3. Bestemmingsplan 3e Loosterweg 130 e.o. Hillegom.pdf
Tekst van het document
4.4
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Bij brief van 25 juni 2013 heeft de waterbeheerder laten weten geen opmerkingen te hebben op deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan Provinciale Verordening Ruimte Provinciale Structuurvisie Waterschapsbeleid Waterbeheerplan 2016‐2021 Voor de planperiode 2016‐2021 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De ambitie voor Rijnland is het samen werken aan droge voeten en schoon water. Dit wordt gedaan door zich te richten op de volgende zaken: waterveiligheid, voldoende water, schoon en gezond water en de waterketen. Wat betreft waterveiligheid gaan de doelen om preventie, gevolgbeperking en voorbereiding op calamiteiten. Om voor voldoende water te zorgen zorgt het Hoogheemraadschap er voor dat de waterpeilen kloppen, dat het watersysteem instand gehouden wordt, de gevolgen van wateroverlast beperkt worden en dat er voldoende zoetwater beschikbaar is. Schoon en gezond water is belangrijk voor zowel de mens, natuur als bedrijven.
De doelen die hiermee samenhangen, richten zich op het verminderen van watervervuiling, het ecologisch beheren en onderhouden van de watersystemen, het realiseren van schone meren, plassen en natuurgebieden en het schoon en veilig maken van zwemwaterlocaties. De ambitie voor de waterketen is het optimaliseren
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
38
van de verwerking van afvalwater en het hergebruiken van grondstoffen. Het Waterbeheerplan 2016‐ 2021 van Rijnland is te vinden op de website: www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan. Keur en Uitvoeringsregels 2015 Per 10 juni 2016 is een nieuwe gewijzigde Keur in werking getreden. Bij het opstellen van deze Keur is een andere aanpak gebruikt. Er gelden minder regels voor burgers, bedrijven en Rijnland en het aantal vergunningen en meldingen is ongeveer gehalveerd. Zo geeft Rijnland verantwoordelijkheid, flexibiliteit en vertrouwen waar dat kan, maar stelt regels waar dat moet. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod‐ en verbodsbepalingen) om binnen het beheergebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoon oppervlaktewater te bieden. Het belangrijkste onderdeel van de keur is hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk heeft Rijnland vastgelegd op welke wijze handelingen die invloed hebben op het functioneren van het watersysteem worden gereguleerd. Het gaat hierbij om regulering via een zorgplicht, algemene regel, vergunningplicht of een absoluut verbod. Dit houdt in dat handelingen in het watersysteem in eerste instantie via de zorgplicht gereguleerd worden. Als er redenen zijn om handelingen zwaarder te reguleren, via een algemene regel of vergunningplicht, wordt dat uitgelegd in de regelgeving.
In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De Keur en Uitvoeringsregels van Rijnland zijn te vinden op de website: www.rijnland.net/regels/keur‐en‐uitvoeringsregels. Gemeentelijk beleid Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016‐2020 In de zomer van 2014 hebben beide betrokken organisaties het waterplan geëvalueerd. Wij hebben gezamenlijk besloten geen nieuw waterplan op te stellen. De doelen zijn bereikt en er is een goede basis voor samenwerking. De onderlinge samenwerking wordt voortgezet via: GRP; Clusteroverleg samenwerking in de afvalwaterketen; Reguliere ambtelijke overleg Hillegom ‐ Rijnland; Gezamenlijk optrekken bij nieuwbouwplannen van projectontwikkelaars (watertoets). Huidige situatie Algemeen Het plangebied is gelegen ten westen van de 3e Loosterweg, ten westen van de dorpskern Hillegom in de gemeente Hillegom. In de huidige, planologische situatie bestaat het plangebied uit een bollenteeltbedrijf inclusief bedrijfswoning en bijbehorende teeltgronden. Het plangebied ligt in het peilgebied “De Zilk” met bijbehorend zomerpeil van ‐0.61 NAP en winterpeil van ‐0.75 NAP. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem in het plangebied uit zandgrond. Er is sprake van grondwatertrap II.
Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,25 en 0,4 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
39
Figuur 4.1 ‐ Bodemsoort en grondwatertrap in het plangebied (www.bodemdata.nl). Waterkwantiteit Ten westen en oosten van het plangebied zijn watergangen aanwezig. Deze watergangen betreffen allen polderwateren en behoren niet tot de KRW‐waterlichamen. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern‐/beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioleringsstelsel. Toekomstige situatie Algemeen De ontwikkeling in het plangebied bestaat uit de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing inclusief bedrijfswoning aan de 3e Loosterweg 126 en de realisatie van 2 burgerwoningen. Waterkwantiteit Bij een toename in verhard oppervlak dient volgens de eis van het waterschap 15% van deze toename (vanaf 500 m2) te worden gecompenseerd in functioneel open water. Binnen het plangebied zal 3.000 m2 verharding verwijderd worden. Ter vervanging hiervan zullen twee burgerwoningen gerealiseerd worden met een maximaal verhard oppervlak ruim onder de 3.000 m2. Door de ontwikkeling zal de verharding dus niet toenemen. Watercompenserende maatregelen zijn derhalve niet noodzakelijk.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's‐houdende bouwmaterialen voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
40
Constructies in, op of nabij een waterkering vormen een potentieel gevaar voor de primaire functie van de waterkering. Niet alleen kan bebouwing het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden, ook kan het toekomstige dijkverzwaring in de weg staan. Het waterkerend vermogen van een dijk wordt bepaald door de kruinhoogte, de fundering, alsmede de stabiliteit en de waterdichtheid van het beklede dijklichaam. De aanwezigheid van bebouwing kan de faalmechanismen en daarmee het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden. Het hoogheemraadschap heeft daarom bouwactiviteiten in de waterkering in haar Keur in beginsel verboden. Indien activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met het belang van de kering (bijvoorbeeld bouwwerken, kabels en leidingen, verhardingen, beplantingen, etc.) moet een watervergunning op basis van de Keur aangevraagd worden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Omdat het waterkeringbelang niet het enige belang is en bouwwerken in sommige gevallen verenigbaar zijn met een veilige waterkering, kan het hoogheemraadschap via een vergunning ontheffing verlenen van dit verbod. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is.
De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel 1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; 2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht; De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron.
Preventie heeft de voorkeur boven 'end‐of‐pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld: duurzaam bouwen; het toepassen van berm‐ of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand‐slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
41
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end‐of‐pipe'‐aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.5
Ecologie
Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura 2000‐gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000‐gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij‐principe', wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
42
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; • overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.
De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natura 2000‐gebied Kennemerland‐Zuid ligt circa 2 km ten noordwesten van het plangebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
43
Figuur 4.2 ‐ Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo‐loket provincie Zuid‐Holland) Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het plangebied ligt ongeveer 2 km van het Natura 2000‐gebied Kennemerland‐Zuid. Er is een AERIUS berekening gemaakt van de realisatie‐ en gebruiksfase. Uit deze berekening blijkt dat de stikstofdepositie 0,00 mol N/ha/jaar is. Dit betekent dat er geen significante negatieve effecten zijn op de Natura 2000 gebieden. Het aspect gebiedsbescherming is geen belemmering, zie ook bijlage 8. Soortenbescherming Op 27 juni 2019 is een bezoek gebracht aan het plangebied 3e Loosterweg 130 te Hillegom en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten‐ en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. De quickscan beschermde planten‐ en diersoorten is opgenomen in bijlage 7. Flora Het plangebied is volledig in cultuur gebracht en voor een deel bestaande uit een akker. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten.
Vleermuizen Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er sporadisch gewone dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (pioniervegetatie, openheid). Het plangebied en directe omgeving is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. Effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen in het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde overige zoogdieren uitgesloten. Mogelijk komen in het plangebied (rond en in de haag) bosmuis, veldmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Zuid‐Holland.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
44
Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 27 juni 2019 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust‐ en verblijfplaatsen. In de haag foerageren en verblijven wel huismussen die in de aangrenzende bebouwing broeden. Een deel van de haag rond de akker blijft behouden. Rond de woningen komt ook weer nieuw foerageergebied. Negatieve effecten op vogels met vaste rust‐ en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals kievit, scholekster en merel, fitis, roodborst en winterkoning. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen en/of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied (ontbreken oppervlaktewater) en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Door binnen het plangebied geen waterplassen te laten ontstaan in de aanlegfase, kan vestiging van de rugstreeppad in de aanlegfase volledig worden uitgesloten.
In het plangebied komen mogelijk de gewone pad, grote groene kikker en bruine kikker voor. Mogelijk ook de kleine watersalamander. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Zuid‐Holland. Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en direct rond het plangebied van de te slopen opstallen, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten. Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen. Conclusie Op grond van de uitgevoerde quickscan kunnen effecten op beschermde planten‐ en diersoorten worden uitgesloten. De bouw en het gebruik van een tweetal woningen aan de 3e Loosterweg 130 te Hillegom is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
45
4.6
Archeologie en cultuurhistorie
Beleid en normstelling Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. De gemeente Hillegom baseert zich in het opstellen van regels t.a.v. archeologie op een archeologische waarden‐ en verwachtingenkaart. Recentelijk is de archeologische waarden‐ en verwachtingenkaart van Hillegom geactualiseerd.
Dit is vastgelegd in het rapport: Wink, K. e.t. 2014: Toelichting op de archeologische verwachtings(waarden) kaart en beleidskaart Gemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom, Weesp (Raap‐rapport 2852). Het plangebied valt in drie verschillende zones (zie figuur 4.3): hoge archeologische verwachting; middelhoge archeologische verwachting; lage archeologische verwachting.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
46
Figuur 4.3 ‐ Uitsnede Archeologische verwachtingskaart. Volgens de archeologische beleidskaart (zie figuur 4.4) worden voor deze zones de volgende regels gehanteerd in ruimtelijke plannen, waarbij archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen groter dan: 250 m2 en dieper dan 30 cm (hoge verwachting); 500 m2 en 100 cm (middelhoge verwachting); 1000 m2 en 30 cm (lage verwachting).
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
47
Afbeelding 4.4 ‐ Uitsnede Archeologische beleidskaart. Toetsing Ingevolge de archeologische beleidskaart van de gemeenten Hillegom, Lisse en Noordwijkerhout maakt het perceel aan de 3e Loosterweg 130 deel uit van deel uit van een deels afgegraven strandwal (kalkloze top) en wordt het daardoor gerekend tot een gebied met een middelmatige archeologische verwachting vanaf het neolithicum (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 5). Voor de gronden met een middelmatige archeologische verwachting geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 100 cm ‐mv en groter dan 500 m² verkennend archeologisch onderzoek naar fossiele bodems is vereist.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
48
De oppervlakte en de omvang van de bebouwing ter plaatse van de bestemming 'Wonen' is in dit stadium nog niet bekend. Omdat er vanuit gegaan wordt dat de oppervlakte van de bebouwing de 500 m2 grens niet overschrijdt, is een verkennend archeologisch onderzoek in dit stadium niet noodzakelijk. Echter, omdat op basis van de bouwregels geen oppervlaktebeperking voor de bebouwing is opgenomen, wordt er een dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 7' opgenomen om te voorkomen dat als gevolg van voortschrijdend inzicht het aspect archeologie de ontwikkeling niet uitvoerbaar maakt. Het perceel aan de 3e Loosterweg 126 maakt gedeeltelijk deel uit van drie zones in de oude duinen en strandwallen: ingesloten strandvlakte met veen, mogelijk duin‐ en strandwalresten en wordt het daardoor gerekend tot een gebied met een lage archeologische verwachting vanaf het neolithicum (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 8); duinen en strandwallen en wordt het daardoor gerekend tot een gebied met een hoge archeologische verwachting vanaf het neolithicum (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 5); deels afgegraven strandwal (kalrijke top) en wordt het daardoor gerekend tot een gebied met een middelhoge archeologische verwachting vanaf het neolithicum (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 7). Op dit perceel wordt geen nieuwe bebouwing opgericht.
Echter, wordt er een dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 5, 7 en 8' opgenomen voor eventuele toekomstige bodemingrepen. Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeenten Hillegom, Lisse en Noordwijkerhout kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie de ontwikkeling vooralsnog niet in de weg staat. Ter bescherming van de archeologische verwachtingswaarden worden drie dubbelbestemmingen opgenomen.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa: een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon‐ en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
49
Onderzoek Onderzocht dient te worden of de realisatie van de twee woningen inpasbaar is ten opzichte van de omliggende bedrijvigheid, zodat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden aangetast. Ten zuiden van het plangebied is een kwekerij van vaste planten gevestigd. Een dergelijk bedrijf kan worden gezien als tuinbouwbedrijf en is op basis van de VNG‐publicatie ingedeeld in milieucategorie 2 en heeft een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De afstand vanaf de rand van het bouwvlak van de kwekerij en de rand van het bouwvlak van de dichtstbijzijnde beoogde woning is meer dan 30 meter (figuur 4.5). Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. De afstand tot de bedrijfsgebouwen is circa 44 meter.
Figuur 4.5 Ligging plangebied ten opzichte van omliggende bedrijvigheid Industrielawaai Zoals vermeldt, wordt aan de richtafstand voldaan. Hierdoor is er geen sprake van beperking van de kwekerij aan de 3e Loosterweg 130. Daarnaast vinden de activiteiten van de kwekerij met name inpandig plaats en gedurende de dagperiode. Van belang is daarnaast dat de laad‐ en losplaatsen zijn gelegen op meer dan 75 meter van de beoogde woningen (figuur 4.6). Met een aanvullende onderbouwing voor het aspect geluid, zoals opgenomen in bijlage 9, wordt dit nogmaals bevestigd. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen ten aanzien van het aspect geluid. Opslag wortelresten Op het bedrijf vindt geen compostering plaats waarbij het composteringsproces actief wordt gestimuleerd. Er is uitsluitend sprake van opslag van wortelresten ter plaatse van de westzijde van het bedrijf (figuur 4.6). Bij het opslaan van de wortelresten kan in lichte mate van geuremissie ontstaan. Echter, gezien de grote afstand (meer dan 100 meter) is ter plaatse van de beoogde woningen geen geurhinder te verwachten. Tevens wordt voldaan aan de vaste afstand van 50 meter die geldt vanuit het Activiteitenbesluit.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
50
Figuur 4.6 Ligging laad‐ en losplaatsen (blauwe cirkels) en opslagplaats wortelresten (groene cirkel) Spuitzones De omliggende gronden zijn bestemd als agrarisch zonder specifieke aanduiding bomenteelt of teeltondersteunende voorzieningen. Derhalve zijn fruitboomgaarden op basis van de huidige bestemming niet toegestaan. Op de omliggende gronden is vollegrondsteelt (o.a. bloembollen en teelt van vaste planten) mogelijk waarbij mogelijk sprake kan zijn van intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Sinds 1 januari 2018 is een driftreductie van 75% verplicht op basis van het Activiteitenbesluit. Van belang is dat anders dan wanneer gewasbeschermingsmiddelen in de bomen‐ of fruitteelt worden toegepast, bij vollegrondsteelt nauwelijks sprake van een spuitnevel vanwege de geringe spuithoogte. Rondom de woningen wordt een bladhoudende windhaag van 1,5 meter gerealiseerd. De windhaag heeft een afschermend effect en zal eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen tegenhouden. Middels een voorwaardelijke verplichting die is opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat deze haag wordt aangelegd. Gezien het voorgaande zijn er geen gezondheidsrisico's ter plaatse van de beoogde woningen te verwachten als gevolg van gewasbeschermingsmiddelen. Conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstanden.
Ter plaatse van de beoogde woningen is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Ook worden omliggende bedrijven niet aangetast in hun bedrijfsvoering. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.8
Externe veiligheid
Beleid en toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
51
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10‐5 per jaar en de streefwaarde 10‐6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10‐6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Vooruitlopend op de vaststelling van het BTEV wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
52
Onderzoek In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Er vindt tevens geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door buisleidingen, over de weg, het spoor en/of water. Nader onderzoek naar deze aspecten is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.9
Schiphol
Luchthavenindelingbesluit Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib) is een besluit op basis van de Luchtvaartwet. Het Lib regelt welk gebied bestemd is voor gebruik als luchthaven en voor welk gebied daaromheen beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Het Lib geeft regels voor gebruik en bestemming van de grond in deze gebieden. Op basis van het Lib kan de Rijksoverheid beperkingen opleggen aan bouwinitiatieven in zones rondom de luchthaven Schiphol. Primaire doelen zijn: voorkomen dat het gebruik van de grond en de bebouwing op en rond Schiphol een gevaar zou kunnen vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer; beperken van het aantal nieuwe en bestaande door vliegtuiggeluid gehinderde bewoners en gebruikers. De minister van Infrastructuur en Milieu kan een verklaring van geen bezwaar geven, zodat nieuwe bebouwing of functiewijziging toch mogelijk is. De ruimtelijke consequenties van de gewijzigde Wet Luchtvaart worden weergegeven in het Lib. In dit Besluit wordt een beperkingengebied aangegeven. Hierin worden beperkingengebieden ten aanzien van Schiphol weergegeven met betrekking tot externe veiligheid, geluidsbelasting, hoogtebeperkingen en vogelaantrekkende werking. Onderzoek Het plangebied is gelegen in het beperkingengebied van bijlage 2.
De planlocatie valt buiten het beperkingengebied bebouwing van het Lib die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 1 t/m 5 zijn aangewezen. Volgens bijlage 4 geldt op de planlocatie wel een toetshoogte van 146 m NAP. Het initiatief is hiermee niet in strijd. Conclusie De ontwikkeling valt buiten het beperkingengebied bebouwing (bijlage 3) van het vigerende Luchthavenindelingbesluit Schiphol. Daarnaast is het bouwplan niet in strijd met de hoogtebeperkingen ter plaatse. Derhalve is het bouwplan in overeenstemming met het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.
4.10
Kabels en leidingen
In het plangebied ligt een regionale watertransportleiding (500 mm Nodulair transportwaterleiding). Bij de leiding hoort een belemmeringenstrook van 4 m aan weerszijden van de leiding. De leidingbeheerder gaat niet akkoord met een smallere belemmeringsstrook. Het doel van de belemmeringsstrook is dat er geen activiteiten plaats kunnen/mogen vinden zonder toestemming van Dunea, om daarmee schade (en daardoor een onderbreking van de levering van drinkwater) aan de leiding te voorkomen. De belemmeringenstrook biedt zekerheid voor een onbelemmerde exploitatie van drinkwater. Het borgt de bereikbaarheid van de leiding voor het beheren van de leiding, tijdens reparaties indien er een storing is en indien het nodig is de leiding te vervangen.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
53
Voor deze ontwikkeling is bekeken of de waterleiding verplaatst kan worden, zodat de woningen anders gesitueerd kunnen worden op het perceel. De kosten hiervoor zouden circa € 110.000 zijn, waardoor het plan economisch niet uitvoerbaar is. Om deze reden is ervoor gekozen om de woningen buiten de belemmeringsstrook te situeren. De belemmeringenstrook van 4 m aan weerszijden van de leiding is aangegeven op de verbeelding met een dubbelbestemming. Binnen deze strook vinden geen ontwikkelingen plaats. De enkelbestemmingen, waarbinnen de leidingstrook loopt, bieden geen mogelijkheid tot het bouwen van gebouwen. Voorts mogen er op grond van de dubbelbestemming 'Leiding ‐ Water' geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, dan wel werkzaamheden worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning. Bij verlening van een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het leidingbelang, dat door eventuele ontwikkelingen niet onevenredig mag worden geschaad. Binnen het plangebied zijn verder geen andere planologisch relevante kabels of leidingen gelegen.
4.11
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Normstelling Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/u‐wegen en woonerven‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. Eveneens zijn specifieke criteria en voorwaarden vanuit het Hogere waarde beleid van de omgevingsdienst West‐Holland (2013) meegewogen in het onderzoek. Onderzoek Rekenmethodiek De voorgenomen woningen zijn gelegen binnen de geluidzone van de 3e Loosterweg. Akoestisch onderzoek ten gevolge van het verkeer op de 3e Loosterweg is noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode II (SRM II) conform het Reken‐ en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3. In deze paragraaf worden kort de uitgangspunten en conclusies beschreven. Invoergegevens Verkeersgegevens van de 3e Loosterweg zijn verleend door de Omgevingsdienst West‐Holland. Dit bestaat uit een shapefile met verkeersintensiteiten en voertuig‐ en etmaalverdelingen van het prognosejaar 2030. Gerekend is met een gemiddelde weekdagintensiteit van 3.144 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal). Met een verkeersbesluit (bijlage 4) is de situatie ter hoogte van het perceel 118 en verder in noordelijke richting van 60 km/u gewijzigd naar een 30 km‐zone.
In zuidelijke richting, voorbij het kruispunt met het plateau (ter hoogte van het planvoornemen), is de overgang naar de wettelijke snelheid van 60 km/u. Deze wettelijke snelheden zijn in het akoestisch model toegepast. De wegdekverharding van de 3e Loosterweg bestaat uit dicht asfaltbeton, in het model aangeduid als referentiewegdek. Vanwege de maximale bouwhoogte van 9 meter (en maximale goothoogte van 6 meter) zijn de berekeningen uitgevoerd op de mogelijkheid van 3 bouwlagen. De geluidbelasting is berekend op +1,5 meter van iedere verdiepingsvloer, waarbij is uitgegaan van een gemiddelde bouwlaag van 3 meter hoog. De geluidbelasting is berekend op +1,5 / +4,5 / +7,5 meter hoogte.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
54
Resultaten Op de woonbestemming zijn twee bouwvlakken opgenomen. Toetspunten zijn op de randen van beide bouwvlakken geplaatst, zie ook bijlage 3. De geluidbelasting van de 3e Loosterweg op de voorgevels is opgenomen in tabel 4.1. De geluidbelasting op de overige gevels zijn te raadplegen in de bijlage. Tabel 4.1 Geluidbelasting voorgevels in dB Hoogte Woningen toetspunten Noordelijk bouwvlak 1 (+1,5 m) 2 (+4,5 m) 3 (+7,5 m) Zuidelijk bouwvlak 1 (+1,5 m) 2 (+4,5 m) 3 (+7,5 m) * inclusief 5 dB aftrek artikel 110g Wgh
Geluidbelasting voorgevels in dB* 52 dB 53 dB 53 dB 52 dB 53 dB 53 dB
De geluidbelasting op de woningen bedraagt maximaal 53 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, de maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet. Overschrijding voorkeursgrenswaarde Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden is onderzoeksplicht noodzakelijk volgens de Wgh. Maatregelen zijn onderzocht aan de bron en in het overdrachtsgebied. Uit het onderzoek (bijlage 3) blijkt dat maatregelen stuiten op bezwaren van verkeerskundige, stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Naast de onderzoeksverplichtingen uit de Wgh heeft de omgevingsdienst een meer specifiek hogere waarde beleid. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de voorwaarde 'nog niet geprojecteerde woningen buiten de bebouwde kom die verspreid gesitueerd worden'. Tevens wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet overschreden en zijn op beide bouwvlakken stille gevels/randen berekend (<48 dB), waardoor het geluidbeleid de beoogde woningen niet in de weg staan. Conclusie De geluidbelasting op de twee bouwvlakken is berekend op maximaal 53 dB, op de voorgevels. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zijn niet mogelijk geacht. Omdat de maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet wordt overschreden en aan de voorwaarden van het hogere waarde beleid wordt voldaan, kan voor beide woningen een hogere waarde worden verleend.
De burgemeester en wethouders van de gemeente Hillegom dienen voor beide woningen een hogere waarde van 53 dB te verlenen, zie tabel 4.2. Tabel 4.2 Hogere grenswaarde Aantal woningen Hogere grenswaarde 2 53 dB
Bron 3e Loosterweg
Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling van de twee woningen niet in de weg.
4.12
Railverkeer
Ten westen van het plangebied ligt de spoorlijn Haarlem ‐ Leiden. Geluidszone van de spoorlijn bedraagt 300 m. Het plangebied is buiten de 300 m brede geluidszone van de spoorlijn gelegen. Akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai kan dan ook achterwege blijven.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
55
4.13
Luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 2 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2018 (http://www.nsl‐ monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N442. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
56
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.14
Besluit milieueffectrapportage
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het betreft hier een locatie aan de 3e Loosterweg 126, gelegen in het buitengebied van Hillegom, waar tot voor kort een bedrijfscomplex met bedrijfswoning aanwezig was. De bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning zijn gesloopt. De totale gesaneerde bebouwing had een oppervlakte van 1.100 m2. Aan de rand van de locatie worden twee woningen gebouwd, waarvan één woning ter vervanging van de gesloopte bedrijfswoning. De woningen worden gerealiseerd in het verlengde van het bestaande lint van woningen.
Het vervangen/herbouwen van de voormalige bedrijfswoning en het realiseren van één extra woning is te kleinschalig om deze ontwikkeling te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld met categorie D 11.2 in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r.. Evenals in de uitspraak van de Raad van State d.d. 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van twee woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject (zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van bijlage D onderdeel van het Besluit milieueffectrapportage). Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met beperkte bebouwing op het perceel. Dit betekent dat, gelet op de aard en omvang, dit plan niet hoeft te worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan het voormalige agrarische bouwvlak met de bedrijfswoning weg bestemd. Dit terrein krijgt dezelfde agrarische bestemming als de omliggende gronden, namelijk bollenteelt. De omvang van het nieuwe bollenterrein bedraagt ongeveer 8.000 m2. Daarnaast is het terrein omgeven door gronden die reeds zijn bestemd voor de bollenteelt.
Gegeven de omvang van dit terrein en de drempelwaarde voor de uitbereiding van bloembollengebied (D9) van 50 ha en de ligging van het terrein is ook dit gedeelte van het project ook te kleinschalig om te beschouwen als een project bedoeld met categorie D 9 in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r.. De verwachting is dus dat dit plan geen belangrijke nadelige effecten voor het milieu met zich mee brengt. De effecten op het milieu worden voldoende beschreven in de voorgaande paragrafen.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
57
4.15
Duurzaamheid
Om duurzaamheid in nieuwbouwplannen te borgen en inzichtelijk te maken gebruikt de gemeente de GRP gebouwen tool. De gemeente ambieert een hoge GPR score voor nieuwbouw ontwikkelingen. Er wordt inzicht gegeven aan de volgende aandachtspunten op gebouwniveau: Energie: Goede energieprestatie van gebouwen, bij voorkeur energie neutraal Gebruikskwaliteit: Goede, toegankelijk, functioneel en veilige woningen. Circulair en milieu: Inzetten op hergebruikte en/of duurzaam geproduceerde materialen om zodoende schadelijke emissies en uitputting van grondstoffen als gevolg van de productie van bouwmaterialen te beperken. Toekomstwaarde: Inzetten op flexibele plattegronden, levensloopbestendig wonen, met maatregelen zoals drempelloos bouwen en eenvoudig aanpasbare (binnen‐)constructies Gezondheid: Realisatie van een gezonde woning door bijvoorbeeld het beperken van geluidsoverlast, voldoende frisse lucht, comfortabele ventilatie en voldoende daglicht Op landschappelijk niveau wordt een hoogwaardig en duurzaam plan nagestreefd, er is in ieder geval aandacht voor: Landschappelijk: Het plan in harmonie ontwerpen met zijn natuurlijke omgeving, door aansluiting op bestaande schaal, groen, water, structuur, karakter en architectuur.
Woning oriëntatie: de oriëntatie en inrichting van de woningen zoveel zon georiënteerd ontwerpen om zo actief en passief gebruik te maken van zonnewarmte. Flora en fauna: 'natuur inclusief' bouwen door te werken met natuurlijke materialen, en waar mogelijk worden groene daken gerealiseerd, nestkasten ingebouwd en natuurlijkvriendelijke oevers aangelegd. Waterhuishouding: Het hemelwater wordt lokaal opgevangen door afkoppeling naar het oppervlaktewater. Waterkwaliteit wordt blijvend verbeterd door het werken met niet uitlogende materialen. Klimaatbestendig bouwen tegen hitte‐ en droogtestress door voldoende groen in de wijk. CO2‐absorptie: Toepassen van CO2‐absorberende materialen. Conclusie De gemeente vraagt de initiatiefnemer bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen aan te sluiten bij bovenstaande doelstellingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
58
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
59
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1.1 Dialoog met de omgeving Bij uitspraak van 2 maart 2016 (ABRvS 2 maart 2016, zaaknr. 201503081) heeft de Afdeling de beroepen van omwonenden gericht tegen het bestemmingsplan “3e Loosterweg 130 e.o.” gegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van het plan vernietigd. De bezwaren van omwonenden waren voor initiatiefnemer aanleiding om in gesprek te gaan met de omgeving en te bezien of het plan aangepast kon worden, waarbij zoveel mogelijk rekening gehouden wordt met belangen van omwonenden. Daarnaast is er op 21 juni 2018 een bewonersbijeenkomst geweest over de voorgenomen ontwikkeling. Daarbij is ook gesproken over de positionering van de bouwkavels waarna een variant met een gedraaid bouwvlak afwogen is. Ook is er van gedachten gewisseld over de voorgeschiedenis, de belangen en bezwaren van omwonenden en aanpassingen die mogelijk zijn om deze te verhelpen. Om rekening te houden met de belangen van omwonenden zijn in het plan de volgende aanpassingen gedaan ten opzichte van het door de Raad van State vernietigde plan: in verband met het uitzicht vanuit de woningen aan de noordzijde van het plangebied (3e Loosterweg 118 en 120) is het gebied dat bestemd is voor Wonen en Tuin verkleind ten opzichte van het eerdere plan. Het woonperceel is nu minder diep; er blijft een strook agrarische grond behouden.
Verder mogen op het achterste deel van het woonperceel, bestemd als Tuin, op grond van dit bestemmingsplan geen bijgebouwen of overkappingen worden gebouwd; de bouwvlakken van de woningen zijn, om beter rekening te houden met de belemmeringenstrook van de waterleiding aan de 3e Loosterweg, naar achteren verschoven. Met de verschuiving is ook rekening gehouden met het uitzicht vanuit de woning aan de overzijde van de 3e Loosterweg, door de bouwvlakken zo te positioneren dat de woningen niet recht tegenover de woning aan de overzijde kunnen worden gebouwd. de bouwvlakken zijn parallel aan elkaar gesitueerd, zodat de omwonenden de minste schaduweffecten ondervinden.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
60
Hieronder zijn de verbeeldingen van beide plannen weergegeven. Bestemmingsplan 3e Loosterweg vastgesteld 2015, Bestemmingsplan 3e Loosterweg 130 e.o., vernietigd door RvS Hillegom
5.1.2 Inspraak en Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Overeenkomstig de wettelijke vereisten wordt het voorontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken 6 weken voor inspraak en overleg conform artikel 3.1.1 Bro ter inzage gelegd. Tijdens deze inspraakperiode hebben inwoners, bedrijven, bestuurlijke partners en instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, de gelegenheid gekregen om op het voorontwerp een reactie in te dienen. In de inspraakperiode zijn er twee overlegreacties en twee inspraakreacties ontvangen. Deze reacties zijn samengevat in de Nota van inspraak en overleg, zoals opgenomen in bijlage 10. In deze nota wordt tevens aangegeven of deze reacties geresulteerd hebben in aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan. 5.1.3 Zienswijzen Overeenkomstig de wettelijke vereisten is het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn is eenieder de mogelijkheid geboden zienswijzen over dit ontwerpbestemmingsplan in te dienen bij de gemeenteraad. De ingekomen zienswijzen zijn beantwoord in een 'Nota van beantwoording zienswijzen'. Deze is opgenomen in bijlage 11. In deze nota worden tevens de ambtshalve wijzigingen toegelicht.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld, valt onder de bepaling in artikel 6.12 lid 1 Wro die voorschrijft dat de gemeente een exploitatieplan vaststelt voor de ontwikkeling. Lid 2 van dit artikel geeft de voorwaarden waaronder de gemeente kan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen. De ontwikkeling moet in dat geval voldoen aan de volgende voorwaarden: de verhaal van kosten van de grondexploitatie is anderszins verzekerd, omdat de ontwikkeling bijvoorbeeld wordt uitgevoerd voor rekening en risico van initiatiefnemer; er vinden geen werken in openbaar gebied plaats waarover afspraken moeten worden gemaakt; het is niet nodig om afspraken te maken over de fasering van het project. De gemeente zal een anterieure overeenkomst sluiten met de betreffende partij, waarin het kostenverhaal wordt geregeld. Tevens wordt een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten, waardoor ook eventuele planschade is gedekt. De kosten voor de uitvoering van het bouwplan liggen volledig bij de ontwikkelende partij. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Ook vinden er geen werken in openbaar gebied plaats waarover afspraken moeten worden gemaakt en is het niet nodig om afspraken te maken over de fasering van het project. Hierdoor is een exploitatieplan niet noodzakelijk.
Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.
Rho adviseurs voor leefruimte
130128.20160595
61
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsregeling nader toegelicht. Voor de onderscheiden hoofdfuncties zijn afzonderlijke bestemmingsregelingen opgesteld die zijn gebaseerd op de overwegingen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn verwoord. Op welke wijze een en ander in de bestemmingsregeling concreet is verwerkt, wordt hierna beschreven. Conform de wettelijke verplichting is gebruikgemaakt van de SVBP2012 voor de planregels en de verbeelding.
6.2
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte‐ en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.