CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1. ETFAL-motivering met bijbehorende onderzoeken.pdf

Gemeenteraad 26 juni 2025, gemeente HillegomBij agendapunt: 13: Adviesrecht buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) tijdelijke huisvesting De Giraf Hillegom24.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 31

Voor zover bekend is de locatie niet eerder milieukundig onderzocht en er zijn geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Derhalve is de actuele milieuhygiënische bodemkwaliteit voor de gehele onderzoekslocatie onbekend.

Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van significante verontreiniging. Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zal bodemonderzoek worden uitgevoerd. In het kader van de planologische procedure, welke middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden vormt bodem geen verder aandachtspunt. Zodoende kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Externe veiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het externe veiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t.

externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de externe veiligheid zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).  Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 32

o o o

Brandaandachtsgebied Explosieaandachtsgebied Gifwolkaandachtsgebied

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden.

Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen:  afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied  aanvullende risicocommunicatie  beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron  vlucht- en schuilmogelijkheden  omgevingsmaatregelen  aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen.

Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 33

De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van de tijdelijke vestiging van de IKC De Giraf. Een schoolgebouw is een kwetsbaar object. Om de omliggende risicobronnen in kaart te brengen is de risicokaart via Atlas leefomgeving geraadpleegd. In onderstaand figuur is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.

Plaatsgebonden risico Het plangebied is gelegen buiten de berekende plaatsgebonden risicocontouren en veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico van Bevi inrichtingen en overige risicovolle activiteiten binnen inrichtingen. Daarnaast is het plangebied gelegen buiten het invloedgebied van Bevi inrichtingen en is het plan zelf geen risicovolle activiteit. Groepsrisico Transport over de weg Ten oosten van het plangebied, op een afstand van 7,0 kilometer, worden gevaarlijke stoffen getransporteerd over de A44. Voor transportroutes over wegen geldt dat een groepsberekening uitgevoerd dient te worden, mits het plangebied binnen 200 meter van de transportroute is gelegen. In onderhavig geval is daar geen sprake van, waarvoor geen groepsberekening uitgevoerd dient te worden. Voor transportroutes over de weg geldt dat diverse gevaarlijke stoffen een invloedsgebied met zich meebrengen. Voor gevaarlijke stoffen over de weg geldt een maximaal invloedsgebied van >4.000 meter. Dit geldt voor de stoffen LT3, LT4, GT4 en GT5. De afstand tussen het plangebied en de A44 bedraagt meer dan 4.000 meter, waardoor geen beperkte groepsrisicoverantwoording benodigd is. Buisleidingen Ten noorden, op een afstand van 2,0 kilometer, is een buisleiding gelegen. De afstand is groter dan de maximale effectafstand van de buisleiding.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 34

In het kader van externe veiligheid is sprake van een ETFAL.

De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten:  Woonfunctie  Onderwijsfunctie  Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang  Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. 50 Lden

60 Lden

53 Lden

70 Lden

55 Lden

65 Lden

50 Lden 40 Lnight

55 Lden 45 Lnight

Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden.

De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 35

dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden.

De beoogde ontwikkeling, de realisatie van een tijdelijke onderwijslocatie, bestaat niet uit de realisatie van een geluidsgevoelig gebouw of ruimte in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aangezien het gebouw op deze locatie voor een periode van minder dan 10 jaar zal worden toegelaten (artikel 5.55, lid 2c Besluit kwaliteit leefomgeving). Desondanks moet wel worden beoordeeld of het geluid op de locatie aanvaardbaar is. Dit is zonder meer het geval, omdat er geen relevante geluidbronnen in de omgeving van het park liggen waarin de school wordt gerealiseerd. Daarnaast trekt de school verkeer aan, met name vanwege halen en brengen van kinderen. De vraag is waar dit verkeer zal stoppen/parkeren. Vanuit parkeren en verkeersveiligheid zal ongetwijfeld worden beoordeeld of dit geen knelpunten oplevert. Bij het toelaten van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw bij een (spoor)weg of industrieterrein met een geluidproductieplafond moet het geluid aanvaardbaar zijn. De tijdelijke locatie van de school is niet aan een dergelijke weg gelegen. Op basis van de geluidskaart (Atlasleefomgeving) blijkt de geluidsbelasting van wegverkeerslawaai ter plaatse van het tijdelijke schoolgebouw lager dan 45 dB te zijn. Hiermee wordt het geluid op de locatie van het tijdelijke schoolgebouw aanvaardbaar geacht aangezien het ruim onder dan de standaard waarde is.

Naar verwachting van de Omgevingsdienst volstaat een kwalitatieve beoordeling zonder berekening. In het kader van geluid is sprake van een ETFAL.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:  bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen  bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Geurgevoelige gebouwen In artikel 5.91, lid 1 Bkl is bepaald dat een geurgevoelig gebouw in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied* en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied* en nevengebruiksfuncties daarvan. * een bedgebied is een verblijfsgebied met een of meer bedruimten Onder geurgevoelige gebouwen vallen eveneens ruimten met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie, bijvoorbeeld een garage of een kantoor aan huis. Daarnaast wordt onder een geurgevoelig gebouw ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit mag worden gerealiseerd.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 36

In het omgevingsplan kunnen gemeenten bepalen dat:  niet het gehele gebouw geurgevoelig is, door bijvoorbeeld de woonfunctie in een gedeelte van een gebouw uit te sluiten;  (voormalige) bedrijfswoningen niet beschermd worden tegen geur van dit bedrijf. Er kan hierbij sprake zijn van een functionele binding tot het bedrijf (artikel 5.95 Bkl) of voormalige functionele binding (artikel 5.96 Bkl);  andere (gedeelten van) gebouwen worden aangewezen als geurgevoelig, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, lid 4 Bkl). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Wanneer in het omgevingsplan geurwaarden zijn bepaald, gelden deze waarden bij een geurgevoelig gebouw op de gevel van het gebouw. De gemeente mag in het omgevingsplan ook vastleggen dat de waarde geldt op een locatie dichterbij de activiteit, bijvoorbeeld op een vast referentiepunt. Voor geurafstanden geldt dat deze gelden tot de gevel.

Is het gebouw nog niet gerealiseerd, dan gelden de waarden en afstanden op en tot de plaats waar volgens het omgevingsplan de gevel van het gebouw mag komen te staan. In het omgevingsplan dient ook rekening te worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. Bebouwingscontour geur Gemeenten zijn verplicht in het omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur’ vast te stellen, wanneer in het omgevingsplan regels staan voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie of agrarische activiteiten (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel, horeca en de bij deze bebouwing horende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Voor lintbebouwing kan de gemeente zelf kiezen of deze binnen de bebouwingscontour wordt gebracht. Nb. de aanwijzing van een bebouwingscontour geur is alleen nodig als een rwzi of een agrarische activiteit ook echt geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw. De geur moet dus op de locatie van een geurgevoelig gebouw te ruiken zijn.

De voorgenomen ontwikkeling is niet aan te merken als een geurgevoelig gebouw. Nadere toetsing aan het aspect geur kan derhalve achterwege blijven. De ontwikkellocatie is tevens ook niet gelegen in een bebouwingscontour geur.

In het kader van geur is sprake van een ETFAL.

De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico’s van deze kabels en leidingen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 37

Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wibon gaat niet op in de Omgevingswet. Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gasen telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Omgevingsplan – (toelaten van) buisleidingen en hoogspanningsleidingen Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan.

Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen. Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. Deze regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de volgende kenmerken:  soort stof (bij buisleidingen)  maximale druk (bij gas in buisleidingen)  maximaal vermogen (bij ondergrondse hoogspanningsleidingen) Hoogspanningsverbindingen en magneetveldzones Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden.

Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid voor magneetvelden bestaat uit:  bronmaatregelen, die de netbeheerders bij alle netcomponenten treffen;  afstandsmaatregelen bij bovengrondse hoogspanningslijnen, die het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening op basis van de berekening van de magneetveldzone kan treffen. Door de minister voor Klimaat en Energie (KE) en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is, in afstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), besloten om voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen geen afstanden ten opzichte van gevoelige bestemmingen te adviseren. Dat betekent dat er ook geen magneetveldzone bij deze netcomponenten bepaald wordt.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 38

Het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening heeft de mogelijkheid om de magneetveldzone van een bovengrondse hoogspanningslijn vast te leggen in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, omgevingsplan of projectbesluit). Door het verbinden van planregels aan de magneetveldzone kan voorkomen worden dat er nieuwe gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone gerealiseerd kunnen worden.

In het omgevingsplan “gemeente Hillegom” zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Tevens is de kaart met betrekking tot hoogspanningsleidingen geraadpleegd. De dichtstbijzijnde grondkabel is de grondkabel Lisse – Hillegomkabel, welke op een afstand van 531 meter is gesitueerd en een bedrijfsspanning van 50 kV heeft. Gelet op de afstand is de verwachting dat van ligging binnen de magneetveldzone van de verbinding geen sprake is.

In het kader van kabels en leidingen is sprake van een ETFAL.

Volgens artikel 1.3 van de Omgevingswet valt lucht onder de fysieke leefomgeving. Het gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen zoals luchtverontreiniging. Een goede luchtkwaliteit is belangrijk voor de gezondheid van mensen en voor het milieu. Het bevoegd gezag toetst en monitort de luchtkwaliteit op plaatsen waar representatieve blootstelling is. Alleen als de blootstelling voldoende lang of ‘significant’ is, moet het bevoegd gezag de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) toetsen. Dit uitgangspunt heet ook wel het blootstellingscriterium. Luchtkwaliteitstoets De gemeente moet de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. Er moet worden nagegaan of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de volgende activiteiten (artikel 5.51 lid 1 van het Bkl):  activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of;  activiteiten waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal. In artikel 5.50 lid 1 van het Bkl worden enkele activiteiten aangewezen waarvoor te allen tijde een luchtkwaliteitstoets moet worden uitgevoerd door de gemeente. Dit geldt ook indien er geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is.

Het gaat om de volgende activiteiten:  de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter;  een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt;  de aanleg van een auto(snel)weg. Enkel op locaties waar mensen aanwezig zijn, vindt er een beoordeling van de luchtkwaliteit plaats door de overheid. Indien locaties aan één van de volgende criteria voldoen, is er geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit benodigd:  relatief korte verblijven (blootstellingscriterium);  arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl);  als mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit (artikel 5.52 Bkl): o locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is; o de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm. Aandachtsgebieden

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 39

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): 1. Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerck, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) 2. Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oestgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) 3. Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de Ijssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) 4. Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) 5. Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven) Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.

Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder:  Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen;  Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen;  Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is

aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties.

De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van de tijdelijke vestiging van de IKC De Giraf. Op basis van voornoemde voorbeelden van Niet in betekende mate bijdragen kan niet één op één geconcludeerd worden dat het plan niet in betekende mate bijdraagt. Opgemerkt wordt dat het plan gezien de beperkte omvang en tijdelijkheid niet zal leiden tot een ‘in betekende mate’ verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving is volledigheidshalve in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn, met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMKL) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij de locatie inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden niet overschreden. Uit de tabel blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots onder de grenswaarden liggen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 40

Monitoringsronde 2024 Monitoringsjaar 2023 Monitoringsronde 2024 Monitoringsjaar 2030

12,73

15,26

7,61

11,18

13,85

6,66

Receptor wegverkeer 73540374_131871 Receptor wegverkeer 73540374_131871

In het kader van lucht is sprake van een ETFAL.

Wet luchtvaart De Wet luchtvaart betreft luchtverkeer, luchtvaartuigen en luchthavens. De wet is zowel verkeersrechtelijk als omgevingsrechtelijk van aard. De hoofdstukken 8, 8A en 10 van de Wet luchtvaart bevatten (voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) omgevingsrechtelijke aspecten, namelijk regels over (externe) veiligheid, geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging. De hoofdstukken bevatten op elkaar afgestemde regels voor het luchtverkeer (gebruik van het luchtruim, luchtverkeerswegen, luchthavens) en regels voor de ruimtelijke beperkingen op de grond (vooral bouwbeperkingen). Samenhang Omgevingswet De fysieke leefomgeving staat centraal in de Omgevingswet. De regels uit de Wet luchtvaart die leiden tot beperkingen ten aanzien van de aan gronden toe te kennen functie en het toegestane gebruik van gronden worden daarom overgebracht naar de instructieregels. Het gaat daarbij in ieder geval om regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid rond luchthavens, het behoeden van de staat en werking van luchthavens en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de directe omgeving daarvan. Luchthaven(indelings)besluit Schiphol Luchthavenbesluiten vormen het kerninstrument voor de regulering van luchthavens.

Luchthavenbesluiten bevatten aan de ene kant regels over het luchthavenverkeer en aan de andere kant regels over de ruimtelijke indeling in de nabijheid van de luchthaven. Omdat de Omgevingswet alle regels over de fysieke leefomgeving bundelt, vallen deze laatste regels onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Het luchthavenbesluit bevat uitsluitend regels over het luchthavenverkeer en een aanwijzing van de beperkingengebieden. Dit kunnen beperkingengebieden zijn in verband met de (vlieg)veiligheid, geluidhinder, externe veiligheid, laserstraalvrije gebieden of vogelbeperkingsgebieden. De ruimtelijke beperkingen die in de verschillende beperkingengebieden gelden, zijn opgenomen als instructieregels voor omgevingsplannen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee ligt de doorwerking van de ruimtelijke beperkingen naar omgevingsplannen vast.

Het plangebied is gelegen binnen het beperkingengebied van de Luchthaven Schiphol. In figuur 11 is een uitsnede hiervan opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 41

Echter gelden echter geen beperkingen met betrekking tot de bebouwing. Het nieuw te bouwen schoolgebouw IKC de Giraf hoeft hier aldus geen rekening mee te houden. In onderstaand figuur is te zien dat het plangebied buiten dit beperkingengebied is gelegen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 42

Het Luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art. 11.6 lid 3 Omgevingsbesluit).

Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 43

kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit).

De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject. De ontwikkeling betreft tijdelijke bebouwing. Indien de nieuwbouw van het IKC, ter plaatse van de huidige locatie (gelegen aan de Guido Gezellelaan) gereed is, verdwijnt de tijdelijke bebouwing die middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden.

Omdat sprake geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling hoeft een m.e.r.- beoordeling niet doorlopen te worden.

Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Gemeentelijk beleid Hillegom Het beleid ten aanzien van parkeren is door de gemeente Hillegom vastgelegd in het Parapluplan Parkeren, zoals vastgesteld op 4 december 2023. Het bestemmingsplan Parapluplan Parkeren heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Hillegom, die daar nog niet in voorzien, de juridische link te leggen met ‘geldend parkeerbeleid’ waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Dit parkeerbeleid is als dynamische beleidsregel aan het omgevingsplan gekoppeld.

Bij het toelaten van een nieuwe functie in het omgevingsplan dient het effect op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling te worden aangetoond. Daarnaast dient in beeld gebracht te worden wat de parkeerbehoefte zijn.

Parkeerbehoefte auto Op basis van het parkeerbeleid kan berekend worden hoeveel autoparkeerplaatsen nodig zijn en of er derhalve voldoende parkeergelegenheid voor auto’s aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Het beoogde programma voorziet in de realisatie van de tijdelijke huisvesting van de IKC de Giraf. Ten behoeve van de voormalige tijdelijke locatie is door onderzoeksbureau Roelofs een verkeersstudie uitgevoerd. Uit het onderzoek is te concluderen dat in de directe omgeving van de tijdelijke locatie voldoende Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 44

gelegenheid voor halende- en brengende ouders om te kunnen parkeren. Het personeel van de school en het KDV zullende auto’s buiten een straal van 100 meter van de school moeten parkeren. De rapportage van 12 maart 2024 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende rapportage. Aangezien de nieuwe locatie zich bevindt aan de andere kant van de Hillinweg en dus hemelsbreed maar 100 meter verplaatst is, kunnen deze berekeningen en gegevens integraal worden overgenomen. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanvullende notitie opgesteld met betrekking tot bouwverkeer en schoollogistiek van de nieuwe tijdelijke locatie Elsbroekpark. De rapportage van 2 december 2024 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende rapportage. Uit deze notitie volgt dat voor kinderen die worden gebracht en gehaald met de auto langs de Mesdaglaan, Hillinenweg en de Abellalaan voldoende parkeerruimte op korte afstand aanwezig is. Bij de Mesdagflat 6 en 8 en achter Mesdagflat 8 is het ook mogelijk om te parkeren, maar daar is het beschikbaar aantal parkeerplaatsen beperkt. Parkeren voor Mesdagflat 7 is niet gewenst om deze route veilig te houden voor kinderen die met de fiets komen. Parkeerbehoefte fiets In CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ staan kencijfers voor fietsparkeren voor diverse functies.

Er is sprake van een bandbreedte tussen een minimum en een maximum kencijfer. Afhankelijk van het beoogd programma dient de fietsparkeernorm berekend te worden. Het beoogde programma voorziet in de realisatie van een nieuwbouw schoolgebouw. Onderstaand zijn de van toepassing zijnde fietsparkeernormen opgenomen:

Het eigen terrein dient voorzien te zijn van fietsparkeergelegenheid. Het voorzien in voldoende fietsparkeergelegenheid vormt een randvoorwaarde voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling. Verkeersafwikkeling De verkeersgeneratie is niet anders dan in de huidige situatie. Alleen zal er meer verkeer via de Hillinenweg gaan rijden. De weg is wat profiel gelijkwaardig aan de Lodewijk van Deijssellaan en vormt dus geen probleem in de verkeersafwikkeling. Daarnaast geldt dat de wegen rondom de tijdelijke schoollocatie overzichtelijker zijn dan de Guido Gezellelaan. Daarmee is vooralsnog geen zorg dat de verkeersveiligheid ten opzichte van de huidige situatie slechter wordt.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 45

Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen randvoorwaarde voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling. Er is rondom de locatie voldoende gelegenheid voor halende- en brengende ouders om te kunnen parkeren. Het personeel zal buiten een straal van 100m van de school moeten parkeren.

De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.

Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 46

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: -

Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden

Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen;  20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen;  5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken.

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door IDDS een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 26 februari 2025 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende rapportage. De resultaten worden hieronder beschreven. Bescherming soorten Binnen het plangebied en binnen de verstorende invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden, dient een broedvogelinventarisatie uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Ook kunnen in omliggende gebouwen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten lichtbronnen zo zijn afgesteld dat deze niet op omliggende gebouwen schijnen.

Ook in de definitieve fase kan verstoring van vleermuizen worden voorkomen door geen verlichting te laten schijnen op de omliggende gebouwen. Naar aanleiding van de uitgevoerde natuurtoets kunnen de meeste soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten kan worden volstaan met mitigerende maatregelen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 47

Bescherming gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorende effect op soorten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid zijn op voorhand niet uitgesloten. Daardoor is het uitvoeren van een stikstofberekening noodzakelijk. Stikstof Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Peutz een stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportage van 25 februari 2025 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende rapportage. Uit de rekenresultaten volgt dat vanwege de aanlegfase van het plan geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bijdrage < 0,00 mol N/ha/jaar). Uit de rekenresultaten volgt tevens dat vanwege de gebruiksfase (van de tijdelijke huisvesting) van het plan geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage (bijdrage <0,00 mol N/ha/jaar).

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 48

Significante negatieve effecten als gevolg van de aanlegfase en gebruiksfase van het plan “tijdelijke huisvesting IKC De Giraf” kunnen op basis hiervan derhalve op voorhand worden uitgesloten.

In het kader van natuur is sprake van een ETFAL.

Niet gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze verplaatst of geraakt worden bij werkzaamheden in de grond, kunnen ze een gevaar opleveren. Conform Arbowetgeving dient het terrein daarom voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Gemeenten dienen hierin een eigen afweging te maken. Voor zover gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening / Verordening van de fysieke leefomgeving regels hebben opgenomen met betrekking tot dit onderwerp, blijven die regels onverkort van kracht zolang ze niet actief worden meegenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingswet heeft daarnaast geen invloed op gemeentelijk beleid ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten.

Binnen de gemeente Hillegom is nog vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Uit de kaart behorende bij dit onderzoek volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het gebied van het vooronderzoek. In het kader van ontplofbare oorlogsresten is sprake van een ETFAL.

Onder de Omgevingswet worden trillinggevoelige gebouwen – zoals gebouwen voor woongebruik, onderwijs of kinderopvang – beschermd tegen trillingen veroorzaakt door activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hiervoor in paragraaf 5.1.4.4 instructieregels opgenomen. Instructieregels zijn bindende regels voor bestuursorganen. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 Bkl zijn van toepassing op het toelaten van: a.

een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz plaatsvinden die veroorzaakt worden door een activiteit, anders dan het wonen, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit. De paragraaf is in beginsel niet van toepassing op: a. een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder;

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 49

b. met uitzondering van artikel 5.82 en 5.83, op een trillinggevoelig gebouw dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Trillinggevoelige gebouwen en ruimten Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Bovenstaande geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat. Ook zijn woonwagens en drijvende woonfuncties geen trillinggevoelige gebouwen. Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de functies die in sub a t/m d zijn beschreven. Aanvaardbaarheid Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn.

Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder. Beoordeling trillingshinder De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) vormt de basis voor het bepalen van trillingen. De SBR-richtlijn heet voluit: Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006'. Deze richtlijn is ook het uitgangspunt voor de Beleidsregel trillinghinder spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Het beoordelingskader voor trillinghinder door activiteiten is overgenomen uit deze richtlijn. Dit beoordelingskader staat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De voorgenomen ontwikkeling is niet aan te merken als een trillinggevoelig gebouw en/of een trillinggevoelige ruimte als bedoeld in het Bkl, omdat de ontwikkeling van een gebouw met een onderwijsfunctie is beoogd. Het uitvoeren van een onderzoek naar trillingshinder is niet noodzakelijk.

In het kader van trillingen is sprake van een ETFAL.

Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 50

betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl). Beleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma is vastgesteld op 18 maart 2022. Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 worden de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen beschreven. In het Nationaal Water Programma zijn drie hoofdambities opgenomen:  Een veilige en klimaatbestendige delta.  Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.  Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Beleid waterschap (waterbeheerprogramma) De projectlocatie is gelegen binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. 2.

Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur. 3. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. 4. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. 5. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten 6. Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. 7. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar. Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn.

Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt. Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Sinds 1 januari 2024 heeft het Hoogheemraadschap Rijnland een waterschapsverordening. Deze verordening vervang de keur en hierin staan regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij oppervlaktewater, dijken en gemalen. In de leggers geeft het hoogheemraadschap aan hoe breed en diep de

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 51

wateren in het gebied moeten zijn en hoe hoog en hoe breed de waterkeringen. Daarnaast staat op de legger wie waar voor welke onderhoud verantwoordelijk is. Het hoogheemraadschap kent de volgende vier leggers:  Legger oppervlaktewateren;  Legger primaire waterkeringen;  Legger regionale waterkeringen;  Legger ondersteunende kunstwerken. Onderstaand figuur betreft een weergave van de Legger oppervlaktewateren. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat ten noorden van de tijdelijke locatie een primaire watergang is gelegen. De beschermingszone van deze watergang reikt tot binnen het plangebied maar het tijdelijke schoolgebouw wordt hierbuiten gerealiseerd.

Daarnaast geldt dat de het plangebied niet gelegen is binnen een beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van de ontwikkeling worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink en andere uitlogende materialen niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit De oppervlakte aan verhard terrein neemt ten opzichte van de huidige school af. Het hoogheemraadschap heeft goedkeuring gegeven om het tijdelijke schoolplein aan te leggen voor een periode van 2 à 3 jaar. Dit plein zal worden verwijderd zodra de permanente school in gebruik wordt genomen. Het tijdelijke schoolplein ter hoogte van de Giraf beslaat 1.000 m2. Voor de afwatering mag gebruik worden gemaakt van de omliggende waterpartij in het Elsbroekpark.

In het kader van water is sprake van een ETFAL. Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 52

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.

Ten behoeve van het plan heeft een informatieavond plaatsgevonden, waarbij bezoekers hun opmerkingen hebben kunnen noteren op een formulier. Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de positieve opmerkingen en negatieve opmerkingen. Positieve opmerkingen:  Snelle start wordt gewaardeerd: men is blij dat er eindelijk iets gebeurt.  Goede/fijne locatie voor de tijdelijke school wordt meerdere keren genoemd.  Mooi/nieuw gebouw wordt als positief ervaren.  Besluitvaardigheid wordt gewaardeerd: “Knopen hakken”, “Tijd kost geld”.  Enthousiasme: meerdere keren “Top”, “Helemaal top”, “Prima locatie”, “Top plan”. Negatieve opmerkingen:  Onduidelijkheid over fietsparkeren: men vraagt zich af waar de fietsen geparkeerd gaan worden.  Parkeeroverlast Abbellalaan: verzoek om een stopverbod aan de parkzijde.  Verzoek tot behoud of herplaatsing speeltoestellen.  Zorgen over fietsverkeer over bruggen: verzoek om ‘nietjes’ om ongewenst fietsgebruik te voorkomen.  Sommige mensen zijn niet tevreden, maar ook direct gerelativeerd. Al met al is de bewonersavond goed verlopen en viel het niet tegen. Er waren een aantal verontrustende buren, maar veelal positieve reacties.

De Algemene wet bestuursrecht kent twee voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de korte voorbereidingsprocedure doorlopen. Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit, tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Dan volgt voor eenieder de mogelijkheid om eventuele bezwaren tegen het besluit bekend te maken. Een bezwaarmaker moet het bezwaar binnen 6 weken indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1733/documents/23160