CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2.pdf

Raadscommissie 14 april 2022, gemeente HillegomBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan 'Goed Wonen fase 2, Hillegom'33.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Tegelijkertijd met de omgevingsvisie is het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2018-2022 vastgesteld waarin de verschillende acties staan beschreven. De impact van deze ontwikkelingen op de uitstraling van de leefomgeving en belevingswaarde van bewoners zal altijd moeten worden meegenomen in de afwegingen. Met de Omgevingsvisie als kompas, wil de gemeente samen met inwoners en ondernemers ook doelen bereiken op het gebied van duurzaamheid (‘people, planet en profit’). Initiatieven moeten niet alleen bijdragen aan de kernkwaliteit van het deelgebied, maar ook aan een duurzame toekomst voor Hillegom en omgeving, op basis van het afwegingskader behorende bij de Omgevingsvisie.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

29

Regionaal Energieakkoord 2017 Binnen de regio Holland Rijnland hebben gemeenten hun ambities en doelstellingen rondom klimaat/energie uitgesproken. De regionale ambitie is om in 2050 een energie neutrale regio te zijn en daarmee bij te dragen aan de nationale en internationale doelstellingen op het gebied van klimaat en energie. Het streven is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. Dit gaat verder dan de toekomstige wettelijke wijziging van nieuwbouw (Vanaf 1 januari 2020 moeten alle woning en utiliteitsplannen voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG)). Tevens is afgesproken nieuwbouw niet meer aan te sluiten op het gas, aangezien het aardgas eindig is. Ook wordt energie neutrale bouw gestimuleerd. In navolging van deze ambitie is het advies aan gemeenten en initiatiefnemers daarom om nieuwbouwprojecten die gepland staan zonder gasaansluiting te realiseren. Aardgasloos Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de aardgasaansluitplicht voor nieuwbouw vervalt. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2018 projectontwikkelaars, aannemers en gemeenten rekening moeten houden met het feit dat nieuw te bouwen bouwwerken niet meer mogen worden aangesloten op het gasnet.

Een uitzondering op aardgasloos bouwen is mogelijk, maar is aan voorwaarden onderhevig. (Aanzet) Lokale Warmtevisie Momenteel wordt in de gemeente Hillegom, gebaseerd op de ambities in het Regionaal Energieakkoord 2017 Holland Rijnland, gewerkt aan een lokale warmtevisie. Deze visie geeft per wijk duurzame alternatieven aan ten opzichte van de huidige warmtevraag door aardgas. Ook wordt een prioritering van wijken aangeven. De gemeente kijkt samen met ontwikkelaars, woningeigenaren, huurders en de samenwerkingspartners welke oplossing het beste past bij dit initiatief. Bij verdere planvorming dient met de lokale warmtevisie rekening gehouden te worden. Ambitie Hillegom In de Omgevingsvisie van Hillegom is vastgesteld om in 2030 energieneutraal te zijn en geheel klimaatneutraal in 2050. Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen zullen daar aan bij moeten dragen. Immers wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2030. Gemeente Hillegom vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is zodanig bouwen dat zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid ontstaan, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving. Hillegom streeft er naar bij elk bouwplan de schade aan het milieu op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken.

Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. Alle bouwwerken (oud en nieuw) zullen een bijdrage moeten leveren aan deze doelstelling door energie te besparen en/of duurzaam op te wekken. Het advies is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. In de Omgevingsvisie Hillegom herziening 2019 staan de volgende streefwaarden voor GPRgebouw voor de nieuwbouw van woningen: • DuurzaamheidsPrestatie Gebouwen (DPG, combinatie van milieu en energie): minimaal een 8 • Gezondheid en gebruikskwaliteit: minimaal een 8 • Toekomstwaarde: minimaal een 7 (of bij de keuze voor een ander instrument vergelijkbare streefwaardes te formuleren). De initiatiefnemer bekijkt de mogelijkheden om duurzaam te bouwen en is voornemens voor het programma sociale huurwoningen ‘Nul op de Meter’ of energieneutrale woningen te realiseren.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

30

Hierbij zal waar mogelijk rekening worden gehouden met bovengenoemde streefwaarden. De marktpartij welke de koopwoningen gaat realiseren zal waarschijnlijk eigen duurzaamheidsambities hanteren. Hierbij moet in ieder geval voldaan worden aan de wettelijke normen. Nadere uitwerking hiervan vindt buiten de kaders van het bestemmingsplan plaats. 3.4.7 Gezondheidsbeleid In het rapport met de titel ‘Gezond Geregeld’ (2016) is de vernieuwde samenwerking tussen de 19 gemeenten van Hollands Midden en de Regionale Dienst Openbare Gezondheid Hollands Midden (RDOG HM) –de organisatie waar de GGD is ondergebracht- vastgelegd voor de periode 2017 - 2020. Het concept ‘Positieve gezondheid’ sluit naadloos aan bij de veranderingen in de zorg en het sociaal domein waarbij steeds meer nadruk wordt gelegd op eigen kracht en zelfredzaamheid van burgers. De gemeenten en de GGD HM omarmen deze visie dan ook als startpunt voor hun gezamenlijke agenda. Daarnaast heeft gemeente Hillegom in 2017 de Startnota gezondheidsbeleid 2018-2021 Hillegom vastgesteld. De huidige beleidsnota gezondheid- en sportstimulering ‘Gezonder in Hillegom’ liep van 2013-2016. Met de nota gezondheidsbeleid voor de jaren 2018-2021 wordt een vervolg gegeven aan het gezondheidsbeleid van Hillegom, gebaseerd op: • De landelijke nota gezondheidsbeleid 2016-2019.

• De regionale handreiking gezondheidsbeleid Hollands Midden, september 2016.

•

De ervaringen opgedaan met het gezondheidsbeleid Hillegom in de afgelopen 4 jaar.

Voor het gezondheidsbeleid betekent dit dat gemeente Hillegom uitgaat van de eigen kracht en de zelfredzaamheid van inwoners van Hillegom. Gezondheid wordt dan gezien als doel en als middel om een ander doel, bijvoorbeeld participatie of zelfontplooiing, te bereiken. Tegelijkertijd kunnen participatie en zelfontplooiing middelen zijn die bijdragen aan positieve gezondheid. Daarnaast betekent het dat gemeente Hillegom een aanzet wil maken om breed (integraal) te kijken naar een samenhangend aanbod van ondersteuning op de pijlers van positieve gezondheid. In de Omgevingsvisie Hillegom 2030 zijn de verschillende aspecten op het gebied van gezondheid opgenomen. De hoofddoelstellingen van het gezondheidsbeleid maken deel uit van de Omgevingsvisie. 3.4.8 Seniorennota 2009 Het seniorenbeleid heeft als doel senioren in staat te stellen deel te nemen aan het maatschappelijk leven en leefbaarheid van hun omgeving te waarborgen. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om senioren buiten de maatschappij te plaatsen. Zij zijn door hun kennis en levenservaring juist een belangrijke pijler binnen onze maatschappij. Daarnaast is het beleid er op gericht hulp te bieden aan senioren die moeilijkheden ondervinden in hun persoonlijk en sociaal functioneren. De garantie van een breed pakket aan dienstverlening en zorg is het middel om deze doelstellingen vorm te geven.

Hillegom wil een gemeente zijn waar het prettig wonen, leven en werken is. Daarbij horen goede voorzieningen, waardoor de burgers in staat zijn te participeren in de samenleving. De eigen verantwoordelijkheid van de inwoners staat centraal, maar de gemeente stelt zich als een betrokken, meelevende instantie op wanneer ondersteuning noodzakelijk blijkt.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

31

3.4.9 Beleidskader Maatschappelijke zorg 2017-2025 Vanaf 1 januari 2015 is de gemeentelijke verantwoordelijkheid binnen het sociale domein uitgebreid door decentralisatie van een deel van de AWBZ-taken (onder meer (woon)begeleiding, inloopfunctie (O)GGZ en Beschermd wonen) naar de Wmo. Waren de regiogemeenten in Holland Rijnland (HR) eerst met name verantwoordelijk voor preventie en herstel (waaronder ook nazorg) en Leiden als centrumgemeente voor gespecialiseerde opvang, vanaf 2015 zijn alle gemeenten verantwoordelijk voor de hele keten. Dit maakt dat gemeenten zich moeten heroriënteren op beleid en uitvoering van de Maatschappelijke opvang en de (O)GGZ in relatie tot de nieuwe taak Beschermd wonen. Transformatie van deze sectoren tot één samenhangend, integraal en doeltreffend beleid ligt voor de hand. De visie is gericht op een inclusieve samenleving: "Alle inwoners kunnen meedoen in de samenleving. De inwoner die (tijdelijk) problemen heeft met het zelfstandig regie voeren, kan via de Wmo ondersteuning krijgen. Hierbij is lokale ondersteuning het uitgangspunt. De ondersteuning is dichtbij, op maat en in de eigen leefomgeving. Voor de groep inwoners die niet meer zelfstandig thuis kunnen wonen, en waarbij ondersteuning in de eigen omgeving tekortschiet, is (tijdelijk of permanent) opvang aanwezig. Onder opvang verstaan we wonen in één van de woonvormen van een instelling.

Dit is waar mogelijk een tijdelijke situatie, waarbij er gestuurd wordt op herstel en uitstroom. Het doel is om inwoners zo snel mogelijk weer deel te laten nemen aan het maatschappelijk leven, naar eigen wensen en vermogen. Het deelnemen naar vermogen in de samenleving is ook afhankelijk van de mogelijkheden van de omgeving. Aandachtspunten zijn dan ook acceptatie van de omgeving en het voorkomen van uitsluiting en vereenzaming." De doelgroep van de Maatschappelijke zorg bestaat uit mensen met een risico op uitval, de uitvallers zelf en mensen die weer aanhaken (Wolf, 2006). De groep omvat jongeren, volwassenen en ouderen. Het merendeel is alleenstaand, maar daarnaast zijn er gezinnen, eenoudergezinnen en in mindere mate, paren. 3.4.10 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

3.5

Conclusie Voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan ruimtelijk beleid. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het projectplan past binnen de kaders van rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

32

4

Natuur

4.1

Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

4.1.1 Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

33

• •

de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Hillegom is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).

Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Wnb: Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.3 Natuurnetwerk Nederland en natuurwaarden buiten het Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

34

4.2

Onderzoek

4.2.1 Soortenbescherming Door het NWC is een quickscan uitgevoerd in het plangebied. De quickscan flora en fauna in bijgevoegd als bijlage 2 van de toelichting. Uit deze quickscan bleek dat er in ieder geval nader ecologisch onderzoek zou moeten plaatsvinden met betrekking tot huismussen en vleermuizen. Ten tijde van de quickscan leek het plangebied ongeschikt voor de doelsoort gierzwaluw. In een latere fase van het plan bleek deze veronderstelling onjuist te zijn. Er lijken wel degelijk gierzwaluwen in het plangebied aanwezig te zijn. Als vervolg van de quickscan is daarom besloten om het plangebied te onderzoeken op de soort Huismus, Gierzwaluw en Vleermuis. Het nadere ecologisch onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3 van de toelichting. Resultaten Er kan op basis van deze resultaten met voldoende zekerheid gesteld worden dat er geen vaste verblijfplaats van huismussen aanwezig zijn in de bebouwing in het plangebied. Ook maakt het plangebied geen belangrijk onderdeel uit van de functionele leefomgeving van de Huismus, omdat deze nauwelijks aanwezig is. In de directe omgeving van het plangebied komt wel geschikte functionele leefomgeving voor; hier zijn de dieren wel waargenomen en ook zijn hier vaste verblijfplaatsen aanwezig. Tijdens de inventarisaties zijn meerdere verblijfplaatsen van gierzwaluwen aangetroffen in het plangebied.

Al deze verblijfplaatsen bevinden zich onder de dakpannen van de zadeldaken van de aanwezige bebouwing aan de Julianastraat en de Hofstraat (zuid- en westzijde plangebied). De verblijfplaatsen werden voornamelijk onder dakpannen in de hogere delen van de daken aangetroffen. Er is tijdens de inventarisaties één vleermuissoort in zeer lage aantallen in het plangebied waargenomen; de Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). Tijdens de inventarisaties zijn er geen uit- en/of invliegende vleermuizen waargenomen. Wel zijn tijdens de tellingen, verspreid over het plangebied, één tot twee individuen passerend en/of kort foeragerend waargenomen. Het gebied heeft echter zoals verwacht geen belangrijke waarde als jachtgebied; opgaande vegetatie is nauwelijks aanwezig. Er bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied voldoende geschiktere foerageergebieden in de vorm van lijnvormige opgaande begroeiing en windbeschutte plaatsen langs watergangen. Voor de uitvoering van de voorgenomen plannen met betrekking tot de soorten Huismus en Vleermuis hoeft er geen ontheffing te worden aangevraagd en hoeven er geen maatregelen genomen te worden. Voor de soort Gierzwaluw dienen er mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden. Maatregelen t.a.v.

de soort Gierzwaluw Het is ten eerste van belang dat de werkzaamheden in de minst kwetsbare periode van de Gierzwaluw (15 augustus tot en met 15 april) plaatsvinden, wanneer de dieren niet aanwezig zijn in de verblijfplaatsen. Ook kunnen de werkzaamheden gefaseerd in ruimte en tijd worden uitgevoerd, waardoor er te allen tijde voldoende functionerende verblijfplaatsen aanwezig zijn. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen de aanwezige verblijfplaatsen ongeschikt gemaakt te worden, bijvoorbeeld door ze af te sluiten vóór de start van het broedseizoen (half april).

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

35

Afbeelding 4.1: De soort Gierzwaluw en een beeld met alternatieve verblijfplaatsen

Daarnaast moet er een overmaat aan vervangende verblijfplaatsen aangeboden worden. Dat betekent dat er per nestplaats die verloren gaat, meerdere nieuwe alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd moeten worden (afbeelding 4.1). Hoe meer alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn, hoe groter de kans is dat minimaal één van deze geschikt bevonden wordt. De alternatieve verblijfplaatsen moeten bij voorkeur binnen 100 tot 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaatsen worden gerealiseerd. Gedacht kan worden aan het realiseren van bijvoorbeeld ingemetselde neststenen, nestkasten, en/of speciale dakpannen in de nieuwbouwwoningen. Aan welke voorwaarden deze verblijfplaatsen dienen te voldoen is beschreven in het nadere onderzoek bijgevoegd als bijlage 3. Ontheffingsaanvraag Naast deze compenserende en mitigerende maatregelen dient er vanuit de Wet natuurbescherming een ontheffing aangevraagd worden. Voor het verkrijgen van deze ontheffing worden de negatieve effecten op de soorten zo beperkt mogelijk gehouden. Bij het verkrijgen van een ontheffing moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden, welke hieronder worden gemotiveerd: • Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. Er zijn geen redelijke alternatieven voorhanden voor de voorgenomen ontwikkeling.

Het is niet mogelijk de woningbouw op een andere locatie te realiseren, omdat juist binnen de kern van Hillegom een behoefte aan woningen bestaat. Bovendien is niet uitgesloten dat woningbouw op alternatieve locaties leidt tot verstoring van soorten die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, met name wanneer dit in het landelijk gebied zou zijn. Er is hier bewust een keuze gemaakt voor inbreiding zodat geen druk gelegd wordt op het buitengebied en dit beschikbaar blijft voor andere natuurwaarden. Ook renovatie van de bestaande bebouwing met behoud van de nestplaatsen is niet mogelijk. Vanwege de matige bouwkundige staat en het verouderde karakter van de bestaande woningen zijn deze hiervoor beslist ongeschikt. Zodoende bestaan er geen geschikte alternatieven voor de voorgenomen ontwikkeling. • De ontwikkeling is nodig in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en dient daarmee een wettelijk belang. Er is gekozen voor de herontwikkeling van het plangebied nabij het centrum van Hillegom om verschillende redenen. De bestaande eengezinswoningen zijn verouderd, klein en verkeren in een matige bouwkundige staat, waardoor ze niet meer aan de huidige wooneisen voldoen. Daarnaast is er een parkeerdruk, kent het gebied weinig openbare ruimte en bestaat er een gat in het bouwblok aan de

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

36

Julianastraat. De onderhavige ontwikkeling maakt maximaal 62 nieuwbouwwoningen mogelijk, die in de plaats komen van 36 verouderde eengezinswoningen.

•

Het plan is getoetst aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 en 3 Bro). Conform het beleid van deze duurzaamheidsladder is er sprake van een intensivering van de bestaande ruimte, aangezien de locatie gelegen is binnen bestaand stedelijk gebied. Uitbreiding middels woningbouw in het landelijk gebied wordt hiermee voorkomen. Omdat door uitvoering van het plan het toekomstige wooncomfort aanzienlijk wordt vergroot en de wijk weer voldoet aan de huidige wooneisen, komt het tevens de volksgezondheid en openbare veiligheid ten goede. De ontwikkeling zal niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de gierzwaluw. De staat van instandhouding wordt als gunstig beschouwd wanneer: o uit populatie-dynamische gegevens blijkt dat de Gierzwaluw nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin de soort voorkomt en dat vermoedelijk op langere termijn zal blijven; o het natuurlijke verspreidingsgebied van de Gierzwaluw niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden; o er een voldoende groot habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populatie van Gierzwaluw op lange termijn in stand te houden. Gierzwaluwen broeden verspreid over geheel Nederland, met een voorkeur voor woonwijken van meer dan 50 jaar oud in (sub-)urbane gebieden.

Er bestaat relatief weinig duidelijkheid over de ontwikkeling van de Nederlandse broedpopulatie van de soort. Sinds de ontwikkeling van het Meetnet Urbane Soorten (MUS) door Sovon in 2007 kan beter een landelijke trend worden bepaald. In de periode 2007 – 2019 werd middels dit meetnet een kleine, maar significante afname van de broedpopulatie vastgesteld. De broedpopulatie in 2013-2015 wordt geschat op 40.000 – 60.000 individuen (bron: sovon). Algemeen wordt aangenomen dat het aantal nestplaatsen achteruit gaat vanwege de vele renovatie- en nieuwbouwprojecten. Door een vernieuwde bouwstijl, waarbij voor gierzwaluwen ongeschikte dakconstructies meer worden toegepast dan vroeger, is veel nestgelegenheid verdwenen en weinig nieuwe nestgelegenheid teruggekomen. De Gierzwaluw is steeds meer afhankelijk van het aanbod van kunstmatige nestgelegenheden. Tijdens de voorgenomen werkzaamheden zullen meerdere nestplaatsen van de Gierzwaluw verloren gaan. Echter worden mitigerende maatregelen genomen waarmee de negatieve effecten op de Gierzwaluw zoveel mogelijk voorkomen en/of verminderd worden. Hierdoor zal de achteruitgang van de kwaliteit van de leefomgeving van de Gierzwaluw van tijdelijke aard zijn.

Na de werkzaamheden en het realiseren van compenserende maatregelen zal de omvang en de kwaliteit van de functionele leefomgeving naar verwachting weer minimaal gelijk zijn aan de huidige situatie, mits de compensatie aanslaat. Daarnaast zal het natuurlijke verspreidingsgebied van de Gierzwaluw niet kleiner worden door de voorgenomen plannen en blijft er een voldoende groot habitat over waarmee de populatie in stand gehouden kan worden.

Met het treffen van de noodzakelijke maatregelen ligt het in de lijn der verwachting dat de ontheffing wordt verleend. Niet uitgesloten kan worden dat als de ontheffing wordt verleend voorschriften met maatregelen hiervan onderdeel uitmaken. De Wet natuurbescherming staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

37

4.2.2 Gebiedsbescherming Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Kennemerland-Zuid (circa 3 km afstand), Coepelduynen (circa 12 km afstand) en Meijendel & Berkheide (circa 16 km afstand). De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend. Een berekening voor de gebruiksfase blijft wel nodig. De gebruiksfase is aan de orde nadat de 62 nieuwe woningen zijn opgeleverd. De woningen worden gasloos gebouwd en veroorzaken zelf derhalve geen emissie tijdens het gebruik. De emissie wordt bepaald door de verkeersbewegingen van en naar de woningen. Uit het uitgevoerde stikstofdepositie-onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de 62 woningen in het plan. De volledige berekeningen en rapportage zijn opgenomen als bijlage 10 bij deze toelichting. 4.3

Conclusie Uit de quickscan die is uitgevoerd, blijkt dat het plangebied mogelijk geschikt is voor de vleermuis, de huismus en de gierzwaluw. Uit nader onderzoek blijkt dat er enkel compenserende en mitigerende maatregelen ten aanzien van de soort Gierzwaluw dienen te worden getroffen. Met het treffen van de noodzakelijke maatregelen ligt het in de lijn der verwachting dat de ontheffing wordt verleend. Om de ecologische waarden te borgen is daarnaast een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. In alle gevallen moet rekening worden gehouden met de zorgplicht voor soorten uit de Wet natuurbescherming. Uit het stikstofdepositie-onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de 62 woningen in het plan Goed Wonen fase 2. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. Ook de provinciaal beschermde gebieden vormen geen belemmering voor dit plan.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

38

5

Water

5.1

Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.

5.1.1 Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

39

plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.1.2 Provinciaal beleid Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 In het Regionaal Waterplan wordt verwezen naar de Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 7 juli 2014. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben echter op 20 februari 2019 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Verder wordt in het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 verwezen naar de Voortgangsnota KRW en het Provinciaal Waterplan 2010 2015. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit.

Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. 5.1.3 Beleid waterbeheerder Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Rijnland 2016-2021 Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn: • veiligheid tegen overstromingen; • voldoende water; • gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

40

Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoeringsen beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en Beleidsregels De nieuwe Waterwet vereist een nieuwe keur. Deze is samen met nieuwe Beleidsregels op 22 december 2009 in werking getreden. De "Keur en Beleidsregels" maken het mogelijk dat het Rijnland haar taken als waterkwaliteit- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen). Aan deze Keur zijn bepalingen toegevoegd voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. De Keur geeft regels voor het gebruik van of het uitvoeren van activiteiten op: - waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); - watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); - andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur stelt verbodsbepalingen op voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Rijnland kan met de afgifte van een vergunning ontheffing verlenen van de Keur voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten. De Keur is een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De ontheffing van de Keur is een activiteit in de zin van de Waterwet. Bij een aanvraag omgevingsvergunning, waarbij sprake is van een keurontheffing, zal dit bij de Keur onderdeel uitmaken van het toetsingskader. 5.1.4 Gemeentelijk beleid Stedelijk Waterplan Hillegom 2009 - 2013 De gemeente Hillegom en het Hoogheemraadschap van Rijnland hebben gezamenlijk een visie ontwikkeld op de waterhuishouding in de gemeente Hillegom, in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en andere beleidsontwikkelingen. Daarbij zijn het algemene beleid en wensen van de verschillende betrokken partijen omgezet in streefbeelden en doelen voor de waterhuishouding in Hillegom, inclusief de bijbehorende oplossingsrichtingen. De visie geeft een beeld van het watersysteem zoals dit op de middellange termijn (2015) gerealiseerd zou moeten worden, met een doorkijk naar de lange termijn (2030).

Het gaat daarbij zowel om technische doelstellingen - zoals het voorkomen van wateroverlast en verbeteren van de waterkwaliteit - als ruimtelijke doelstellingen - zoals het aangeven van de gewenste ruimtelijke (water)structuur en de ruimtelijke inpassing van het water in de leefomgeving. 5.2

Onderzoek Bestaande situatie Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied tussen gebieden met grondwatertrap III en IV. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand fluctueert tussen minder dan 0,4 m en meer dan 0,4 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

41

varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte in het plangebied ligt globaal rond de 0,5 m boven NAP. Waterkwantiteit In het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen. Het plangebied bestaat uit grotendeels verhard en een klein deel onverhard oppervlak. Het verharde oppervlak wordt gevormd door de woningen, bijgebouwen, straten, parkeerplaatsen en trottoirs. Het onverharde oppervlak wordt gevormd door de tuinen, de speelvoorziening en verschillende perken. De (private) tuinen mogen volledig bestraat worden. In het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Verkeers – Verblijfsgebied’. In deze bestemmingen zijn geen regels opgenomen over het aantal m2 verhard oppervlak. In feite mag dus het gehele plangebied worden verhard. Waterkwaliteit In het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van maximaal 62 woningen. Bij een herontwikkeling dient er voor gezorgd te worden dat de waterhuishouding en met name de hemelwaterafvoer (HWA) toekomstgericht en duurzaam is. In het stedenbouwkundig plan wordt aangegeven waar – om de woningen – een groene invulling van de voortuinen wordt gedacht. Daar komt geen verharding. Om een aantal parkeervakken is ook ruimte gereserveerd (50 cm breed) voor een groene heg. Daar waar aan de Julianastraat de grondgebonden woningen zijn geprojecteerd bevinden zich op dit moment parkeerplaatsen. De grondgebonden woningen krijgen allen een tuin. Hiermee zal het percentage onverhard oppervlak in de toekomstige situatie niet hoger zijn dan in de huidige situatie en is waterberging niet benodigd. Veiligheid Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een regionale waterkering.

Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een overstromingsrisico.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

42

Riolering Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer - DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben).

Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. 5.3

Conclusie Het aspect water zorgt, indien wordt voorzien in de benodigde waterberging, niet voor belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

43

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Archeologie

6.1.1 Kader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019.

Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten Provinciaal beleid - Omgevingsverordening (april 2019) Het beleid van de Provincie Zuid-Holland heeft als algemeen uitgangspunt dat aanwezige archeologische resten in de bodem behouden moeten blijven. Waar bodemverstoring niet is te vermijden is het leidende principe: de initiatiefnemer van de bodemverstoring betaalt het benodigd onderzoek. Het provinciaal ruimtelijk beleid voor terreinen van provinciaal belang is uitgewerkt in de provinciale Omgevingsverordening. Gemeentelijk beleid - Nota Archeologie Hillegom ‘Naar een realistische en duurzame omgang met het archeologisch erfgoed in de gemeente Hillegom’ (mei 2007) Het archeologisch beleid van de gemeente Hillegom - vastgelegd in de Nota Archeologie - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. De Nota Archeologie vervangt samen met de Archeologische beleidskaart de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de Provincie Zuid-Holland.

De bodem van Hillegom is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan gebieden met archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de verbeelding binnen de aanduiding “Waarde – Archeologie 1” tot en

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

44

met “Waarde - Archeologie 3”. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is de activiteit ‘uitvoering van een werk’ (voorheen aanlegvergunning) in de omgevingsvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan. Initiatiefnemers dienen bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen. Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein, dat zal worden verstoord, zijn vastgesteld. Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten. Teneinde onnodige procedures te vermijden wordt initiatiefnemer verzocht vooraf contact op te nemen met het bevoegd gezag (gemeente Hillegom). Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor gecertificeerde bedrijven of instanties.

6.1.2 Onderzoek Archeologische beleidskaart De archeologische beleidskaart (zie afbeelding 6.1), geeft een beschrijving van verschillende gronden met de daaraan gekoppelde archeologische verwachtingen. Aan de verwachtingen zijn voorschriften gekoppeld die weer in regels zijn vertaald. Het gemeentelijk beleid wijkt met deze regels af van het provinciale beleid.

Afbeelding 6.1: Uitsnede archeologische beleidskaart Hillegom

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

45

Het plangebied is gelegen in een zone met een lage archeologische verwachting. Bodemingrepen zijn vrijgesteld tot een oppervlakte van 1.000 m2 en 0,3 meter beneden maaiveld. De percelen, waarop de ontwikkelingen zijn voorzien, is circa 4.000 m 2 groot. De precieze invulling staat nog niet vast maar de verwachting is dat de bodemingrepen de vrijstellingsgrens overschrijden waardoor archeologisch onderzoek benodigd is. Door onderzoeksbureau Vestigia is archeologisch vooronderzoek gedaan. De volledige rapportage is te raadplegen in bijlage 5. Hierna worden de belangrijkste resultaten besproken. Op basis van de landschappelijke context, de ligging op een ingesloten strandvlakte, heeft het plangebied een lage archeologische verwachting voor het aantreffen van resten vanaf het Neolithicum. Gezien de nabijheid van de strandwallen bestaat er echter een kans dat er duinafzettingen aanwezig zijn, welke vanwege hun toenmalige relatief hogere ligging in het landschap een hoge verwachting hebben voor het aantreffen van resten vanaf het Neolithicum. De duinen in deze omgeving zijn echter wel voor een groot deel vergraven voor de winning van bouwzand; dat kan ook het geval zijn geweest binnen het plangebied. Ook kan de aanleg van de huidige bebouwing voor verstoring van het oorspronkelijke bodemopbouw hebben gezorgd.

Binnen het plangebied worden geen (ondergrondse) bouwhistorische waarden verwacht. Op basis van bovenstaande kan de archeologische verwachting worden gesteld op middelhoog voor het aantreffen van resten vanaf het Neolithicum. Voor de eerdere periodes, vanaf het LaatPaleolithicum tot en met het Mesolithicum geldt geen archeologische verwachting. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek wordt geadviseerd om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren om de archeologische verwachting te toetsen, en de mate van verstoring van het bodemprofiel vast te stellen. 6.1.3 Conclusie In het bureauonderzoek is geconcludeerd dat voor het Neolithicum een middelhoge verwachting geldt. Voor de eerdere periodes geldt geen archeologische verwachting. Om de archeologische verwachting te toetsen, wordt geadviseerd een inventariserend veldonderzoek uit te voeren. Om aan de archeologische onderzoeksplicht te voldoen wordt er de vigerende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3’ gehandhaafd. Deze bestemming regelt dat er ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning een archeologisch rapport moet worden overlegd met daarin de conclusie dat de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld.

6.2

Cultuurhistorie

6.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

46

In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

Regioprofielen Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland wil waardevolle cultuurhistorische elementen behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om dit richting te geven, zijn Regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. De regioprofielen dienen als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen zoals die staan in de provinciale Structuurvisie. Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat in en in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden liggen. Rijksmonumenten Rijksmonumenten zijn minstens vijftig jaar oud en van nationaal belang door cultuurhistorische waarde, hun schoonheid of hun wetenschappelijke betekenis. Zij zijn door de rijksoverheid aangewezen. In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen Rijksmonumenten gelegen. Gemeentelijke monumenten De gemeente Hillegom heeft ook zelf objecten aangewezen als gemeentelijke monument. In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke monumenten gelegen. 6.2.2 Conclusie In het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden en elementen.

Het aspect cultuurhistorie vormt daarom geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

47

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk wordt beschreven welke invloed het plan heeft op verscheidene milieuaspecten, zoals de bodemkwaliteit, akoestische aspecten, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-procedure Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich ervan vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein met een oppervlakte vanaf 100 ha is er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de Dlijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden opgesteld. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: • Kenmerken van het project; • Plaats van het project; • Kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is hiervoor een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 9. Aan de hand

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

48

van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r. voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.-beoordelingsbeslissing). Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht. Op basis van artikel 7.19 van de Wet milieubeheer is er een (vormvrij) m.e.r. beoordelingsbesluit genomen, voorafgaand aan de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan. Dit besluit is als bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. In dit hoofdstuk zijn tevens de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid. De aspecten flora en fauna, archeologie, cultuurhistorie, water, verkeer en parkeren zijn in de voorgaande hoofdstukken reeds afgewogen. 7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (landof water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. 7.3.2 Onderzoek Het grootste gedeelte van de gronden, waarop de toekomstige woningen zijn voorzien, zijn bestemd als ‘Wonen’.

Er zijn echter ook gronden die bestemd zijn als ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ waarop in de toekomstige situatie woningen zijn voorzien. Dit betreft het deel van het plangebied aan de Julianastraat waar nu een speelplaats en een aantal parkeerplekken gerealiseerd zijn. Voor deze gronden dient in het kader van het bestemmingsplan bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

Bestemmingsplan Goed Wonen fase 2, Hillegom Toelichting Vaststelling

49

Bij de toekomstige aanvraag van de omgevingsvergunning voor de nieuwbouw is het benodigd om een recent verkennend bodemonderzoek aan te leveren. Om deze reden is het gehele plangebied in het kader van het bestemmingsplan al onderzocht. Een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 is uitgevoerd door ABOmilieuconsult en bijgevoegd in bijlage 6. Resultaten Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in totaal 20 boringen verricht. Van deze boringen zijn twee boringen afgewerkt als peilbuis. Zintuigelijk zijn in de boringen geen bodemvreemde materialen waargenomen. Zeer licht verhoogde gehalten van zink, kwik, lood, PAK DDD en minerale olie zijn van dermate geringe hoeveelheid dat dit geen aanleiding geeft tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. 7.3.3 Conclusie De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de Omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen. 7.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1446/documents/18046