voor dit Ruimtelijk Voorstel van de provincie. En dit Ruimtelijk Voorstel zien wij als kader voor de verdere uitwerking van de ontwikkelperspectieven. De verschillende ontwikkelperspectieven van de NOVEX-gebieden tellen niet automatisch op naar een integrale visie voor Zuid-Holland in lijn met onze nieuwe koers voor een Toekomstbestendig Zuid-Holland. Daarbij kunnen ook tussen de NOVEX-gebieden onderling schuurpunten ontstaan, zoals tussen woningbouw in of nabij de haven versus meer (geluids)ruimte voor de haven. Integrale afweging over de ruimtelijke ordening in Zuid-Holland loopt via het proces van het Ruimtelijk Voorstel.

5.1 NOVEX-gebied Haven Rotterdam Het ontwikkelperspectief NOVEX-gebied Haven Rotterdams is nog volop in beweging en verschillende denkrichtingen worden nog onderzocht. De uitdaging is om de transitie van het Rotterdamse Haven Industrieel Complex: • •

een motor te laten zijn voor een groene economie met regionale, nationale en internationale betekenis; een gezonde en veilige transitie te laten zijn en hand in hand te laten gaan met versterking van de kwaliteit van de leefomgeving en de kwaliteit van wonen.

Er zijn vijf ontwikkelrichtingen opgesteld die samen pijlers van het ontwikkelperspectief vormen: schone haven in de delta, duurzame hubfunctie, groene chemiehaven, circulaire maakhaven en haven in de metropool. Niet alles kan tegelijk dus is een afweging tussen ruimtevragende ontwikkelingen (fysiek en milieu) nodig. Met deze ontwikkelrichtingen zetten we in op realisatie

34

van de energie-, grondstoffen- en materialentransitie (circulair) in goede balans met leefomgeving en wonen. Binnen dit NOVEX-gebied komen dilemma’s op tafel, ook in relatie tot de koers in dit ruimtelijke voorstel. Daarbij wijzen ontwikkelrichtingen in NOVEX-gebied Haven Rotterdam (a) voor verschillende thema’s en (b) voor verschillende deelgebieden in en rond de haven en voor het achterland verschillende richtingen uit. Het ontwikkelperspectief wordt een strategische gespreksagenda met een kiem voor keuzes op die punten. Onderstaande vier dilemma's geven voeding aan de provinciale koers in het gebied. Deze vormen geen vast gegeven en zijn in beweging. 1. Fysieke ruimtevraag van transities in de haven: De koers dat, na maximale benutting van bestaande en beleidsmatige ruimte, bedrijventerreinen het doen met de ruimte die er is, kan spanning met de transitieopgaven opleveren. Prioriteren van ruimte in de haven voor specifieke ontwikkelingen zoals energietransitie zou een mogelijkheid kunnen zijn. Ook is de vraag of opnieuw zeewaartse uitbreiding onderzocht zou moeten worden. Een mogelijkheid is prioritering van de ruimtevraag waarbij ruimte voor transities bijvoorbeeld voor ruimte voor logistiek en distributie zou kunnen gaan. Vraag aan het Rijk is om voor de havens en industriële clusters in Nederland en samen met de regio tot samenhangend perspectief en keuzes te komen. 2.

Veiligheid in relatie tot energietransitie: Het aantal typen grond-/brandstoffen neemt toe als gevolg van de energie- en materialentransitie. Een deel hiervan is potentieel minder veilig dan wat er nu door de haven stroomt. Prioritering van gezondheid en veiligheid van de leefomgeving kan betekenen dat vanuit randvoorwaarden scherpere keuzes gemaakt worden. Daarbij speelt hier mogelijk ook stikstofuitstoot bij verwerking van ammoniak en de fysieke ruimtevraag een rol. 3. Wonen nabij de haven en langs achterlandverbindingen: Vanuit de haven en industrie ligt er druk op de leefomgevingskwaliteit rondom de haven. Dit geldt ook voor wonen langs achterlandverbindingen, zoals in Dordrecht. Woningbouw is belangrijk voor een sterke haven in de metropool. Tegelijkertijd is (mogelijk tijdelijke) extra milieuruimte nodig voor de transities met mogelijke impact op omgevingskwaliteit voor omwonenden. Ook leggen woningbouw en bedrijfsleven deels op dezelfde gebieden ruimteclaims in en rondom de haven. Voor een goede leefomgevingskwaliteit is een hoog ambitieniveau bij realisatie en inpassing van energieprojecten en energie-infrastructuur nodig. 4. Haven in de delta: Op de lange termijn kan klimaatverandering met zeespiegelstijging, veranderingen in rivierwaterafvoer en zoetwatervoorziening grote impact hebben op de haven en industrie, en daarmee op realisatie van de transitie van de haven.

Deze veranderingen kunnen een risico vormen voor het functioneren van de haven, maar ook worden gezien als kans om in de transitie werk met werk te maken. Ook natuursystemen rondom de haven staan daarbij onder druk. Er is nog veel onzeker. Tot 2070 geeft het deltaprogramma aan met het huidige watersysteem voor veiligheid en zoet water nog vooruit te kunnen, maar bedrijven in het havengebied zullen rekening moeten houden met toenemende verzilting en zoetwatertekorten. Deze tijdshorizon ligt niet vast en wordt bijgesteld op basis van nieuwe cijfers ten aanzien van klimaat en zeespiegelstijging. Door de grote ruimtevraag van de transities is zeewaartse uitbreiding op de agenda gezet door sommige partijen. Het is een dilemma in hoeverre de lange termijn onzekerheden een rol gaan spelen bij keuzes in de transities nu en hoe zij kunnen bijdragen aan de toekomstige brede welvaart.

35

5.2 NOVEX-gebied Groene Hart Een belangrijke opgave in het veenweidegebied is het remmen van de bodemdaling onder andere in verband met vermindering van de CO2-uitstoot en het beperken van verzakkingsschade door bodemdaling. Verhogen van het waterpeil is één van de beoogde mogelijke maatregelen. Dit beperkt nieuwe woningbouw, industriële activiteiten, grootschalige infrastructuur en landbouw in de huidige vorm. Als de bodemdaling doorgaat leidt dat ook tot beperkingen. Er ontstaan ook nieuwe perspectieven, zoals voor toerisme en recreatie en voor landbouw. Ook zal landbouw meer samengaan met water, natuur en biodiversiteit. Om deze landbouwgronden toekomstbestendig te houden zijn op veel locaties nu al aanpassingen nodig om met de beperkte zoetwaterbeschikbaarheid een goede opbrengst te realiseren. Binnen de opgave van het Groene Hart bestaan de volgende dilemma's: ▪

Verhogen grondwaterpeil beperkt waterbergingscapaciteit, heeft (tijdelijke) invloed op de waterkwaliteit en vergroot de watervraag. Dit vraagt om maatwerk en bovenregionale afstemming over beschikbaarheid van zoetwater;

▪

Verhogen grondwaterpeil kan gevolgen hebben voor het huidige (agrarische) gebruik.

▪

Toename watervraag en verhogen grondwaterpeil vereist extra aanvoer van zoetwater van buiten het Groene Hart. Dit kan leiden tot zoetwatertekort in andere delen van de provincie en aandachtspunten door gebiedsvreemd water;

▪

Hoe komen we aan voldoende zoetwater en hoe verdelen we dat bij schaarste?

▪

Ruimte vinden voor voorraadwaterberging en piekwaterberging;

▪

Het verhogen van het waterpeil leidt tot de uitspoeling van fosfaten en het (voor de korte termijn) verslechteren van de waterkwaliteit;

▪

Transitie van de land- en tuinbouw kan hand in hand met de verdienmodellen van agrariërs, maar dat is een uitdaging;

▪

10% groenblauwe dooradering vraagt ruimte;

▪

De ontwikkeling van nieuwe woningen en bedrijventerreinen kan niet op traditionele wijze met het oog op water en bodem sturend.

5.3 NOVEX-gebied Zuidelijke Randstad NOVEX-gebied Zuidelijke Randstad betreft een vervolg op het Verstedelijkingsakkoord. De opgave die we voor dit NOVEX-gebied hebben is ‘toekomstbestendige verstedelijking langs de Oude Lijn’. Dit betreft de verstedelijkingsopgave in combinatie met bereikbaarheid (MoVe), aangevuld met opgaven vanuit klimaat, energie, groen in en om de stad (GIOS) en economie. De opgave gaat uit van de bestaande strategie van geconcentreerde verstedelijking langs de Oude Lijn LeidenDordrecht en het Hoogwaardig Openbaar Vervoersysteem (HOV). De BO-MIRT besluiten uit 2022 zorgen voor verbeteringen die hand-in-hand gaan met de afgesproken realisatie van woningbouw en werklocaties. Ook is de verstedelijkingsstrategie Zuid-Holland hierbij relevant. Het NOVEXgebied Zuidelijke Randstad richt zich daarbij niet zozeer op de realisatie zelf, wel op het maken

36

van afspraken over de randvoorwaarden die hiervoor nodig zijn, in aanvulling op de Regionale Realisatie-agenda’s (RRA’s). Bij toekomstbestendige verstedelijking gaat het om meer dan alleen het toevoegen van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen. Het gaat vooral om ‘goede groei’: groeien niet als doel op zich, maar groeien om een kwaliteitssprong te maken, zonder de kwantiteit van de opgave uit het oog te verliezen. Dus ook verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving en bijdragen aan welzijn, duurzaamheid en klimaatadaptatie. De ambitie voor het NOVEX-gebied Zuidelijke Randstad is dan ook dat de verstedelijkingsopgave bijdraagt aan een toekomstbestendige, innovatieve en economisch krachtige metropool, waar het veilig, aantrekkelijk en gezond leven is, en waar wordt bijgedragen aan de kansen voor inwoners. Dilemma’s binnen dit NOVEX-gebied zijn dat er ruimte nodig is voor energie-infrastructuur en drinkwater. Op deze locaties is ruimte daarvoor het meest schaars. Daarnaast is het financieringsmodel een dilemma, kwantiteit is nodig voor kwaliteit om bekostiging binnen te halen. Centraal in de ambitie staat dat de mensen in de Zuidelijke Randstad gelukkig en gezond zijn. Economische winst en groei zijn niet meer leidend; de winst zit in het duurzaam, circulair en fossielvrij maken van het economisch systeem.

De fundamenten van het bestaan (water en bodem, voorzieningen voor primaire levensbehoeften, zoals voldoende drinkwater) worden versterkt en zijn uitgangspunt voor elke ontwikkeling. Afstemming met het NOVEX-gebied Haven Rotterdam is belangrijk. In het proces van dit NOVEX-gebied willen we afspraken maken met het Rijk over randvoorwaarden die nodig zijn voor het realiseren van de verstedelijkingsopgave.

5.4 NOVEX-gebied Schiphol Voor regio Schiphol geldt dat er urgentie bestaat voor verschillende ruimtelijke opgaven, zoals woningbouw en infrastructuur. Deze opgaven hebben gemeen dat ze de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. En dat in een omgeving waar maar beperkt ruimte is en waar er vanuit veiligheid en geluid beperkingen zijn gesteld aan het bouwen van woningen in de buurt van een luchthaven. Het is waarschijnlijk dat door de Omgevingswet regels rondom cumulatief geluid van luchtvaart strenger worden. Het doel is om de kwaliteit van de leefomgeving van de regio Schiphol te verbeteren, zodat er een betere balans ontstaat tussen de luchthaven en het beschermen en bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving. De komende jaren (2023-2035) zal het Rijk met organisaties voor luchtverkeersleiding een nieuwe indeling maken van het luchtruim. De aanvliegroutes naar Schiphol kunnen veranderen en vliegtuigen zullen later dalen via een continu daalprofiel. Voor de omgeving van de luchthaven is het luchtruim ontwerpgebied relevant dat ligt tussen de vaste naderingspunten (45 kilometer) en het punt waar een toestel recht voor de landingsbaan is opgelijnd (15 kilometer). Vanaf nu tot 2025 zullen nieuwe routes worden ontworpen. Hiervoor zullen in samenwerking met provincies nieuwe gebiedsadviezen worden opgesteld.

Deze worden mede gebaseerd op de prioriteiten die provincies aangeven in ruimtelijke ontwikkelingen. In de concept uitvoeringsagenda wordt een aantal opgaven benoemd, met een aantal dilemma’s die voor Zuid-Holland van nader belang zijn om prominent en zichtbaar ter tafel te blijven brengen. 37

Binnen Zuid-Holland zijn de volgende dilemma’s zeer prominent: ▪ ▪ ▪ ▪

Geluidbelasting en beperking versus eerlijke verdeling mitigerende maatregelen; Geluidbelasting en kritische succesfactoren woningbouwopgave Zuid-Holland; Geluidbelasting versus een gezonde leefomgeving; Ontwikkeling van nieuwe luchtvaart in het lagere luchtruim en nieuwe luchthavens (vertiports) binnen – en nabij bebouwde omgevingen.

5.5 ZH-PLG Kerngebied Zuid-Hollandse Delta In de Zuid-Hollandse Delta komt vooral het jonge zeekleilandschap voor, wat is ontstaan door zee-overstromingen. De landbouwbedrijven op de eilanden in de Zuid-Hollandse Delta zijn koploper op het gebied van duurzame, innovatieve landbouw. Het is gewenst om voedselproductie met oog voor bodem, biodiversiteit en omgeving op lange termijn op niveau te houden. De opgaven op het gebied van natuur, water, klimaat, land- en tuinbouw die in dit gebied spelen, zijn beschreven in het toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied. De opgaven zijn groot, maar de Delta biedt ook veel kansen voor het realiseren van natuurdoelen, waterkwaliteit en duurzame landbouw. Aandachtspunten voor de Delta in de Ruimtelijke Puzzel betreffen de toenemende verzilting en de afnemende beschikbaarheid van zoetwater om verzilting te bestrijden (concurreert met verhogen waterpeil in de veenweiden, toevoer naar bollenstreek en toenemende zoetwatervraag voor woningbouw, industrie en energie (waterstof). De nabijheid van het Haven Industrieel Complex die ruimte vraagt voor het realiseren van hun grote transitieopgave op het gebied van energie en grondstoffen, vraagt nadere uitwerking in het NOVEX-gebied Haven Rotterdam.

5.6 ZH-PLG Kerngebied Kust en Duinen Het Kust- en Duinengebied bestaat uit een duin-, strandwallen- en strandvlaktenlandschap en landgoederen. Het strandwallen- en strandvlaktenlandschap werd van ongeveer 5000 tot 3000 jaar geleden gevormd. Daarmee is dit het oudste landschap van Zuid-Holland. In Kust en Duinen bevinden zich twee van de zes nationale greenports: West-Holland en de Duin- en Bollenstreek. De greenports in Zuid-Holland hebben een toegevoegde waarde en werkgelegenheid die vergelijkbaar is met de mainports Rotterdam en Schiphol. De landgoederen, stranden en duinen dragen bij aan de landschappelijke en recreatieve waarde van hun omgeving. Een vrije ligging en zichtassen zijn daarbij belangrijk. Voor bescherming van de relatie tussen het landgoed en de omgeving van het landgoed zijn door de provincie zogenaamde landgoedbiotopen vastgesteld. Het kust- en duinengebied bevat veel kwetsbare natuur en kent in het hele gebied een hoge druk op biodiversiteit en waterkwaliteit, die vooral ontstaat vanuit het intensieve agrarische gebruik (bollenteelt), de glastuinbouw (Westland) en toenemende verstedelijking in combinatie met toenemend recreatief gebruik van het gebied (Den Haag). Met maatwerk wordt binnen en met dit gebied gezocht naar oplossingen voor deze drukfactoren.

5.7 ZH-PLG Kerngebied Veenweiden Het veenweidelandschap is karakteristiek voor Zuid-Holland: lange (smalle) stroken, van elkaar gescheiden door afwateringssloten, met de boerderij op de kop van de kavel. De stroken liggen evenwijdig aan elkaar of vormen een waaier, als ze uitgezet zijn vanaf een kronkelende rivieroever. Het gebied herbergt vijf Natura 2000-gebieden met een grote natuuropgave. Een groot deel van de emissie uit onze veenbodems, circa 60% procent, vindt plaats in de twee veenweidedeelgebieden Alblasserwaard en Krimpenerwaard. 38

In het NOVEX-gebied Groene Hart gaat de aandacht vooral naar het stoppen van CO2-uitstoot ten gevolge van veenoxidatie en het voorkomen van schade door bodemdaling en de beperkingen die dit oplevert voor nieuwe woningbouw, industriële activiteiten, grootschalige infrastructuur en landbouw in het gebied. In het kader van het ZH-PLG staat vooral de samenwerking rondom natuurdoelen, verbeteren van waterkwaliteit en een duurzame toekomst voor de agrarische sector centraal. Inzet in het toetsbaar voorontwerp is onder andere het agrarisch natuur- en landschapsbeheer door te ontwikkelen, het breder open te stellen, de vergoedingen te verhogen en over langere tijd zeker te stellen, zodat veel natuur- en milieuwinst op de agrarische bedrijven geboekt kan worden. Aandachtspunt voor de Ruimtelijke Puzzel betreft het verhogen of hoog houden van de grondwaterstand in het gebied. Dit stelt extra eisen aan het waterbeheer en -systeem en de beschikbaarheid van extra zoetwater. Bovendien vermindert dit de weerbaarheid van het gebied tegen wateroverlast.

6.Integraal Ruimtelijk Voorstel 6.1 Koers naar een Toekomstbestendig Zuid-Holland 2050 Kern van dit Ruimtelijk Voorstel is dat wij een nieuwe weg inslaan in ons (ruimtelijk) beleid en verdere afwegingen die we daarin te maken hebben. Deze nieuwe koers is gebaseerd op twee fundamentele veranderingen. Ten eerste stellen we brede welvaart centraal. Ten tweede stellen we kwaliteit boven kwantiteit, waarbij water en bodem sturend nog meer als randvoorwaarde wordt gehanteerd. Onze nieuwe koers is onze hoofdlijn naar een toekomstbestendig Zuid-Holland 2050. Een toekomstbestendig Zuid-Holland is uiteindelijk fossielvrij, klimaatadaptief, circulair, biodivers, veilig, beweegvriendelijk en gezond met een florerende economie binnen sociaalmaatschappelijke en ecologische grenzen. Onze nieuwe koers: ▪

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1589/documents/20645