APV Hillegom 2024, was-wordt-lijst.pdf
Tekst van het document
c.
op het terras spijzen en dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;
c.
op het terras spijzen en dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Toelichting Een kleine tekstuele wijziging. Artikel 2:33 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Als een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Toelichting Een tekstuele wijziging. Artikel 2:34 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
1.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder: a.
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
In dit artikel wordt verstaan onder: -
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
23
persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b.
beheerder(s): de natuurlijke persoon of personen die door de exploitant is of zijn aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
-
beheerder(s): de natuurlijke persoon of personen die door de exploitant is of zijn aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
c.
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
-
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
2.
De burgemeester kan gebouwen, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen waarvan in of rondom dat gebouw, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan.
2.
De burgemeester kan gebouwen, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen waarvan in of rondom dat gebouw, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan.
3.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen dat valt onder het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid
3.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen dat valt onder het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b.
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
b.
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c.
de exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c.
de exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d.
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
d.
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e.
indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
e.
als niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
f.
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
f.
als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
g.
indien de vestiging of de exploitatie
g.
als de vestiging of de exploitatie van
24
van het bedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier 6.
5.
De burgemeester vraagt de gegevens op die hij voor zijn beoordeling nodig acht. Daartoe worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden begrepen:
De burgemeester vraagt de gegevens op die hij voor de zijn beoordeling nodig acht. Daartoe worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden begrepen:
a.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);
a.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);
b.
b.
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend en waarop de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) kunnen worden bereikt;
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend en waarop de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) kunnen worden bereikt;
c.
een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd;
d.
als het van toepassing de verblijftitel van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s);
e.
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
f.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
c.
een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd;
d.
indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s);
e.
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
f.
7.
het bedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a.
6.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als: a.
zich een situatie voordoet als bedoeld in het vierde lid; of
b.
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
c.
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
d.
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat in of vanuit het
zich een situatie voordoet als bedoeld in het vierde lid; of
b. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of c.
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
25
d.
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat in of vanuit het bedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of
bedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of
e. er in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of f.
8.
9.
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd of gewijzigd en niet voldaan is aan het bepaalde in het negende lid.
Indien een bedrijf wordt uitgeoefend in strijd met het verbod, als bedoeld in het derde lid, of indien een situatie als bedoeld in het zevende lid zich voordoet, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. De exploitant is verplicht binnen drie dagen na een verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens de burgemeester daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Indien mogelijk verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning.
10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 11. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 12. Exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van een aanwijzingsbesluit, als bedoeld in het tweede lid, onder de werking van dit besluit vallen, dienen binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit te beschikken over de vergunning als bedoeld in het derde lid. Nieuwe exploitanten dienen eerst over een vergunning te beschikken alvorens zij hun bedrijf kunnen exploiteren.
e.
er in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
f.
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd of gewijzigd en niet voldaan is aan het bepaalde in het negende lid.
7.
Als een bedrijf wordt uitgeoefend in strijd met het verbod, als bedoeld in het derde lid, of als een situatie bedoeld in het zevende lid zich voordoet, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
8.
De exploitant is verplicht binnen drie dagen na een verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens de burgemeester daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Als het mogelijk is verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning.
9.
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
10. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 11. Exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van een aanwijzingsbesluit, als bedoeld in het tweede lid, onder de werking van dit besluit vallen, moeten binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit te beschikken over de vergunning als bedoeld in het derde lid. Nieuwe exploitanten moeten eerst over een vergunning te beschikken alvorens zij hun bedrijf kunnen exploiteren. 12. Op de vergunning als bedoeld in het derde en negende lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
13. Op de vergunning als bedoeld in het derde en negende lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting Het vijfde lid is verwijderd omdat er niet van een vastgesteld formulier gebruik wordt gemaakt. Verder enkele tekstuele wijzigingen.
26
Artikel 2:38 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
1.
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
2.
De burgemeester kan nadere regels stellen aan de wijze waarop de gegevens, genoemd in het eerste lid, worden verstrekt.
Toelichting Het tweede lid is verwijderd in navolging van de VNG model-APV. Artikel 2:39 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
1.
2.
Het verbod is niet van toepassing op:
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
a.
b.
c.
3.
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a.
3.
4.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
naar zijn oordeel moet worden
27
aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting Het tweede lid is aangepast aan de model-APV. Door te verwijzen naar situaties die door de Wet op de kansspelen worden bestreken wordt onduidelijkheid voorkomen over het al dan niet vereist zijn van een vergunning op grond van dit artikel. Het derde lid, onder b is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:40a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:40a Sluiting gebouw
Artikel 2:40a Sluiting gebouw
De burgemeester kan de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte en/of een daarbij behorend erf, als daar:
De burgemeester kan de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte en/of een daarbij behorend erf, als daar:
a.
is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;
a.
is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;
b.
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
b.
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
c.
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
c.
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
d.
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of
d.
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of
e.
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
e.
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte en/of een daarbij behorend erf, ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
Toelichting In artikel 2:40a aanhef en onder e is toegevoegd ‘en/of een daarbij behorend erf’. Deze toevoeging is abusievelijk weggevallen in het oude artikel. Artikel 2:42 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
28
Artikel 2:42 Plakken en kladden
Artikel 2:42 Plakken en kladden
1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.
5.
6.
7.
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Het college kan aanplakborden en plakzuilen aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
4.
Het college kan aanplakborden en plakzuilen aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
5.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
7.
De houder van de in het tweed lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op verzoek direct te laten zien.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:47 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1.
1.
Het is verboden: a.
op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting,
Het is verboden: a.
Op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting,
29
verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b.
verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
b.
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
2.
De burgemeester kan openbare plaatsen of delen daarvan aanwijzen waar het op door de burgemeester te bepalen tijdstippen verboden is zich op te houden of te verblijven.
2.
De burgemeester kan openbare plaatsen of delen daarvan aanwijzen waar het op door de burgemeester te bepalen tijdstippen verboden is zich op te houden of te verblijven.
3.
Het is verboden op of aan de weg in een voertuig of een tijdelijk onderkomen te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
3.
Het is verboden op of aan een openbare plaats in een voertuig of een tijdelijk onderkomen te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
4.
Het is verboden op of aan openbaar water een vaartuig voor anker te laten liggen dan wel daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
4.
Het is verboden op of aan openbaar water een vaartuig voor anker te laten liggen dan wel daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
5.
Het college kan gebieden en tijdstippen aanwijzen waar respectievelijk waarop het verbod, bedoeld in het derde en vierde lid, niet van toepassing is en kan voor het verblijven in die gebieden:
5.
Het college kan gebieden en tijdstippen aanwijzen waar de verboden, bedoeld in het derde en vierde lid, niet van toepassing zijn en kan voor het verblijven in die gebieden:
6.
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal voer- of vaartuigen en de maximale verblijfsduur en tijden.
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal voer- of vaartuigen en de maximale verblijfsduur en tijden.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
6.
De verboden zijn niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:48 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:48 Verboden en hinderlijk drankgebruik
Artikel 2:48 Verboden en hinderlijk drankgebruik
1.
1.
Het is voor personen van achttien jaar en ouder verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te vervoeren of te nuttigen of aangebroken of gesloten flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, wanneer daarmee wordt
Het is voor personen van achttien jaar en ouder verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te vervoeren of te nuttigen of aangebroken of gesloten flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, wanneer daarmee wordt
30
beoogd op de openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen. 2.
3.
Het verbod is niet van toepassing op:
beoogd op de openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen. 2.
Het verbod is niet van toepassing op:
a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats, dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet;
c.
een activiteit op een openbare plaats, waarvoor door het college vergunning is verleend en waarbij het gebruik van alcoholhoudende drank is toegestaan.
Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
3.
Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
Toelichting Het tweede lid, onder c is verwijderd omdat dit geen toegevoegde waarde bleek te hebben in de praktijk. Artikel 2:50 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een ander soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, fietsenstalling of een ander soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Toelichting In artikel 2:50 oud is ‘telefooncel’ verwijderd, deze is uit het straatbeeld verdwenen. Voor de leesbaarheid is van ‘rijwielstalling’ ‘fietsenstalling’ gemaakt. Artikel 2:50a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen
(Vervallen)
31
te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toelichting De Hoge Raad heeft het colorverbod in de Algemene plaatselijke verordening (APV) onverbindend verklaard. Het gaat om het verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties, zoals het logo van een verboden motorclub. Gemeenten moeten dit verbod uit de APV schrappen. De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat artikel 2:50a van de APV in strijd is met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Daarop kan alleen bij wet in formele zin uitzondering worden gemaakt, niet in een wet in materiële zin, zoals de APV. De Hoge Raad verklaart artikel 2:50a APV onverbindend. Gemeenten die het colorverbod in hun APV hebben staan moeten dit laten vervallen. Gemeenten moeten handhavingsacties stopzetten. Artikel 2:51 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen
Het is verboden op of aan een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Toelichting Een tekstuele wijziging. Artikel 2:57 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:57 Loslopende honden
Artikel 2:57 Loslopende honden
1.
1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.
een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;
b.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;
b.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
32
c.
2.
3.
op een openbare plaats indien de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats zonder dat de hond aangelijnd is; of
d.
op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod, genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. De verboden genoemd in het eerste lid onder a tot en met c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
b.
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
2.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid , onder a, b en c niet geldt.
3.
De verboden genoemd in het eerste lid, onder a, b en c zijn niet van toepassing voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Toelichting In het eerste lid is sub. c ingevoegd zodat het college ook buiten de bebouwde kom plaatsen kan aanwijzen waar de hond aangelijnd moet zijn. Verder enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:59 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
a.
vervaardigd is van stevig kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de
33
de mens niet mogelijk is; en c.
4.
mens niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf en geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
c.
4.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:62 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:62 Loslopend vee
Artikel 2:62 Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Toelichting Een tekstuele aanpassing. Artikel 2:63 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:63 Duiven
Artikel 2:63 Duiven
(Gereserveerd)
1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het gebod. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
34
van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting Dit artikel stond gereserveerd, maar is weer toegevoegd. De reden is dat verwilderde duiven in het voorjaar nogal wat schade veroorzaken aan jonge gewassen doordat zij tuinbouwgebieden als fourageerplaats gebruiken. Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om tussen 1 maart en 1 juni een periode aan te wijzen, die bijvoorbeeld kan variëren van een week tot een dag per week, waarin de eigenaren of bezitters van duiven verplicht zijn de duiven binnen te houden. Dit geeft jagers de mogelijkheid om het verwilderde duivenbestand uit te dunnen. Artikel 2:64 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:64 Bijen
Artikel 2:64 Bijen
1.
1.
Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
b.
binnen een afstand van 30 meter van de weg.
b.
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening ZuidHolland. 5. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 6.
Het is verboden bijen te houden:
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting Het tweede lid is vereenvoudigd en op deze manier afdoende beschreven. Het derde lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:65 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
35
Artikel 2:65 Bedelarij
Artikel 2:65 Bedelarij
(Vervallen)
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Toelichting Dit artikel was vervallen en is op verzoek van de politie weer opnieuw toegevoegd. Op deze manier kan in voorkomende gevallen handhavend worden opgetreden.
Artikel 2:66 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:66 Definitie
Artikel 2:66 Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:68 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
1.
1.
de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: a.
b. c. d.
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: a.
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
b.
van een verandering van de onder 1, sub a, bedoelde adressen;
van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;
c.
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
d.
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
dat hij enig goed van verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
2.
de burgemeester op eerste aanvraag
36
2.
de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
3.
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
4.
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
zijn administratie of register ter inzage te geven; 3.
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
4.
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:71 Definitie
Artikel 2:71 Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Toelichting De tekst van artikel 2:71 is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:73 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3.
De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
3.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
37
Toelichting Een tekstuele wijziging. Artikel 2:73a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:73a Verbod carbidschieten
Artikel 2:73a Verbod carbidschieten
1.
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
1.
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
2. 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod op 31 december van 10.00 uur tot 18.00 uur.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod op 31 december van 10.00 uur tot 18.00 uur.
3. 3.
De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent de locatie en het gebruik van carbid.
De burgemeester kan locaties aanwijzen waar het schieten van carbid is toegestaan.
4. 4.
Het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent de aan te wijzen locatie en het gebruik van carbid.
5.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting Artikel 2:73a is uitgebreid om het carbidschieten beter te kunnen reguleren. Artikel 2:74 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan een openbare plaats op te houden of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Toelichting Dit artikel is vereenvoudigd ter verduidelijking. Artikel 2:74b wordt als volgt gewijzigd:
38
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:74b Weggooien van spuiten e.d.
Artikel 2:74b Weggooien van spuiten e.d.
Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan een openbare plaats, dan wel in afvalbakken achter te laten, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks geschiedt om afstand van het voorwerp te doen.
Het is verboden om injectiespuiten op of aan een openbare plaats, dan wel in afvalbakken achter te laten, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks geschiedt om afstand van het voorwerp te doen.
Toelichting Dit artikel is vereenvoudigd ter verduidelijking. Artikel 2:75 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en 2:73 en 5:35a van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, als deze personen het bepaalde in artikelen 2:1, 2:10, 2:23, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en 2:73 van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:76 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebieden.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebieden.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:77 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
39
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Heel hoofdstuk 3 wordt herschreven in navolging van de VNG, model-APV Toelichting Hoofdstuk 3 van de APV is, anticiperend op de Wet regulering prostitutie, herzien. In de linker kolom is alleen de nieuwe tekst opgenomen omdat ook de nummering en de titels van de artikelen niet meer overeenkomen met de oude artikelteksten.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst HOOFDSTUK 3 REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: -
advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;
-
beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;
-
bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;
-
escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en
40
prostituee;
Bestaande tekst
-
exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;
-
klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;
-
prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
-
prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
-
prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;
-
seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotischpornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;
-
seksinrichting: voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf.
Nieuwe tekst AFDELING 2 VERGUNNING SEKSBEDRIJF
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:3 Vergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksbedrijf uit te oefenen. 2. Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen. 3. Op een aanvraag om een vergunning
41
wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 5. Een vergunning kan mede voor één bij het seksbedrijf behorende seksinrichting worden verleend. 6. De vergunning wordt voor vijf jaar verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:5 Maximum aantal vergunningen Er kan voor maximaal één (1) seksbedrijf en één (1) escortbedrijf vergunning worden verleend.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 3:6 Aanvraag 1. In de aanvraag om vergunning wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt aangevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a. b.
c.
de persoonsgegevens van de exploitant; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de
42
exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;
d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
e.
het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;
f.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
g.
een geldig identiteitsbewijs van de exploitant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;
h.
als van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;
i.
een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;
j.
bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;
k.
als van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;
l.
als van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met schaalaanduiding.
2. Als er een beheerder is aangesteld, is het eerste lid onder a, b, c, g en h van overeenkomstige toepassing op de beheerder. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
43
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a.
de exploitant of beheerder onder curatele staat;
b.
de exploitant of beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;
c.
de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
d.
de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
e.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
f.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
g.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
i.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van
44
€ 500,= of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1˚ bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2˚ de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3˚ artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; 4˚ de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5˚ de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6˚ de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
2.
j.
een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;
k.
de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid onder h, wordt gelijkgesteld: a.
een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
b.
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,bedraagt.
45
3.
De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
4.
Voor de berekening van de periode van vijf jaar, als bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
5.
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a.
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
b.
niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;
c.
als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;
d.
de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;
e.
als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;
f.
als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel
46
3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; g.
Bestaande tekst
als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
Nieuwe tekst Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot de vergunning 1.
2.
De vergunning vermeldt in ieder geval: a.
de naam van de exploitant;
b.
indien van toepassing, die van de beheerder;
c.
voor welke activiteit de vergunning is verleend;
d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
e.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
f.
indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
g.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
h.
de geldigheidsduur van de vergunning;