CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadscommissie 10 februari 2022, gemeente HillegomBij agendapunt: 5A: Aanvraag verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Leidsestraat 12218.945 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Waar mogelijk probeert de gemeente particulieren enthousiast te maken voor aanplant van erfbeplantingen en groene inkleding van bedrijfsgebouwen. Verplicht stellen is alleen mogelijk als sprake is van een ontwikkeling die strijdig is met het bestemmingsplan. Beschouwing en conclusie Met het initiatief wordt een voormalige bedrijfslocatie omgezet naar een kleinschalig woongebied met vijftien appartementen, waarbij de bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt. De overige gronden staan ten dienste van parkeervoorzieningen, tuinen en groenvoorzieningen. Het parkeerterrein wordt goed ingepast door ter plaatse van de erfgrenzen aan de voor- en zijkanten van het perceel een beukenhaag aan te planten. Ook worden op het parkeerterrein, waar mogelijk, bomen (inheemse soorten) aangeplant. De appartementen op de begane grond worden voorts van een tuin voorzien. Het initiatief is in lijn met het groenbeleidsplan.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 28

HOOFDSTUK 4: 4.1

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Water

Inleiding Het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen hebben in februari 2001 de “Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw” ondertekend. Hierin is vastgelegd dat de betrokken partijen de “watertoets” toepassen op alle relevante ruimtelijke plannen met waterhuishoudkundige consequenties. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van ruimtelijke plannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen in strijd met het bestemmingsplan”, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming). Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 en de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie en zelfbindend voor het Rijk.

Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem en met het waterplan worden de strategische doelen voor het waterbeheer vastgelegd. Andere overheden worden gevraagd om het Nationaal Waterplan te vertalen in hun beleidsplannen. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het plan gaat in op de thema’s waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Daarnaast zijn in het plan gebiedsgerichte uitwerkingen voor grote wateren en de zee en de kust opgenomen. Ook beschrijft het waterplan de relatie tussen water en de omgeving. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; • Nederlanders leven waterbewust. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de transformatie van een voormalige bedrijfsperceel naar een kleinschalige woongebied, waarbij de bestaande

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 29

bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt en er achter de bollenschuur nieuwbouw gerealiseerd wordt. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. (bescherming) Waterstaatkundige elementen Het projectgebied is niet gelegen binnen een beschermingszone van een watergang of waterkering. Waterkwantiteit/verharding Er is geen oppervlaktewater aanwezig op het perceel, er wordt in relatie tot het initiatief geen oppervlaktewater gedempt/gewijzigd. In de bestaande situatie is het perceel grotendeels verhard. Ook worden er in het kader van de ontwikkeling diverse bouwwerken/gebouwdelen gesloopt. Dit leidt tot de volgende balans: Bestaande toestand: Bebouwd oppervlak Verhard oppervlak Groen Nieuwe situatie Bebouwd oppervlak Verhard oppervlak Groen

893 m2 1026 m2 241 m2 452 m2 1440 m2 268 m2

Met het initiatief neemt het bebouwd oppervlak af met 441 vierkante meter. De verharding neemt toe met 424 vierkante meter. Ingevolge het bepaalde in het beleid van het waterschap is watercompensatie bij een dergelijke situatie niet nodig. Waterkwaliteit Het vuilwater zal, gelijk aan de bestaande situatie, worden afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het gebruik van uitloogbare materialen wordt vermeden. Het initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect water uitvoerbaar. 4.2

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen aan te worden getoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik en de uitvoerbaarheid van een initiatief niet in de weg staat. In het algemeen geldt dat verontreiniging van de bodem (grond en grondwater) moet worden voorkomen. Uitgangspunt is dat de bodem schoon is en dat dat zo moet blijven (zorgplicht). Voor vervuilde bodems geldt dat deze

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 30

functiegericht en kostenefficiënt gesaneerd moeten worden. Voorwaarde is dat hierbij geen verspreiding van of ontoelaatbare blootstelling aan verontreiniging optreedt. De Wet bodembescherming geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor de stof geldende streefwaarde overschrijdt. Onderzoek naar bodemkwaliteit dient gedaan te worden wanneer initiatieven uitgaan van bodemroerende activiteit, dan wel functies mogelijk maken waarbij dezelfde mensen gedurende een langere periode minstens 2 uur per dag op de betreffende gronden verblijven. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de transformatie van een voormalige bedrijfsperceel naar een kleinschalige woongebied, waarbij de bestaande bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt en er achter de bollenschuur nieuwbouw gerealiseerd wordt. Met het initiatief wordt een gevoelige functie of een verblijfsfunctie mogelijk gemaakt waarbij dezelfde mensen gedurende een langere periode minstens 2 uur per dag op de betreffende gronden zullen verblijven. Er dient derhalve onderzocht te worden dat de bodemkwaliteit toereikend is voor het beoogde gebruik. Daartoe is door onderzoekbureau Lingemilieu BV een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) , inclusief asbestanalyse (d.d.

4 mei 2021) uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem rond het pand uit bruin en licht humeus zand bestaat, overgaand in siltig, fijn en grijs zand op circa 0.5 m-mv. Tot de maximale boordiepte van 2.6 mmv zijn er geen storende of afwijkende lagen aangetroffen. In geen van de boringen is puin van betekenis waargenomen. Het enige bodemvreemde materiaal zijn wat schelpen tot een diepte van 0.5 m-mv. Er is visueel dus ook nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Grond In de zandige bovengrond worden met uitzondering van kwik geen Achtergrondwaarden overschreden. Kwik is in twee van de drie bovengrond-mengmonsters licht verhoogd, met een maximum van 1.3 mg/kg ds. De grond met 1.3 mg kwik is indicatief industrie-kwaliteit. De overige grond is AW of wonen-kwaliteit. Het kwik zal gerelateerd zijn aan het gebruik van verduurzamingsmiddelen in het verleden, bij de verwerking en conservering van bloembollen. Van de bestrijdingsmiddelen zijn DDT en de afbraakproducten DDE en DDD meetbaar verhoogd in de grond direct onder de tegels en klinkers. Gehaltes liggen echter onder de Achtergrondwaarde. Voor hexachloorbenzeen wordt wel de Achtergrondwaarde overschreden. In een mengmonster van de zandige ondergrond is DDE meetbaar, maar niet boven de Achtergrondwaarde verhoogd.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 31

Grondwater Voor geen van de stoffen uit het NEN 5740-pakket wordt in het grondwater een streefwaarde overschreden. Ook barium en kwik zijn niet verhoogd. Asbest Visueel is nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op de locatie aan de Leidsestraat. Er zijn twee mengmonsters van de relatief meest puinhoudende grond van het terrein geanalyseerd op asbest. Analytisch is door het lab in één van de twee monsters asbest aangetoond. Het gaat om twee stukjes met een grootte van 3 mm. De stukjes bestaan uit hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet en resulteren in een gewogen asbestgehalte van 0.7 mg/kg ds. Het asbest is door het lab omschreven als vlakke cementplaat. Voor asbest in grond is een interventiewaarde of hergebruiksnorm van toepassing van 100 mg/kg ds. In sommige situaties wordt ook een tussenwaarde van 50 mg/kg ds gehanteerd. Het gemeten gehalte van 0.7 mg/kg ds aan de achterzijde van het pand ligt daar ruim onder. Grond met asbestgehaltes onder de 100 mg/kg ds wordt geacht geen risico te vormen voor de volksgezondheid. Voorwaarde daarvoor is dat er geen asbestvezels kleiner dan 0.5 mm in de grond aanwezig zijn. Dat is het zogenaamde respirabele asbest, het meest risicovolle. Op het analysecertificaat is aangegeven dat dergelijk asbest niet is aangetroffen door het lab.

Met het onderzoek wordt geconcludeerd dat de kwaliteit van de grond en het grondwater van het perceel aan de Leidsestraat geen belemmering vormen voor de plannen voor ontwikkeling van de locatie. Omdat er geen tussenwaarden worden overschreden is er geen aanleiding voor verder onderzoek. Als er grond vrijkomt bij de nieuwbouw, dan wordt aanbevolen deze voor zover mogelijk op het terrein zelf her te gebruiken. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek in relatie tot het benodigde grondverzet is Omgevingsdienst West Holland, namens Gemeente Hillegom. Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect bodem uitvoerbaar.

4.3

Ecologie

Op basis van wetgeving is bepaald dat ruimtelijke initiatieven geen (onevenredige) nadelige effecten mogen hebben op eventueel voorkomende beschermde flora en fauna. Ten behoeve van de bescherming van ecologische waarden is de wet natuurbescherming van toepassing. Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Wat betreft gebiedsbescherming is er door de nieuwe wet niets veranderd behalve dat de Beschermde Natuurmonumenten niet meer zijn beschermd onder deze wet.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 32

Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 uit de Flora- en faunawet waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In de verordening van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Aardmuis, Gewone bosspitsmuis, Ree , Bastaardkikker, Gewone pad, Rosse woelmuis, Bosmuis, Haas, Veldmuis, Bruine kikker , Hermelijn, Vos, Bunzing, Huisspitsmuis, Wezel, Dwergmuis, Kleine watersalamander, Woelrat, Dwergspitsmuis, Konijn, Egel, Meerkikker.

Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de transformatie van een voormalige bedrijfsperceel naar een kleinschalige woongebied, waarbij de bestaande bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt en er achter de bollenschuur nieuwbouw gerealiseerd wordt. Om na te gaan of er nadelige gevolgen voor flora en fauna optreden is door onderzoeksbureau Mertens een quickscan beschermde planten- en diersoorten (eindrapport van maart 2021) uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is om: - De uitvoerbaarheid van het initiatief aan te tonen - Na te gaan welke, krachtens natuurwetgeving, beschermde flora en fauna zijn (potentieel)aanwezig zijn in het plangebied - Na te gaan welke negatieve effecten op kunnen treden voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep - Na te gaan of de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland Het onderzoek is opgebouwd uit een veldbezoek (uitgevoerd 23 februari 2021) en raadpleging van externe bronnen. Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn.

Er is onderzoek gedaan naar vaatplanten, zoogdieren, vleermuizen, amfibieën , reptielen, vissen, insecten, libellen, ongewervelde en vogels. Soortenbescherming Met het onderzoek wordt geconcludeerd dat negatieve effecten op beschermde soorten zijn uitgesloten. Voor de motivering van deze conclusie wordt verwezen naar het onderzoek. De zorgplicht blijft overigens onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 33

leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Hiervoor zijn de volgende maatregelen nodig: ▪ Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dieren die zichzelf niet in veiligheid kunnen brengen worden onder begeleiding van een ecoloog in veiligheid gebracht en buiten het werkgebied uitgezet. ▪ Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. ▪ Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten. ▪ Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen bij voorkeur buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en eind augustus. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Gebiedsbescherming In aanvulling op het onderzoek kan met betrekking tot de gebiedsbescherming worden gesteld dat het projectgebied geen deel uitmaakt van een gebied met een bijzondere bescherming.

Het projectgebied ligt op ongeveer 3,1 kilometer afstand van het stikstofgevoelige Natura2000-gebied Kennemerland-Zuid. Op grond van deze afstand en de geringe omvang van de ontwikkeling zijn significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het genoemde gebied uit te sluiten. De afstand van het projectgebied tot het Natuurnetwerk Nederland bedraagt 400 meter (Elsbroekerpolder). De afstand tot weidevogelleefgebied bedraagt 5,5 kilometer. Het projectgebied is niet gelegen binnen de strategische reservering natuur. Ook liggen geen karakteristieke landschapselementen binnen het projectgebied. De genoemde beschermde gebieden vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief. Houtopstanden In relatie tot het bestemmingsplan zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Stikstof Door onderzoeksbureau Veldhoven en partners is onderzocht of er vanuit het aspect stikstof als gevolg van het bestemmingsplan significant negatieve effecten kunnen ontstaan ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Voor de bouw- en de gebruiksfase is een berekening van de toename van stikstofdepositie op de beschermde Natura 2000-gebieden gemaakt.

Met behulp van Aerius (2020) is berekend wat de depositie is in de nieuwe situatie. De depositie is berekend op de volgende Natura 2000-gebieden: • Kennemerland-zuid afstand 3,1 km

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 34

De overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand van het projectgebied en zijn niet relevant. Uit de berekening van de depositie volgt dat er geen sprake is van een verhoging van de depositie op de verschillende Natura 2000-gebieden tijdens de bouw- en gebruiksfase. Er treden derhalve geen negatieve effecten op; een ontheffing is niet nodig. Conclusie Het voorliggende initiatief is daarmee in relatie tot de aspecten flora en fauna uitvoerbaar. 4.4

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Bro (artikel 3.1.6, lid 2) gewijzigd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden, die is neergelegd in de Monumentenwet 1988. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische goed in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering.

Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de transformatie van een voormalige bedrijfsperceel naar een kleinschalige woongebied, waarbij de bestaande bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt en er achter de bollenschuur nieuwbouw gerealiseerd wordt. Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zuid-Holland blijkt er dat ter plaatse en in de directe omgeving van het projectgebied geen cultuurhistorische elementen van waarde aanwezig zijn, het projectgebied is op de kaart gekwalificeerd als gebied met een zeer grote kans op archeologische sporen. Ingevolge het bepaalde in het vigerend bestemmingsplan is de bestaande bollenschuur geduid als karakteristiek pand en dient bij wijzigingen de erfgoedcommissie geraadpleegd te worden. Het doel daarbij is om de karakteristieke waarde van het pand te behouden. In het kader van dit initiatief, waarbij de bollenschuur hersteld wordt en

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 35

behouden blijft ten behoeve van een woonfunctie, is de erfgoedcommissie (Cultuurhistorisch Genootschap) geconsulteerd; het genootschap is akkoord met het initiatief. Ook geldt, zo blijkt uit de vigerende bestemmingsplanregeling, ter plaatse van een deel van het projectgebied een bijzondere bescherming ten aanzien van eventueel voorkomende archeologische waarden. In de regels is gesteld dat onderzoek naar dergelijke waarden dient te worden uitgevoerd bij werkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 meter beneden maaiveld en die tevens een (totale) terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan. Dat is het geval bij het initiatief. Daartoe is door onderzoeksbureau Transect een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek archeologie (d.d. 7 juni 2021) uitgevoerd. In het onderzoek wordt het volgende gesteld. Het projectgebied bevindt zich van origine op een strandwal(flank) met duinen van de strandwal van Voorhout. De oostelijke grens van de strandwal ‘golft’ langs de westkant van de Leidsestraat. Een recent archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat in de omgeving van het projectgebied veen is afgezet. Dit duidt op een lokale laagte die gevuld is met veen. Aan de hand hiervan is het plangebied naar verwachting reeds vanaf het Neolithicum of het begin van de Bronstijd met veen overdekt geraakt. Direct ten oosten van het plangebied heeft het veen nog een dikte van 45 cm.

De top van het veen is verdwenen en toont een gebrokte overgang naar het erboven gelegen donkerbruingrijze ophogingspakket (vanaf 100-125 cm -Mv / 0,65-0,79 m -NAP). Onder het veen kunnen eventueel nog archeologische resten worden aangetroffen. Eventuele archeologische resten onder het veen zijn namelijk afgeschermd van bodemverstoringen. Op grond hiervan bestaat een middelhoge verwachting op de periode Neolithicum tot en met Vroege-Bronstijd. Voor alle perioden tijdens de veenvorming, namelijk de Midden-Bronstijd tot en met LateMiddeleeuwen, geldt in het plangebied op basis van het bureauonderzoek een lage archeologische verwachting. Nergens in de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 m) is nog intact veen aangetroffen. Veenwinning heeft er, naar verwachting, ook in het plangebied toe geleid dat eventuele vindplaatsen in het veen zijn verdwenen. Voor alle perioden tijdens de veenvorming, namelijk de Midden-Bronstijd tot en met LateMiddeleeuwen, geldt in het plangebied op basis van het bureauonderzoek een lage archeologische verwachting. Nergens in de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 m) is nog intact veen aangetroffen. Veenontginning heeft er, naar verwachting, ook in het plangebied toe geleid dat eventuele vindplaatsen in het veen zijn verdwenen.

Tot slot zijn voor latere perioden (de Late- Middeleeuwen-B en de Nieuwe tijd) geen aanwijzingen voor bewoning in het plangebied. Historische kaarten uit de 17e eeuw tot heden tonen, voorafgaand aan de huidige bebouwing, geen bebouwing in het plangebied. Het plangebied is achtereenvolgens in gebruik geweest als bos, als weiland en voor de bollenteelt. Indien er al bewoning in deze periode heeft plaatsgevonden, zal de bollenteelt ervoor hebben gezorgd dat eventuele resten hiervan zijn verdwenen. Op basis van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting van het plangebied naar laag worden bijgesteld. Tijdens het onderzoek is geen veen aangetroffen, en zijn in het opgebrachte kalkrijke zand een bijmenging van kalkloos duinzand aangetroffen. Dit betekent dat de top van het duinzand is verstoord, hetgeen het zeer onwaarschijnlijk maakt dat er in het plangebied intacte archeologische waarden uit de periode Laat-Neolithicum – Vroege Bronstijd aanwezig zijn. Verder zijn er tijdens het onderzoek bebouwingsresten van oudere uitbreidingen

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 36

van de huidige bollenschuur aangetroffen. Gezien deze jonge datering worden deze niet als archeologisch relevant beschouwd. De verwachting is, zo wordt in het onderzoek beschreven, dat het gebied dusdanig is verstoord door ontzandingen, bollenteelt en de aangegeven recente verstoring, dat er geen intacte archeologie bedreigd zal worden door de huidige plannen. De conclusie van het bureauonderzoek/veldonderzoek is derhalve dat er in het kader van het initiatief geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke plicht deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Hillegom, Erfgoedwet 2016, artikel 5.10). Conclusie Voorliggend initiatief is in relatie tot de aspecten cultuurhistorie en archeologie uitvoerbaar.

4.5

Geluid

In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai opgenomen. Wanneer er een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd op een locatie waar momenteel geen geluidsgevoelige functie aanwezig of toegestaan is en deze locatie binnen de geluidszones van industrie, rail- of wegverkeer valt, dient middels een akoestisch onderzoek onderzocht te worden of de geluidniveaus in relatie tot de geluidgevoelige functie aanvaardbaar zijn. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de transformatie van een voormalige bedrijfsperceel naar een kleinschalige woongebied, waarbij de bestaande bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt en er achter de bollenschuur nieuwbouw gerealiseerd wordt. Met het initiatief worden woningen gerealiseerd, woningen betreffen geluidgevoelige functies in de zin van de Wet geluidhinder. De woningen zijn gelegen binnen de geluidzone van de Leidsestraat (50km/u). De projectlocatie is niet gelegen binnen de geluidzone van overige wegen, industrieterreinen of spoorwegen. Alle overige omliggende wegen maken deel uit van een 30 km-zone en zijn daarom niet zoneplichtig. Er dient derhalve onderzocht te worden of er voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde.

Voor nieuw te realiseren woningen binnen de zone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB, waarbij gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen de bebouwde kom voor niet-auto(snel)wegen een maximale ontheffingswaarde geldt van 63 dB.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 37

Door onderzoeksbureau Kragten is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 2 september 2021). Uit dit onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de oost/noord/zuidgevel van de bollenschuur als gevolg van wegverkeer op de Leidsestraat (maximaal berekend geluidniveau als gevolg van deze weg: 54 dB, inclusief 5 dB aftrek) niet gerespecteerd wordt. De berekende waarden overschrijden niet de maximale ontheffingswaarde. Onderzocht dient te worden of met toepassing van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde voldaan kan worden. Mogelijke maatregelen betreffen bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger. In het onderzoek zijn dergelijke maatregelen onderzocht, waarbij geconcludeerd wordt dat deze op overwegende bezwaren van verkeerstechnische, stedenbouwkundige en financiële aard stuiten, dan wel onvoldoende effect sorteren. Het bevoegd gezag kan derhalve op grond van de Wet geluidhinder hogere waarden vaststellen. De gemeente Hillegom verbindt aan het verlenen van een hogere waarde voorwaarden, welke verwoord zijn in het geluidbeleid van de gemeente. De gestelde voorwaarde bij vervangende nieuwbouw is dat de woningen over een geluidluwe gevel dienen te beschikken. Bij onderhavig project is dat het geval: de westgevel is geluidluw.

Geconcludeerd kan tevens worden dat, gezien de berekende geluidwaarden en uitgaande van de gevelpakketten die ingevolge het Bouwbesluit worden voorgeschreven, aan de in het Bouwbesluit gestelde binnenwaarde van 33 dB voldaan kan worden. Gezien de aanwezigheid van een geluidluwe gevel bij elk appartement en het feit dat voldaan kan worden aan de eisen ten aanzien van de binnenwaarde wordt gesteld dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Voorliggend initiatief is, na het verkrijgen van hogere waarden, in relatie tot het aspect geluid uitvoerbaar. 4.6

Lucht

Wet milieubeheer / Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in Amvb's en ministeriële regelingen. De nieuwe wetgeving kent een dubbele doelstelling: 1. De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; 2. De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig om dat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 38

De Wet luchtkwaliteit vereist een genuanceerde toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een ruimtelijk plan is in overeenstemming met de Wet luchtkwaliteit als de planvorming niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant.

Amvb Niet In Betekenende Mate en Regeling Niet In Betekenende Mate (NIBM) De Amvb NIBM en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. NIBM pro-jecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Er is een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel ‘niet in betekenende mate’) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorvloeroppervlak. Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL.

Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de transformatie van een voormalige bedrijfsperceel naar een kleinschalige woongebied met 15 appartementen, waarbij de bestaande bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt en er achter de bollenschuur nieuwbouw gerealiseerd wordt. Het initiatief blijft daarmee ver onder de grenzen van de regeling Niet in betekenende mate en heeft daarmee niet of slechts in geringe mate invloed op de luchtkwaliteit. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Raadpleging van de NSL-monitoringstool leert dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het projectgebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden worden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Voorliggend initiatief is daarmee in relatie tot het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 39

4.7

Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van 10-6/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR.

Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Externe veiligheid transport In het Besluit externe veiligheid transportroutes, dat per 1 april 2015 in werking is getreden, heeft het Rijk het beleid vastgelegd met betrekking tot de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het besluit zijn regels opgenomen voor het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de zogeheten basisnetafstanden van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Deze basisafstanden zijn vastgelegd in de Regeling Basisnet. Het besluit is onder meer van toepassing op omgevingsbesluiten, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan.

Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 40

jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een buisleiding toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de transformatie van een voormalige bedrijfsperceel naar een kleinschalige woongebied met 15 appartementen, waarbij de bestaande bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt en er achter de bollenschuur nieuwbouw gerealiseerd wordt. Het initiatief wordt conform het bepaalde in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen beschouwd als een kwetsbaar object. Er dient te worden nagegaan of dit gevolgen heeft voor de externe veiligheid. Uit een raadpleging van de risicokaart blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in de nabijheid of binnen het invloedsgebied van risicobronnen, behalve de N208. Uit de inventarisatie is gebleken dat over de provinciale weg N208 vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N208 bestaat voornamelijk uit lokaal bestemmingsverkeer. Doorgaand vervoer van gevaarlijke stoffen vindt niet over de N208 plaats.

Dit leidt tot de conclusie dat het aantal transporten van gevaarlijke stoffen beperkt zal zijn. Het vervoer van gevaarlijke stoffen kan bestaan uit zowel giftige vloeistoffen, zoals de stof TDI1 naar Draka Interfoam, als explosieve gassen, zoals LPG. Om een schatting te maken van de hoogte van de risico's is gebruik gemaakt van de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse transport (HART). De conclusie op basis van de vuistregels uit het HART is dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de N2082. Op basis van het HART wordt tevens geconcludeerd dat een groepsrisicoberekening voor de N208 niet nodig is en dat het groepsrisico minder dan 0,1 * de oriëntatiewaarde van het groepsrisico bedraagt, zowel in de huidige situatie als de toekomstige situatie.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 41

In par. 1.2.4.2 van het HART zijn vuistregels voor het groepsrisico gegeven. Voor toepassing van de vuistregels zijn de aard van de transporten, de personendichtheid, de afstand van bebouwing tot de as van de weg en de vraag of sprake is van 1- of 2-zijdige bebouwing van belang. Aan de hand van de vuistregels kan worden vastgesteld of een GR berekening nodig is. Volgens vuistregel 1 is een schatting met behulp van de handleiding alleen mogelijk indien er geen LT3, GT4 of GT5 transporten plaatsvinden. Hierbij staat LT voor toxische vloeistof en GT voor toxisch gas. Van deze categorieën is alleen LT3 mogelijk relevant. Om te bepalen of dergelijke transporten plaatsvinden is bepaald in welke categorie TDI, dat vervoerd wordt naar Draka, valt. Voor de indeling in een categorie voor toxische vloeistoffen zijn het kookpunt, de dampspanning bij 20 graden celcius (P20) en de toxiciteit bij inademing door een rat per uur (LC50) van belang (bron: Indeling in stofcategorieën. Bron: Rapport ‘Risico-inventarisatie wegtransport gevaarlijke stoffen Zeeland’, d.d. februari 2006, opgesteld door Adviesgroep Aviv).

Uit de chemiekaart voor TDI13 blijken de volgende relevante gegevens: Kookpunt: 251°C; 524°K - Dampspanning bij 20°C (P20): 0,021 mbar - Toxiciteit bij inademing door een rat per uur (LC50): 0,11 ppm Uit de indelingscriteria voor stofcategorieën blijkt dat TDI in de stofcategorie LT2 valt. Geconcludeerd wordt dat voor het maken van een inschatting van de hoogte van het groepsrisico op basis van vuistregel 1 de handleiding toegepast mag worden. Een risicoberekening met het rekenprogramma RBMII is niet nodig. Voor toepassing van vuistregel 2 is alleen het aantal GF3 transporten per jaar van belang. Uitgegaan is van 52 GF3 transporten, een tweezijdige bebouwing met een dichtheid van 100 personen/ha en een afstand van de woningen tot de wegas van 10 meter. Uit tabel 8 is af te lezen dat bij maximaal 250 GF3-transporten per jaar (bijv. LPG) het groepsrisico lager ligt dan 10 % van de oriëntatiewaarde. Een GR berekening is dan niet nodig. Bij een aantal GF3 transporten van 52 per jaar is de conclusie dat het groepsrisico lager ligt dan 0,1 * de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s binnen het projectgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het Bevt geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. De adviestaak omvat de mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omgang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Voor zover mogelijk wordt in dit hoofdstuk invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht. In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg en b.

voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 42

Bij het opstellen van de beperkte verantwoording dient tevens getoetst te worden aan het regionale beleid voor externe veiligheid, zoals vastgelegd in het Bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland uit 2014. Dit regionale beleidskader is integraal bij onderstaande beschouwing betrokken. Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met verschillende scenario's, namelijk: •

Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagon of -container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een walk. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven.

•

BLEVE-scenario BLEVE is een afkorting voor "Boiling liquid Expanding Vapour Explosion" (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard.

Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie "Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid" van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Het projectgebied is van twee kanten aanrijdbaar. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.

Het projectgebied is goed bereikbaar binnen de zorgnorm van 8 minuten.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 43

Bestrijdbaarheid per scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. lndien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt er van uitgegaan dat zij met behulp van zelfredzame personen in veiligheid kunnen worden gebracht. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof f mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3) Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden.

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 44

Eventueel aanwezige luchtbehandelingsinstallaties dienen met een handeling uitgeschakeld te worden. Aangezien het voorliggende plan nieuwbouw betreft, waar hoge eisen gesteld worden aan de luchtdichtheid van een gebouw, mag ervan uit worden gegaan dat deze panden voldoende kierdicht zijn. lndien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron of gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. Op basis van het bestaande wegennet/de bestaande omgeving kan afzijdig van de bron gevlucht worden. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. Feit blijft dat in geval van een calamiteit een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf. In het voorliggende plan wordt via het bestaande wegennet gevlucht.

Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Met het initiatief wordt geen nieuwe risicobron geïntroduceerd. Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect externe veiligheid uitvoerbaar. 4.8

Milieuzoneringen

Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient er bij ruimtelijke plannen, waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt, in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Een gelegitimeerde methode om aan deze scheiding van functies te toetsen betreft de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen B&M). In deze handreiking worden afstanden, zogeheten milieuzoneringen, tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies aangegeven waarmee wederzijdse hinder voorkomen wordt. Zo zorgt de

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 45

milieuzonering ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. De invloed van een bedrijf op de omgeving hangt op de (milieubelastende) karakteristieken van het bedrijf. In de handreiking worden daarom zes milieucategorieën met de daarbij behorende richtafstanden onderscheiden (zie tabel). Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van de hinderaspecten geluid, stof, gevaar en geur. Voorts wordt onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. De gedachte daarbij is dat gebieden met gemengde functies hogere achtergrondwaarden voor wat betreft de hinderaspecten kennen, waardoor milieubelasting van een specifiek bedrijf meer op zal gaan in de omgeving en minder snel als hinder zal worden ervaren. Milieucategorie

Richtafstanden tot rustige woonwijk 1 10 meter 2 30 meter 3 50 tot 100 meter 4 200 tot 300 meter 5 500 tot 1000 meter 6 1500 meter Afbeelding: Richtafstanden per milieucategorie.

Richtafstanden tot gemengd gebied 0 meter 10 meter 30 tot 50 meter 100 tot 200 meter 300 tot 700 meter 1000 meter

De VNG-publicatie voorziet in richtafstanden. Deze richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Door middel van een gedegen op een specifieke situatie toegespitste onderbouwing kan gemotiveerd van deze richtafstanden worden afgeweken. Voorts dienen bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer/Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan de daarin opgenomen voorschriften te voldoen. Deze voorschriften dienen onder andere ter regulering van de hinder voor de omgeving en kunnen daarmee relevant zijn voor de beschouwing van hindersituaties. Beschouwing Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de transformatie van een voormalige bedrijfsperceel naar een kleinschalige woongebied met 15 appartementen, waarbij de bestaande bollenschuur met behoud van karakteristieke waarden herbouwd wordt en er achter de bollenschuur nieuwbouw gerealiseerd wordt. Woningen betreffen gevoelige functies welke bescherming genieten in relatie tot hinderfuncties.

In de directe omgeving van het projectgebied zijn bedrijfsfuncties gelegen, namelijk een aannemersbedrijf aan de Leidsestraat 126, een bedrijfsverzamelpand aan de Leidsestraat 124 (een administratiekantoor, een beveiligingsbedrijf, een ontwikkelingsbedrijf en een bedrijf voor decoratief stucwerk) en een glastuinbouwbedrijf ten westen van het projectgebied. Voor het aannemersbedrijf (milieucategorie 3.2) aan de Leidsestraat 126 bestaat volgens de VNG-brochure een richtafstand van 50 meter, welke gezien het gemengde karakter van de

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 46

omgeving verlaagd mag worden naar 30 meter. Deze afstand wordt gerespecteerd: de voorziene woningen zijn op 30 meter gelegen. Voorts wordt aangedragen dat er in 2018 in het kader van de uitbreiding van dit aannemersbedrijf een akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar industrielawaai/milieuzonering in relatie tot de woningen aan de Leidsestraat 128 en 132. De conclusie van dit onderzoek is dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien deze woningen op veel kortere afstand tot het bedrijf gelegen zijn en dichterop de geluidbronnen van het bedrijf gelegen zijn dan het projectgebied, kan gesteld worden dat er ter plaatse van het projectgebied ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het projectgebied wordt daarbij ook afgeschermd door het tussenliggende pand aan de Leidsestraat 124. Met betrekking tot het bedrijfsverzamelpand aan de Leidsestraat 124 kan het volgende gesteld worden. Ter plaatse is zijn bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 2 toegestaan. De bijbehorende richtafstand betreft 30 meter, welke binnen een gemengd gebied (waarvan ter plaatse sprake is) teruggebracht mag worden tot 10 meter. Aan deze afstand wordt voor wat betreft de afstand van gevel tot gevel voldaan, de onbebouwde gronden van het bedrijfsperceel grenst echter direct aan het projectgebied.

Daartoe is door onderzoeksbureau Windmill een onderzoek industrielawaai/milieuzonering (2 september 2021) uitgevoerd om de optredende geluidniveaus ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten in beeld te brengen. Het doel van het onderzoek is om inzicht te geven in de geluidemissie van de inrichting naar de directe omgeving. Hiertoe is de geluiduitstraling van de bedrijvigheid berekend op basis van de representatieve bedrijfssituatie en (akoestische) ervaringscijfers, opgedaan bij vergelijkbare inrichtingen. Het onderzoek heeft als doel om te onderbouwen dat ter plaatse van de relevante gevoelige functies in de directe omgeving van het projectgebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan bestaan. Ten behoeve van de ruimtelijke afweging wordt aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. Naast de systematiek van de VNG wordt in het onderzoek tevens getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van de nieuwe woningen ten hoogste 46 dB(A) in de dagperiode, 39 dB(A) inde avondperiode en 37 dB(A) in de nachtperiode (47 dB(A) etmaalwaarde) bedraagt.

De richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie wordt hiermee gerespecteerd. Tevens wordt voldaan aan de standaard normstelling van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ten aanzien van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) is sprake van een goed woon- en leefklimaat Het maximale geluidniveau (LAmax) ter plaatse van de planlocatie bedraagt ten hoogste 75 dB(A) in de dagperiode en 58 dB(A) in de avondperiode. De richtwaarde van 70 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie wordt in de dagperiode niet gerespecteerd. In stap 3 worden piekgeluiden vanwege aan- en afrijdend verkeer buiten beschouwing gelaten. Geconcludeerd wordt dat, gezien de relevante pieken optreden vanwege de voertuigen, wel wordt voldaan aan stap 3 van de VNG-publicatie. In de nachtperiode vinden geen relevante activiteiten plaats

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 47

Door het bevoegd gezag dient te worden afgewogen of de geluidniveaus acceptabel kunnen worden geacht. Er dient dan nader te worden gemotiveerd dat hogere geluidniveaus kunnen worden toegestaan (stap 3 VNG-publicatie). Argumenten om hogere geluidniveaus toe te staan, zijn: - De optredende geluidniveaus worden veroorzaakt door voertuigen (personenauto’s, bestelauto’s). De voertuigen zijn van derden. De inrichtinghouder heeft geen invloed op de geluidemissie van voertuigen van derden. De voertuigen betreffen normale en moderne transportmiddelen die conform de huidige stand der techniek zijn uitgevoerd. Bronmaatregelen zijn niet realistisch. - Overdrachtsmaatregelen zijn niet realistisch en niet wenselijk. Dit zou betekenen dat er een scherm op het inrichtingsterrein zou moeten worden geplaatst. Een dergelijk scherm is vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk en belemmert bovendien de bedrijfsvoering van de inrichting. - De richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie worden alleen in de dagperiode overschreden. In de avond- en nachtperiode worden de richtwaarden wel gerespecteerd. Hierdoor vindt geen slaapverstoring plaats. - Er wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, waardoor de inrichting niet beperkt wordt in zijn akoestische milieubelangen. - De optredende piekniveaus treden maar een beperkt aantal keren per dag op.

Bovendien is de stijgsnelheid van de optredende piekniveaus minimaal, waardoor schrikreacties beperkt zijn. - Om te voldoen aan een binnenniveau van 55 dB(A) dient ter plaatse een minimale gevelgeluidwering te worden behaald 75 – 55 = 20 dB(A). Aangezien er sprake is van nieuwbouw wordt, op basis van het Bouwbesluit, minimaal voldaan aan de geluidweringseis van 20 dB(A). Bij beoordeling aan het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn maximale geluidniveaus vanwege laad- en losactiviteiten in de dagperiode (07:00-19:00 uur) niet van toepassing. Het maximale geluidniveau (LAmax) (exclusief laden/lossen) ter plaatse van de bestaande woningen bedraagt ten hoogste 58 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot de toegestane bedrijvigheid aan de Leidsestraat 124 en dat de gevestigde bedrijven niet belemmerd worden in de activiteiten als gevolg van de komst van de woningen. Voor wat betreft het ten westen van het projectgebied gelegen glastuinbouwbedrijf (Fersflowers) wordt het volgende gesteld. Conform de systematiek van de VNG-brochure kan voor kassen van een tuinbouwbedrijf een richtafstand worden aangehouden van 30 meter (voor het aspect geluid en 10 meter voor geur en stof).

Gesteld wordt dat het projectgebied deel uitmaakt van gemengd gebied waarmee de richtafstand voor geluid tot 10 meter verkleind kan worden. De kassen zijn gelegen op een afstand van 5,2 meter van de beoogde woningen (de nieuwbouw achter de bollenschuur). Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand. In relatie tot alle hinderaspecten wordt aangedragen dat de appartementen uitgevoerd worden met een WTW-ventilatiesysteem. Het raam in de kopgevel, de gevel die het dichtst bij het glastuinbouwbedrijf gelegen is, betreft een vast raam: er is daarmee sprake van een dove gevel. De luchtaanzuig van het ventilatiesysteem is op het dak gelegen en bevindt zich minimaal 10

Ruimtelijke onderbouwing Leidsestraat 122, te Hillegom

Pagina 48

meter uit de erfgrens. Door deze opzet wordt de kans op eventuele hinder van geluid/stof/geur/gewasbeschermingsmiddelen sterk gereduceerd. Voor wat betreft het aspect geluid kan aanvullend gesteld worden dat de relevante geluidbronnen van het glastuinbouwbedrijf, zoals de technische installaties, de verwerkingsruimten en de laaden losactiviteiten, op grotere afstand van de woningen gelegen zijn. Zo is de binnen de kas gelegen technische installatie op minimaal 16 meter afstand gelegen en zijn de laad/losactiviteiten op minimaal 60 meter afstand gelegen. Deze afstanden zijn ruim groter dan de richtafstand van 10 meter. Met het oog op deze afstanden en het feit dat de bestaande woonpercelen aan de Leidsestraat 116 t/m 120a op kleinere of gelijke afstand van de kassen gelegen zijn, wordt gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan bestaan met het oog op geluid. Voor wat betreft stof, geur en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt het volgende aangedragen. De kassen beschikken over dakdelen die geopend kunnen worden. Deze te openen delen zijn op 3 meter van de rand van de kas gelegen en daarmee op 8,2 meter van de kopgevel van het appartementengebouw. De dakdelen dienen om het klimaat in de kas te reguleren en om te voorkomen dat het te warm in de kas wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1440/documents/17838