APV Hillegom 2024, was-wordt-lijst.pdf
Tekst van het document
i.
het nummer van de vergunning.
De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.
47
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1.
2.
De vergunning wordt ingetrokken als: a.
de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
b.
de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
c.
is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;
d.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;
e.
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;
f.
de vergunninghouder dat verzoekt;
g.
de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a.
is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
b.
in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de
48
vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
Bestaande tekst
c.
een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;
d.
is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;
e.
is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;
f.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;
g.
de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;
h.
er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;
i.
gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Nieuwe tekst Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:11 Verlenging vergunning
49
(Vervallen)
Bestaande tekst
Nieuwe tekst AFDELING 3 UITOEFENEN SEKSBEDRIJF
Bestaande tekst
Nieuwe tekst PARAGRAAF 3.1. REGELS VOOR ALLE SEKSBEDRIJVEN
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1.
Bestaande tekst
Het is de exploitant en beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a.
op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 08.00 uur;
b.
op zaterdag en zondag tussen 01.30 uur en 08.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.
2.
Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.
3.
Het is een prostituee verboden zich te bevinden in een seksinrichting tussen 03.00 uur en 07:00 uur tenzij bij vergunning anders is bepaald.
4.
Het is de exploitant en beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
Nieuwe tekst Artikel 3:13 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:
a.
geen vermelding op te nemen van
50
het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;
Bestaande tekst
b.
vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en
c.
als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Nieuwe tekst PARAGRAAF 3.2. REGELS VOOR ALLE PROSTITUTIEBEDRIJVEN EN PROSTITUEES
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf 1. 2.
Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
3.
Het is een prostituee verboden: a. te handelen in strijd met het eerste lid; b. werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:15 Bedrijfsplan 1.
Een prostitutiebedrijf beschikt
51
over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:
2.
a.
op het gebied van hygiëne;
b.
ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;
c.
ter bescherming van de gezondheid van de klanten;
d.
ter voorkoming van strafbare feiten.
De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a.
de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;
b.
inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;
c.
in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;
d.
in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;
e.
de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;
f.
de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;
g.
de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;
h.
de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder
52
dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; i.
de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;
j.
aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;
k.
de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;
l.
de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;
m.
de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;
n.
de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;
o.
de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.
3.
Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.
4.
De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde gezag. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde
53
gezag als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
Bestaande tekst
5.
De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.
6.
In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.
Nieuwe tekst Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte (Vervallen)
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf 1.
De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
2.
De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:
a.
de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;
b.
er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval: 1°. de voor of bij het
54
prostitutiebedrijf werkzame prostituees; 2°. de verhuuradministratie; 3°. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie. die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k; 4°. de werkroosters van de beheerders;
Bestaande tekst
c.
de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;
d.
medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtingsen preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;
e.
onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;
f.
onverwijld aan het bevoegde gezag wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;
g.
gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.
Nieuwe tekst PARAGRAAF 3:3 RAAM- EN STRAATPROSTITUTIE
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
55
Artikel 3:18 Raamprostitutie Het is een prostituee verboden:
Bestaande tekst
1.
zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en
2.
passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.
Nieuwe tekst Artikel 3:19 Straatprostitutie Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst AFDELING 4 OVERIGE BEPALINGEN
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten 1.
Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is
56
verleend.
Bestaande tekst
2.
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.
3.
Het in het tweede lid genoemde verbod is niet van toepassing in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.
Nieuwe tekst Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
2.
Het verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Artikel 4:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:1 Definities
Artikel 4:1 Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.
besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;
-
b.
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 en 4:3 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of
Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
-
Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde
57
type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; c.
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; -
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
d.
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
e.
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
-
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
f.
geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
-
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
-
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
-
gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
g.
geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van tenminste 11 m²;
h.
geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;
-
gevoelige ruimte: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
i.
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;
-
j.
HRMI-99: Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie VROM, uitgave 1999.
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
-
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;
Toelichting: De tekst onder a en b is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. De tekst onder g, h en i is aangepast aan de terminologie in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 4:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
1.
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen en dagdelen.
1.
De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen en dagdelen.
2.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148 eerste lid van het
2.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht bedoeld in artikel 3.148 eerste lid van het Besluit
58
Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.
3.
Een aanwijzing bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.
4.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
4.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
5.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
5.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
6.
Het college kan voorwaarden stellen bij de aan te wijzen collectieve festiviteiten met betrekking tot de geluidsnormen en tijdstippen.
6.
Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit uiterlijk om 01.00 uur beëindigd .
7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 219a en 2.20 van het Besluit – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 8.
Het college kan voorwaarden stellen bij de aan te wijzen collectieve festiviteiten met betrekking tot de geluidsnormen en tijdstippen.
Toelichting In het eerste lid is abusievelijk een artikelnummer weggevallen en nu weer tussengevoegd. Verder enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
1.
1.
Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding
Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft
59
heeft gedaan aan het college
gedaan aan het college
2.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
2.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Besluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
3.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
3.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
4.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur.
4. Het college kan voorwaarden stellen bij de activiteiten als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de geluidsnormen en tijdstippen. 5.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 00.30 uur.
5. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur. 6. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen de bebouwing van de inrichting na 23.00 uur blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 7. Het college kan afwijken van de in het vierde en vijfde lid bepaalde eindtijden.
Toelichting In het eerste en vijfde lid zijn abusievelijk artikelnummers weggevallen, deze zijn weer tussengevoegd. Het vierde lid (oud) is verwijderd omdat in het vierde lid (nieuw) al een eindtijd wordt genoemd. De eindtijd in het vierde en vijfde lid is opgetrokken naar 01.00 uur, een en ander in overleg met de horecaondernemers. Het zesde lid is toegevoegd ter verduidelijking en het zevende lid geeft het college de mogelijkheid om andere eindtijden vast te stellen.
60
Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
1.
Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
1.
Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2. 2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3. 3.
Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van bouwwerkzaamheden.
Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van bouwwerkzaamheden.
4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Zuid- Holland.
4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Toelichting: Het eerste lid is tekstueel aangepast ter verduidelijking. De definitie van een inrichting wordt in artikel 4:1 gegeven, zodat dit niet ook in het betreffende artikel dient te worden gedefinieerd. De tekst is hierop aangepast. Het vierde lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 4:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:7 Straatvegen
Artikel 4:7 Straatvegen
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.
(Vervallen)
Toelichting Artikel 4:7 vervalt omdat hier in de praktijk nooit gebruikt van gemaakt wordt. Artikel 4:9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
(Vervallen)
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor gebruikers van de gebouwen
61
of voor anderen. Toelichting Dit artikel is opnieuw toegevoegd. Het betreft een samenvoeging van de in de modelBouwverordening geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk, maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de APV besloten. Artikel 4:9a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:9a Gevelreiniging
Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen
(Vervallen)
1. Onder ‘ballon’ wordt verstaan: een licht omhulsel van welk materiaal dan ook gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of gevuld met hete lucht afkomstig van vuur of een brandstofelement. 2. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht, waaronder tevens moet worden begrepen het organiseren van ballonoplatingen. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. ballonnen waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald (een luchtballon voor personenvervoer); b. ballonnen die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting Het voorgaande artikel 4:9a ‘Gevelreiniging’ is in navolging van de VNG uit de APV gehaald. Dit artikel is niet meer relevant gebleken. In artikel 4:9a wordt nu het verbod oplaten ballonnen geregeld. Het gebeurt steeds vaker dat er tijdens feesten en evenementen of bij wijze van wedstrijd, (wens)ballonnen worden opgelaten. Neerkomende resten kunnen voor schade aan het milieu zorgen. Daarnaast vormen wensballonnen met een brandstofbron brandgevaar voor woningen en natuur. Het beoogde effect van dit artikel is dan ook het tegengaan van verontreiniging, overlast en gevaar dat wordt veroorzaakt door het oplaten en loslaten van ballonnen in verschillende varianten en soorten. Artikel 4:13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
62
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.
2.
onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b.
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.
kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
d.
1.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of krachtens de Provinciale Verordening.
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.
onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b.
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.
kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
d.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
2.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Toelichting Het eerste en derde lid zijn technische aanpassingen in het kader van de Omgevingswet. Artikel 4:14a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:14a Voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten
Artikel 4:14a Voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten
De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van en de rechthebbenden en toezichthouders op de binnen de gemeente gelegen gronden of wegen zijn verplicht de zich op die gronden of op de bermen van die wegen bevindende Akkerdistels (Cirsium arvense), Ambrosia (Ambrosia artemisiifolia, trifida en psilostachya), Bereklauw (Heracleum mantegazzianum en sphondylium) en Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) (zie
(Vervallen)
63
afbeeldingen, bijlage 4), voordat zij gaan bloeien, te bestrijden.
Toelichting Dit artikel vervalt omdat in de praktijk is gebleken dat dit artikel niet handhaafbaar is.
Artikel 4:15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
1.
1.
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
2.
Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel vaneen opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Toelichting Het tweede lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 4:17 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:17 Definitie
Artikel 4:17 Definitie
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een nietgrondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Toelichting De tekst van artikel 4:17 is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 4:18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf
64
buiten kampeerterreinen
buiten kampeerterreinen
1.
1.
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
2.
Het verbod is niet van toepassing op het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.
2.
Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a.
de bescherming van natuur en landschap;
b.
de bescherming van een stadsgezicht.
a.
de bescherming van natuur en landschap; of
b.
de bescherming van een stadsgezicht.
Toelichting Het eerste lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Verder enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 4:19 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
1. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet van toepassing is.
2.
Het college kan daarbij tevens regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.
2.
Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.
3.
Het college kan regels stellen met betrekking tot tijdsduur, aantal en soort kampeermiddelen.
3.
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot tijdsduur, aantal en soort kampeermiddelen.
Toelichting Het eerste lid is herschreven ter verduidelijking. Artikel 5:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf e.d.
1.
1.
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
65
2.
3.
4. 5.
a.
het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
a.
het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b.
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
b.
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
2.
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
a.
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
a.
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b.
voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
b.
voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
a.
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
b.
een openbare plaats als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
3.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
a.
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
b.
de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
4.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting De titel van dit artikel is aangepast in navolging van de model-APV. In het derde lid onder b is een tekstuele aanpassing gedaan. Artikel 5:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
1.
Het is verboden op een door het college aangewezen openbare plaats een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
1.
Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2. 2.
Het college kan ontheffing van het verbod
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
66
verlenen. 3. 3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting In het eerste lid is een enkele tekstuele aanpassing gedaan. Artikel 5:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:5 Voertuig- en scheepswrakken
Artikel 5:5 Voertuig- en scheepswrakken
1.
Het is verboden een voertuigwrak of scheepswrak dat rij- of vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op een openbare plaats te parkeren en/of in het openbaar water te plaatsen of te hebben.
1.
Het is verboden een voertuig of vaartuig dat rij- of vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op een openbare plaats te parkeren en/of in het openbaar water te plaatsen of te hebben.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Toelichting Het eerste lid bevat een tekstuele aanpassing. Het tweede lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
1.
1.
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.
b.
2.
3.
langer dan op drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom) op een openbare plaats te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
2.
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.
langer dan op drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom) op een openbare plaats te plaatsen of te hebben;
a.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn opgesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
67
4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting Het derde lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 5:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:7 Reclamevoertuigen
Artikel 5:7 Reclamevoertuigen
1.
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
1.
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met als hoofddoel om daarmee handelsreclame te maken.
2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting In het eerste lid wordt ‘het kennelijk doel’ vervangen door ‘als hoofddoel’. Dit ter verduidelijking van het artikel. Artikel 5:8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:8 Grote voertuigen
Artikel 5:8 Grote voertuigen
1.
Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
1.
Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2.
Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen openbare plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
2.
Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen openbare plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3.
Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
3.
Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
4.
Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en
4.
Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, caravans en kampeerwagens, voor zover deze
68
kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare plaats worden geplaatst of gehouden. 5.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare plaats worden geplaatst of gehouden. 5.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting In het vierde lid (oud) is ‘kampeerauto’s’ verwijderd, deze kunnen onder de campers geschaard worden. Artikel 5:9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen
Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen
1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op een openbare plaats te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2.
Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
2.
Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Toelichting In het eerste lid is ‘openbare plaats’ vervangen door ‘weg’. Hier is expliciet de weg bedoeld als in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 5:13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving
1.
1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
69
2.
Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
2.
Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3.
Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:
3.
Het verbod is niet van toepassing op een inzameling of werving die wordt gehouden:
a.
in besloten kring;
b.
door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of
c. 4.
door een andere, door het college aangewezen instelling.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4.
a.
in besloten kring;
b.
door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of
c.
door een andere, door het college aangewezen instelling.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting Enkele tekstuele aanpassingen. Artikel 5:18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
2.
Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
3.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van standplaatsen.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
3.
4.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van standplaatsen. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a.
de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet
a.
de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
70
voldoet aan redelijke eisen van welstand; b.
5.
een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
b.
5.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beschikken) niet van toepassing.
een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beschikken) niet van toepasing.
Toelichting Het tweede lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 5:20 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
1.
Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijksaterstaatswerken of de Omgevingsverordening ZuidHolland.
1.
Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
2.
De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
2.
De weigeringsgrond van artikel 5:18, vierde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Toelichting Het eerste lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. In het tweede lid wordt een verwijzing aangepast en is er een tekstuele wijziging. Artikel 5:23 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:23 Snuffelmarkten e.d.
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
1.
Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren: a. wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b.
als de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu; of
1.
Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren: a. wegens strijd met het omgevingsplan; b.
als de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu; of
c.
als degene die voornemens is een snuffelmarkt te organiseren daarvan
71
c.
2.
2.
De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c, binnen zes weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van: a.
naam en adres van de organisator;
a.
naam en adres van de organisator;
b.
adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden wordt;
b.
adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden wordt;
c.
de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden;
de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden;
d.
de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;
de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;
e.
het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld;
het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld;
f.
het aantal standplaatsen; en
f.
het aantal standplaatsen; en
g.
het te verwachten aantal bezoekers.
g.
het te verwachten aantal bezoekers.
3.
De snuffelmarkt kan worden gehouden als de burgemeester niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen vier weken na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht.
De snuffelmarkt kan worden gehouden als de burgemeester niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen vier weken na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht.
4.
Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
d. e.
4.
niet tevoren melding heeft gedaan.
De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c, binnen zes weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van:
c.
3.
als degene die voornemens is een snuffelmarkt te organiseren daarvan niet tevoren melding heeft gedaan.
Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
Toelichting Het eerste lid, onder a is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Verder enkele tekstuele aanpassingen.
Artikel 5:24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
1.
1.
Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een voorwerp, niet
72
water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een vlonder, ponton of een ander voorwerp op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de, in de gemeente, gebruikelijke wijze van bekendmaking.
zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
5. Het college kan aan het beoogde gebruik nadere voorschriften verbinden. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening Zuid-Holland, de Waterwet of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 7. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin een omgevingsvergunning is vereist. Toelichting De meldingsplicht wordt gewijzigd in een vergunningplicht. Reden hiervoor is de waterrijke omgeving, een dergelijke vergunning in de omgeving gebruikelijk is, en omwille van het onderhoud van de vaarwegen een zeker uniformering noodzakelijk is. Ook voor de vergunninghouder schept dit een duidelijke situatie: de aanvrager hoeft niet zelfstandig een afweging te maken zoals bij een meldingsfiguur, maar ontvangt een vergunning voorzien van een set voorschriften en weet dan waar hij of zij aan toe is. Het tweede lid (nieuw) is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Het zevende lid (oud) is daar ook in opgegaan. Artikel 5:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen behoudens op door het college aangewezen
1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op of in openbaar water.
73
gedeelten van het openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Waterwet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening Zuid-Holland.