CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bestemmingsplan 3e Loosterweg 130 e.o. Hillegom.pdf

Raadscommissie 17 februari 2021, gemeente HillegomBij agendapunt: 9: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 3e Loosterweg 130 e.o., Hillegom20.076 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

HILLEGOM

3e Loosterweg 130 e.o., Hillegom BESTEMMINGSPLAN

3e Loosterweg 130 e.o., Hillegom

Hillegom

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0534.bp3eLoosterweg130‐VA01

10‐11‐2017 08‐08‐2019 23‐06‐2020 04‐03‐2021

concept voorontwerp ontwerp vastgesteld

projectnummer:

130128.20160595 opdrachtleider:

drs. M.P. Kegler

aangesloten bij:

Weena 505 3013 AL Rotterdam RBOI - Rotterdam (Delftsebv Poort) Verd. 35/36 Delftseplein 27b postbus 150 Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl

© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

3

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Geldende planologische situatie

9

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Huidige situatie en planbeschrijving

11

2.1

Inleiding

11

2.2

Bestaande situatie

11

2.3

Beoogde ontwikkeling

12

2.4

Ruimtelijke kwaliteitsverbetering

14

2.5

Onderbouwing van de locatiekeuze

17

2.6

Bezonningsstudie

19

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleid

21

3.1

Inleiding

21

3.2

Rijksbeleid

21

3.3

Provinciaal beleid

22

3.4

Regionaal beleid

29

3.5

Gemeentelijk beleid

31

Hoofdstuk 4

Onderzoek

35

4.1

Inleiding

35

4.2

Verkeer en infrastructuur

35

4.3

Bodem

36

4.4

Water

37

4.5

Ecologie

41

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

45

4.7

Bedrijven en milieuzonering

48

4.8

Externe veiligheid

50

4.9

Schiphol

52

4.10

Kabels en leidingen

52

4.11

Wegverkeerslawaai

53

4.12

Railverkeer

54

4.13

Luchtkwaliteit

55

4.14

Besluit milieueffectrapportage

56

4.15

Duurzaamheid

57

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

4

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

59

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59

5.2

Economische uitvoerbaarheid

60

Hoofdstuk 6

Juridische planbeschrijving

61

6.1

Algemeen

61

6.2

Inleidende regels

61

6.3

Bestemmingsregels

61

6.4

Algemene regels

62

6.5

Overgangs‐ en slotregels

63

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Bezonningsdiagrammen 3e Loosterweg

Bijlage 2

Bezonningsdiagrammen 3e Loosterweg Variant

Bijlage 3

Onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 4

Verkeersbesluit

Bijlage 5

Bodemonderzoek

Bijlage 6

Bodemonderzoek (actualisatie)

Bijlage 7

Quickscan flora en fauna

Bijlage 8

Berekening stikstofdepositie

Bijlage 9

Aanvullende onderbouwing industrielawaai

Bijlage 10

Nota van inspraak en overleg

Bijlage 11

Nota van beantwoording zienswijzen

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

Toelichting

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Op het perceel aan de 3e Loosterweg 126 te Hillegom was een voormalig bollenteeltbedrijf gevestigd. Omdat de bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd, heeft de initiatiefnemer de aanwezige bebouwing inmiddels gesaneerd en kan het bouwvlak komen te vervallen. Elders aan de 3e Loosterweg, ten noorden van huisnummer 130, worden twee burgerwoningen gerealiseerd, waarvan één ter vervanging van de gesaneerde bedrijfswoning en één extra woning op grond van de Ruimte voor ruimte‐regeling. Met deze ontwikkeling wordt beoogd om de ruimtelijke kwaliteit op deze locatie te verbeteren. De beoogde ontwikkeling is tweeledig: 1. De verplaatsing én functiewijziging van de voormalige (en inmiddels gesloopte) bedrijfswoning naar een nabijgelegen locatie aan de 3e Loosterweg. De functiewijziging houdt omzetting naar een burgerwoning in. 2. Aanvullend hierop wordt, door gebruik te maken van de Ruimte voor ruimte‐regeling, één extra burgerwoning gebouwd aan de 3e Loosterweg, in ruil voor de sanering die plaatsvindt aan de 3e Loosterweg 126. Voor beide ontwikkelingen is in het geldende bestemmingsplan geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Omdat de gemeente positief tegenover het plan staat, wordt hiervoor een postzegelbestemmingsplan opgesteld. In een eerder stadium is al een bestemmingsplan vastgesteld voor twee woningen aan de 3e Loosterweg. Bij uitspraak van 2 maart 2016 (ABRvS 2 maart 2016, zaaknr.

201503081) heeft de Afdeling de beroepen gericht tegen het bestemmingsplan “3e Loosterweg 130 e.o.” gegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van het plan vernietigd. De beroepsgronden hadden betrekking op:  de (toegestane) verkeerssnelheid;  de belemmeringenstrook voor waterleidingen;  de Provinciale Verordening Ruimte. Initiatiefnemer heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State het bestemmingsplan aangepast.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied omvat de locatie 3e Loosterweg 126 en het perceel ten noorden van nummer 130. Deze locatie ligt ca. één kilometer ten westen van de kern Hillegom. In figuur 1.1. is de ligging van het plangebied weergegeven. In figuur 1.2 is nader ingezoomd op het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

8

Figuur 1.1 ‐ Ligging plangebied (rode cirkel). Luchtfoto: Google Earth.

Figuur 1.2 ‐ Begrenzing van het plangebied (rode contouren), met huisnummers (130N = ten noorden van nr. 130). Luchtfoto: Google Earth, 2015.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

9

1.3

Geldende planologische situatie

In figuur 1.3 is een uitsnede van de plankaart van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 1997' van de gemeente Hillegom opgenomen. De locatie 3e Loosterweg 126 heeft de bestemming 'Ab' (bollencultuur) met een bouwvlak. Het perceel ten noorden van nr. 130 heeft dezelfde bestemming zonder een bouwvlak en met de aanduiding '(o)' voor openheid. Daarnaast geldt ook het parapluplan parkeren (vastgesteld 26 januari 2017).

Figuur 1.3 ‐ Uitsnede uit het geldende bestemmingsplan.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De toelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken:  hoofdstuk 2 geeft een weergave van de huidige en toekomstige situatie;  hoofdstuk 3 vat het relevante rijks‐, provinciaal en gemeentelijk beleid samen;  hoofdstuk 4 toont de uitgevoerde onderzoeken op gebied van milieu, verkeer, bodem, archeologie, ecologie, etc.;  hoofdstuk 5 gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid;  hoofdstuk 6 geeft uitleg bij de regels die bij dit bestemmingsplan behoren. Tot slot bevat de toelichting een aantal bijlagen.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

10

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

11

Hoofdstuk 2

2.1

Huidige situatie en planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de bestaande en toekomstige situatie binnen het plangebied beschreven. Hierbij komt de landschappelijke impact van de beschreven ontwikkeling aan de orde.

2.2

Bestaande situatie

De locatie ligt in het redelijk open bollenteeltgebied tussen de duinrand en de kern Hillegom. De 3e Loosterweg vormt een verbinding tussen de N442 in het noorden naar de Veenenburgerlaan in zuidelijke richting. Vooral direct grenzend aan de Veenenburgerlaan en de 3e Loosterweg is nogal wat bedrijfsbebouwing aanwezig, die de openheid plaatselijk beperkt. Daarnaast bevinden zich ten noorden van het perceel 3e Loosterweg 130 een groot aantal burgerwoningen in een lint. 3e Loosterweg 126 Op de locatie 3e Loosterweg 126 bevonden zich enkele oude bedrijfsopstallen en een daarbij horende woning (figuur 2.1). De opstallen waren in vervallen toestand en al meerdere jaren niet meer in gebruik. Om deze reden is er voor gekozen om alle bebouwing te slopen en in te zetten voor de toepassing van de Ruimte voor ruimte‐regeling.

Figuur 2.1 ‐ Situatie 3e Loosterweg 126 in 2007. Luchtfoto: Google Earth. Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

12

Het perceel ten noorden van 3e Loosterweg 130 Aan de 3e Loosterweg 130 is een bollenteeltbedrijf gevestigd. De gronden ten noorden van het bedrijf betreffen teeltgronden die ingesloten liggen tussen hagen en een bomenrij. Aan de noordzijde, achter de hagen en de singels, grenst dit perceel aan de woningen met de huisnummers 118 en 120. Aan de oostkant grenst het perceel aan de woningen met huisnummer 122 (verscholen tussen de bosschages) en 124. In figuur 2.2 en 1.2 is de huidige situatie van het perceel in (lucht)foto's weergegeven.

Figuur 2.2 ‐ Huidige situatie 3e Loosterweg ten noorden van nummer 130, gezien vanuit de noordoostelijke hoek van het perceel. Foto: Google Streetview.

2.3

Beoogde ontwikkeling

Op de locatie 3e Loosterweg 126 is het bedrijfscomplex, inclusief de bedrijfswoning, gesloopt. Het totaal gesaneerde oppervlakte aan bedrijfsbebouwing bedraagt 1.100 m2. Bebouwing op deze locatie zorgt voor een verstoring van het open landschap. Door de bebouwing te slopen en bouwmogelijkheden weg te nemen versterkt de openheid ter plaatse en ontstaat er een aaneengesloten bollenteeltgebied. Op het perceel ten noorden van de 3e Loosterweg 130 worden twee woningen gebouwd: de als burgerwoning bestemde en verplaatste bedrijfswoning (de ligging wordt aangegeven met een 2 in figuur 2.3) en één nieuwe burgerwoning op grond van de Ruimte voor ruimte‐regeling (de ligging wordt aangegeven met een 1 in figuur 2.3). De verkaveling en vormgeving van deze twee woningen is nog niet in detail uitgewerkt. In ieder geval dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:  maximum inhoud: 750 m3;  maximum goothoogte: 6 meter;  maximum bouwhoogte: 9 meter; Verder dienen de woningen (hoofdgebouw en eventuele aan‐ en uitbouwen) binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Locatiekeuze De keuze van het perceel ten noorden van nr. 130 is afgewogen tegen twee andere locaties die door omwonenden zijn aangedragen. Deze afweging is gemaakt op basis van de landschappelijke impact, de stedenbouwkundige inpassing en de gevolgen voor het areaal aan bollengrond (en de bewerkbaarheid daarvan).

In paragraaf 2.5 wordt de locatiekeuze uitvoerig onderbouwd.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

13

Positionering en landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing Voor de situering van de woningen c.q. de vormgeving van het bouwvlak is gekeken naar de landschappelijke en stedenbouwkundige impact. Door de woningen aansluitend aan de reeds bestaande, enkelvoudige lintbebouwing langs de westzijde van de 3e Loosterweg te realiseren, is er sprake van een passende aanvulling op dit lint en blijft het door de sloop gecreëerde doorzicht deels behouden (zie ook paragraaf 2.4). Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het wenselijk dat de woningen worden ingekleed met streekeigen beplanting, zoals beukenhagen en elzensingels. Op de verbeelding horende bij dit postzegelbestemmingsplan is aangegeven hoe het perceel ten noorden van de 3e Loosterweg 130 wordt bestemd (zie ook figuur 2.3). De bestemmingslegging wordt nader toegelicht in de juridische planbeschrijving in hoofdstuk 6.

Figuur 2.3 ‐ Nieuwe verkaveling en bestemming op de locatie 3e Loosterweg ten noorden van nr. 130.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

14

2.4

Ruimtelijke kwaliteitsverbetering

Bij de regels van de voormalige provinciale Ruimte voor ruimte‐regeling dient er sprake te zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Ook de huidige, herijkte Verordening ruimte van de provincie Zuid‐Holland stelt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk moet blijven bij als 'aanpassing' gekwalificeerde ontwikkelingen (art 2.2.1). Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit behaald door de sloop van de bedrijfsbebouwing en het rooien van opgaande beplanting op het perceel 3e Loosterweg 126, waardoor landschappelijke karakteristieken als de openheid worden versterkt. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit komt tot uiting in de volgende kenmerken:  bebouwingspatroon: toename van de omvang van het onbebouwd gebied;  waarneembaarheid van de openheid: aanwezigheid van zichtlijnen en toename van de zichthoeken. Openheid in algemene zin De bebouwing van het voormalige erf lag aan het eind van de toegangsweg, omgeven door landbouwgrond. Door het verdwijnen van deze bebouwing wordt de openheid in algemene zin vergroot (zie figuur 2.4). Zowel naar het noorden als het oosten betreft het hier een maat van circa 100 meter.

Figuur 2.4 ‐ Toename openheid en onbebouwd karakter. Luchtfoto: Google Maps, 2010.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

15

Zichteffecten vanaf Veenenburgerlaan en 3e Loosterweg In het landschapsadvies van Landschapsbeheer Zuid‐Holland wordt onderkend dat de sloop van de aanwezige opstallen de ruimtelijke kwaliteit verbetert, aangezien de landschappelijke verrommeling erdoor afneemt. Landschapsbeheer oordeelt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van de totale ontwikkeling (sloop én twee woningen) alleen verbetert als niet alleen het zicht vanaf de Veenenburgerlaan wordt vergroot, maar ook de zichtlijn vanaf de 3e Loosterweg naar het achterliggende gebied blijft gehandhaafd. In de figuren 2.5 en 2.6 is gevisualiseerd dat het zicht vanaf zowel de 3e Loosterweg als de Veenenburgerlaan gehandhaafd blijft.

Figuur 2.5 ‐ Zichtveld in de oorspronkelijke situatie, vanaf de Veenenburgerlaan en de 3e Loosterweg. Rood is oorspronkelijke bebouwing 3e Loosterweg 126, blauw is nog onbebouwd. Luchtfoto: Google Earth.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

16

Figuur 2.6 ‐ Zichtveld in de nieuwe situatie, vanaf de Veenenburgerlaan en de 3e Loosterweg. Rood is saneringslocatie 3e Loosterweg 126, blauw = nieuwbouwlocatie twee woningen. Luchtfoto: Google Earth. Vanaf de Veenenburgerlaan is er sprake van een aanzienlijke toename van de waarneembaarheid van de openheid. De Veenenburgerlaan is gelegen op een dijk met een hoogte van circa 3,1 meter NAP. De ooghoogte van de waarnemer is circa 4,5 meter. De agrarische percelen hebben een ligging van circa 0 meter NAP. De voormalige bebouwing (met beplanting) blokkeerde door de hoogte het zicht op de open ruimte. Het verwijderen van het erf vergroot de openheid en het zicht op het weidse karakter van het landschap. Vanaf de 3e Loosterweg leidt de bouw van twee woningen plaatselijk tot verlies van openheid, maar de diepe zichtlijn naar het achterliggende gebied blijft intact en wordt door de sanering op nummer 126 aanzienlijk verdiept (zie figuur 2.7). De waarneembaarheid van de openheid vanaf de 3e Loosterweg is sterk afhankelijk van de hoogte van de beplanting langs de weg en de aanwezigheid van windsingels op de percelen. Van belang is dat de beoordeling op basis van de oorspronkelijke en niet de feitelijke situatie plaatsvindt. Langs de 3e Loosterweg is in de oorspronkelijke situatie lage haagbeplanting aanwezig, waardoor het zicht vanaf ooghoogte (auto) er feitelijk niet is.

Daarnaast is er in de oorspronkelijke situatie een hoge windsingel op korte afstand aanwezig. Deze windsingel ontneemt het zicht op de openheid en de voormalige bebouwing. Door de sanering van de bebouwing en de windsingel is het zicht op de openheid vergroot.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

17

Figuur 2.7 ‐ Verdiept zicht vanaf de 3e Loosterweg naar de achterliggende bollengronden.

2.5

Onderbouwing van de locatiekeuze

Het perceel met huisnummer 126 (saneringslocatie) en de percelen ten oosten van nummer 130/132 zijn door omwonenden aangedragen als alternatieve locaties voor de bouw van twee woningen. Deze twee locaties en de locatie ten noorden van nummer 130 worden in deze paragraaf gewogen en onderling vergeleken.

Figuur 2.8 ‐ Mogelijke nieuwbouwlocaties voor twee woningen.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

18

Perceel ten noorden van de 3e Loosterweg 130 Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zoals omschreven in het bestemmingsplan wordt de waarneembaarheid van de openheid gezien vanaf de 3e Loosterweg verkleind ten opzichte van de feitelijke meest optimale situatie. Echter, ten opzichte van de oorspronkelijke situatie is er aan de 3e Loosterweg nog steeds sprake van een toename van de waarneembaarheid van de openheid. Samen met de toename van de waarneembaarheid van de openheid gezien vanaf de Veenenburgerlaan is er per saldo sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Als er geen woningen worden gebouwd is de ruimtelijke kwaliteitswinst per saldo nog groter. De woningen worden gesitueerd naast de toegangsweg van de 3e Loosterweg naar onder andere huisnummer 126. Om de locatie in stedenbouwkundig opzicht aan te laten sluiten bij het bestaande bebouwingslint langs de 3e Loosterweg, worden de woningen georiënteerd op de 3e Loosterweg. Perceel op nummer 126 (saneringslocatie) De alternatieve locatie op nummer 126 ‐ woningbouw op de saneringslocatie ‐ leidt niet tot ruimtelijke kwaliteitswinst en past niet bij het stedenbouwkundige karakter van de omgeving. Om die reden is deze locatie niet gewenst.

In het licht van de Intergemeentelijke Structuurvisie, waarin het beleid gericht is op behoud van het areaal bollengrond en versterking van het bollencomplex, is een zo efficiënt mogelijk gebruik van het areaal bollengrond van belang. Door de sanering van de bebouwing op deze locatie ontstaat een grotere netto beteelbare oppervlakte bollengrond. Deze winst zou teniet worden gedaan door op de saneringslocatie woningen te situeren. De percelen ten oosten van de 3e Loosterweg 130/132 De locatie ten oosten van de nummers 130 en 132 is nu volledig bebouwingsvrij. Bij het toevoegen van twee woningen op deze plek is er sprake van een aanzienlijke aantasting van landschapswaarden ter plaatse, zoals de waarneembaarheid van openheid. Aanvullend geldt dat het landbouwkundig gezien niet wenselijk is de voorgestelde alternatieve locaties in te zetten voor woningbouw. Woningbouw op deze alternatieve locaties zal leiden tot een afname van het netto teeltareaal en heeft verdere versnippering hiervan tot gevolg. Dit in tegenstelling tot de locatie ten noorden van de 3e Loosterweg 130, die gezien de ligging en de omvang, landbouwkundig niet tot rendabele teeltgronden behoort. Conclusie Doordat de beoogde locatie ten noorden van nummer 130 aansluit op een bestaand bebouwingslint is er sprake van een netto toename van de ruimtelijke kwaliteit.

Ook vindt hier geen afname van de rendabele teeltgronden plaats, waardoor dit ook vanuit landbouwkundig oogpunt de voorkeurslocatie is. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat deze locatie op de aspecten landschappelijke kwaliteit, bollenareaal en stedenbouwkundige inpassing de meest wenselijke locatie is. De locatieweging is in tabel 2.1 overzichtelijk samengevat.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

19

Tabel 2.1 ‐ Locatieweging Locatie Landschappelijke kwaliteit 3e Loosterweg ten noorden van 130

Bollenareaal

Stedenbouwkundige inpassing + Sluit aan op bebouwingslint aan de 3e Loosterweg.

+ + Toename openheid op perceel Relatief groot netto 126, beperkte toename areaal bollengrond waarneembaarheid openheid vanaf 3e Loosterweg. 3e Loosterweg 126 = + ‐ Geen toename openheid. Beperkte vergroting Solitaire woningen in netto areaal open gebied, sluit niet bollengrond aan op huidige structuur 3e Loosterweg ten +/‐ ‐ ‐ oosten van 130/132 Toename openheid op perceel Versnippering, afname Sluit niet aan bij 126, aanzienlijke aantasting netto areaal bestaande bebouwingslint aan de 3e van de openheid ten oosten bollengrond van nummer 130/132. Loosterweg

2.6

Bezonningsstudie

De nieuwe woningen kunnen schaduw veroorzaken op de tuinen en/of gevels van omwonenden. Daarom is er onderzoek gedaan naar de schaduweffecten van de beoogde woningen op de omgeving (zie bijlage 1 en 2). Dit onderzoek is gedaan naar aanleiding van de bewonersbijeenkomst op 21 juni 2018. Voor twee varianten zijn bezonningsdiagrammen opgesteld. De variant waarbij één bouwvlak gedraaid is en de variant dat beide bouwvlakken haaks op de weg staan. Voor deze studie zijn digitale modellen opgesteld die uitgaan van de maximale mogelijkheden in het bouwvlak (worstcase, waarbij geen rekening is gehouden met de maximale inhoud in m3 van de woningen). In deze modellen is het gehele bouwvlak bebouwd, zodat ook zichtbaar is wat het effect is als aan de randen van het bouwvlak de bebouwing komt. De resultaten van deze studie tonen aan dat er vanaf de middagperiode gevolgen zijn voor de bezonning op de naastgelegen percelen.

Figuur 2.9 ‐ De twee varianten waarvoor bezonningsdiagrammen zijn opgesteld. Uit de bezonningsdiagrammen blijkt dat de variant waarbij de bouwvlakken hetzelfde zijn gesitueerd (in lijn met de bestaande bebouwing), in maart en september minder schaduweffecten veroorzaakt op de omliggende percelen dan de variant waarbij één bouwvlak gedraaid is. Deze conclusie is meegenomen in de integrale afweging op basis waarvan gekozen is om de bouwvlakken parallel aan elkaar te situeren.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

20

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

21

Hoofdstuk 3

3.1

Ruimtelijk beleid

Inleiding

Dit bestemmingsplan dient getoetst te worden aan het nu geldende beleid op de verschillende overheidsniveaus. Hieronder wordt getoetst aan het relevante rijks‐, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) & Barro (2011) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijk beleid. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk‐ en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen, draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk‐ economische structuur van Nederland;  het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.

Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels om de nationale belangen, zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, te beschermen. Deze regels beperken de beleidsvrijheid van decentrale overheden in ruimtelijke plannen, en zien op 14 onderwerpen: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

22

10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Toepassing en conclusie De ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (2012) In het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden: 'de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' Toepassing en conclusie Het toevoegen van twee woningen ‐ één op basis van de Ruimte voor ruimte‐regeling en één door middel van de verplaatsing en herbestemming van de bedrijfswoning ‐ betreft geen 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.

Uit jurisprudentie volgt dat woningbouwlocaties met minder dan 12 nieuwe woningen niet als stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt en dus niet 'ladderplichtig' zijn (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op het voorliggende bestemmingsplan. 3.2.3 Wet Voortgang Energietransitie Aardgasloos Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de aardgasaansluitplicht voor nieuwbouw vervalt. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2018 projectontwikkelaars, aannemers en gemeenten rekening moeten houden met het feit dat nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Zuid‐Holland De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid‐Holland. De provincie wil met haar Omgevingsvisie (vastgesteld op 20 februari 2019) een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De provincie onderscheidt zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving:  naar een klimaatbestendige delta;  naar een nieuwe economie: the next level;  naar een levendige meerkernige metropool;  energievernieuwing;  best bereikbare provincie;  gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

23

Ruimtelijk kwaliteitsbeleid Het kwaliteitsbeleid van Zuid‐Holland is ingestoken als 'ja, mits‐beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten met richtpunten en de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen zijn in samenhang met de decentrale overheden opgesteld. Om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is met name de ruimtelijke impact op de gebiedsidentiteit en de bestaande structuur, zoals uiteengezet in het gebiedsprofiel, van belang. Daarvoor wordt in het omgevingsbeleid onderscheid gemaakt in drie types ontwikkelingen: inpassen, aanpassen en transformeren (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1 ‐ Typologie van ontwikkelingen (bron: VRM) Gebiedsprofiel Op de kwaliteitskaart van de provincie valt het plangebied in het gebiedsprofiel Duin‐ en Bollenstreek. Uit de kwaliteitskaart komt naar voren dat een vijftal thema's van toepassing zijn op het plangebied: natuurlijke duinen, doorsnijding spoor, bollenlandschap in de binnenduinrand, het bollengebied als identiteitsdrager en 'linten blijven linten' (zie figuur 3.2). In tabel 3.1 worden deze thema's met bijbehorende ambities opgesomd.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

24

Figuur 3.2 ‐ Fragmenten uit de kwaliteitskaart van de vijf relevante thema's. Het plangebied is telkens met een rode cirkel aangegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

25

Tabel 3.1 ‐ Overzicht van relevante thema's en ambities uit de kwaliteitskaart Natuurlijke duinen ‐ • Het contrast tussen de open vlakten en de verdichte zones strandwal (bebouwing en beplanting) versterken, daarbij doorzichten op de bollenvelden open houden. • Nieuwbouwprogramma koppelen aan de dorpen en linten op de voormalige strandwallen. Daarbij de strandwallen niet compleet verdichten, maar zones tussen de dorpen open houden. Doorsnijding spoor, • Handhaven en versterken van het zicht op de bollenvelden en verdichte de duinen vanuit de trein, zodat het OV‐panorama optimaal stationsomgeving ‐ behouden blijft. OV panorama Bollenlandschap in de • Koesteren van bebouwing die het gebied haar identiteit verleent binnenduinrand ‐ zoals bollenschuren en arbeiderswoningen. bollengebied en • Aantrekkelijkheid van het bollengebied versterken door zanderijlandschap landschapsbouw, bijvoorbeeld door het toevoegen van beplanting op de strandwallen en de aanplant van hagen in het zanderijenlandschap. • Behouden en versterken van de samenhang tussen alle onderdelen binnen deze ruimtelijke eenheid: brede waterlopen, rechthoekige kavels, hoge wegen en kenmerkende bebouwing zoals bollenschuren.

• Herkenbaar houden van het rechthoekige verkavelingspatroon van het zanderijenlandschap (zie ook zanderijvaarten) Identiteitsdragers van • Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van de uitzonderlijke Zuid‐Holland ‐ kwaliteit van de identiteitsdrager, het leesbaar houden van het bollengebied verhaal dat deze oriëntatiepunten in tijd en ruimte vertellen. • Zie ook 'bollengebied in de binnenduinrand'. Linten blijven linten ‐ • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van zanderijlint de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. • Zichtbaar houden van de hoogteverschillen tussen ‘hoge wegen’ en het zanderijenlandschap. De hoog liggende linten behouden hun karakteristiek profiel. • Nieuwe ontwikkelingen respecteren maat en hoogteligging van de hoger liggende weg en bebouwing. • Enkelzijdig bebouwde linten worden behouden door geen nieuwe bebouwing aan de overzijde te plaatsen. • Linten langs lokale wegen beplanten met een enkele bomenrij en hagen. Toepassing De ontwikkeling aan de 3e Loosterweg 126 en ten noorden van 130 kan worden gerekend onder de noemer 'aanpassen'. In de Visie ruimte en mobiliteit wordt een aanpassing omschreven als een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet.

De combinatie van een sanering van (bedrijfs)bebouwing en een erftoegangsweg, het verplaatsen en regulier bestemmen van de voormalige bedrijfswoning en het toevoegen van een Ruimte voor ruimte‐woning, kan als een aanvulling op structuurniveau worden beschouwd. Van een wijziging van de structuur is echter nauwelijks sprake: de twee woningen worden aan een bestaand lint toegevoegd en de sanering aan op nr. 126 komt de ruimtelijke kwaliteit van het bollengebied en zanderijenlandschap ten goede, gelet op de daar geldende ambities. In tabel 3.2 wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante thema's en ambities uit de kwaliteitskaarten.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

26

Tabel 3.2 ‐ Toetsing aan de relevante thema's en ambities uit de kwaliteitskaart Natuurlijke duinen ‐ De twee woningen worden gerealiseerd in een bestaand zanderijenlint op een strandwal strandwal, waarmee aan het contrast tussen de open vlaktes en de verdichte zones wordt bijgedragen. Door de sanering van de bebouwing op nr. 126 worden doorzichten op bollengrond gehandhaafd en per saldo versterkt, zoals in paragraaf 2.4 is onderbouwd. Doorsnijding spoor, Met het saneren van de bebouwing op nr. 126 wordt het zicht op de verdichte bollenvelden vanuit de trein versterkt. stationsomgeving ‐ OV panorama Bollenlandschap in de De gesaneerde bebouwing, waaronder een bollenschuur, was al enige tijd binnenduinrand ‐ buiten gebruik. De sanering tast dan ook geen identiteitsbepalende bebouwing bollengebied en aan, maar draagt juist bij aan het tegengaan van landschappelijke zanderijlandschap verrommeling. Door de sanering kunnen de rechthoekige kavels tussen de 3e Loosterweg en het spoor worden vergroot en wordt aangesloten bij het heersende en herkenbare verkavelingspatroon in de zanderijen. Daarbij komt dat er per saldo bijna 7.000 m2 aan bollenareaal wordt toegevoegd. Al met al komt deze ontwikkeling de samenhang binnen en de herkenbaarheid en beleefbaarheid van het bollen‐ en zanderijengebied ten goede. Identiteitsdragers van Zie hierboven.

Zuid‐Holland ‐ bollengebied Linten blijven linten ‐ De woningen worden georiënteerd op het lint, aan de zijde waaraan het zanderijlint overgrote deel van de bebouwing is gepositioneerd (westzijde). Ze vormen het verlengde van het bestaande enkelvoudige lint aan de 3e Loosterweg. De ontwikkeling respecteert de maat en ligging van de 3e Loosterweg. Het zicht op het lagergelegen bollengebied of zanderijenlandschap verbetert per saldo door de ontwikkeling, zoals in paragraaf 2.4 is uiteengezet. Verder blijkt uit de kwaliteitskaart dat het plangebied buiten de aangewezen natuur‐ en recreatiegebieden ligt. Ook ligt het plangebied niet in de gebieden die vanwege hun kwetsbaarheid of bijzonderheid in één van de twee beschermingscategorieën vallen. Conclusie De ruimtelijke ontwikkeling aan de 3e Loosterweg betreft een aanpassing. De ontwikkeling levert echter een kwaliteitsverbetering op en voldoet aan de relevante ambities op de kwaliteitskaart. Hiermee past de ontwikkeling binnen de doelen en kaders van de Omgevingsvisie Zuid‐Holland. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid‐Holland Naast de structuurvisie heeft de provincie Zuid‐Holland de verordening Ruimte vastgesteld (juli 2014). Ook de verordening is in 2016 herijkt. In de provinciale verordening staan de algemeen verbindende regels waaraan een gemeentelijk bestemmingsplan of besluit moet voldoen.

Toepassing en conclusie In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Hieruit zijn een aantal regels relevant voor de beoogde ontwikkeling. De regels zijn samengevat en worden getoetst in tabel 3.3. Uit de toetsing hieronder blijkt dat de ontwikkeling aan de 3e Loosterweg 126 en ten noorden van 130 past binnen de randvoorwaarden die in de Verordening ruimte worden gesteld.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

27

Tabel 3.3 ‐ Relevante bepalingen en toetsing daaraan uit de Verordening ruimte. Bepaling Toetsing Art. 6.10 ‐ Ladder voor duurzame verstedelijking Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voldoen De ontwikkeling is niet 'ladderplichtig', omdat er aan de eisen die de ladder stelt. minder dan 12 woningen worden gerealiseerd. Zie paragraaf 3.2.2. Art. 61.7 ‐ Bollenteeltgebied Lid 1 ‐ Een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt‐ en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe.

De voorliggende ontwikkeling valt niet in het omschreven bedrijfstype. Het toevoegen van een nieuwe woning in het bollengebied is echter toegestaan op grond van lid 4 en lid 8 van dit artikel. De verplaatsing en herbestemming van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning binnen het bollengebied is niet in strijd met dit lid.

Lid 4 ‐ Het bestemmingsplan kan ook voorzien in greenportwoningen en Ruimte voor ruimte‐ woning als bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin‐ en Bollenstreek. In juni/juli 2016 is door de gemeenteraden van de samenwerkende Greenportgemeenten de nieuwe Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin‐ en Bollenstreek 2016 vastgesteld. Met de vaststelling van de ISG 2016 is de Ruimte voor Ruimteregeling komen te vervallen. Lopende projecten met een ruimte voor ruimteverzoek, waarvan de aanvraag en medewerking dateert van voor de inwerkingtreding van het nieuwe ISG 2016, kunnen doorgang vinden.

Ruimte voor ruimte‐woning Eén van de twee geplande woningen betreft een nieuwe burgerwoning op basis van de Ruimte voor ruimte‐regeling. Het gaat om een verzoek waarvan de aanvraag en medewerking dateert van vóór de inwerkingtreding van het nieuwe ISG. Daarom kan op basis van deze bepaling één extra woning in het bollenteeltgebied worden toegestaan. De toetsing aan de Ruimte voor ruimte‐regeling uit het voorgaande ISG is opgenomen in paragraaf 3.4.3.

Met deze ontwikkeling neemt het bollenareaal als Lid 8 ‐ Een bestemmingsplan voor het gevolg van de sanering van het perceel 3e bollenteeltgebied, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt toestaat op Loosterweg 126 toe met 8.524 m2. De afname van gronden die in het voorgaande bestemmingsplan het bollenareaal als gevolg van de realisatie van de zijn bestemd voor bollenteelt, voorziet in nieuwe woning bedraagt 2.000 m2. Dit betekent dat compensatie van bollenteeltgebied door middel het bollenareaal per saldo met 6.524 m2 toeneemt, van een overeenkomst hierover met de die geldt als compensatie voor de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin‐ en 'bollenteeltvreemde' nieuwe ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Bollenstreek. Art. 6.9 ‐ Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 3.3.1 is onderbouwd dat er sprake is van Lid 1b ‐ Een bestemmingsplan kan voorzien in 'aanpassen', omdat de ontwikkeling weliswaar past een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar zorgt voorwaarde dat wanneer de ruimtelijke voor een aanvulling op de bestaande structuur.

ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), deze uitsluitend wordt Verplaatsing en functiewijziging voormalige toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo bedrijfswoning ten minste gelijk blijft door: Met het beëindigen van de bedrijfsvoering en de ‐ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de sanering van de bedrijfsbebouwing resteert de

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

28

omgeving, rekening houdend met de relevante bestaande bedrijfswoning op het perceel met huisnummer 126. Aangezien er geen sprake meer is richtpunten van de kwaliteitskaart, en ‐ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke van bedrijfsactiviteiten wil de initiatiefnemer deze bedrijfswoning omzetten in een burgerwoning. Deze maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; woning is vervolgens een solitair gelegen gebouwd object midden in het rondom gelegen, open bollenlandschap. De meerwaarde in de vorm van ruimtelijke kwaliteitsverbetering die door nieuwvestiging op het perceel ten noorden van nr. 130 ontstaat, is toegelicht en onderbouwd in paragraaf 2.3 en 2.4. Ook is de beoogde locatie gewogen ten opzichte van twee alternatieve locaties (paragraaf 2.5). Bij de landschappelijke en ruimtelijke inpassing is rekening gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Met het openmaken van het bollenlandschap is sprake van een zodanige verbetering van de ruimtelijke kwaliteit dat het treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen niet noodzakelijk is. Ruimte voor ruimte‐woning Ook voor de Ruimte voor ruimte‐woning geldt het perceel ten noorden van nr. 130 als de beoogde locatie. De meerwaarde in de vorm van ruimtelijke kwaliteitsverbetering die door nieuwvestiging op het perceel ten noorden van nr. 130 ontstaat, is toegelicht en onderbouwd in paragraaf 2.3 en 2.4.

Ook is de beoogde locatie gewogen ten opzichte van twee alternatieve locaties (paragraaf 2.5). Bij de landschappelijke en ruimtelijke inpassing is rekening gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Met het openmaken van het bollenlandschap is sprake van een zodanige verbetering van de ruimtelijke kwaliteit dat het treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen niet noodzakelijk is. Het gebied valt niet onder een beschermingscategorie. Lid 2 ‐ Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën 1 of 2 Lid 4 ‐ Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een motivering, bij voorkeur vervat in een beeldkwaliteitsparagraaf, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn, of die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie.

Rho adviseurs voor leefruimte

In paragraaf 2.3 en 2.4 is beschreven dat er sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De richtpunten van de kwaliteitskaart zijn niet in het geding en het gebied valt niet onder een bijzondere beschermingscategorie.

130128.20160595

29

3.4

Regionaal beleid

3.4.1 Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG, herziening 2016) De Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG) is een deeluitwerking van de Regionale Structuurvisie die het intergemeentelijk samenwerkingsverband Holland Rijnland in 2009 heeft vastgesteld. In 2016 heeft de ISG een herziening ondergaan. De ISG heeft een integraal karakter, geldt voor het gehele buitengebied van de zes Greenportgemeenten (met uitzondering van het plassengebied en de ontwikkellocatie Valkenburg) en gaat met name in op de toekomstige ruimtelijk‐functionele ontwikkeling van het buitengebied. De ISG richt zich op een gemeenschappelijke inzet voor herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin‐ en Bollenstreek. Dit in samenspraak met verbetering van de natuurlijke, landschappelijke en recreatieve kwaliteiten. De Duin‐ en Bollenstreek is de greenport met de grootste internationale bekendheid door de toeristische aantrekkingskracht van de bollenvelden en de Keukenhof. Het is een van de Greenports waar verschillende gebiedsfuncties, zoals wonen, werken en toerisme sterk met elkaar zijn verbonden. In de jaren voor de ISG is gewerkt aan en met het Pact van Teylingen. Het doel Met de vaststelling van het ISG kiezen de Greenportgemeenten voor versterking van de ruimtelijk‐ economische structuur van de Greenport Duin‐ en Bollenstreek.

Het doel van de ISG is drieledig:  het vastleggen van een ruimtelijk ontwikkelingskader voor de vitalisering van de Duin‐ en Bollenstreek tot en met 2030;  het wettelijk verankeren van dit zelfbindend ontwikkelingskader voor de Greenportgemeenten;  het bieden van een juridisch‐planologische basis voor het verevenen van plankosten op basis van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. De ambities De ISG heeft een integraal karakter, betreft het gehele buitengebied van de zes Greenportgemeenten (uitgezonderd het duingebied) en gaat met name in op de toekomstige ruimtelijk‐functionele ontwikkeling van het buitengebied. De ISG richt zich op het realiseren van de volgende ambities:  economische herstructurering in combinatie met landschapsverbetering;  het tegengaan van verdergaande verrommeling;  het uitvoeren van de woningbouwopgave zoals in de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer‐ Bollenstreek is overeengekomen;  het duurzaam handhaven van het areaal 1e klas bollengrond;  het geven van prioriteit aan de primaire Greenportfuncties (bollencluster, vaste planten, bloemencluster en toerisme) boven niet primaire Greenportfuncties (overige landbouw, veeteelt). De uitwerking Als uitwerking op de ISG hebben de zes Greenportgemeenten, na vaststelling van de ISG, een Kadernota en modelregels opgesteld.

Met het opstellen van de Kadernota en modelregels streven de zes gemeenten naar een zoveel mogelijk uniforme uitwerking van de ISG en vergelijkbare bestemmingsplannen. Bij het opstellen van dit postzegelbestemmingsplan worden de Kadernota en de modelregels daarom als uitgangspunt voor de bestemmingsregeling gehanteerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

30

Toepassing en conclusie Wat betreft het onderdeel dat van belang is voor dit bestemmingsplan het volgende:  Met de herziening van de ISG 2016 is de Ruimte voor ruimte‐regeling komen te vervallen. Lopende projecten met een Ruimte voor ruimte‐verzoek, waarvan de aanvraag en medewerking dateert van voor de inwerkingtreding van het nieuwe ISG 2016, kunnen doorgang vinden. Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat deze dateert van voor de inwerkingtreding en op basis van deze bepaling kan worden toegestaan. In paragraaf 3.4.3 wordt dit bestemmingsplan langs de meetlat van deze regeling gelegd. 3.4.2 Regionale woonagenda Holland Rijnland Op 14 maart 2018 is er een nieuwe regionale woonagenda vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland. Deze regionale woonagenda vervangt de regionale woonagenda Holland Rijnland van december 2014. Tot op heden was de regionale woonagenda vooral gericht op afstemming van het aantal te bouwen woningen. Aan de nieuwe regionale woonagenda is de gewenste kwalitatieve richting toegevoegd. Enerzijds vraagt dit een goed evenwicht tussen vraag en aanbod op de regionale woningmarkt, mede ten behoeve van de opgave om 30.000 huishoudens extra te huisvesten in de regio. Anderzijds geeft de regionale woonagenda aan wat waardevolle strategieën zijn om de regio als plek om te wonen te versterken.

Voor de periode 2015 ‐ 2030 is het aantal woningen van 30.000 tot 35.000 dan ook de richtlijn. In de jaren 2015 en 2016 zijn hiervan inmiddels 5.000 woningen gerealiseerd. Toetsing Het voornemen betreft de realisatie van één nieuwe woning en de verplaatsing van de voormalige (bedrijfs)woning. Met deze ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de doelen uit de regionale woonagenda. 3.4.3 Ruimte voor ruimte‐regeling Ruimte voor ruimte betreft de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen dan wel de sanering van sierteelt en de bouw van één of meer compensatiewoningen ter plekke of in de directe omgeving van de gesloopte bebouwing of in aansluiting op bestaande bebouwingsclusters. In de Verordening heeft de provincie geen specifieke regels meer voor de Ruimte voor ruimte‐regeling opgenomen. In de herziene versie van de ISG 2016 is deze regeling komen te vervallen. Zoals aangegeven in paragraaf 3.3.2 kunnen projecten met een aanvraag en medewerking van voor de herziening gewoon doorgang vinden. Daarom wordt deze ontwikkeling getoetst aan de voorheen geldende Ruimte voor ruimte‐regeling. Daarbij moest worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt duurzaam verbeterd; b.

voor de sloop of sanering op één of meerdere percelen van iedere 1.000 m² gebouwen, iedere 5.000 m² kassen of iedere 2,25 ha bomen sierteelt, mag één compensatiewoning worden gebouwd; c. de nieuwe woningen brengen uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen met zich mee voor de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven; d. de gebouwen of kassen zijn opgericht voor de peildatum van 1 januari 2007; e. de kassen zijn gelegen buiten de gebieden voor glastuinbouw (met uitzondering van de transformatiegebieden) zoals aangeduid op kaart 2; f. de te saneren sierteeltpercelen zijn gelegen buiten de boom‐ en sierteeltgebieden, zoals aangeduid op kaart 2.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

31

Toepassing a. de ruimtelijke kwaliteit op de locatie 3e Loosterweg 130 en omgeving wordt significant verbeterd, aangezien alle bedrijfsbebouwing ter plaatse van het in het veld liggende perceel 3e Loosterweg 126 wordt gesaneerd. Het saneren van dit complex is een goed begin voor het herstel van de openheid van het landschap ter plekke, omdat hierdoor een belangrijk doorzicht wordt gecreëerd. Door de locatiekeuze van de nieuwe woning blijft het nieuw gecreëerde doorzicht naar de achterliggende open bollengronden behouden. Voor nadere toelichting op de toename van de ruimtelijke kwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 2.3; b. op de locatie 3e Loosterweg 126 wordt 1.100 m2 bedrijfsgebouwen gesaneerd. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde om minimaal 1.000 m2 aan bedrijfsgebouwen te saneren; c. de woning wordt aan de 3e Loosterweg gerealiseerd nabij bloembollenbedrijven. Deze bloembollenbedrijven beschikken over milieucategorie 2 in verband met geur‐ en geluidoverlast en in minderen mate gevaar en stofhinder. Voor bedrijven met milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter tot woningen. Met deze afstanden is rekening gehouden bij de keuze van de locatie. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstand, waardoor ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat; d. de gebouwen zijn opgericht vóór 2007; e.

er worden geen kassen gesaneerd; f. er worden geen sierteeltpercelen gesaneerd. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden van de provinciale Ruimte voor ruimte‐regeling. 3.4.4 Regionaal Energieakkoord 2017 Binnen de regio Holland Rijnland hebben gemeenten hun ambities en doelstellingen rondom klimaat/energie uitgesproken. De regionale ambitie is om in 2050 een energie neutrale regio te zijn en daarmee bij te dragen aan de nationale en internationale doelstellingen op het gebied van klimaat en energie. Het streven is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. Dit gaat verder dan de toekomstige wettelijke wijziging van nieuwbouw. Tevens is afgesproken energie neutraal bouwen te stimuleren.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Omgevingsvisie Hillegom 2030

Duurzaamheidsambitie Hillegom In de Omgevingsvisie van Hillegom is vastgesteld om in 2030 energieneutraal te zijn en geheel klimaatneutraal in 2050. Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen zullen daar aan bij moeten dragen. Immers, wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2030. Gemeente Hillegom vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is zodanig bouwen dat zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid ontstaan, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving. Hillegom streeft er naar bij elk bouwplan de schade aan het milieu op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. Alle bouwwerken (oud en nieuw) zullen een bijdrage moeten leveren aan deze doelstelling door energie te besparen en/of duurzaam op te wekken. Het advies is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. Dit gaat verder dan de toekomstige wettelijke wijziging van nieuwbouw. Namelijk vanaf 1 januari 2020 moeten alle woning en utiliteitsplannen voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG).

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

32

Om duurzaamheid in nieuwbouwplannen te borgen en inzichtelijk te maken vraagt de gemeente initiatiefnemers een GPR berekening bij plannen in te dienen. Dit is een instrument met als doel duurzaam en energiezuinig bouwen meetbaar te maken. Het plangebied valt in het deelgebied duurzame bloementuin en deelgebied levendige linten. Het deelgebied duurzame bloementuin beslaat de zanderijen en de open strandvlakte langs de Leidsche Trekvaart. In de Duurzame bloementuin staat de verbetering van de landschappelijke kwaliteit en de economische vitaliteit voorop. De gemeente faciliteert de schaalvergroting, intensivering en herstructurering die noodzakelijk zijn voor een rendabele bedrijfsvoering indien per saldo kwaliteitsverbetering optreedt door bijdrage te leveren aan:  een 100% emissieloze en residuvrije teelt met een duurzaam bodemgebruik;  landschappelijke kwaliteitsverbetering met behoud of versterking van de gebiedskarakteristieken, waaronder (de beleving/zichtbaarheid van) cultuurhistorische elementen, openheid en structuren;  het realiseren van een robuust klimaatbestendig watersysteem;  het verhogen van de karakteristieke natuurwaarden;  het bollentoerisme;  energiebesparing en/of de opwekking van duurzame energie. Het deelgebied levendige linten loopt door verschillende deelgebieden, maar de linten hebben een eigen karakter.

In het buitengebied zijn doorzichten tussen de bebouwing aan de linten door van grote waarde om vanaf de weg het landschap te kunnen ervaren. Dergelijke doorzichten zijn niet in alle linten evenveel aanwezig: sommige zijn heel open met veel onbebouwde kavels en andere zijn juist heel gesloten. Omdat ‐ in het buitengebied ‐ de bebouwing aan de achterzijde aan het open landschap grenst, zijn de linten vaak aantrekkelijke woon‐ en leefmilieus. Ruimtelijke kwaliteit De bouw van nieuwe woningen is in de Duurzame bloementuin in principe niet toegestaan, met uitzondering van de bouw van zogenaamde Greenportwoningen. Eén van de twee geplande woningen betreft een nieuwe burgerwoning op basis van de Ruimte voor ruimte‐regeling. Het gaat om een verzoek waarvan de aanvraag en medewerking dateert van vóór de inwerkingtreding van het nieuwe ISG. Daarom kan één extra woning in het bollenteeltgebied worden toegestaan (zie paragraaf 3.4.3). De omgevingsvisie geeft aan dat het uitgangspunt is dat op de ontwikkellocatie zelf een duidelijke kwaliteitsverbetering optreedt. De woningen kunnen onder die voorwaarden worden gerealiseerd als ‘eerste lijn bebouwing’ in de Levendige linten, met inachtneming van de uitgangspunten die voor de verschillende linten gelden. De nieuwe woning ligt aan de 3e Loosterweg die getypeerd is als zanderijlint.

Daar zijn de volgende uitgangspunten op van toepassing:  zichtbaar houden van de hoogteverschillen tussen hoge wegen en het afgegraven zanderijenland schap;  de hoog liggende linten behouden hun karakteristiek profiel;  nieuwe ontwikkelingen respecteren maat en hoogte ligging van de hoger liggende weg en bebouwing;  bij enkelzijdig bebouwde linten geen nieuwe bebouwing tegenover de bestaande bebouwing plaatsen;  linten langs lokale wegen beplanten met een enkele bomenrij en beukenhagen. Verhogen van de karakteristieke natuurwaarden Kansen voor het verhogen van de natuurwaarden in de bloementuin liggen daarnaast in het aanleggen van natuurvriendelijke oevers langs de brede watergangen en het terugbrengen van de karakteristieke beukenhagen in het gebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

33

Conclusie De reeds gesloopte opstallen zorgen voor het versterken van de openheid van het landschap. Daarnaast is het landschappelijk gezien wenselijk dat vervallen opstallen uit het landschap worden verwijderd, omdat dit de verrommeling van het landschap vermindert. Vanaf de Veenenburgerlaan is er sprake van een verbetering van de landschappelijke kwaliteit, omdat het zicht op de vervallen opstallen verdwenen is. Beoordeeld is dat de ruimtelijk kwaliteit alleen wordt verbeterd als de zichtlijn vanaf de 3e Loosterweg naar het achterliggende gebied blijft gehandhaafd. Dit heeft direct invloed op de plaatsing van de twee nieuwbouwwoningen. Deze worden als eerste lijn bebouwing geplaatst in het lint. Wanneer de twee woningen parallel aan de 3e Loosterweg worden gesitueerd zal dit doorzicht in het geheel verdwijnen. Daarom wordt geadviseerd de woningen haaks op de weg te plaatsen. Daarnaast is het wenselijk om de nieuwbouwwoningen in te kleden met streekeigen beplanting, zoals vanuit cultuurhistorisch oogpunt verantwoord is. Te denken valt aan beukenhagen en elzensingels. De ontwikkeling draagt bij aan de duurzaamheidsambitie van Hillegom.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

34

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

35

Hoofdstuk 4

4.1

Onderzoek

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de (technische) onderzoeken met conclusies.

4.2

Verkeer en infrastructuur

Verkeersstructuur en ontsluiting De woningen zijn georiënteerd op de 3e Loosterweg. Ter hoogte van de woningen ligt een portaal waarbij de 30 km‐zone in zuidelijke richting overgaat in 60 km/h. De ruimte voor en na dit portaal moet zoveel als mogelijk worden vrijgehouden, vanuit verkeersveiligheidsoogpunt. Daarom is één gecombineerde uitweg op de 3e Loosterweg ‐ dus één uitweg voor de twee woningen – het meest wenselijk. Uitgaande van één uitweg op de 3e Loosterweg binnen een erftoegangsweg is uitmonding op duidelijk herkenbare wijze noodzakelijk. Concreet betekent dit toepassing van inritblokken en/of afwijkend type/kleur bestrating ten opzichte van de rijbaan, waarbij voldoende breedte (min. 4,00 meter) nodig is voor een goede overzichtelijke situatie en aansluiting op de bestaande rijbaan (ca. 2,60 meter breed). In noordelijke richting sluit de 3e Loosterweg aan op de N442. De N442 is een belangrijke provinciale weg in de richting van Hillegom en de N206. In zuidelijke richting sluit de 3e Loosterweg aan op de Veenenburgerlaan. Deze weg geeft verbinding in de richtingen Hillegom en Lisse. De 3e Loosterweg is gecategoriseerd als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h. Conform de inrichting volgens Duurzaam Veilig vindt op de 3e Loosterweg een gemengde verkeersafwikkeling plaats.

In de nabijheid van het plangebied is geen openbaar vervoer aanwezig. Verkeersgeneratie en ‐afwikkeling De bouw van de nieuwe woning zal leiden tot een zeer geringe verkeerstoename. Aangezien de bestaande woning en een aantal bedrijfsopstallen worden gesloopt zal de verkeersaantrekkende werking van het plangebied per saldo afnemen. Parkeren Het parkeren gebeurt op eigen terrein. Hier is voldoende ruimte aanwezig om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Conclusie De ontsluiting van het plangebied voor het gemotoriseerd en langzaam verkeer is goed. De nieuwe ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren. Het aspect verkeer staat de bouw van de woningen dan ook niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

36

4.3

Bodem

Beleid en Normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht, maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzoek Op het perceel is een verkennend milieukundig bodemonderzoek verricht. Het bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 5. Op basis van dit onderzoek zijn de volgende resultaten verkregen: Bovengrond  in de bovengrond zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen.

Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen;  de bovengrond is licht verontreinigd met kwik en is niet verontreinigd met de overige onderzochte zware metalen, PCB’s, OCB’S, PAK en minerale olie. Ondergrond  in de ondergrond zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen;  de ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK en is niet verontreinigd met de overige onderzochte zware metalen, PCB’s en minerale olie. Grondwater  het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte zware metalen, vluchtige aromaten, VOCl en minerale olie. Op 8 juli 2019 is er een actualiserend verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 6. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van dit onderzoek zijn de volgende resultaten verkregen:  In de bovengrond is ter plaatse van boring 01 resten plastic waargenomen. In de overige boringen zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen.  De bovengrond is licht verontreinigd met kwik.

De resultaten van het actualiserende bodemonderzoek tonen geen afwijkingen ten opzichte van de eerder aangetoonde verhoging met kwik in de bovengrond uit het verkennend onderzoek uitgevoerd door IDDS met kenmerk 1304F388/RKO/rap1, d.d. 25‐07‐2013. Conclusie Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarden (grond), dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is.

Rho adviseurs voor leefruimte

130128.20160595

37

Beperkingen inzake dit bestemmingsplan en het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen), dan wel voortzetting van het huidige gebruik, worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Wanneer er grond wordt aan‐ of afgevoerd, zal dit volgens de door de overheid gestelde regels gebeuren. Op de locatie is sprake van enkele slootdempingen. Indien tijdens (graaf)werkzaamheden bodemvreemde bestanddelen (o.a. puin) in de bodem worden aangetroffen dient tevens een asbestonderzoek conform de NEN5707 te worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/143/documents/15682